Hein Boeken

De rivieren

Zij weten 't wel, die langs de vlieten wonen,
Hoe of elk heet, de vader, die ze voedt,
Die jaar en dag ze drenkt met den koel-zoet,
Levenden stroom en al maar den gewonen

Gang gaat, en al weer weder-brengt den schoonen
Nieuw lent-tijd, na zijn storrem-gang verwoed,
Met 't weder rustig loopen van zijn vloed,
Vreed'g troostend weer der menschen dochtre' en zonen.

Zij zien zijn vliete-spiegling aan hun voet
Ten oirbaar van 't gemeen de wanden schuren,
Daar hij in 't dag-werk huislijk hulp hun doet;

Ze zien de schepen zakken langs zijn vloed,
Die de verre oogst-garv' brengen na rijpe uren;
En Hij is 't die dit al mensch-lievend doet.


Bron: Dichters van dezen tijd / samenstelling J.N. van Hall . - achtste druk. - Amsterdam: P.N. van Kampen & Zn., 1913. Bundel: Goden en menschen. - Amsterdam: W. Versluys
Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster