LAURA’S KEUZE

VIII.

Op het kaartje prijkte een aristocratische naam, een weidsche titel:


Baron van Leeuwendael van Ghynen
tot Grafhorn.

Minister van Staat.

Hij, die dien voerde, was een oud vriend des huizes, waarmee mevrouw Trotsenburg bij het leven van haar echtgenoot als gelijke had omgegaan. Vroeg weduwnaar en kinderloos, had hij altijd veel schik gehad in de aanvallige Laura, die als kind op zijne knieën paardje had gespeeld, en voor welke hij als jong meisje allerlei attenties en cadeautjes ten beste had. Bij het overlijden van haar vader was die verhouding eene gansch andere geworden. Niet juist omdat de weduwe zich terstond teruggetrokken had uit een kring, waarin zij door de ongunst van het lot niet meer kon verkeeren, ook niet als die anderen, die met groot gemak ignoreeren wie zich ter zijde begeeft, maar uit zekere gekrenktheid.

Hij achtte zich gemankeerd, dat niet hij, maar de bankier Duarte tot toezienden voogd was benoemd over de minderjarige Laura, hetgeen mogelijk uit kieschheid was gelaten, daar mijnheer Trotsenburg zijn voornamen en vermogenden vriend niet in de verplichting wilde brengen om zich met zijne verwarde zaken te bemoeien. Hoe dat ook zij, van Leeuwendael bracht een paar maal een ceremoniëel bezoek en hield zich voortaan ter zijde, totdat ook Duarte overleden en Laura meerderjarig geworden was. Van toen aan trok hij langzamerhand bij, nam haar verjaarfeest of andere feestelijke aanleiding waar, om haar door ’t een of ander geschenk opnieuw zijne goede gezindheid te toonen, bezocht de dames van tijd tot tijd, en kwam haar eene enkele maal afhalen tot een rijtoertje. Invitaties om een diner of een dejeuner bij te wonen waren door de weduwe met vastheid eens en voor altijd afgeslagen, en hoe ook Laura hunkerde naar de grootschheid des levens, zij moest toestemmen, dat het zoo beter was. Zelve was ze te fier om eene enkele maal als vreemde te verschijnen onder vroegere kennissen.

De baron had dit besluit begrepen en was er niet meer op teruggekomen, maar zijne bezoeken werden zeldzamer, en Laura had nagerekend, dat men hem nu in geen twee maanden had gezien, en dat zijne laatste visite had plaats gevonden op een gezellig theeuurtje, toen ook Albert Duarte er was. Die beide heeren, antipoden in de beschouwing van ’s lands zaken, waren toen in eene heftige discussie geraakt, waarbij Albert geen kamp gaf, en waarin Laura, tegen haar gewoonte, door het welsprekend pleidooi van den jongen letterkundige medegesleept, blijk gegeven had van haar enthousiasme. Hoffelijk, maar wat koeltjes, had de baron daarop zijn afscheid genomen, en men had hem niet weer gezien.

Nu kwam hij in zekeren als geroepen, om de jonge dame, in het harte als in hare ijdelheid gekrenkt, eenige afleiding te bezorgen, en al scheen het mevrouw Trotsenburg onbegrijpelijk, hare dochter had nog lust gevonden om een elegant toilet te maken en kracht om zich in volle opgewektheid van geest en goede luim aan den voornamen bezoeker te vertoonen.

Hij verschoonde zijn langdurig afzijn op de eenvoudigste wijze. Hij was eenige weken gaan doorbrengen te Baden-Baden — het was zoo stil en zoo somber in den Haag, ondanks het mooie seizoen, met die cholera en de geruchten van den Oostenrijksch-Pruisischen oorlog — dat hij zich wat had moeten verfrisschen in gunstiger klimaat. Hij bracht Laura een prachtigen waaier in elegant foudraal als welkomst-cadeau mee, en praatte alleraardigst over zijne reisontmoetingen en het pour et contre van eene badkuur in den vreemde. De baron van Leeuwendael was, als Danville uit de »école des vieillards”, causeur par excellence, en hij onderhield zijne dames met die verve en dat gemak, die hem eigen waren als man van de wereld, geroutineerd in den beschaafden conversatietoon. Hij wist ’t dat hij beviel, en hij zondigde er op toe door maar druk en levendig door te praten.

»A proros van reisontmoetingen,” sprak hij op eens met een glimlach, of hem dat nu pas inviel: »op mijn retour naar den Haag over België heb ik eene goede kennis van de dames ontmoet aan de table d’hôte van de Suède te Brussel.”

»Antoinette van Haeften op haar bruidsreisje?” bracht Laura uit, niet zonder pijnlijke zelfoverwinning. »Wat zijn die menschen toch gelukkig, zulke mooie toeren te kunnen maken!”

»De gelukkigen in kwestie waren een paar heeren,” hernam de baron, een uitvorschenden blik op Laura werpende, terwijl hij voortging: »niemand meer of minder dan die strijdlustige meneer van de oppositie — die… is ’t niet Albert Duarte? — en vacances, zooals mij bleek, en à la remorque genomen door dien zonderling, die zijn rang en afkomst verloochende, om als fabrikant zaken te doen. Enfin! chacun son gout. Adelsteyn derogeert niet voor niemendal. Naar men zegt, kan zijne inrichting met de grootsten van dien aard in Engeland wedijveren, en zet hij jaar1ijks millioenen om. De man is een personage in een tijd als den onzen waarin men het goud le haut du pavé geeft. De heeren waren recht en veine en amuseerden zich niet weinig met eene Duitsche basbleu, die zich verbeeldde dat zij ondanks haar blauwen bril en scherpen neus nog conquêtes zou maken door haar pedant gebabbel en excentrieke wartaal. — De ontmoeting van Hollanders in den vreemde heeft in den regel niet veel charmes voor mij, maar toch, tegenover deze heeren geplaatst en te midden van Engelschen die mij ergerden, en Duitschers wier krijschend gezwets mij deed walgen, vond ik het eene verlichting mijnerzijds met landgenooten in aanraking te komen. Ik hernieuwde de kennis met den jongen Duarte, dien ik eens het voorrecht had hier te ontmoeten”, — de blik en de intonatie tintelden van ironie, — »liet mij aan zijn reisgezel presenteeren, en na de tafel gingen wij met elkaar flaneeren en onze sigaar rooken aan een der tafeltjes vóór het Café de la Monnaie. Adelsteyn ging zelf aan ’t buffet de koffie bestellen, en ik nam ons tête à tête waar, om mij bij mijnheer Duarte te informeeren naar onze gemeenschappelijke bekenden: de dames Trotsenburg — Maar chere Laura, ik geloof dat ik u verveel met mijn gebabbel; mij dunkt gij ziet er wat gefatigueerd uit. Als ik u importuneer, beste mevrouw, moet gij ’t heusch zeggen; wij zijn te oude vrienden om niet sans façons te zijn.” — En al sprekende hield de slimme baron voortdurend het oog op Laura gevestigd, die met eene zenuwachtige hand het foudraal van haar waaier opende als om dien te bekijken, maar die den lust haast niet weerstaan kon, om zich daarvan te bedienen als een scherm tegen den malicieusen blik van den edelman.

»Wel, baron, hoe kunt gij zoo iets denken,” viel de goede vrouw in met zekere verlegenheid. »Maar waarheid is het, dat Laura al van ochtend zich niet zoo heel wel heeft gevoeid.”

»Och, lieve mevrouw, wie voelt zich heden ten dage volkomen wel? Er ligt iets drukkends in de atmosfeer, dat op het geheele sociale leven terugwerkt. Men hoort van niets dan van treffende sterfgevallen, men ziet ochtend en avond begrafenissen… Ik zei ’t ook tegen mijnheer Duarte, dat hij wel en wijs gedaan had met een poos te emigreeren… Voor een journalist, die van dat alles dagelijks verslag moet doen, en dan nog die afschuwelijke oorlogstafereelen daarnevens te schetsen heeft, is het haast niet uit te houden… Maar in ernst, ik praat te veel, en toch zou ik zoo graag mijn avondje hier doorbrengen, als ik zeker ware niet te hinderen,”

»Nog een kopje thee, baron?” vroeg Laura.

