LAURA’S KEUZE

VII.

Bij hare dochter teruggekeerd en genoodzaakt het voornaamste van ’t geen zij vernomen had mee te deelen, al was het ook op de meest verschoonende wijze voor Laura, werd mevrouw Trotsenburg spoedig gewaar hoe weinig deze in zachtheid en zelfbeheersching op Marianne geleek. Zij voelde zich diep gekrenkt door Albert, en het scheen haar toe, dat de onverwachte keer in Marianne’s lot eene persoonlijke beleediging was voor haar. O! zeker, die man uit den Achterhoek, die visites maakte met vetleeren laarzen en lil d’ écosse handschoenen aan, zou nooit genade hebben gevonden in hare oogen. Maar dat hij hare jeugd, hare schoonheid en gratie met opzettelijke achteloosheid was voorbijgegaan om den blik te wenden naar »de leelijke oude vrijster”, zooals zij Marianne noemde, dat kwetste haar op de teerste plek, en zij uitte hare gekrenktheid in de heftigste bewoordingen. Zij kon niet gelooven dat alles zich zoo eenvoudig en natuurlijk had toegedragen als Marianne ’t had voorgesteld; zij noemde deze eene huichelaarster, die zich had voorgedaan als een toonbeeld van deugd en zachtzinnigheid, om eene rijke partij in te palmen; zij noemde haar eene intrigante, die haar invloed op Albert had aangewend om dezen voor goed van haar te verwijderen. Maar die toeleg zou toch niet gelukken: Albert moest naar den Haag terugkeeren, al was het voor nog zoo korten tijd. Dat hij haar ontvlucht was, bewees hoezeer hij zich zwak voelde. Welnu, zoo zou zij hem toon en dat ze sterk was en hem niet vreesde; zij zou op Marianne’s receptie verschijnen; willens of onwillens moest Albert haar dan weerzien, en zij zou die geraffineerde Marianne toonen wie zij was en wat zij nog op haar broeder vermocht…

»Maar, lieve kind!” viel de moeder in, »ij moest naar kalmte trachten en u zelve niet opwinden door zulke voornemens, die toch, als het er toe kwam, onuitvoerbaar zouden blijken.”

»Gij kent mij nog niet, moeder, als gij meent dat ik dit niet zou kunnen doen. Ik kan alles trotseeren, alles, als ik eene zoo bloedige grieve heb te wreken!”

»En al zoudt gij de vermetelheid hebben zoo iets te wagen, weet gij dan niet dat gij zelve daar een zot figuur zoudt maken; dat het den schijn zoude hebben alsof gij den eersten stap wil. det doen tot verzoening, tot toenadering?”

»Ik zou mij dien schijn getroosten; hij zou in mijne houding tegenover hem wel wat anders zien; en zoo mijne koelheid, mijne laatdunkendheid hem piqueerde, zoo hij zich verlokken liet om…… tot mij weer te komen, dan! dan, moeder, zou ik verkrijgen wat ik wenschte: eene schitterende voldoening! Het zou mij genoeg zijn, en met vastheid, met fierheid zou ik hem afwijzen!”

»Dat zou dan toch eene wraakoefening zijn, melieve, waarbij gij zelve het pijnlijkst zoudt getroffen worden. Als gij zoo spreekt, toont gij u vreemdelinge in uw eigen hart,”

»Neen! Want na alles wat daarin is omgegaan, zou ik dien man toch niet meer kunnen liefhebben. Ik haat hem, dat weet ik nu! Hij heeft zijne geheele carrière gebroken, hij gaat zich verschuilen in den Achterhoek om mij te ontvlieden. Meent gij dan dat ik, ik, zou kunnen besluiten hem daar te volgen, al gevoelde ik de vurigste liefde voor hem? Dat zou ik toch niet doen! De tweede te zijn na Marianne, te leven met dien ongemanierden ijzer-fabrikant — zoudt gij mij daartoe in staat achten?… ”

»Neen, zeker, dat zou niet gaan. Maar, allerliefste, overspan u zelve nu maar niet met zulke voorstellingen, want…” mevrouw Trotsenburg zweeg plotseling.

Op hare eigenaardige plompe manier sloeg Mina, de meid, de deur open, en gaf een kaartje over.

»Een heer in een rijtuig met livrei-knechts, die eene visite had willen maken,” sprak zij in volle verbazing over ’t événement.

»Waarom heb je hem afgewezen?” vroeg Laura knorrig, terwijl zij het kaartje bekeek.

»Mevrouw had voor iedereen »niet thuis” gegeven, juffrouw; maar hij heeft met potlood iets op het kaartje geschreven dat u lezen moet.”

»O, zoo! ’t Is goed Mina, en de dienstbare zag duidelijk dat ze nu kon aftrekken.

»Het spijt mij!” sprak mevrouw Trotsenburg, zich verontschuldigend bij hare dochter, »maar mij dunkt wij waren nu toch niet in eene stemming om hem te ontvangen; hij is zoo fijn, hij zou al heel licht gemerkt hebben dat er iets aan haperde.”

»Ja, gij hebt gelijk, ’t is zoo beter, en te meer, daar hij toch verlof vraagt om zijne visite van avond te mogen hervatten,” hernam Laura, nadat zij gelezen had, terwijl zij hare moeder het kaartje toereikte.

»Maar lieve, daar heb je nu zeker geen lust in……”

»Toch wel, mama! Als men zich wat zenuwachtig voelt, is zoo ’n afleiding juist heel goed!”


Ingezonden op: 19 July 2001