LAURA’S KEUZE

I.

Wie er belang in stelt hoe die uitviel, moet een bezoek brengen op een Haagsch bovenhuis. Maar het is een ruim, luchtig vertrek, met openslaande ramen, die uitzicht geven op een mooien tuin; een vertrek waar niets ontbreekt van ’t geen tot de eischen van een comfortable salon behoort, en dat een behaaglijken indruk maakt, zoowel door de schikking als door den goeden smaak van het ameublement.

Wij vinden er twee dames, de eene reeds van leeftijd, in stemmig rouwgewaad; het donkere haar, waarin reeds zilver glinstert, eenvoudig gescheiden en glad weggestreken onder een zwart tullen muts, met zachte levendige oogen en trekken, die, ondanks verloren frischheid, nog van vroeger schoon getuigen, maar over wier gansche wezen eene diepe melancholie ligt verspreid, die spreekt van stille smart, met waardige berusting gedragen. Van het werktafeltje, waarbij zij gezeten was, opgestaan, is zij nu bezig een en ander in het vertrek te ordenen; zij wijdt allereerst hare zorg aan eene kleine étagère met nuffige overtolligheden, die een artist met pleizier het raam zou uitwerpen, die zorg en tijd kosten om schoon te houden en — die men toch bewaart als men ze eens heeft; geeft versch water aan de bloemen, die in de vensterbank staan te geuren, en verschikt daarna de boeken en papieren, die zeer verward dooreen liggen op eene kleine schrijftafel naast de chaise longue, waarop de andere dame in achtelooze houding ligt uitgestrekt. Het is geen meisje van zestien jaar, dat kan men haar wel aanzien; maar zij is toch maar even de gulden twintig ingetreden. In haar frisch élégant, négligé met die fijne goudblonde lokken slechts ten deele in een zijden net teruggehouden, met dat teere rood en dat lelieblank, met die sprekende blauwe oogen, die frissche lippen van het welgevormde mondje en ’t kleine, wel wat spichtige neusje, zou zij een der bekoorlijkste meisjesfiguren zijn die men zich denken kan, ware ’t niet, dat er eene zekere gemelijkheid over haar gelaat lag verspreid, die er de liefelijke uitdrukking althans voor ’t oogenblik aan ontneemt. — Zij schijnt te verkeeren in een staat van werkeloosheid, van verveling, die als vanzelve zulk eene uitdrukking moet teweegbrengen.

Het hoofd achterover geleund, rustende op de linkerhand, laat zij de andere als moedeloos langs de zijde hangen.

Zij ligt te fantaseeren — meer juist in gezond Hollandsch: zij ligt te pruilen. Tevergeefs was het canapérafeltje naast haar bedekt met allerlei middelen ter afleiding: albums, teekengereedschap, werk. en breimandjes, — zij taalde er niet naar, en trappelde alleen ongeduldig met een der kleine voeten; in een geborduurd pantoffeltje wegschuilend, terwijl de andere, boven den enkel omzwachteld, in verplichte onbewegelijkheid lag te rusten.

O, jammer! Op een van de uitlokkendste zomerdagen lag zij daar met een verstuikten voet! Het was lastig, dat is zeker, maar toch niet zóó ondragelijk als zij zelve zich inbeeldde; want zij geloofde een volkomen recht te hebben om zich diep ongelukkig te ge. voelen en vreeselijk uit haar humeur te zijn. — Het was in den zomer van 1866, dat ontzaglijk ernstige tijdstip, waarop midden-Europa geschokt werd door den gruwelijken Pruisisch-Oostenrijkschen oorlog, en geteisterd door de verwoestingen van eene schrikwekkende ziekte, die ook te ’s Hage dagelijks hare slachtoffers koos. Men zou dus meenen, dat zulke ellende, zulke rampen, en zulk een rouw, als waarvan iedere dag opnieuw de ontzettendste berichten aanbracht, wel genoeg haar medegevoel zouden hebben opgewekt om er het lichte ongeval, dat haar had getroffen, onder te vergeten, of althans met lijdzaamheid te doen dragen Maar men vergist zich; niets van dat alles ging haar ter harte op dezen oogenblik, zij dacht er alleen aan dat zij had willen uitgaan en thuis moest blijven!

Ja, ’t was wel erg! De diep meewarige blik, dien de bejaarde dame op haar slaat, schijnt te getuigen, dat ook zij het dus vindt.

»Zelfs geen lust in uwe broderie, Laura?” vraagt zij met eene uitdrukking van teerheid, waarin zich toch wat somberheid mengt.