»Een enkel, als ik niet indiscreet ben, lieve kind; men drinkt ze nergens zoo gesoigneerd als hier. En dan… chère belle tracteer mij op een weinig muziek, dan zwijgt meteen de oude babbelaar, en dat verfrischt en vervroolijkt hoofd en hart.”

»Met alle pleizier!” zei Laura, blij deze kans gevonden te hebben om te kunnen opstaan en zich af te wenden.

»Maar geen sentimenteele treurmuziek! Ik heb het zwak alleen van vroolijke opera’s te houden.”

»Ik heb pas een potpourri van Offenbach’s belle Helene ingestudeerd,” sprak Laura, in hare muziekbladen snuffelend. »Maar de partituur ligt boven op mijne kamer, ik ga ze halen;” en in een vaart was ze weggewipt, overgelukkig voor een oogenblik te ontkomen. Zij had zich onder »de praatjes” van den baron gevoeld als de delinquente onder verhoor van den rechter van instructie, die met iedere phrase nauwer wordt ingesloten en ten laatste in den strik valt waaraan niet meer is te ontkomen.

Mogelijk had de baron op hare vlucht gerekend. Hij verzuimde althans niet er zijn voordeel mee te doen. Zonder eenige vergoelijkende inleiding vroeg hij op eens: »eg mij toch, lieve vriendin, is er zoo iets als eene brouille tusschen onze Laura en dien jongen Duarte?”

»Maar… mijnheer de baron,” sprak de goede vrouw, zeer verrast en in verwarring, »ik wist niet… ik dacht niet…”

»Gij dacht niet dat ik genoeg belang stelde in Laura, om mij met zoo iets te bemoeien misschien — dan vergist gij u. Ik zal u zeggen hoe ik op die gedachte kom. Mijne zeer natuurlijke vraag naar u, naar Laura, werd door den jonkman zoo kort en droog beantwoord, dat het mij frappeerde; daar moest iets achter steken. Ik wilde er meer van weten… Hij bruskeerde mij, en sneed mij den pas af om op het onderwerp terug te komen. Zoo handelt men niet, tenzij er iets hapert. Laura zelve was heden niet in hare assiètte ordinaire; ik zag haar opschrikken, toen ik van mijne ontmoeting sprak. Er moet iets tusschen die twee zijn voorgevallen, dat is zeker, en dat interesseert mij te meer, daar ik mij wel eens bezorgd heb gemaakt, dat het heertje haar vragen zou…”

»Bezorgd!” herhaalde mevrouw Trotsenburg met de uitdrukking van verwondering. .

»Ja, zeker! zoo’n halve democraat, zoo’n journalist, die voor de liberalen schrijft, was toch waarlijk haar partner niet.”

»Laat uwe bezorgdheid varen, mijnheer de baron! want ik heb er zelve ook zoo over gedacht, en ik heb hem bedankt,” sprak Laura nu forsch en hoog; — zij had reeds op het portaal, door de half geopende deur, het laatste gedeelte van het gesprek gehoord; en met den vasten wil om zich nu over alles heen te zetten en niet langer onder den inkwisitorialen blik te sidderen, had zij haar aplomb hervat.

»Wel, kindlief, dat verheugt mij hartelijk! recht hartelijk!” riep de baron met levendigheid… »om uwentwil,” voegde hij er langzaam achter. »Want, ziet gij, een begaafd en bekoorlijk meisje, zooals gij zijt, kan licht veel beter partij doen. — Wat dunkt u, beste vriendin,” hervatte hij tot mevrouw Trotsenburg gewend, »zoo ik eens voor haar rondkeek naar iets dat haar meer convenieerde.”

»Ik ben erkentelijk voor de intentie, baron, maar… het heeft nog geene haast…”

»Volstrekt niet, ” voegde Laura er bij, met een coquet glimlachje, »ik ben nog gelukkig bij mijne lieve mama!”


Ingezonden op: 19 July 2001