Willem Bilderdyk (1756-1831)

Moeders.

’t Blatend Zooglam zuigt zijn moeder,
Wie de zwellende uier prangt;
God bestemde ’t lavend voeder
Dat een hulploos wicht verlangt;
’t Is elk jongsken ingedreven,
Dat het d’oorsprong van zijn leven
Aan den milden boezem hangt.

En gy Moeders, neen Gedrochten,
Die dees hemelbron miskent,
En, vervoerd door dartle tochten,
De ordening der Almacht schendt;
Gy verstoot uw ingewanden
Uit de moederlijke handen,
Aan natuur en plicht ontwend!

Zelfs in Barkaas woeste zanden
Zoogt de beer heur vormloos jong,
Eert de tederste aller banden,
Lekt en vormt het met de tong.
’t Ondier van Nisates klippen
Stort de melk hem op de lippen
Wien Natuur zijn’ schoot ontwrong.

Gy alleen, van God vervallen,
Menschen, Vrouwen, (beeft en bloost!)
Om by feest en dans te brallen,
Droogt die Welbron voor uw kroost?
Monsters, heeft een God u ’t leven,
Ja Zijn bloed voor u gegeven?
Hoopt gy op Zijn hemeltroost?

Gy, vertrapsters van uw plichten,
Die Zijn dierste gift verzaakt,
Door voor hulpelooze wichten,
Daar de Hel uw boezem blaakt;
Gaat vrij de inspraak van ’t geweten
Op ’t ontuchtig Bal vergeten;
’t Oogenblik der wraak genaakt.

Praalt met uw behoorlijkheden;
Voert het overspel te pronk!
Spaart uw borst en ranke leden,
Die u God voor kinders schonk.
Gaat, en maakt de schuld volkomen;
Volgt het hooggevijzeld Romen
Toen het in zijn luister blonk!

De Echtband toch is lang verwrongen,
Wat is de Ondeugd nog te snood?
Liefde en teęrheid zijn verdrongen,
En de dartelheid vergood!
’t Zalig kraambed dreigt met smarte;
Dooft, by ’t moederlijke harte,
Ook het leven in uw schoot!

      1823.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 12 september1997