LEYCESTER IN NEDERLAND

EERSTE BOEK.

Lust mijn penne met u…
Een weynich vrymoedelyck te philosopheren,
Ik zie ’t beginsele van partydicheyt vierich,
Men vlucht van d’ oude rust…
………………………………………………………………
Wie weet of dit endt begin is van meerder rouwe?
Wie weet, oock of die saack nu is op ’t allerquaadste?
Zulck bidt te vroeg om beter en krijght arger in ’t laatste.
DIRK VOLKERTSZ. COORNHERT.

I.

WAT DIE VROUW WILDE.

Intochten zijn er reeds zoo vaak gedaan en even vaak beschreven, sinds den intocht van Cyrus in Babylon tot op dien van Z. M. Koning Willem II toe, in iedere van de steden zijns rijks, en ieder kan er zich, vooral door de laatsten, zulk een juist denkbeeld van maken, dat wij het met niemands herinnering durven opnemen, noch met niemands verbeelding. Wij konden wel, bij wijze van vergoeding, langs ons laten voorbijgaan de lange rij van hooge heeren en potentaten, die intochten hielden, en de plaatsen optellen, wáár zij ze hielden, maar ondanks de groote verscheidenheid in kostuum zouden zij elkander zoozeer gelijk zijn in leegte en in klingklang, dat het zeker de allerbeste vergoeding is te zeggen, datwij ten minste ons niet weder aan intochten wagen, zelfs niet aan dien van Leycester te Vlissingen, toen hij er binnentrok op den 19den December van het jaar 1585.

Wij willen liever zien, in welke stemming de held van dien dag den zijnen volbracht, en wat er van gedacht en gehoopt werd door hen, die hem volgden en omgaven, wat er besloten was door de Nederlandsche grooten, die hem ontvingen, en welke gewaarwordingen de volksmenigte rondom hem in beweging bracht; dat zal ons sneller plaatsen op een standpunt, van waar wij het tijdvak, dat wij intreden, kunnen overzien; veel juister oog geven op de historische feiten, die wij gaan voorstellen, meer hulp geven om de karakters te doorzien der personen, die wij moeten opvoeren, een wisser leiddraad zijn om hunne bedoelingen te leeren vatten, en een vaster maatstaf bij het beoordeelen hunner handelingen, dan, zoo wij gingen optellen, hoeveel zegevanen en triomfbogen er waren uitgespannen over de straten, hoeveel duizenden zich verdrongen op de pleinen, hoeveel honderden de takken der boomen hadden veroverd als hooge tribunen, of wel, te weten van welke kant Leycester’s kraag was geplooid, of welke pluimen afwapperden van Hohenlo’s helm. De Graaf van Hohenlo, wiens naam onze pen bij toeval ontviel, was echter noch de aanzienlijkste, noch de merkwaardigste persoon in den stoet van de Nederlandsche heeren, die daar teVlissingen samen waren uit plicht of uit belangstelling, om Leycester het »welkom” toe te spreken. Op uitnoodiging van de Staten van Holland was ook Willem Lodewijk van Nassau dáár, was ook zijn doorluchtige bloedverwant, de jeugdigeGraaf Maurits van Nassau dáár, en deze zeker was eene allerbelangrijkste figuur in de rij der Hollandsche grooten, en vooral de meestbeduidende tegenover den doorluchtigen vreemdeling. Het is zoo, de zeventienjarige had nog door geen uitstekenden dienst, door geene schitterende daad de onderscheiding verdiend, die zich almede had vastgehecht aan zijn naam, en toen de Algemeene Staten hem kortgeleden het Markiezaat van Bergen hadden gegeven uit aanmerking zijner »zonderlinge getrouwheid en goede werkelijke diensten,” werd de eerste zeker meer ondersteld dan bewezen, en waren de laatsten meer verwacht dan met proeven gestaafd. Maar dit gemis aan daden schaadde hem niet in den geest der Nederlanders, want was hij aangenomen als het kind van den Staat, hij was nog meer het kind der voorliefde, hij was allermeest het kind der toekomst! Zoon van dien Willem I, die zooveel was geweest voor de Vereenigde Provinciën, bij hare eerste worsteling tegen haar Vorst, bij hare afscheuring van Spanje; van dien Willem I, dien vriend en vijand, partij en wederpartij hadden erkend als de spier harer kracht, als de zenuw harer beweging, als de polsader van haar volksleven, en de eenige zijner zonen, op wien zich na den geweldigen dood van den vader de aandacht der natie konde vestigen, was hare volle opmerkzaamheid, en hare volle toegenegenheid op hem overgegaan als bij erfopvolging Van zijne teederste jeugd af had men er hem bewijzen van gegeven, en door vooruitzetting boven zijn leeftijd, in angstvallige zorg voor zijn leven en welzijn, in belangstelling in zijne studiën, in het voorstaan van zijne politieke belangen en in ondersteuning van zijne geldelijke.