»In niets, mama! in niets; als het zóó voortgaat, zal ik ziek worden van verdriet en verveling!”

»Dat vrees ik ook,” hernam de moeder, haar even met bezorgdheid aanziende. »Maar daar valt mij wat in: wilt gij iets voor mij doen?”

»Als ik kan……”

»O! ’t is eene kleinigheid en ’t zal u bezighouden: die naam. lijstjes afschrijven voor het damesleesgezelschap, en in de boekjes naaien? Gij ziet ze meteen eens in — en — dat occupeert.”

»Neen, mama! Dit is nu het vervelendste werkje wat gij voor mij bedenken kondt; — die boekjes, dat weet gij zelve wel, zijn geen lektuur voor mij, zoo schrikkelijk saai!”

»Mij hebben ze dikwijls gesticht,” hernam de moeder met een zucht; »en in sombere stemming vond ik er in wat mij bemoedigde en sterkte.”

»Ik mag het lijden,” hernam Laura met een licht schouderophalen; »Maar daarom behoef ik ze toch niet te lezen.”

»Lees ze dan niet, maar doe mij alleen den dienst om ze in order te brengen, want ze moeten vandaag nog verzonden worden, en daar ik uit moet…”

»Gij uitgaan, mama,! Nu, en waarheen?”

»Nicht Henriëtte trouwt immers van ochtend…”

»’t Is waar ook! En daarom moet ik dan alleen blijven en in dezen toestand!”

»Gisteren had ik een briefje willen schrijven om mij te excuseeren, maar toen waart gij daar tegen. ”

»Wist ik toen dat de dokter mij nog een paar dagen rust zou voorschrijven, en dat ik juist van ochtend zóó melancholiek zou zijn?”

»’t Is waar, les jours se suivent mais ne se ressemblent pas,” verzuchtte mevrouw Trotsenburg, die niet voor het eerst van de luim harer dochter die ervaring opdeed. »Nu echter is het te laat voor een excuus: ze zouden mij laten afhalen met hun rijtuig, en ik dien mee te gaan, naar de kerk. Maar ik beloof je, niet op het dejeuner te blijven; ik heb er ook geen lust in, nu gij er niet bij kunt zijn.”

»Een allerbeelderigst zomertoilet je exprès er voor gemaakt!” zuchtte Laura. »Och! ik zou nog wel mee kunnen, want ik ben immers niet ziek, en dokter zei, ik mocht mij hier wel bewegen. Maar die trap, die akelige trap, dat is ’t grootste bezwaar! ’t Is toch iets, op zoo’n bovenhuis te moeten wonen!”

»Een eigen huis in ’t Voorhout te bewonen, ware zeker in ieder opzicht aangenamer!” hernam mevrouw Trotsenburg op een toon van diepe zwaarmoedigbeid; »en ik weet dat mijne Laura zich dáár het best op hare plaats zou gevoelen. Maar toch, kindlief! bedenk dat onze fortuin, of liever onze misfortuin, ons diergelijke leefwijze niet meer permitteert.”

»Ik heb waarlijk die herinnering niet noodig, moeder,” repliceerde Laura met bitterheid; »ik weet het maar al te goed, ik voel het op iedere wijze dat wij arm zijn!”

»Neen, Laura, arm zijn wij niet. Maar het grieft mij, dat gij mij telkens dwingt het u te herhalen: sinds den dood van uw vader zijn wij niet meer rijk.”

»Niet meer rijk! Dat is zeker, voor wie het gewoon zijn, erger dan de armoede; voor den arme, die den overvloed niet heeft gekend!”


Rijkdom en armoede beide zijn zeer betrekkelijk.

De weelde, de comforts, waarmee deze dames nog omgeven waren, zou inderdaad aisance zijn geweest voor menigeen. Voor haar was het reeds iets van bekrompenheid.

Niet meer rijk! dáár lag de wonde.

Zij waren eens rijk geweest, en hadden zich moeten bekrimpen. Laura, die al de genietingen van eene leefwijze op grootschen voet had gekend, had zich niet zonder morrend ongeduld kunnen schikken naar de eenvoudige wijze, waarop mevrouw Trotsenburg, na den dood van haar echtgenoot, besluiten moest zich in te richten. En het was met een nooit overwonnen spijt, dat zij elk gemis, dat daarvan het gevolg was, niet droeg, maar torste; het scheelde niet veel of zij maakte er hare moeder een verwijt van, dat deze zulke verandering had ingesteld, terwijl zij juist met het oog op Laura’s toekomst zich offers getroostte, die haar evenmin licht vielen, al droeg zij ze met grooter gewilligheid.

