LAURA’S KEUZE

V.

Mevrouw Trotsenburg troostte hare dochter met al de teederheid der moederlijke liefde, maar als eene zwakke moeder. In plaats van met kloeken zin deze gelegenheid aan te grijpen om haar verwend kind te wijzen op de verkeerde richting, waardoor zij zich had laten meesleepen, die haar hart verstokte en verbitterde en die een beminnelijk jonkman van haar vervreemd had, vereenzelvigde zij zich zoo geheel met de grieven, die Laura tegen Albert inbracht, dat zij hare eigene teleurstelling en wenschen in dezen vergat, en den laatste in ’t ongelijk stelde, hoewel zij zelve hem aangemoedigd had tot den stap dien gij gedaan had.

Ja, maar zij had het ook zóó niet bedoeld. zóó kras op eene beslissing aan te dringen bij een meisje van Laura’s fijngevoeligheid en fierheid! Neen, het bleek nu wel dat Albert Duarte te ruwe handen had om die teere plant met de vereischte kieschheid te kweeken en te koesteren. Al hare illusiën van geluk en grootheid zoo op eens uiteen te blazen als kinderachtige zeepbellen, haar alle hoop zelfs te benemen op eene toekomst, die voor hem zelf immers toch ook nog verborgen was; — neen! zoo had zij het niet bedoeld toen zij hem vrijheid had gegeven om zich aan Laura te verklaren en deze voor zijne wenschen te winnen. Door zachte middelen, door overredende welsprekendheid had hij haar behooren over te halen. Maar nu, haar te dwingen tot eene keuze die haar zoo bittere tranen kostte, dit was eene hardheid waartoe zij hem niet in staat had geacht, dit was eene wreedheid, die zij hem moeielijk zou kunnen vergeven. Want de goede vrouw rekende er nog altijd op, dat die vergiffenis van haar gevraagd zoude worden, en zij troostte Laura reeds bij voorbaat, dat Albert wel spoedig berouw zou hebben over zijne heftigheid en dat het misverstand welhaast tot hare voldoening zou worden bijge1egd. Doch Laura zelve verklaarde dat het geen misverstand was, dat zij integendeel Albert maar al te goed had verstaan, en dat zelfs, al kon hij berouwvol tot haar weerkeeren, zij van hare zijde nu zeker terug zou treden, want hij had bewezen dat hij haar niet liefhad zooals zij wenschte bemind te zijn.

Ondanks die ontkenning had zij toch een innerlijken strijd te voeren en was boos op zich zelve over hare inconsequentie, want in ’t geheim bleef zij hopen; hopen op Albert’s wederkomst, hopen op een woordje van zijne hand, dat den afgebroken draad de gemeenschap weer zou trachten aan te hechten. Zij zou hem dan wel veel te verwijten hebben, maar zoo hij schuld beleed zo alles weer goed zijn, en de verzoening kon worden getroffen, natuurlijk op de voorwaarden, die zij zou opleggen. Maar met iederen dag werd die hoop zwakker, de teleurstelling zekerder, — er verliepen weken zonder dat Albert iets van zich liet hooren.

Marianne zelve, Marianne, wier bezoek men, als iets dat van zelve sprak, iederen dag had gewacht, en wier bemiddeling men volgaarne zijdelings zou hebben aangegrepen, Marianne vertoonde zich niet meer, en mevrouw Trotsenburg, die in stilte op deze tusschenkomst had gerekend, wist niet meer wat er van te denken en begon den moed op te geven. Al wilde zij Laura niets verwijten, toch rees bij haar nu het vermoeden op, dat deze den hooghartigen jonkman wellicht te pijnlijk had gegriefd, toen zij hem zijn afscheid gaf, en dat Marianne, als eene liefhebbende zuster, zich die grieve zoo sterk had aangetrokken, dat ook zij van haar kant den vriendschapsband met moeder en dochter als verbroken beschouwde.