Die jonge vorstentelg was dus voor haar de belangwekkendste figuur, die zij den komenden vreemdeling kon te gemoet voeren; maar vooral ook tegenover den Graaf van Leycester was hij van veelzeggende beduidenis, het lievelingskind der natie, de zoon harer hope, aan haar verbonden door het verleden zoowel als door de toekomst, wiens belangen met duizende vezelen als ingevlochten waren in de hare, die zijne vrienden en goedgunners als in duizend vertakkingen had in zijn land tegenover hem vreemdeling, die, toen hij den voet aan land zette, zeker kon zijn, dat geen enkele vriendenhand onder dit volk hem zou worden toegereikt, dat geen enkel bekend gezicht hem het »welkom” zoude toelachen, dat duizenden nieuwsgierig, dat honderden vreemd, dit sommigen met afgunst, sommigen met wantrouwen, weinigen met onverschilligheid, maar zeker geen enkele met warme hartelijkheid naar zijn persoon zouden opzien! Hem, wien geen enkele band konde binden aan dit volk, dan die van een tijdelijk staatkundig belang en nooddwang van het oogenblik. Maar was de jonge Graaf van Nassau door zijne nauwe verbintenis met het volk van Nederland eene belangwekkende persoon tegenover den Graaf van Leycester, zijne persoonlijkheid kon evenzeer zijne ijverzucht opwekken, zooals altijd het tegenwoordige ijverzuchtig moet zijn op de toekomst, zooals altijd de bezitter zijn opvolger met zorge of voor het minst met belangstelling aanziet, zooals de gloed der jeugd en de kracht, die toeneemt, altijd een spiegel is, waarin de volrijpheid en de kracht, die reeds haar hoogste standpunt heeft bereikt meest met huivering ziet. Maar de zeventienjarige Graaf van Nassau had voor den niet meer jongen Graaf van Leycester nog eene zijde, die zijne ontmoeting bij zijne eerste schrede op hollandschen grond tot eene veelbeduidende moest maken, niet zoozeer omdat hij was gesteld aan het hoofd van dien raad van state, die bij wijze van regeeringsraad was opgericht geworden na den dood van Willem I als uitvoerende macht; die waardigheid was nauwelijks meer dan een klank, uitgevonden, eer men aan Leycester dacht, en die vervallen zou, nu hij daar was, maar erger was dit: in het oogenblik, dat de onderhandelingen met de Koningin van Engeland en met den Graaf van Leycester tot een eind waren gekomen, hadden mijne heeren de staten van Holland en Zeeland den jongen Graaf van Nassau een rang gegeven, die eene inbreuk was op de rechten van Leycester, en hem een titel doen aannemen, die hooger klonk dan die, welken de Graaf zoude voeren. Men had Maurits stadhouder gemaakt van Holland en Zeeland en tevens kapitein-generaal en admiraal van die provinciën en van West-Vriesland. Men had hem bewogen zich te noemen: geboren prins van Oranje, opdat de prinsenrang luider klinken zou dan de graventitel van Leycester, opdat men den zoon des lands »Uwe Hoogheid” zou kunnen noemen, terwijl zijne lordschap van Engeland niets meer zou kunnen heeten dan »Excellentie”, flauwe en kleingeestige vinding, die laatste, maar die de ijdelheid van een Leycester op de kwetsbare plek moest treffen, en die hem de andere grieve des te voelbaarder moest maken.

Eene grieve was het zoowel als eene ontrouw van hen, die het wrochten. Want was het nog juist niet vastgesteld en door beide partijen bezworen, welke rang en macht Leycester houden zoude in de Nederlanden, het lag toch in den aard der overeenkomst opgesloten als in de behoefte van waar zij was uitgegaan, dat het geen mindere zijn zoude dan die, welkenAlençon en Willem I hadden bekleed en geoefend; dat het in wezen en in naam niets minder zoude zijn dan het gouverneur-generaalschap der Vereenigde Provinciën. En zij allen die, hetzij door de graven, hetzij door het volk met die waardigheid waren bekleed geweest, hadden recht gehad de voornaamste der provinciën voor zich te houden als bijzonder stadhouderschap; dat was, ten tijde van Filips II, Braband geweest; dat waren, ten dage van Willem I, bij de groote verliezen in Braband, Holland en Zeeland geworden; die waren door den dood van Willem I ontledigd, ze moesten nu op Leycester zijn overgegaan, of voor het minst aan zijne keuze blijven overgelaten, wien hij ze wilde toevertrouwen, zooals werkelijk de gouverneur-generaal het recht had, om alle stadhouderschappen te benoemen. Dat was dus eene krenking en eene trouweloosbeid, die men gepleegd had tegen Leycester nog vóór hij zich had ingescheept naar Holland, en tot de verpersoonlijking van die krenking had men den jongen Maurits gekozen, die tegelijk gekozen was om hem het eerst de hand te reiken, als hij aan wal zou zijn gestapt!! Mij dunkt, mijne heeren de staten hadden eerbied moeten hebben voor de onschuld van hun kweekeling, en zij hadden de openheid van zijne zeventien jaren niet moeten wagen aan die les van politieke dubbelheid. Maar mijne heeren de staten hadden den wees van hun grooten Oranje reeds meer dan eens eene onwaardige taak opgelegd; en mijne heeren de staten wisten wel, waarom zij het deden!

