Ons eerste Huwlijkspand, met ons in t leed
verdrukt;
By onverwrikbren moed, gelaten, zacht, en teder,
In deersten knop der jeugd aan onzen arm
ontrukt,
Gaf verr van t Vaderland zijn ziel aan de Almacht
weder.
t Was t Uwe, ô God! hy droeg Uw hemel
op t gelaat,
Hy droeg dien in een hart vol kalmte, door de baren:
Ach, zwijge U wie het oog op dees zijn schaduw
slaat,
Die t bloedend Oudrenhart getrouwer blijft bewaren!
Ruste op de laatste telg van t eens zoo
talrijk kroost
Uw zegen slechts, Uw geest, en, ja, wy zijn
getroost!
1823.
Ingezonden: 11 september1997