Willem Bilderdyk (1756-1831)

Hoop.

Ik heb gewacht na medelijden.

                        Psalm LXIX. 21.

Een Heiland heeft voor ons geleden,
Voor ons den zondenstrijd volstreden,
Voor ons aan ’t gruwzaam kruis geboet;
En wy die langs Zijn kruispaal treden,
Wy, nat van ’t op ons drupplend bloed,
Wy offren ’s warelds dartelheden
Ons hart, ons leven, ons gemoed!

Ondankbren, zinneloozen, snoden,
Die zulk een zoen, der Wraak geboden,
Veracht, verwerpt uit blinden trots:
Gy, ingebeelde wareldgoden,
Die, midden onder ’t golfgeklots,
U op een throon van weeke zoden
Durft zeetlen als op vaste rots!

Kunt, kunt ge uw jammer niet doorgronden,
Ach, ziet voor ’t minst op Jezus wonden
Met menschlijk deelend zielsgevoel!
Ziet de Onschuld aan die staak gebonden;
De Deugd aan Helschen smaad ten doel;
Het vlekloos lichaam wreed geschonden;
En blijft by dit gezicht niet koel!

Kunt, kunt ge in ’t Hemeltergend druischen,
De woede en haat Hem aan zien bruischen,
Die, lijdend slachtlam, schuldloos sterft,
En ’t Vorstlijk bloed uit ader ruischen
Van geesselsnoer en priem doorkerfd,
Daar ’t sijpelend langs slavenkruissen,
’t Van schrik ontzettend aardrijk verft? —

Kan ’t hart van dankbaarheid niet blaken;
Wil hoogmoed aan dien Zoen verzaken;
Voor ’t minst beschouwt die stervenssmart.
Kan menschlijk leed een boezem raken,
Voor menschlijkheid niet gantsch verspard,
Wat slaat ge hier met drooge kaken,
Met harder dan een rotsen hart?

Rampzaalge Vleesch- en lustgezinden,
Wien Hel- en Wareldgeest verblinden,
Ach, heft voor ’t minst uw oogen op;
En, meent ge op aard uw heil te vinden
By ledig kaf en ijdlen dop,
Waar worm en tijd de vrucht verslinden;
Voor ’t minst, schenkt hier een tranendrop!

En tranendrop! — Die dees kan plengen,
Die dees Zijn kruisdood toe kan brengen,
In mensch — den Godmensch niet meer vremd!
Die traan doorweekt de taaie stengen
Die de Afgrond ons om ’t harte klemt;
Die traan zal zich aan ’t Zoenbloed mengen,
Op ’t overdrupte kleed gestremd!

En tranendrop die langs de wangen
Voor ’t Aldoorschouwend oog blijft hangen,
En zucht die ’s harten grond ontschiet,
Wordt blij door de Englen opgevangen
En gaat in ’t Godsrijk nooit te niet;
Ja, wekt hun Choor tot dankgezangen
Die ’t aan hun God en Koning biedt!

Die traan zal niet ontvruchtbaar vloeien,
Maar ’t zuchtend hart haar voelen gloeien,
En ademen naar Hemelvlucht.
Heur ader zal den grond besproeien,
Doorwaaid van nieuwe morgenlucht;
En ’t zaad der Godsvrucht zal daar groeien,
Waar ’t vatbaar is voor d’eersten zucht!

      1824.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 12 september1997