Daar waren ook leden van de staten van Holland ter verwelkoming des Graven van Leycester naar Vlissingen gereisd. En ik spreek van hen eerder dan van de andere grooten en heeren, omdat zij een lichaam vertegenwoordigden, dat tot den komende in eene allergewichtigste verhouding stond. Wij weten niet of de heeren, hier tegenwoordig, daarbij handelende of lijdelijke deelgenooten waren geweest; maar het is zeker, dat van uit hunne vergadering juist die besluiten waren uitgegaan, die krenkend moesten zijn voor den Graaf van Leycester, en die zijne eerste schreden reeds terstond zouden belemmeren en onzeker maken. Het was de provincie Holland, die het allereerst op de gedachte was gekomen, om zich te waarborgen tegen de waarschijnlijkheid, dat zij als bijzonder stadhouderschap den engelschen beschermerzouden toevallen; Zeeland had zich eerst later op dit punt met haar vereenigd; het was de provincie Holland, die reeds voor zijne aankomst en zoodra hij tot opperbevelhebber der hulptroepen was benoemd, zich als gerust had en gewapend tegen de pogingen eener heerschzucht, die zij bij voorraad onderstelde, en het was uit het midden der vergadering, die de provincie Holland vertegenwoordigde, dat zich een stelsel verhief van tegenwerking, met fijne schranderheid uitgedacht, met onwrikbare vasthoudendheid doorgedreven ten einde toe, en met behendige slimheid toegepast bij iedere goede kans. Dat stelsel wrocht de voorzichtige, maar trouwelooze greep, die Maurits plaatste, waar Leycester had behooren te zijn, en die andere, die Maurits den prinselijken titel deed toekennen, welke de gelijkheid tusschen de beide graven verbrak, waardoor den vreemden groote terstond als gewezen werd op den afstand, die hem scheidde van den prinselijken zoon van den Staat, en den onderdaan van de engelsche Koningin dwong tot ontzag voor den telg van een aangenomen vorstenstam; dat stelsel had reeds veel beraamd en verordend, vóór de Lord zich wegwendde van de britsche kust; en dat zoude nog meerder doen, nu hij gekomen was; maar daar het juist die gangen zijn, die wij volgen zullen, oordeelen wij nog van niets, dan wat reeds in December 1585 was uitgericht. En dat was niet gering. Het zwakste voordeel en toch geen verwerpelijk was dit, dat het de beide hooge en machtige heeren tegen elkander over plaatste als mededingers, dat het den algemeenen stadhouder in staat van wantrouwen en benijding kon stellen tegenover den bijzonderen stadhouder van de twee rijkste en gewichtigste provinciën. De plaats aan Maurits toegekend, en die Leycester niet meer kon innemen, belette hem zelve in te zien in de bijzondere staatshuishouding van Holland en Zeeland, hield hem buiten het innigste harer inrichtingen, buiten de kennis en de regeling harer geldmiddelen, buiten de berekeningen en het beschikken over hare bronnen, het ontnam hem het recht om de hand te slaan aan haar krijgswezen. Dan er was meer. Diezelfde staatkunde, die Leycester zoude tegenwerken, had nog een hooger doel dan het betwisten en bekorten van een nieuw en vreemd gezag. De twee provinciën voelden zich groot, voelden zich sterk, voelden zich overwegend. De provincie Holland vooral had de bewustheid, dat zij eerst was in den aanvang van een bloei, die telkens zou stijgen; zij wist, dat zij nog meerder kon worden en zij wist, waardoor; maar zij wist ook, dat hare voorwaarden van welzijn niet altijd overeenstemmen zouden met de algemeene belangen des lands; zij had er alreede de ondervinding van, en zij moest vreezen, dat een voorstander van het algemeene welzijn het bijzondere zoude onderschikken aan dat van het geheel; daarom wilde zij zich verheffen tot eene zelfstandigheid en onafhankelijkheid, die zij het best zoude kunnen handhaven onder een zelf gekozen stadhouder, onder den jeugdigen zoon van Oranje het allerbest; en die daad zelve, dat eigenmachtig kiezen van dien stadhouder was eene inbreuk op de rechten der Algemeene Staten, was ook weder eene poging tot onafhankelijkheid, die navolging had gevonden bij sommige zuster-provinciën en die onvoorzichtiglijk niet weersproken was geworden door de Algemeene Staten zelve; eene toegevendheid, welke voortaan ruimte liet aan het beginsel, waarvan Holland het eerst en de anderen langzamerhand begonnen uit te gaan: het beginsel, dat de Provinciale Staten de hoogste macht waren in hunne bijzondere gewesten, waar het de huiselijke belangen van die gewesten gold.

Voorwaar! hij, die gesteld zoude worden als algemeen hoofd over alle deze leden, zoo verschillend en onafhankelijk in beweging, zoude een zwaren kamp te strijden hebben en hij mocht wel alles in zich vereenigen, wat een groot, en schrander, en buigzaam, en omzichtig staatsman in zich vereenigen kan; hij moest meer zijn dan dit: hij moest een man zijn zóó ernstig bezield voor het belang zijner zaak, en zóó oprecht ingenomen met zijne hooge roeping, dat het hem niet te zwaar zoude zijn af te staan van eigene wenschen, eigene ontwerpen ter zijde te stellen, of liever geene andere ontwerpen te hebben of bedoelingen dan die eene: te slagen in het groote werk; en boven alles nog moest hij de man zijn, die zich wist bemind te maken door persoonlijke hoedanigheden, en die eigen vooroordeelen wist ter zijde te zetten en te zegevieren over die van anderen. Wij zullen zien in hoever de Graaf van Leycester aan die eischen beantwoordde.

Daar zijn geschiedschrijvers geweest, die deze tegenwerking tegen Leycester eene persoonlijke hebben genoemd, opgewekt door eene persoonlijke haat en aangehitst door een man, dien wij nu nog niet noemen, omdat wij te veel van hem te zeggen hebben; daar zijn anderen, die dit denkbeeld geheel wegweren door het ééne woord, dat niemand den Graaf persoonlijk kende of ten minste niet zóó kende, dat er reeds antipathie kon zijn ontstaan; en toch geloof ik, dat zijn persoon wel zeker in aanmerking is gekomen bij dit overlegde tegenstreven. Niet, dat juist de Graaf van Leycester een bijzonderen tegenzin kon hebben opgewekt, niet dat men in Holland zich tegen hem had laten innemen door het schandelijk lasterschrift in Vlaanderen tegen hem uitgegaan, in Engeland door zijn groot aantal vijanden met begeerigheid opgenomen en in Holland zeker niet onbekend, en waarin hij werd voorgesteld als de pleger van alle menschelijke en onmenschelijke gruwelen en ondeugden. De grooten van Holland waren toen ter tijde wijs genoeg om diergelijke lasteringen op hun prijs te stellen; maar de Graaf van Leycester, gunsteling van de Koningin van Engeland, Leycester, de eerste staatsdienaar van Elisabeth, de vertrouwde van alle hare geheimste bedoelingen; Leycester, zoo nauw verbonden aan de meesteres en aan de vrouw; die in wil en inzichten op het innigste vereenigd moest zijn met haar; wien niets zoozeer ter harte zoude gaan, als hare grootheid, hare eer, haar belang, en die daarvoor alles werken zoude, wat hij volbrengen kon, alles offeren zoude, waarover hij te beschikken zou hebben, of wat hij meester zou kunnen worden, neen zeker, die was het, wien ze voor de onafhankelijkheid van hun land mochten wantrouwen, moesten vreezen; tegen wien zij zich mochten verschansen en wapenen volgens het recht der volkeren en dat van vrije menschen.

