Hein Boeken

October

O luchten-goud, o groen van 't woud, o verven,
Die, in een laatste opglooiing van de aard,
Van al het schoonst des zomers, lang gegaard,
Een tooi hem tooverdet, tot zacht versterven,

Wat was mij nu nog al uw licht-schijn waard,
Nu ik die teerste aanwezigheid moest derven?
Hoe taandet ge al, gij, die aanwezig waart,
Bij wat mij Eén, van ver nog, liet verwerven:

Den donkren blik, mij volgend overal,
Maar lichter toch dan 't goud op gouden blaren;

Erinnering aan zachter haren val,
Verdoffend de' inn'gen glans op bruine blaren.

Natuur verschoot in haar al-teêrste pracht
Bij teerheid, die me uit ziel vol liefde wacht.


Bron: Overzicht van de ontwikkeling der Nederlandsche letterkunde - vierde deel / Frans Bastiaanse. - [S.l.] : Nederlandse Bibliotheek, 1927 Bundel: Aan mijne vrouw
Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster