Willem Bilderdyk (1756-1831)

Inleiding Rotsgalmen deel 2

« Zijn det verzen waar een Dichter
   » Lof en lauwerblaān van hoopt,
   » Of de Onsterflijkheid meź koopt ? — »
Neen, die wint men eindloos lichter
   In deze Eeuw van razerny:
Vlei haar slechts in al haar zotheźn,
Kniel voor de opgeworpen Godheźn,
   Heb de schreeuwers aan uw zij,
En uw krachtelooze vaerzen,
Stappen ze in Dragonders laarzen,
   Zijn verheven Melody.

Neen, ook zelfs in wijzer dagen
   Dong een droomrig Grijzaarts lied
   Naar Permessus eerloof niet,
Waar men sprongen voor moet wagen.
   Neen, ik kruip maar langs den grond,
En by zoo veel Dichtrenzwermen
Wier trofeźn mijn kachels warmen
   By de winteravondstond,
(Vraagt niet, of door eigen hitte
Die hun Febusboom bezitte,)
   Brom ik slechts ter halver mond.

Wacht dus, Vrienden, in mijn galmen
   ’t Klaatren van trompet noch Luit
   Dat op zwerk of muren stuit;
Wacht geen tjilpend zoet der halmen
   Dat wellustige ooren streel’;
Neen, verwacht slechts zielsgevoelens,
Na een leeftijd tobbens, woelens,
   Voor eens menschenkracht te veel,
Nu wanhopig, dan te vreden
Doorgeworsteld, doorgestreden,
   Uit een langverstramde keel

      1824.                                      B.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 16 september 1997