Willem Bilderdyk (1756-1831)

Mededeelzaamheid.

2 CorinthiŽrs IX, 7.

Geef der Nooddruft, troost die klagen!
Ja mijn ziel, de gift is zoet,
Niet voor dien de nood doet vragen,
Maar den gever die ze doet.

Doch, wat is het ware geven?
Ach, de trotsche geeft uit waan;
Acht zich door de gift verheven;
En zy brengt geen zegen aan.

Weekheid geeft slechts om ’t vervelen
Van de weeklacht die zy hoort,
Zonder in een smart te deelen
Die hun aardsch genoegen stoort.

Heerschzucht, om in ’t hart te zwellen,
Dat geen andre lust geniet
Dan om slaven op te tellen
Die het zich afhanklijk ziet.

En dit zult ge GEVEN noemen?
Blinde stervling, neen gy dwaalt.
Die zich-zelf in ’t hart kan roemen
Heeft zich voor de gift betaald:

Die er de eerzucht meÍ bedoelen,
Ruilen ’t goud voor de Eigenzucht:
En onheilig is ’t gevoelen
Dat slechts deernispijn ontvlucht.

Zijn er niet, wien dwang van plichten
’t Zich met pijn van ’t harte scheurt,
Wier weldadigheidverrichten
’t Innige gevoel betreurt?

Wien ’t huns ondanks wordt ontwrongen,
’t Zij door voorgevoel of gezag;
Door beschaming afgedrongen
Met innig zelfbeklag?

Hy die dit een gift kan heeten,
Kent den naam slechts, niet de daad;
En teelt wroeging in ’t Geweten
Als het eens zich-zelf verstaat.

Wat dan zijn uw beste gaven,
Lieve Christen? — Eigenbaat. —
En — wat zijn wy? — Zondenslaven,
Waar geen goedheid by bestaat

Dat-alleen is waarlijk geven;
Dat ons Jezus geven doet;
Dit-alleen, de vreugd van ’t leven;
Dit, verheuging van ’t gemoed.

Dierbre Heiland! In zijn broedren
U te geven wat men geeft,
Is de wellust der gemoederen,
Waar Uw geest het hart doorzweeft.

U met tederheid te danken,
Dat Ge ons dit in ’t harte zendt,
Is genezing voor den kranken,
Diet zijn diepen afval kent.

Af te geven op Uw wenken
Wat aan U behoort, niet ons;
En zich anders niet te denken
Dan als uitgeperste spons;

Blij de droppels uit te stroomen
Waar Uw hand haar mede drenkt;
Die zy, dankbaar ingenomen,
Even dankbaar wederschenkt!

Blij, dat haar Uw hand wil drukken,
En door haar Uw welda‚n spreidt!
Dit is ’t echte hartverrukken,
Christnen weldadigheid!

*

Doe ons geven, Hemelvader,
Aller gaven eerste bron!
Maak een sprankjen uit Uw ader
Van dees lekke waterton;
Altijd ledig of verdroogend,
Altijd dorstend, nooit vervuld;
Die Uw gunst zoo mededogend
In haar nutloos zwelgen duldt!

Neen, zy wil niet overvlieten;
Niet verbarsten aan haar schat;
Niet uw gaven weg doen schieten,
Van haar banden uitgespat.
Neen, zy wenscht slechts om Uw zegen,
(Zij het minder, zij het meer!)
Uit te storten als een regen
Die Uw grooten naam vereer’!

1824.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 14 september1997