Maar zonderling is het, dat die vrije menschen, en dat volk, dat zijn recht zoo angstvallig bewaken wilde, zich wapende ter verdediging hunner onafhankelijkheid tegen eene macht, die zij zelve het eerst hadden ingeroepen; tegen eene Koningin, die, zoo zij hun wensch als ootmoedige smeekbede uitgebracht, op hetzelfde oogenblik had vervuld, hunne meesteres zoude zijn geweest en souvereine voor altoos! Een volk, dat nog even vooraf veel lager was gegaan en zich had neergeworpen voor den troon van Hendrik III en zich als op genade en ongenade had overgegeven aan Frankrijk, aan dat Frankrijk, dat hun reeds een Anjou had geschonken!! Een volk, dat zoo weinig de mogelijkheid had begrepen van een onafhankelijk bestaan als natie, dat het van het eerste oogenblik der losscheuring van zijn eersten meester, zonder ophouden om zich heen had gezien naar een vreemden beschermer uit het buitenland, die met behendigheid en geluk toch zeker een meester had moeten worden, en dat, terwijl ze nog Willem van Oranje in hun midden hadden! Het schijnt zonderling, maar het is toch niet onverklaarbaar.

Onder de zedelijke verdrukking, waarin Karel V en Filips II hen gehouden hadden, was hunne tijdelijke welvaart in evenredigheid gestegen, ze waren daaraan gewoon geworden en verwend; als volk van handel en nijverheid was die welvaart hun eene voorwaarde van bestaan, eene behoefte van hun volkskarakter, dat orde en geregeldheid liefhad en huiverig teruggruwde van het vloekwoord: armoede, de leus van wanorde en van verwaarloozing; de schrik voor de zware lasten van een fellen oorlog en een kostbaar staatsbestuur, die geheel uit hun midden zouden moeten gevonden worden, terwijl het getal der lastdragenden zoude inkrimpen met iedere overwinning van den vijand en met iederen afval van vrienden, de vrees voor het afsnijden van menigen ader, waardoor hun de welvaart toevloeide, en in het eind de overweging, dat ze Alba den tienden penning niet hadden geweigerd om den twaalfden en meer te zetten op zóó onzekere kansen. Omdat ze wel hun geld niet zoo liefhadden, of ze durfden het Filips aanbieden tot vijf-en-dertig tonnen gouds toe, voor de vrije oefening van hun godsdienst; maar dan hadden ze daarbij tegelijk gewonnen rust en orde, en hadden zich gehandhaafd gezien in hunne maatschappelijke gewoonten en instellingen; nu was het om die om te stooten met onzekere uitzichten van vernieuwde oprichting, dat ze zooveel offeren moesten, en zeker, dat viel hun zwaar op den langeren duur, schoon de ontvlamde geestdrift voor de grootste denkbeelden hun in het eerst die offers licht had doen schijnen. En was het wonder, dat ze opzagen naar eene hand, die ze hen zou helpen torsen? Daarbij waren de Nederlanders lieden van moed en van volharding, die zich zonder schroom en met kracht durfden verzetten tegen de krenking hunner vrijheden, maar zij waren geene soldaten van natuur of van neiging, ze waren niet van hen, voor wie strijden leven was, en die in het woelig en bloedig oorlogsgejoel zich met lust bewogen; wie van hen het zwaard had opgenomen ter verdediging zijner rechten, zou het wel gaarne weer hebben neergelegd, voor het vreedzame kouter, en weinigen waren er van, die zich gelaten hadden blootgesteld aan de ontberingen van een vestingleven of aan het gevaar van geopende vuurmonden; die niet duizendmaal liever zich den arbeid en ontberingen hadden getroost voor hun beroep in het midden der bedrijvigheid van eene handelsstad, of niet meer getroost hun leven hadden prijsgegeven op den oceaan, in het belang van de zeevaart. Was het dus wonder, zoo ze omzagen naar eene hand, die hen het juk der krijgsdiensten zou helpen verlichten, door het met hen te deelen?

Maar dit volk was tegelijk het volk, dat zich zoo pas ontwrongen had aan den slavenketen der vorstentyrannie, dat hare aanraking duchtte in iederen band, dat eene fijnvoelendheid had gekregen voor haar druk, die het de fiere schouders deed schudden, zoo vaak eene vingerwijzing het er den schijn van gaf. En dat volk had lange reeds licht kwetsbaar geweest op het punt van rechten en vrijheden, had lange reeds gedroomd van republikeinsche vormen, gedroomd — neen, dat is het woord niet voor Nederlanders: zij hadden reeds die vormen trachten te geven aan hun landsbestuur, en zij hadden ze vastgehouden met onvermoeide volharding, tegen de oppermacht en de aanmatiging hunner graven; — en zonder nog Filips te rekenen, waren de drie laatste hooge heeren meerder heeren geweest, dan overeenstemde met de inzichten van een volk, dat zulke begrippen had van vrijheidszin en van volksrechten! En nu de allerlaatste meester, Filips, die hen bedreigd had in de dierbaarste belangen van hun volksbestaan, en in de heiligste belangen van hun geweten, deze vooral had hun den schrik in het harte gejaagd, en sinds een meester tyran en gewetensdwinger was geworden, hadden zij een overprikkeld wantrouwen opgevat tegen iedere macht, die niet van hen uitging; vandaar die vreeze voor een meester bij de levendig gevoelde behoefte aan een helper; vandaar ter eenere zijde dat uitzien naar een buitenlandsch hoofd, en ter andere, die gespannen achterdocht tegen ieder, die men er de rechten van-gegeven had. Vandaar, dat men nauwelijks Anjou had ingehaald als bondgenoot, of men had een geheim bondgenootschap tegen hem samengesnoerd; vandaar, dat men zich nauwelijks neergeworpen had aan de voeten van Frankrijk of men stond op met schrik, bevende van bij het woord gevat te zullen worden; vandaar, dat toewenken om hulp met de eene hand, terwijl de andere zich wapende tegen den verdediger! Maar, hetgene wij hier zeiden van het volk, dat wel de meeste stemmen heeft en de luidste, maar toch zeer zelden de beslissende, moesten wij eigenlijk gezegd hebben van de volksleiders, die wel in zekere opzichten de begrippen van het volk deelden en deszelfs wenschen vertegenwoordigden, maar die toch anders zagen en een ander streven hadden dan de menigte, welker belangen in hunne hand waren gegeven, en die hun voorwendsel waren. Wij bedoelen hier den zelfzuchtigen adel der provinciën, de machtige rijken der steden, de hooge magistraten, die zelve zooveel aanspraak maakten op het meesterschap: de aristocraten in één woord. Eene partij onder hen had zelfs Willem van Oranje gewantrouwd als oppergebieder, en hoe nabij deze ook altijd de hoogste macht ware geweest, hoeveel daarvan hij te allen tijde in de hand had gehouden, en hoezeer hij altijd op het punt stond, die te bereiken, werkekelijk vastgegrepen had hij die niet. Sinds zij eenmaal een meester de gehoorzaamheid hadden opgezegd, wilden zij ook geen anderen gehoorzamen dan zich zelven en hunne vrienden. Hoe warm de geestdrift ook geweest ware voor Oranje, hoe groot het vertrouwen zijn mocht op zijne schranderheid, hoe geheel men meende zich te kunnen vereenigen met zijne inzichten en met de staatkunde, die hij volgde, die partij had hem toch altijd in het aanvaarden der grafelijkheid gedwarsboomd, en het was wellicht om der wille dier partij geweest, dat zijne fijne omzichtigheid, er zoo weinig gehaast naar greep, en zoo langzaam toetastte. Maar toen men den prins miste, en toen zich met dat gemis eene verlamming openbaarde in alle takken van het staatsbestuur; toen men het ondervond, hoe onbeduidend in kracht en in werkzaamheid een voorloopige, een tijdelijke raad van regeering was, en hoe weinig die werd gehoorzaamd door het volk, en hoe weinig de provinciën, door de Unie verbonden, nog gehouden werden als een gevestigde Staat in het buitenland; toen de verlegenheid met zich zelve tot radeloosheid steeg, toen begrepen ook zij maar ééne keuze te hebben tot redding van hun vaderland, toen vereenigden zich alle stemmen in dien éénen kreet: den weg volgen, dien de prins had ingeslagen; de middelen gebruiken, die Oranje had aangewezen.

Nu was het zeker, dat Oranje beurtelings gewezen had op Frankrijk en op Engeland als beschermers, zoo begreep men het ten minste, en men meende dus niets beters te kunnen doen dan van één van beiden de hulp in te roepen, mocht die hulp dan ook wat kosten. Maar om Oranje’s wegen te gaan, moest men ook Oranje wezen. De schrandere prins had wellicht nooit in ernst zulk eene opdracht bedoeld, en voorzeker niet onder zulke vormen. Zijn aarzelen en terugtrekken had zeker een dieper doel gehad. Wij kunnen het opmaken uit die slimheid, waarmede een jeugdig en onzelfstandig vorst, de aartshertog Matthias, onder zijn beleid, gekozen werd tot landvoogd, waarmede Anjou buiten de noordelijke provinciën bleef gedrongen, en als weggeweerd uit het innige beheer van de staatshuishouding, en zoo zijn woord waar was, »dat hij eene bruid in handen hield, die het niet aan vrijers ontbrak!” zoo is het even waar, dat hij haar de coquette liet spelen, niet minder dan Koningin Elisabeth zelve, die speelde met hare trouwlustigen! Het is zeker, dat hij beiden heeft gevleid met den schoonen buit om bij voorraad beiden als bondgenooten te hebben, of voor het minst beiden af te houden van vereeniging met Spanje, om hen onderling te verdeelen door het zwaard der jaloezie; de eenige wijze wellicht, waarop hij ieder der losse deelen van Nederland, door zijn schoonen unieband omstrengeld, veiligen kon voor de gretige kaken van machtige naburen.

Maar dat hadden zij, die zijne wegen moesten gaan zonder zijn blik en zonder zijn voet, nog niet doorzien; zij meenden te goeder trouw te moeten zijn in hunne aanbieding en toen zij het geweest waren, hadden zij een weinig te ontijde, al was het nog niet te laat, doorzicht genoeg om er berouw van te hebben; want Elisabeth had iets aangenomen van hunne opdracht, zij had ten deele toegestemd in de bede hunner radeloosheid, zij zond hulp, zij zond krijgsbenden, zij beloofde onderstand in penningen, maar ook zij eischte vestingen, zij eischte waarborgen, en zij zond: een luitenant-generaal; een titel, die wel zeker met gouverneur-generaal zou verwisseld worden! En die luitenant-generaal was haar Leycester! Men begrijpt nu, dat er eene partij werd gevonden, die meende zich te moeten wapenen tegen een hoofd! en die dat deed!

