Willem Bilderdyk (1756-1831)

Aan een stokoud Vriend, tot verjaring.

Alle jaren, alle Jaren
Nieuwe toontjens uit mijn snaren!
   Neen, mijn Vriend, dat loopt te straf.
Dat ’s voor twintig Jaar begonnen,
En tot zoo lang voortgesponnen,
   Maar, zoo raak ik nooit daaraf.

’k Dacht, de man is op zijn dagen;
Laat hy wer een versjen vragen,
   ’t Is met drie of vier gedaan:
Zeven Kruisjens, een daar boven,
(Anders kon ik niet gelooven,)
    Kunnen voor een mensch volstaan.

Dat zoo de loop der zaken;
Daar mag iemand staat op maken:
   Mozes heb ik tot garand.
Maar och neen! ik ben bedrogen,
En, heeft Mozes niet gelogen,
   ’t Is van my een misverstand.

Hoor, Patroon ! ik gun u ’t leven:
Zie uw kleinkinds achterneven,
   En hun achterkleinkinds kind;
Maar dat alle Jaar verjaren
Is een schrikkelijk bezwaren
   Voor een Dichterlijken Vrind.

Lieden die met u verouden,
Weten dat niet uit te houden.
   Echter blijf ik by mijn woord;
Maar zoo moeten wy te samen
Daar een middel op beramen;
   Maken wy een goed akkoord!

’k Zal uw Jaardag steeds vereeren;
Maar hy moet niet wederkeeren
   Dan alleen om ’t tiende Jaar.
En zoo keer’ hy twintig malen,
’k Wil u ’t vers dan graag betalen;
   Dit alleen verlang ik maar!

      1823.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 12 september1997