Willem Bilderdyk (1756-1831)

Op eene verzameling van mijne Afbeeldingen.

                In pejus vultu proponi cereus usquam.
                                               
H O R A T I U S.

Een Wildeman, het dolhuis uitgevlogen: — (1784)
Een goed Hals, maar zonder ziel of kracht: — (1788)
Een Sukkelaar, die met verwonderde oogen
Om alles met verbeten werzin lacht (1806)
Eens Franschmans lach op halfverwrongen kaken,
Die geest beduidt op ’t aanzicht van een bloed: (1813)
En, om ’t getal dier fraaihen vol te maken
Een Financiers verwaande domme snoet. — (1820)
En dat moet ik, dat moet een Dichter wezen! —
Gelooft gy ’t ooit, die deze monsters ziet? —
Geeft, wat ik schreef, n trek daar van te lezen
Zoo zeg gerust: Hy kent zich zelven niet.

Maar zacht een poos! — Hoe langer hoe verkeerder!
Men vormt my na uit Pottebakkers aard; (1820)
Doch de Adamskop beschaamt den kunstbootseerder;
En ’t zielloos ding is zelfs den klei niet waard. —
Nu komt er een, die zal u ’t echte leven
In lenig wasch met volle lijk’nis geven;
En deze held, wat spreidt hy ons ten toon?
De knorrigheid in eigen hoofdpersoon;
Met zulk een lach van melij’ op de lippen,
Als ’t zelfgevoel eens Trotzaarts af laat glippen,
Verachting spreidt op al wat hem omringt,
En, half in spijt, zich tot verneedring dwingt. (1822)

                *

Mijn God! is ’t waar, zijn dit mijn wezenstrekken,
En is ’t mijn hart, dat ze aan mij-zelf ontdekken
Of maaldet gy, wier kunst my dus herteelt,
Uw eigen aart onwetend in mijn beeld? —
Het moog zoo zijn. De Rubens en van Dijken
Zijn lang voorby, die zielen den gelijken;
Wier oog hun ziel een heldre spiegel was,
En geest en hart in elken vezel las,
Niet, dagen lang, op ’t uiterlijk bleef staren,
Maar d’eersten blik in ’t harte kon bewaren,
Dien blik getrouw in klei of verven bracht,
En spreken deed tot Tijd- en Nageslacht.

Die troffen, ja! die wisten af te malen
Wat oog en mond, wat elke zenuw sprak;
Wier borst, doorstroomd van hooger idealen,
Een hand bewoog die ’t voorwerp nooit ontbrak.
Doch, wat maalt gy ? — ’t Misnoegen van ’t vervelen
Voor Rust der ziel in zalig zelfgenot;
Met Ongeduld om ’t haatlijk tijdontstelen;
En — Bitterheid, die met uw wanklap spot
Wen ge, om den mond iets vriendlijks af te prachen,
Of slaaprigheid of mijmrende ernst verstoort,
En door uw boert het aanzicht tergt tot lachen
Met zotterny, slechts wreevlig aangehoord.

Maar HODGES! gy, die uit vervlogen eeuwen
De Schilderkunst te rug riept op ’t paneel
Geen mond mismaakt door ’t zielverteerend geeuwen,
Maar kunstgesprek vereenigt aan ’t penceel!
Zoo ’t Noodlot wil, dat zich in later dagen
Mijn naam bewaar in ’t onwijs Vaderland,
En eenig beeld mijn leest moet overdregen,
Het zij geschetst door uw begaafde hand.
In uw tafreel, bevredigd met my-zelven,
Ontdek ik ’t hart dat lof noch laster acht;
En, die daaruit mijn ziel weet op te delven
Miskent in my noch inborst noch geslacht.

      1822.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 12 september1997