Willem Bilderdyk (1756-1831)

Winter.

Horrida tempestas coelum contraxit —
                                        H O R A T I U S.

Bromt, buldert, woedt, vermeetle Dwingelanden
   Die thands in ’t vak der vale lucht gebiedt!
Daalt, nevels, daalt, omhult, begraaft de stranden;
   Rijst, bergen sneeuws die uit de wolken schiet!
De zwaluw vlucht en kruist de azure baren,
   Of slaapt vermoeid in poel en waterplasch.
De mosch-alleen blijft hier om voedsel waren,
   En hupt en piept op ’t dorre struikgewas.
Geen tortel kirt door ’t eenzaam der valeien;
   Cythere week, zy mist heur wagenspan.
De vale Dood schijnt hier zijn kleed te spreien,
   En ’t Leven vliedt voor ’s aardrijks Beurttyran.
Piep, bruin geslacht, en rep uw matte vlerken;
   Schud af die vracht, die sneeuw die ze overstrooit,
En ga uw borst in ’t warme nestjen sterken,
   Waar teedre min het kille hart ontdooit.
Of heeft u licht de honger uitgedreven?
   Ach, ’t is vergeefs — gy boort geen dekkleed door
Als de aard verhult, die wat ze u wenscht te geven
   In ’t wintergraf van moordend ijs verloor!
Ach, sterf voor ’t minst aan ’t harte van uw gade;
   Die dood, hoe hard, is nog der liefde zacht!
Geen tederheid smoort Winters ongenade;
   Doch keer tot haar, die hijgende op u wacht.
Doch neen, uw oog kan ’t hare niet ontmoeten,
   Van honger dof, verduisterd van den nood;
Kom aan dit brood uw eigen honger boeten,
   En werp haar dan een aandeel in den schoot!
’k Weet, wat het zegt, een GÔ te zien versmachten!
   ’t Gebrek is zoet, by dat waar ’t hart in lijdt;
Maar zoek’ geen baat uit vruchtelooze klachten,
   Noch geev hy ’t op, die met het onheil strijdt!
Die ’t lijden kent, kent ook het mededogen.
   Gevogelt’, ja, ook gy hebt recht op spijs :
Uw leven ook is dierbaar in mijne oogen :
   Dat leven is mijns Scheppers gunstbewijs.
Ach, moet ge soms voor mijn behoefte bloeden,
   Hy is ’t, die u dees lotbestemming gaf,
(Ook my zal niets voor ’t geen my wacht behoeden,)
   Maar ’t leven-zelf zij ’t schepsel niet tot straf!
Mijn hart neemt deel in ’t krimpen van de wormen
   Die dees mijn voet met wederwil vertreedt,
En, moet mijn hand verwoesting op u stormen,
   ’t Zij dan voor ’t minst met geen vermijdbaar leed.
Natuur is mild; zou ik gevoelloos blijven
   Als wel te doen aan mijn vermogen staat?
Die nooddruft zoekt, verachtend van my drijven,
   Zoo lang een hart in dezen boezem slaat?
Neen, Liefdeplicht omsluit zich in geen palen.
   Gevogelt’ ja, dat om uw voedsel zwoegt,
˘ Mocht ik al wat nood lijdt dus onthalen,
   Dan waar mijn ziel, by wat zy leed, vernoegd!
˘ Rijkaarts! gy, die in uw pels gedoken,
   By ’t strelen van uw blaakrend wintervuur
Aan ’t stulpjen denkt waar rijs noch sprokk’ling rooken,
   Staat aan uw hart dat zelfgenot niet duur?
˘ Wenscht ge niet een deel van ’t uw te schenken
   Aan wie zoo veel, van ’t noodigst-zelf, ontbeert?
Of kan ’t dat hart in dat genot niet krenken,
   Wie aan uw zij’ door ’t jammer word’ verteerd?
Kunt ge aan uw disch de spijs met vreugde smaken,
   En zien niet naar wie hongren om u heen?
In zang en spel uw ledig hart vermaken,
   En laten, wie dit aanstaart, in ’t geween?
Ach, zoo is meer dan wind en onweŕrvlagen,
   Dan hageljacht, dan nevel, sneeuw, en vorst,
Ontmenschen, in uw ijzren borst geslagen;
   Dan woont de Hel, de Hel-zelv in die borst.

      1824.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 13 september1997