Willem Bilderdyk (1756-1831)

Gedenkdag van Waterloo.

Mentemque lymphatam Mareotico
Redegit in veros timores.

H O R A T I U S.

Laat thands de dankbre juichtoon rijzen
De Lofzang klimmen voor Uw throon,
Ű Gy wien de Englenchoren prijzen;
En, by der Heemlen eerbewijzen,
Ontfang ook onzen hartentoon!
Zie daar den dag, den dag van zegen
Die ’t zich herzeetlend Algeweld
Deed siddren voor dien Heldendegen,
Die ’s Aardrijks Dwingland heeft geveld!

Dees dag zag bloedrivieren golven,
Zag lijken staaplen in de lucht;
Den grond met stervende overdolven;
Den Dwingland siddrende op de vlucht!
’t Was God wiens dondrend Alvermogen,
Wiens wraakzwaard, vlammende uitgetogen,
Zijn schrik in ’t ijzren harte dreef!
Wiens bliksem, raatlende uit den hoogen,
Hem ’t vonnis van verdelging schreef!

Van ’t bloed van gantsch Europa dronken,
Verhief zich ’t trotsche Moordrenheir,
Van zegepraal, van roem omblonken,
En wierp de Koningsthronen neÍr.
De Helsche donders branden, pletteren;
Hun nooit verstompte zwaarden kletteren;
Hun rossen trapplen ’t aardrijk plat;
Beef, NeÍrland! Neen, wat zoudt gy beven,
Ga, ga den Helhond tegenstreven,
Wien ’t bloed in ’t vlammend aanzicht spat!

Als de aadlaar op een nest van slangen
Van uit de wolken nederstort,
Vliegt met door de Eer gebloosde wangen
Oranje, van Gods geest bevangen,
Door de op elka‚r gepreste drangen,
Waar ’t dichtst van donders om hem snort.
Daar rukt hy aan, aan ’t hoofd dier braven;
Volgt, volgt hem, afkomst dier Bataven,
By ’s warelds onderdrukking vrij,
Die Romes aadlaars deden duiken;
Wier moed hun wieken wist te fnuiken!
De Zege wenkt u aan Zijn zij’.

Ja, Heldenbloed teelt Heldenloten:
De fiere hengst uit eedlen stam
Is nooit voor ’t ploegjuk opgeschoten,
Maar hijgt en briescht van Oorlogsvlam.
Hy rust’. De schorre krijgstromp daver’,
Hy steigert, vliegt uit weide en klaver,
En springt, en stamphoeft van den moed;
Kent zich voor ’t oorlogsperk geboren,
En vangt het slachtgedruisch met de ooren,
En snuift den rook van ’t ruischend bloed.

Maar ’t uwe vloeit en kleurt de velden,
Gy, NeÍrlands hoop en toeverlaat!
Wat kogels om u henen snelden,
Wat bloedstroom ge immer hebt doorwaad
Waar Betis zilvren waatren spoeien,
De zomers druif en vijgtros schroeien,
Waar niets dan slachting waarde en dood;
Hier moest dat Nassausch bloed weÍr vloeien,
Dat bloed, verbreker onzer boeien;
De Wel, waar NeÍrlands heil uit sproot!

Wreekt, wreekt het, broedelijke Belgen,
Bataven, en gy wakkre Brit!
Gy, Teutoos oorlogshafte telgen,
Door langgetergde spijt verhit!
Ja wreekt het! — Stort, gy kogelregen,
In buien, dicht als stormend zand!
Zwaai, bliksemende Heldendegen!
En, vlam-uitstroomend vuur, ontbrand!
Gods Englen strijden op de wolken
Met zegesmeekend juichgebed;
’t Geweld zinkt neder in zijn kolken;
Juicht, NeÍrland! juicht, bevrijde Volken!
’t Hersteld Europa werd gered.

Hoe treft dien Krijgsman, zoo vermetel,
Die nooit gevaar of dood ontzag
By ’t nederstorten van zijn zetel,
’t Bedwelmen van dien bliksemslag!
Hy vliedt, laat tros en oorlogswagen,
Op vleuglen der angst gedragen,
Als hertwolf dien de honden jagen,
En zoekt een schuilplaats — ach, waar heen? —
Waar nooit de lucht uw naam weÍrgalmde,
’t Vergoten bloed ten hemel walmde,
Zoek daar uw schuilplaats! daar-alleen!

En gy, weÍr vrije Batavieren,
Viert thands uw nieuw Geboortelicht!
Vlecht zegepalm en eerlaurieren
Om zaal en vreugdedisch te fieren,
En wijdt voor bloed van offerstieren
Den God die hart doorziet en nieren
Uw gloeiend-dankbren harteplicht!
Ű Ziet dees Jaardag nimmer keeren
Dan onder ’t innigst GodverŽeren,
In ’t blijd erkennen van Zijn macht!
Ja roemt den God der legerscharen,
Den God van haardstede en altaren,
Die wondren wil, en ’t is volbracht!

  1824.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 10 september1997