Quid fles, Asterie, quem tibi candidi
Primo restituent vere Favonii.
H O R A T I U S.
Gy schreit, Olinde? schrei ja schrei,
Uw weêrhelft klieft de zoute baren
Om goud en kostlijke Oosterwaren,
En zwalpt en zweeft in Gods gelei.
Hy wordt op t boordloos meir gesold,
Waar andre starren de aard beschijnen,
In zorg om u, in angstig kwijnen,
Daar traan by traan zijn oog ontrolt.
Hy treedt aan goud- en parelkust,
En ademt Morgenlandsche geuren,
Maar voelt den boezem zich verscheuren,
Die niet dan in uw armen rust.
Vergeefsch tracht weelde en donzen lucht,
Verhittend voedsel, zinvermaken,
Hem t hart dat u behoort, te ontschaken;
Het kent, het voedt geene andre zucht.
Geen tokkling van verleidend schoon,
Geen listig aangelegde lonken,
Zijn machtig om dat hart te ontvonken;
Geen gaaf, verstrikkend aangeboôn.
Neen, doover staat hy dan een rots,
Die wortelvast in t hart der golven,
Het hoofd om hoog beurt, onbedolven,
En roerloos by het zeegeklots.
Doch gy, thands eenzaam vrouwtjen, gy!
Blijft, blijft u t denkbeeld van uw Gade
(Ga met Gewisse en hart te rade!)
Wel even zoo standvastig by?
ô Laat op t vrouwlijk week gemoed
Geen vleiery een indruk maken,
Waardoor ge uw plichten zoudt verzaken!
Geen taal die de eigenliefde voedt!
Sluit de oogen voor elk manlijk schoon,
Het oor voor t toovrend oorenstreelen,
Het hart, voor spel en schouwtooneelen;
En sprei uw gaven niet ten toon!
Houd, tedere, op u-zelve wacht!
Zoo ge eens vermaak schepte in behagen,
Het ware uw deugd, uw zielsrust, wagen;
In t vlieden slechts bestaat uw kracht.
Voed meer dan Weduwlijke rouw!
Elk ademtocht van uw leven,
Elk zuchtjen moet te hemwaart streven,
Die t recht heeft op uw Huwlijkstrouw.
Verbeid! Wanneer t gevleugeld jaar
Zijn wandelkring heeft rondgeschreven,
Zal t windtjen hem uw arm hergeven,
Van Indus mijn- en strandroof zwaar.
1824.
Na Horatius.
Ingezonden: 11 september1997