Prins Maurits, hoe jong ook, had van dit alles reeds veel begrepen: hij was reeds niet meer vreemdeling in de gangen en ontwerpen dier angstvallige en wantrouwende staatkunde van dit bekrompen en eigenbatig provincialismus en van eene zelfzuchtige en heerschzuchtige aristocratie; hij had reeds iets zien doorschemeren van die zucht naar het meesterschap onder de leus van een meester, van die onrustige vreeze voor overmacht bij het bewustzijn van zwakheid, van dien schrik van overheersching bij den schijn van onderwerping, van dat plan tot regeeren van velen onder de verantwoordelijkheid van een enkele. Meer nog: hij wist reeds den aanval, die er tegen Leycester werd voorbereid; hij wist reeds, waar de strikken en de klemmen lagen, die den komende het toetreden tot den regentenzetel zouden belemmeren, of voor het minst, het treden buiten de enge afbakening, waarmede men dien zou omheinen. Hij wist reeds, wie ze gespreid had, die strikken, en wie ze opgericht had, die afperking, en hij wist ook waarom. Dat was niet, omdat Maurits reeds het opene oog had en den helderen blik van zijn grooten vader; of, omdat hij op een standpunt stond, van waar hij zoo goed kon zien; nog minder, omdat men hem ingewijd had in het fijne weefsel; maar het was, omdat hij reeds den druk gevoeld had van dien looden arm des mistrouwens, der bekrompenheid en der zelfzucht; want had men hem waard gehouden van zijne teere jeugd af aan, had men zorge gehad voor het kind van den Staat, men had vooral den leiband niet vergeten; hadden de voogden zich de belangen van den minderjarige aangetrokken, zij waren toch wel van meening om de minderjarigheid te doen voortduren tot in het uiterste tijdperk; men had hem zitting doen nemen in den hoogen raad van regeering; men had hem tegelijk duidelijk gemaakt, dat hij er was om te zitten, niet om te handelen; had men hem altijd op den voorgrond gesteld, had men nooit zijne belangen geheel uit het oog verloren; men had het hem toch niet ten goede gehouden, zoo hij zich zelven hoog had geplaatst, zoo hij eigenmachtig in zijne belangen had willen voorzien; men had hem wel eene plaats en een titel gegeven, dien Leycester hem moest benijden; maar men had hem toch eigenlijk die plaats endien rang onthouden, waarop de laatste levensmaanden van zijn vader hem het recht hadden gegeven. Want het is zeker, dat de onderhandeling, die Willem I het graafschap opdroeg, zóó verre was gevorderd, dat de Staten niet meer hadden kunnen terugtreden, zelfs indien zij het wilden, zoo deze niet gewelddadig in leven en werken ware gestuit; want Willem van Oranje had aangenomen, en schoon er nog geene eeden waren gewisseld, schoon geene huldiging nog wijding had gegeven aan dit verdrag, het was eene overeenkomst geworden verbindend voor beiden, en bij die overeenkomst waren ook de zonen van Oranje bedacht geworden, en van die zonen was wel zeker Maurits de eenige verkiesbare, daar hij stond tusschen den prins van Oranje, Philips Willem zijn broeder, een gevangene van den Spaanschen Koning, enFrederik Hendrik, een zuigeling op den schoot der bevallige Louise de Coligny. Maurits had recht verkregen op den graventitel en toch — toch koos men zich de Koningin van Engeland tot beschermster en den Graaf van Leycester tot hoofd van den Staat! Die ondervindingen waren voor Maurits van Nassau niet verloren gegaan, en jong als hij was en voorgelicht door den scherpen blik van schrandere vrienden en door den raad eener sluwe moeder, die in de listen der hoven en der diplomaten geene vreemdelinge kon zijn, zou hij er zijn voordeel mede weten te doen, met niets te doen, met de heeren Staten even en bescheidenlijk te herinneren aan zijn persoon en hunne beloften aan zijn vader, en daarna met dat tijdelijk afwachten der gebeurtenissen, dat aan zijn leeftijd voegde als aan zijn toestand — en dat de voorzichtigheid evenzeer gebood als de schranderheid dit wettigde. Maar Maurits van Nassau met zijn zeventien jaren was niet zoo jong meer. Hooft heeft het gezegd: hij was rijper dan zijne jaren; zijne vorstenopvoeding, zijne aangeboren schranderheid mochten er het hunne toe doen, het lag dieper, de verhouding van zijn huis met de Staten, de bewustheid Vorst te zijn, vorstelijke rechten te hebben, die toch door niets waren verzekerd, dit zweven tusschen eene grootsche bestemming en afhankelijkheid; dit onzekere: van knapen-leeftijd af te weten, dat men Willem I tot vader heeft, en tot beschermers de leiders van een volk, dat zich vestigde; en toch niet zeker te zijn van een vorstenzetel; opgevoed en gevormd te worden als een, die tot regeeren bestemd is, en toch door niets verzekerd van den regentenstaf, zulk een toestand moet een kind rijpen tot een knaap, een knaap schielijk vormen tot een jongeling, een jongeling den doordringenden blik en het voorzichtige omzien geven van den man.

Die omzichtigheid had dan ook zijne houding tegenover Leycester bepaald. Overtuigd, dat men hem niet eene schijnbare meerderheid had gegeven boven Leycester, dan om hem te gebruiken tegen Leycester, had hij het raadzaam gevonden, dezen voor zijn persoon te winnen, om voor het minst niet te beginnen met eene spanning; in een minzaam schrijven had hij zich en de zijnen der Koningin aanbevolen, toen de Graaf nog in Engeland vertoefde, en welke bedoeling zijne lastgevers er ook in gelegd mochten hebben, het verwelkomen van den Graaf was hem dus een eereplicht, dien hij zonder tegenzin kon vervullen als zonder onoprechtheid.

