Willem Bilderdyk (1756-1831)

De schoonste Lusthof.

Wat ’s de liefelijkste Gaard
In den omvang van heel de aarde?
Wat de schoonste vreugdenhof,
Duikende in zijn lommerlof?
Waar het zielverrukkendt Eden
Van den Hemel afgebeden,
’t Geen nooit Lustbeemd overtrof?

’t Is niet waar de frissche roos,
Waar de blozende abrikoos,
Geuren strooit of kleuren mengelt;
Waar de wijnstok tros aan tros
In den dichten bladerdosch
Met den zachten appelblos
Aan granaat en vijgen strengelt.
’t Is, waar ’t zachte huwlijksbed,
Van den twistrook onbesmet,
Vruchtbaar in geliefde loten
Uit de reinste Mijn gesproten,
Van zijn ranken is omzet.
In dien Lusthof bloeit de Vreugd
In omarming van de Deugd,
Strooit heur zilvren bloesembladen
Op met thijm gevloerde paden,
Waasemt heil en wellust uit;
Lacht de nieuw ontknopte spruit,
Speelt en springt en tiert en dartelt
Van de maagdepalm omsparteld,
En, met lieflijk geitenblad
Majolein en epp’ doorvat,
Die zich met vereende vlechten
In heur slingring samenhechten;
Buigt en klemt zich om den tronk
Die haar uit zijn wortel teelde,
Wien de reine Bron van weelde
Frissche levenssappen schonk.
Daar, daar daauwt des Hemels zegen,
Daar laaft koele zomerregen,
Koestert stralend zonnevuur,
Juicht de lachende Natuur
In heur rozenkoets gelegen,
Stooft des Zefirs zoele zucht;
En de traaggerijpte vrucht
Ademt, wie haar nadert, tegen
Met verkwikkende amberlucht.

Daar is ’t stormen onbekend
Dat het woeste Noorden zendt;
Daar de gure najaarsvlagen
By het krimpen van de dagen.
Daar, in spijt van ’t jaarsaizoen,
Is de bloemgaard eeuwig groen;
Daar, uit nooit ontblarde struiken
En vernieuwde plant by plant,
Anemoon en amerant
By de grasviool ontluiken,
En de krokus en narcis
’t Veldkleed tot schakeering is,
En de winterviolieren
Om de hulst en taxis zwieren.
Ja, als sneeuw en hageljacht
De akkers met heur last bevracht,
Heft het geurig bloemgemengel
’t Blinkend hoofd op fieren stengel,
En belacht het bijster wer,
Schoon het stammen ploft ter ner.
Ja, wanneer de Wintervlokken
Hechten op verdunde lokken,
Lacht de Lente nog in ’t oog,
Altijd vrolijk, altijd droog;
Schittrend van geen dartle lonken
Maar van teedre vreugdevonken
Die het dankbaar hart ontsteekt,
Van hemeldaauw doorweekt,
En van hooger Geest doorwemeld
Die geheel de ziel verhemelt,
En, als de Afscheids-Engel wenkt,
Voor de hier geteelde vruchten,
Hier genoten zielsgenuchten,
’s Levens gulden appel schenkt.

      1824.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 12 september1997