Marianne leefde zoo geďsoleerd, dat men geene gemeenschappelijke kennissen had, die men ter zijde over de Duarte’s kon ondervragen. Zelfs »die akelige krant”, die de dames namens den redacteur plachten te ontvangen, en die ondanks alles Laura’s belangstelling bleef wekken, werd niet meer bezorgd, sinds toevallig een nieuw trimestre aanving kort na de afscheidsscęne tusschen Albert en Laura. De laatste vond het meer dan ergerlijk, dat haar die kleine attentie niet meer bewezen werd! De moeder zocht dit voor te stellen als een bewijs van Albert’s kieschheid, die haar na de scheiding niet telken dage zijn naam en werk onder de oogen wilde brengen, maar zij nam er toch zelve ook ergernis uit, hoewel het zeker is dat zij zich evenzeer zou geërgerd hebben aan de voortzetting van eene beleefdheid, die zij niet langer aan eene vriendschappelijke betrekking dankte. Ten laatste kon mevrouw Trotsenburg hare bevreemding, hare gevoeligheid niet langer bedwingen, hare dochter! hare Laura zoo verlaten te zien, en gaf deze in bedenking of men niet, zonder van het gebeurde te reppen, eene uitnoodiging aan Marianne zou zenden om weer eens een avondje te komen; het antwoord zou dan mogelijk eenig licht geven.

»Volstrekt niet, mama! Die Marianne is juist zoo kort en zoo lakoniek in haar schrijven; zij zou eenvoudig bedanken, en dan hadden wij zonder vrucht den eersten stap gedaan. Daarbij ’t is onnoodig. Ik ben er al lang over heen!”

Mevrouw Trotsenburg, die hare redenen had om hier aan zelfbedrog of grootspraak te denken, zweeg met een diepen zucht, en Laura hervatte op een toon, die onverschillig en laatdunkend wilde klinken, maar waarin de moeder zich niet vergiste:

»Toch zou ik wel eens willen weten wat die Duarte’s eigenlijk in hun schild voeren, dat zij zich zoo onbeleefd durven aanstellen tegen ons. U moest er zelve maar eens heengaan, mama! dan kan Marianne u niet ontkomen en — als gij dan de corde sensible wat behendig wist aan te spreken, zal zij u zelve al heel spoedig op de hoogte brengen van de faits et gestes van mijnheer haar broeder. ’t Is maar alleen nieuwsgierigheid, mama, dat begrijpt u…”

»Maar lieve, dat gaat heusch niet voor mij, in de verhouding waarin wij nu tot de Duarte’s geraakt zijn.”

»Och kom! alles gaat voor eene vrouw van uw leeftijd, als gij maar lust hebt om mij dat pleizier te doen.”

»Ik zou geene aanleiding weten.”

»Geene aanleiding? Als gij die maar wilt zoeken — eene informatie naar eene naaister, of naar eene arme vrouw, die door de »Moederlijke Sociëteit” wil bijgestaan zijn. Marianne liefhebbent immers zoowat in de philanthropie…”

»Ik zal er eens over denken!” antwoordde mevrouw Trotsenburg met eene sombere en verlegene uitdrukking.

»Neen! niet bedenken, moedertje,” vleide Laura, »dan komt het maar tot uitstellen, en er gebeurt niets van; ’t is nu mooi weer; gij hebt thuis niets te doen, ga er dezen voormiddag maar heen.”

»En als ik dan terugkeer met berichten die u verdriet of ergernis geven?”

»Dat zult gij niet, want ik verlang alleen te weten wat daar ginds omgaat; en als ik het weet zal ik weer voor goed kalm en tevreden zijn…”

Mevrouw Trotsenburg dacht daar het hare van, maar toch, zelve was zij den gespannen toestand te moede, om er niet, zoo het mogelijk ware een eind aan te maken.


Ingezonden op: 19 July 2001