Willem Bilderdyk (1756-1831)

Verjaring.

’k Vierde garen
Uw verjaren
Op mijn snaren;
Maar helaas!
Zy bedanken;
En haar klanken
Zijn maar janken,
Hol geraas.
Zy verhairen,
En verklaren
Al mijn goeden wil voor dwaas.

Zoo gy mede
Aan die rede
Op mijn bede
Ingang schenkt,
En niet morren,
Wilt, of knorren,
Dat u ’t snorren
De ooren krenkt;
Maar te vrede,
In mijn stede
Aan ’t verval der jaren denkt;

Zoo vermeere
Telken keere
(Wat verteere,
Wat verga,)
Uw genoegen
Onder ’t zwoegen
Van ons ploegen,
Vroeg en spā!
En zoo were
Wat ooit deere,
De onbeperkte Godsgenā!

Wat aan ’t leven
Prijs kan geven,
Zij verbleven
Aan dien God,
Die by weelde
Waar ze ooit streelde,
Leed bedeelde
Aan ons Lot;
Maar een streven,
Meer verheven,
Schenke u ’t beter Heilgenot!

Wat heeft de aarde
In heur gaarde
Toch voor waarde ? —
Wrange vrucht.
Fletse bloemen,
Ras te noemen,
Slecht te roemen,
Scherp van lucht.
God verklaarde,
Wien hy spaarde,
’t Was voor meer dan aardsche zucht.

’t Geen wy wachten
Duldt geen klachten,
Geen versmachten,
Wensch noch smart.
Dit dit geft Hy,
Hiertoe leeft gy,
Hier aan kleeft gy
Met het hart.
Hoe verzachten
Die gedachten
Wat ons somtijds hier benart!

Zijn er plagen
Die ons knagen;
’t Leed te dragen
Eischt de plicht.
Zelfs in ’t lijden
Is verblijden,
Godlijk licht.
Moog ’t u dagen,
In die slagen
Vriend en Magen,
Wenschen ’t met mijn hobbeldicht.

1823.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 11 september1997