En nu Leycester? Begreep hij, wat hem omringde? raadde hij, wat hem wachtte? zag hij verder dan allen, die om hem waren, partij- of tegenstanders? Zag hij zóó ver en wist hij reeds zóó veel, dat hij op alles was verdacht en zich tegen alles had gewapend, en hief hij daarom het hoofd zoo moedig omhoog en zoo fier, omdat hij wist, dat de overwinning in zijne hand was? Neen! nogmaals neen! hij begreep niets; hij vreesde niets; hij zag van alles om zich niets dan wat het scheen; dat was wel zeker het bewijs, dat hij te klein was voor zijne taak, dat hij niets zoude weren, dat hij niets zoude ontgaan, dat zijn voet zich verstrikken zoude in iederen strik, dat hij zich vastzetten zoude tusschen iedere klem, dat hij geen enkel struikelblok zou weten te mijden, en daarom hief hij het hoofd wel overmoedig omhoog en vroolijk, maar niet met de zelfbewuste kracht van wie den strijd heeft overwogen, doch zijne strijdkrachten kent, maar met het lichtzinnige zelfvertrouwen der middelmatigheid, die niets ziet dan de oppervlakte, die er niet naar vraagt, wat zij tegengaat, en die zich zóó berekend acht tegen alles, dat zij het niet eenmaal noodig vindt, de kansen te tellen. Het is zoo, nog in Engeland had hij een oogenblik spijt gevoeld, toen hem de benoeming van Maurits tot stadhouder van Holland en Zeeland als eene teleurstelling in de ooren klonk, en hij had die gewaarwording luchtgegeven in een woord, bitter evenzeer als onvoorzichtig, en hij had een oogenblik de houding aangenomen of hij de onderneming opgaf; maar hij had zich laten tevreden stellen door een paar klinkende volzinnen, die niets zeiden, en de diepere grieve, de grieve zijner ijdelheid aangedaan, liet hij heelen door de eenvoudige aanwijzing op het Duitsche gebruik, dat den jongen Graaf van Nassau het recht gaf zich ook Prins van Oranje te noemen. Die morgenwolke van twijfel was dus spoedig opgetrokken en hij zag nu volmaakt helder, en zij had hem niet eens een weinig wantrouwen geleerd, tegen zich zelven en tegen anderen. Wij herinneren het ons, zoodra hij den voet had gezet op zijn eerejacht, onder de toejuiching van het Engelsche volk, en onder het krijgsmuziek van zijn eigen lijfwacht, had hij het hoofd in den nek geworpen en de borst vooruitgezet, en tot zich zelven gezegd: »Ik ben een vrij man!” en tot de anderen: »Wie van u is mij gelijk?” en nu hij te Vlissingen binnentoog onder het jubelend welkom roepen van een volk, dat met voorbarige dankbaarheid hem »redder” noemde en »beschermer,” gloeiden zijne oogen en klopte zijn hart, en nam hij de houding aan van een overwinnaar, en niet van een, die nog eerst komt om te strijden. Het luidruchtig feestgeschater, dat hem tegenklonk, de festoenen der vreugde en de triomfbogen der eere, die zich vermeerderden bij elke zijner schreden, bedwelmden hem zoozeer het ijdele hoofd, dat hij zich hield voor dat, wat de kreten der menigte hem prezen; dat hij zich voelde als een wettig vorst, die zijn troon kwam innemen, gelijk zijne ontvangst er hem in waarheid de begoocheling van geven moest. De macht van krijgslieden, die hij met zich bracht, de eigen lijfwacht en de stoet van ridderen, die Elisabeth hem geschonken had om hem niet slechter verzeld te toonen dan zijn vorstelijken voorganger uit Frankrijk! de hooggeboren edellieden, die met hem gekomen waren en die als zijne afhangelingen achter hem reden, de hooge Nederlanders, die hem tegemoetgingen, twee zonen uit een oud vorstenhuis, een hooggeboren en moedig krijgsman, de eerwaarde vertegenwoordigers van het volk, het volk zelf, dat alles scheen hem als zoovele eeden van huldiging, als zoovele levende documenten van zijn vorstenrecht, als zoovele steunpilaren van zijn meesterschap, en toen hij den schijn der macht om zich zag, was het hem of hij het wezen alreede hield gevat, en in de duizeling der opgewondenheid kon hij op niets anders zien dan op zich zelve, of het moest zijn rondom zich met dat zelfbehagen der voldane ijdelheid, dat hem geene helderheid liet tot het onderzoek of er onder die buigende gestalten, of die glimlachende groeten iets anders school dan de dankbare vreugde en gewillige onderdanigheid, die ze moesten uitdrukken.

Hij was zóó verblind door de stralen van zijne eigene heerlijkheid, dat zelfs de tegenwoordigheid van den jongen stadhouder van Holland en Zeeland, en van mijne Heeren de Staten der provinciën, uit welke allen er één lid was, hem niet brengen kon tot eene der overwegingen en berekeningen, die wij in zijne plaats hebben aangeduid. De jonge edellieden van zijn gevolg deelden zijne gulden droomen, en zagen met niet minder eerbied op hun meester en met niet minder trots op zich zelve, en met niet minder lichtzinnigen overmoed op dit vreemde volk, of de Graaf van Leycester werkelijk een Souverein ware geweest, en zij zijne eerste gunstelingen, en dit volk hunne gedweeë onderdanen! De ouderen of de wijzeren, die dieper zagen, wantrouwden meer zich zelven en de Nederlanders, maar het meest van allen hun beschermheer!

