Willem Bilderdyk (1756-1831)

Homerus.

Plenius ac melius Chrysippo ac Crantore, —
                                                H O R A T I U S.

Daar de een een goede zaak verstandloos aangeleid,
Met zelfverbeelding als een Circero, bepleit,
En als ’t behoort, verliest; een ander zijn dukaten
Aan ’t fraai biljard verkwist, of lafhen zit te praten,
De wijsheid van Savooie en Napels heldenmoed,
De vrijheidszucht van Spanje en ’t Grieksche slavenbroed
Bewondert, in een hoop van dolle nieuwspapieren,
Thands Koningen ten les in ’t neetlig Staatsbestieren;
Lees ik Homerus door in ’t hoekjen van den haard,
Wien Kant noch Kinker-zelf in wijsheid evenaart,
Noch ’t Filozoofsch gegrijns der menschgeworden apen,
Door wie de wareld, thands ten dolhuis omgeschapen,
Zoo vreeslijk wordt geschud en door malkaar gehotst
Als of ze in een wer tot den Chaos keeren most.

   Maar toch! Homerus ? — Ja, die Dichterbaas der bazen
Weet meer van spoed en kwaad dan tien geleerde dwazen
Vol eigenzin en wind; al voert hy in ’t begin
Den wil der Godheid als der dingen oorzaak in,
’t Geen (ja) een dwaasheid is in dees verlichte dagen
Nu ’t paard de voerman ment en heer is van den wagen:
Want dit ’s een wijsheid van conventie, hem nog vreemd,
En die aan ’t goed verstand eens Dichters geeft noch neemt.
Doch hebt ge tijd te veel en lust op ’t aan te hooren,
Zoo luister. — Maar geduld! en waag my niet te storen. —
Maar ’t gapen…? Staat u vrij. — Het lachen? — Zoo wat half:
Een Dichter, vriend-lief, is een karel als een kalf.
Doch zit hy eenmaal op zijn praatstoel om te lezen,
Dan is patientie, plicht; en die hem stoort, mag vreezen!

   ’t Verhaal der langen krijgs, om Paris minnebrand
Op Azie aangestormd van ’t strijdbaar Griekenland,
Bevat het dol gebruisch van Koningen en Volken,
Steeds worstlende als ’t gegolf van de ongestuime kolken.
Autenor raadt, den krijg door billijk recht te ontgaan.,
Maar Paris — ? wil tot rust noch eigen best verstaan.
En Nestor mat zich af in de opgerezen twisten
Die in ’t Achivisch heir den Vorsten ’t bloed doen gisten.
’t Is rondom Trojes muur, van buiten als daar in,
Verdeeldheid, wrevel, list, geweld, en eigenzin.
Daartegen wat verstand en ware moed vermogen,
Schelt schandre Ulysses ons in ’t treffendst beeld voor oogen,
Die dwinger des Trojaans, op d’ongemeten vloed
De stormen wederstond van zee en tegenspoed,
En volken, landen, zag, door geen Sireenenzangen
Noch Circes tooverdrank in ’t lieflijk net te vangen
Doch, had hy als zijn volk gezwolgen, me een beest
Of laffe voetveeg van een schandhoer waar geweest.
Wy, luidtjens by den hoop en door malkar geslagen,
Geboren voor den slemp en ’t vullen onzer magen,
Zijn vrijers van zijn vrouw, ondeugend, slecht gebroed,
Antinoussen, week en dartel opgevoed,
Wier lui’ren op het bed den middag maakt tot morgen,
En die voor al der rest violen laten zorgen.
Een traag en vadsig volk dat, ronkende al den dag,
Zijn leven lang geen zon dan aan de Westkim zag;
Nooit wakker, dan wanneer ’t wer tijd is van te rusten;
En levenskracht en geest versmoorende in zijn lusten.
Tot menschenmoorden staat de roover op by nacht:
Gy, voor uw welzijn niet, onzinnig wangeslacht?
Verdwaasden doen wy ’t niet by nog gezonde dagen,
De ziekte zal de slaap ons haast uit de oogen jagen;
En is ’t de ziekte niet; indien ge ’s morgens vroeg
Geen boek by de ooren vat, geen had slaat aan de ploeg,
En toelegt op iets goeds naar reden en betamen,
Eens zult ge u voor u-zelf om uw verkeerdhen schamen,
En lijden, om ’t verzuim van d’onherhaalbren tijd
In traagheid doorgebracht, een vlijmend zelfverwijt.
’t Is nijd of wulpsche lust uit ledigheid gerezen,
Die haast uw slaaprigheid, maar pijnlijk, zal genezen.
Wat maakt ge, als ’t minste hairtj’ u ’t oog treft, voor geweld!
En echter, als ’t ziel, uw eigen-zelven geldt,
Is ’t altijd tijds genoeg; steeds uitstel en vertragen.
’t Begin is ’t halve doen; komt, hand aan ’t werk geslagen!
Hebt moed om wijs te zijn. De lompe kinkel wacht
Naar d’afloop van de beek, en slijt zoo dag en nacht,
Maar ’t water vloeit steeds voort, en nooit is ’t afgeloopen.
Wat doet, waar slooft men voor? Wat zoekt men geld met hoopen,
Een welgegoede vrouw by wie men kinders wint,
Terwijl men heid en bosch tot vruchtbaar land ontgint?
Wat wenscht hy, die genoeg van ’t Lot heeft op te leven?
Zal huis en hof en schat u ’t waar genoegen geven;
Of doet een kist vol goud en zilvren munt misschien
De zorgen aan de ziel, de koorts aan ’t lijf ontvlin?
Die ’t goed genieten zal, dient tevens wel te varen.
Wat weet begeerte, of angst, of ander zielsbezwaren,
Van vreugd te scheppen uit zijn huis vol kostbaarheid?
Zoo veel als ’t schilderswerk ontstokene oogen vleit,
Het zangspel dooven streelt, of ’t kittlen, podagristen.
De onzuivre kom of kan brengt zuivren drank aan ’t gisten.
Heb afkeer van de lust, haar zoet wordt duur betaald:
Begeerte is altijd arm; ten zij zy wordt bepaald.
Een nijdige verteert van andrer menschen bloeien;
Ja, wien een Falaris zijn koopren stier deed gloeien,
Leed naauwelijks wreeder pijn. Die voor zijn grampschap zwicht,
Verwenscht eens ’t geen hy-zelf in arren moed verricht.
De toom is razerny. Leer alle drift betoomen:
Zy zwijge, of ze overheerscht wien ze eens heeft ingenomen.
Leg ze aan de keten, wringze een breidel in den bek.
De rijder temt zijn paard voor ’t harden van den nek;
De brak moet reeds van ’t uur dat hy een haas leert rieken
Getuchtigd tot de jacht. Van ’t eerste morgenkrieken
Des levens leer’ de knaap opmerkzaam en gedwee
Te luistren naar ’t vermaan, en drage ’t zorglijk me!
De reuk der aarden kruik in ’t eerste nat ontfangen,
Is, die zoo lang zy duurt, haar altijd aan blijft hangen.
   Zie daar de wijsheids school! Gy volg, of gy my voor,
Ik zie voor uit noch om, maar hou mijn eigen spoor.

      1820-21.

Horatius Epist. I, 2.


Aantekening van de schrijver:

Kwalijk leest men hier den naam van Alcinous, die ten voorbeeld van braafheid, van zede, en huislijk orde voorgesteld is.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 9 september1997