Laura begreep niets, wilde niets begrijpen van die teere en kloeke moederlijke voorzorge, maar klaagde steeds over elke ontbering, als ware die haar uit willekeur opgelegd. Mevrouw Trotsenburg, die haar eenig kind eene afgodische liefde had gewijd, meende al die zoogenaamde ontberingen niet beter te kunnen vergoeden, dan door al het mogelijke voor haar in te schikken, en haar in alles haar zin te geven. In plaats van haar te harden en te versterken voor den kamp des levens, trachtte zij alle oneffenheid voor het schoone meisje te effenen, iedere hoekigheid en scherpte voor haar af te ronden, en verlamde daardoor bij haar alle veerkracht, alle moed en geschiktheid tot lijden en dragen.

»Och, de arme Laura moest toch al zooveel missen, juist op dien leeftijd waarin het levensgenot haar het meeste toelachte, dat het niet meer dan billijk was, zoo hare moeder althans wat inschikkelijkheid voor haar had!” gaf zij meestal ten antwoord met tranen in de oogen aan elk, die hare handelwijze in dezen niet als wijsheid prees.

Want deze onvoorzichtige goedheid voedde slechts de zelfzucht van het verwende kind, en verhoogde eene prikkelbaarheid, die toch niet zou ontzien worden door de wereld, waaruit zij zich niet geheel kon of wilde terugtrekken.

De bijzonderheid dat Laura, hoewel volkomen gezond, toch van een teer gestel was, dat zekere behoedzaamheid vorderde, verschoonde eenigszins die overdreven moederlijke toegevendheid, al was zij er niet door gerechtvaardigd. Want het zwakke dient gesteund en gesterkt te worden, niet vertroeteld, zal het niet in jammerlijke weekheid ondergaan.


Na de repliek van mevrouw Trotsenburg heerschte er een strak stilzwijgen, dat de laatste weer het eerst verbrak met te vragen: »Is er ook nog iets, dat gij noodig hebt vóór ik mij kleeden ga? Want het wordt tijd.”

»Och neen! ik heb niets noodig… voor ’t oogenblik althans,” was het korzel antwoord.

»Daarbij, gij kunt om Mina schellen.”

»Ik hoop wel dat het niet noodig zal zijn. Mina is zoo plomp, zoo onhandig!”

»Wat wilt gij… eene meid alleen, die koken en werken moet!”

»Wat ik Lize regretteer! Hadden wij die ten minste niet kunnen houden?”

»Lize! die zoo ontrouw was en zoo praatziek!”

»Maar wat kon zij aardig een kapseltje chiffoneeren, en wat was zij eene vlugge kamenier!”

Mevrouw Trotsenburg haalde de schouders op.

»Ik wil zelve voor u doen wat ik kan, maar eene kamenier kan ik u niet meer geven, Laura, dat weet gij wel,” sprak zij op doffen, mismoedigen toon, en verliet het vertrek.

Laura bleef met hare onvervulde wenschen, met hare knorrige bui alleen. »Had ik ooit kunnen denken, dat ik zóó ongelukkig zou worden!” barstte zij uit; en tranen, werkelijke tranen parelden in de diepe blauwe oogen. — Gelukkig dat de moeder die niet zag; mogelijk had deze haar in den angst haars harten eene kamenier toegezegd!


Een half uur later trad mevrouw Trotsenburg weer binnen, gekleed voor de plechtigheid, die zij moest bijwonen, in een deftig zwart zijden japon, een hoedje van zwarte tulle en een kanten sjaal, kennelijk geen aankoop van den laatsten tijd. Zij hield een bouquet in de hand die zij in een bloemvaas plaatste en dicht bij Laura neerzette, terwijl zij sprak: »Die goede Marianne zendt u alweer bloemen! Wil ik even bij haar aanrijden en vragen of zij u wat gezelschap komt houden?”

»Liever niet! Marianne kan zoo vreeselijk vervelend zijn.”

»Dat heb ik nooit kunnen merken; zij heeft een goed hart, zij heeft een helder oordeel, zij heeft smaak,”

»Smaak! dat toont zij althans niet in hare kleeding. Ze kan zich zoo raar toetakelen! Laatst, we waren al in Juni, kwam ze hier in een donkerbruine japon en een hoedje met zwart lint; ze zag er uit of ze in een gesticht thuis hoorde; en dat in ’t beste van den zomer..”

