PHILIBERT VAN BORSELEN (ong. 1580-1627)

Fy snood’ Eer-sucht, ...

Fy snood’ Eer-sucht, der sinnen droeve pranghe,
 c; c; c;Verkeerde waen der menschen onbedacht,
 c; c; c;Verleydster schalck, die d’allergrootste macht
 c; c; c;Houdt onder t’jock eens slaefscher vrees gevanghen,
Die sijn valsch cleed soor velen hebt omhanghen,
 c; c; c;Soo meenigh Held met dijn sweerd omgebracht,
 c; c; c;Die s’Minnaers hert doorprickelt dagh end nacht,
 c; c; c;Ia self Natuer in veynsingh kont vermanghen:
Wat porstu my, Vergifster, met dijn raed
 c; c; c;Dat ick mijn rust end goet geluck verlaet,
 c; c; c;Den vrydom weerd, end schoon gesicht der Landen?
Om in de Stad te jaghen onbesint
 c; c; c;Na t’goet t’welck doch verdwijnt tot enckel wind
 c; c; c;wanneer-men meynt te hebben volle handen?
Bron: Spiegel van de Nederlandsche poezie door alle eeuwen. (1939) N.V. De Spiegel, Amsterdam

0vwijk02@lelystad.flnet.nl

Laatste wijziging: 22-aug-96>