Hein Boeken

O woordjes mijn...

O woordjes mijn, wat moet 'k u dankbaar zijn!
Waar zijt gij toch, waar komt gij toch vandaan?
Gij kunt altijd mijn heerlijkheid verstaan,
Veel beter dan ik denken kan in mijn

Klein geestjen: kom, laat ik u bidden aan,
Want telkens als ik bidden durf: verschijn!
Komt gij rondom me als vlinderkens zoo rein,
En licht, en wit, zóó komt gij rond mij aan.

En zóó ook nu, nu ik u murmlend roep,
Komt gij rondom mij fladderend zoo zoet,
Mijn lippe' en wangen streelend, lichte troep,
Als werdt gij altijd uit mijn hand gevoed,

En toch, och alle menschen konde' u lokken
Maar enkelen, wie gij laat zóó met u jokken.


Bron: Dichters van dezen tijd / samenstelling J.N. van Hall . - achtste druk. - Amsterdam: P.N. van Kampen & Zn., 1913. Bundel: Goden en menschen. - Amsterdam: W. Versluys
Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster