Willem Bilderdyk (1756-1831)

Cothilde aan haar zuigeling.

Dierbaar beeld uws Vaders, teder Wichtjen,
Slaap op de borst die ’t lieve mondjen drukt!
Luik aan mijn hart dat Englenlief gezichtjen,
Dat heer mijn ziel in wellust houdt verrukt.

Lief kleintjen, slaap, en smaak die sluimringsweelde,
Die moeders oog sints lang niet overspreidt.
Zy waakt om u; en, wat haar ’t hart ooit streelde,
Dit waken heeft een teedrer zaligheid.

Zy waakt om u, — om in de vreugd te baden
Van u te zien, te zorgen voor uw rust.
Hoe zou ze ’t oog in u te zien, verzaden?
Hoe ’t zwelgend hart verzaden in die lust?

Slaap dierbaar kind, gy afgod van mijn harte!
Slaap op het hart waar ge onder werdt gevoed,
En afgescheurd met bange en teedre smarte;
En — wien dat hart nog voedstert met zijn bloed.

Boet daar uw trek met wellustvolle teugen,
En slaap, mijn wicht, van de overstelping in!
Al mag me stem door ’t kirren slechts verheugen,
Dat lief geluid betoovert ziel en zin.

Eischt, als ge ontwaakt, wer nieuwe lavingtoogjens,
En straal me op nieuw uw minlijk oogjen toe;
Ik spiegel my in die aanvallige oogjens,
Steeds nieuw vermaakt, en nooit dat spieglen mo.

Wat laat uw mond den vochten tepel glippen?
Aan u behoort geheel die moederborst.
Drink onbeschroomd en pers haar met de lippen,
Zy heeft genoeg, genoeg voor uwe dorst.

Laat vrij die bron uw lipjens overvlieten;
Haar dorst is ’t steeds dat zy uw dorst verkoel’,
En ieder drup die zy u uit mag gieten,
Is nieuwe lust voor ’t moederlijk gevoel.

Neen, niets te veel dat gy wel zoudt vergen,
Die door Natuur voor u ontsloten werd!
Neen, nooit genoeg kunt gy die ader tergen!
Nooit, nooit genoeg voor ’t moederlijke hart.

Maar ’k den slaap zijne armen om u strekken,
Uw mondtjen sluit, en ’t is uw’ oogjens nacht.
Ach, mocht die blos uw koontjens niet bedekken,
Wat waar die rust uw moeder dan verdacht!

Verdacht — ? Mijn God! ik voel mijn wang verbleeken.
Mijn kind! ontwaak, ach, voor een oogenblik!
Ontsluit uw oog; laat my den sluimer breken,
En red mijn ziel van meer dan stervensschrik.

God’ dank! hy sliep! — Genoeg! ik ben herboren.
Zoete slaap, strooke uw hand hem zacht. —
En mocht mijn vreugd ook hem door ’t harte gloren,
Naar wien mijn ziel in ’t heetst verlangen smacht!

Ja, mocht hy thands in dees mijne armen vlieden,
Hier aan mijn zij’ uw adem gadeslaan;
Mocht hy met my uw slapend oog bespieden,
En ’t oogenblik wanneer zy opengaan!

Ach, moogt ge hem, den oorsprong van uw leven,
(Mijn dierbren G, ’t Oorlogslot beho!)
Met blijden lach met min’lijk welkom geven,
En reiken hem de onnooz’le handtjens toe!

Hoe zal hy u met vaderarm omvangen,
En elken lach, u kussen van ’t gelaat!
Hoe! aan mijn hals u om de leden hangen,
Terwijl zijn borst de mije tegenslaat!

Wat vreugd voor hem, in u zijn beeld te aanschouwen!
Dat blaauwen oog, zoo teder, zoo vol vlam;
Dien voorhoofdszweem, die (zaligste aller vrouwen)
By d’ eersten blik, my de eerste rust benam!

Dien eedlen trek waarin geboorte teekent,
Die ’t vrouwlijk hart met liefde en eerbied treft,
En ’t onbescheid met d’ enklen opslag wrekend,
Waar lager bloed zich roekloos me verheft.

Ja, ’t is zijn oog, en ’t zijn de zelfde trekken,
Waar dit mijn hart geheel zyn heil in vond;
En — kon mijn schoot een andren zweem verwekken,
Dan die zoo diep in ’t hart gezegeld stond?

Ja, ’k wil met u zijn hart en liefde deelen,
Die my ’t Heelal met zoo veel recht benijdt;
En, moogt ge ook eens een lieve Werhelft streelen,
Bemin ze als hy — maar, die gy waardig zijt!

Ik spreek tot u; maar — hoort gy me? — Ach onnoozele,
Al sliep hy niet, hoe zou hy ’t toch verstaan!
Mijn zuigling, ach! wat ik al mijm’rend kozele,
Nog is zijn brein de dag niet opgegaan.

Lieve rust der kindsheid, voor ’t ontwaken
Dier denkenskracht, die zich te vroeg ontwindt!
Moog hem die niet me rampzalig maken
Door ’t geen voor elk des levens zoet verslindt!

1824.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 15 september 1997