»Marianne is niet zoo heel jong meer; zij weet dat zij niet mooi is, en dus getuigt het juist van haar goeden smaak, dat zij zich niet tracht op te schikken.”

»Maar ’t is toch niet pleizierig voor Albert, dat zijne zuster zich kleedt als eene hofjesjuffrouw.”

»Wat zij niet aan haar toilet besteedt, kan hem dienen in zijne huishouding.”

»Foei, mama! gij praat er over of Albert een arme stakkert ware!”

»Dat zeker is hij niet, maar toch… beeld u niet in, melieve, dat hij fortuin heeft; dat zou voor u eene gevaarlijke illusie zijn.”

»Waarom gevaarlijk voor mij?” vroeg Laura in zekere drift; maar de gloeiende blos, die haar gelaat overtoog, bewees genoeg hoe goed zij begreep.

»Kindlief! tevergeefs verbergt gij uwe genegenheid voor uwe moeder. Waarom zoudt gij dat ook; ik keur die goed, en er valt niet aan te twijfelen of Albert’s vurigste wensch is het bezit van uw hart, van uwe hand, al sprak hij dien nog niet uit. Maar… hij is het niet, die uwe eischen van levensgenot zal kunnen bevredigen, tenzij gij ze matigt…”

»Dat is nog lang niet gezegd, moedertje!” wierp Laura tegen op luchtigen toon. »En vóór hij daartoe in staat is, zal hij mijn lot niet aan het zijne willen verbinden. Maar… ik heb geduld!”

»Gij zult lang geduld moeten hebben, Laura! dat voorspel ik u; wij leven niet in een tijd, waarin het zoo licht valt fortuin te maken.”

»O, voor hem! hij heeft zooveel geest, zooveel talent, en zoo. veel relaties daarbij; ze zullen hem wel gauw een mooien post geven en…”

»Och lieve! geloof mij, die eigenschappen, waardoor mijnheer Duarte schittert, die gaven van geest en gemoed, dat talent, dat ieder in hem bewondert, zullen eer tegen- dan meewerken ter zijner bevordering. Er is altijd meer vraag naar letterknechten dan naar geniale lieden, die zelf denken en handelen.”

»Ook in de hooge regeering, moeder?”

»Dat de positie van eene ministersvrouw mijne Laura aanlacht, verwondert mij niet,” hernam mevrouw Trotsenburg, met een zacht hoofdschudden en een droeven blik. »Maar… als de eerzucht u zoozeer beheerscht, voed haar dan niet met ijdele pretensiën, geef haar voldoening in de werkelijkheid, maar vergeet dan allereerst dat er een Albert Duarte in de wereld is.”

»Is dat een raad, dien gij mij geeft, moeder?” vroeg Laura, kennelijk gekrenkt, met eene schelle, scherpe stem.

»Als gij mij raad vraagt, Laura, zou ik u een gansch anderen geven.”

»Welnu?” vroeg de jonge dame gespannen.

Er werd hard gescheld.

»Het rijtuig!” sprak mevrouw Trotsenburg, naar Laura toe gaande en haar de hand reikende ten afscheid.

»Neen, moeder! Ontloop mij niet, vóór gij uitgesproken hebt wat u op de tong ligt! …”

»Een raad, liefste! dien ik u zou willen geven, als gij dien zoudt kunnen en willen volgen… het zou mij zeker tot groote verlichting zijn, en gerustheid geven omtrent uw lot. Maar… gij zult boos worden als ik het zeg…”

»Toch niet, mamaatje! Ik boos worden op u?”

»Nu dan: dat gij trachttet op zekere punten een weinig op Marianne te gelijken!” En de moeder drukte met vochtige oogen een kus op het voorhoofd harer dochter en spoedde zich voort, eer deze genoegzaam van hare verbazing, van hare verontwaardiging bekomen was om een antwoord te kunnen geven.

»Op Marianne gelijken? Ik? Op eene leelijke oude vrijster! Mij toetakelen als eene hofjesjuffrouw; wel zeker! dat zou Albert pleizier doen! Albert, die mijn smaak en mijne elegantie prijst! Als mama dat verdienstelijk acht, als zij er zoo’n aardige manier op uitgevonden heeft om ons allen gelukkig te maken, dan… dan… geef ik het op!” mijmerde Laura, halfluid, terwijl tranen van spijt hare oogen vulden.


Ingezonden op: 19 July 2001