GUILELMUS BOLOGNINO (1590-1669)

VAN DE H. MAGHET ENDE MARTELERESSE DOROTHEA

O Dorothea, ghestreden
Wettich die hebt hier beneden/
En vergoten u reyn bloedt/
Appels / Roosen die van boven
Hebt gheschickt uyt u Liefs hoven/
Weerdich u ons eeren doet.

Patroness’u van hun hoven
De Bloem-misten dien / loven/
Stellen onder u behoedt
Hun ghewas / dat d’ooghen keeren
Tot den schoonsten Heer der heeren/
Hunnen schepper / ons hier doet.

Doch voor all’wilt onse zielen/
Daer de doornen soo in krielen/
Maecken bloemich voor den Heer:
Datter Tulpans aller deuchden/
Tulpans oorspronck aller vreughden/
Door u bed’ in wassen seer.

Hyancinthen en Narcissen/
Animonie / alle Lissen/
Schoon Ienoeffels / Irias/
Tyloos / Goubloem / Martegoenen
Met Joncklilien / en Pioenen
En de bloemen van Damas.

Dat de Roos der hoochster minnen/
Dat de Lelie reyner sinnen
Daer in nemen hunnen groei:
Dat de Son-bloem rechter meyningh/
In een volle hertsen reyningh/
Daer / ghekeert tot Godt in gloey.

Datter oock boomen groeien/
Seltsaem vruchten overvloeien/
Vruchten van volmaeckte deught.
Schoon Oranien / en Limoenen
Met Granaten en Citroenen/
Daer denHeer sich in verheucht.

Op dat hy daer com’ in rusten/
Daer in nem’ met u wellusten/
En die brengh eens tot sijn Rijck/
Dat sy op van vreucht daer springhen/
Lof den Bruygom met u singhen/
Hem daer dancken eeuwelijck.
Bron: Spiegel van de Nederlandsche poezie door alle eeuwen. (1939) N.V. De Spiegel, Amsterdam

E-Mail: 0vwijk02@lelystad.flnet.nl

Laatste wijziging: 01-sep-96