ADRIANUS BOGAERS (1795-1870)
NOVEMBER
De looverzaal,
Bij zomerpraal,
Zoo rijk behangen,
En vol met zangen
En teêr gekor,
Is doodsch en dor
En hoort het klagen—
Alleen der vlagen
En ’t stormgesnor.
Niet lange meer,
Of ’t winterheer
Zal, ’t zwaard geheven,
Hier wetten geven:
De voorhoê pent,
(Reeds aangerend)
Bij juilend tergen,
Op ’t hoog der bergen
Haar witte tent.
In stal en steê
Schuilt mensch en vee,
Waar kloeke zorgen
Den voorraad borgen
(Bij ploeg egg’)
Voor ’t lang beleg.
Wat in de dalen
Nog toefde, halen
De stroopers weg.
Reeds mist de beek
(Die vreugd der streek!)
De bloemenkransen,
Die bij het dansen
Tot liefdepronk
Haar de oever schonk
Nog winig stonden,
Ze zwijmt, gebonden
In de ijsspelonk!
Waar ik me keer’,
’k Zie meer en meer
De kleur van ’t leven
Natuur begeven:
’k Ben droef: ’t is of
Een stem me trof:
’t Moet alverderven,
Eens gij ook sterven,
o Zoon van ’t stof"
Bron: Spiegel van de Nederlandsche poezie door alle eeuwen. (1939) N.V. De Spiegel, Amsterdam
0vwijk02@lelystad.flnet.nl
Laatste wijziging: 22-aug-96