Over menigen van hen zullen wij nog in het bijzonder moeten spreken; nu hebben zij nog geen recht op onze aandacht, maar een hunner landgenooten toch moeten wij doen opmerken, schoon hij niet met hen gekomen was, maar veeleer tot hen kwam; want reeds was hij te Vlissingen en reeds had hij de Koningin Elisabeth diensten bewezen in Holland; het wasPhilips Sidney, de dapperste onder de jonge edellieden, de beminnenswaardigste onder de hovelingen van Elisabeth, de edelste der geleerden en de geleerdste onder de edelen. Philips Sidney, de schenker van Elisabeth, de hoffelijke, vernuftige dichter, maar tegelijk de ernstige en strenge raadsman, die der verwende ijdele vrouw durfde zeggen, dat zij eene dwaasheid beging tegen zich zelve, en eene ontrouw tegen haar volk, en eene onvoorzichtigheid tegen haar gezag, en een vergrijp tegen hare Kerk, zoo ze het huwelijk met Anjou waagde, waartoe zij zich aangetrokken gevoelde door zinnelijkheid en ijdelheid beide. Maar zoo Philips Sidney de eenige hoveling was die het zeggen durfde, die het zóó zeggen durfde, hij was ook de eenige wien ze het vergaf dat hij zóó gesproken had; want zij wist, hoe zijne oprechtheid uitsprak wat alléén reine belangeloosheid had gewogen en diepe schranderheid. Philips Sidney, naar wiens kennis en wetenschap de geleerden van Cambridge met bewondering opzagen, en voor wiens vernuft de Leycesters en de Essexs het hoofd moesten buigen, wien geen edeljonker nog had overwonnen in de kunst, om een beker aan te reiken met fijne hoffelijkheid; — maar die een degen in de vuist wist te klemmen met eene kracht waarvoor een vijand moest verbleeken; Philips Sidney die zooveel hart had als hoofd, en zooveel oordeel als vernuft, zooveel goed beraad als aangeleerde kennis; Philips Sidney, de neef van Leycester, die zijn beste steun en raadsman en middelaar is geweest zoolang het hem mogelijk was, en van wien er slechts ééne zaak te bejammeren is voor Elisabeth: dat zij hem niet in de plaats heeft gezonden van Leycester; en eene andere voor Leycester zelf: dat hij hem niet langer heeft nabij mogen blijven. Hij was nu omtrent twee en dertig jaar, in de meest ontwikkelde kracht van den mannelijken leeftijd, op de volle zonnehoogte van geestesontwikkeling en verstandsbeschaving, en zijn edel gelaat schitterde van alle beminnelijke en groote hoedanigheden der ziel, toen hij Leycester in een deftig en welsprekend latijn den welkomstgroet bracht in het land der vreemdelingschap, dat voor hem als een vaderland moest worden; eene toespraak tusschen ons gezegd, waarvan Leycester niet veel verstond, schoon hij er beleefd en voorzichtig de houding van aannam, en die hij ook niet noodig had te verstaan, daar zij nog meer strekken moest om de Nederlandsche heeren beleefdheden te zeggen dan den Graaf zelven, en tegelijk het doel had om dezen allen, en vooral Prins Maurits, te winnen voor de belangen van den nieuw aangekomene en voor zijne meesteres. In die rede legde Philips alles wat eene fijne, omzichtige en eerlijke staatkunde, behendigs en vleiends weet te leggen in een gelegenheidswoord. En de meeste Nederlandsche heeren verstonden het wel en bewonderden het wellicht, maar of het hen aanstond…? al wat Sidney Leycester zou te zeggen hebben, was niet goed te spreken onder zoovele getuigen op de openbare straat, in eene vreemde taal, al was het dan ook de taal der hoven, dat zou hij hem in goed Engelsch toefluisteren als ze samen waren, opdat er geen misverstand plaats had; want Sidney’s scherpe blik had reeds veel opgemerkt dat hij zijn machtigen oom helder moest doen inzien, en hij kende zijn Leycester van buiten, en had mijne Heeren van Holland ook reeds een weinig leeren kennen, en daarom vreesde hij…; maar zijne vrees drukte zich niet anders uit dan in verdubbelde hoffelijkheid en voorzichtige minzaamheid. Zijn recht om Leycester het eerst toe te spreken, grondde zich op den rang, dien hij alreede hield in Holland.

Toen Elisabeth hulptroepen en bijstand had toegestaan aan Holland, had zij tegelijk pand en waarborg gevraagd voor de diensten die nog zouden moeten worden bewezen en voor de teruggave harer uitschotten. Eenige havens en vestingen moesten haar worden afgestaan, en door haar krijgsvolk in bezit genomen, eer zij nog een stap ter hulpe deed. — Vlissingen behoorde onder de geëischte plaatsen, en na eenige onderhandelingen met Graaf Maurits, die als markies van Veere recht had op Vlissingen, werd de stad aan Koningin Elisabeth afgestaan, die Philips Sidney daarheen zond als gouverneur, en als bevelhebber der krijgsmacht die zij aanvankelijk medegaf.

Nog blijft ons over even te spreken van Hohenlo, even slechts, want hij is van de menschen die men het best kennen leert uit hunne handelingen, en die geen dieper grond hebben dan de oppervlakte die te zien is. Hij had vele deugden van een goed soldaat en misschien enkele van een goed veldheer, maar zeker miste hij niet ééne ondeugd van den ruwen krijgsman, en zeker miste hij vele hoedanigheden die voor een groot legerhoofd onmisbaar zijn. Levende in de laatste helft van eene eeuw, die zoo rijk was in vooruitgang en in beschaving voor iederen stand, was hij de man van het eerste tijdperk gebleven. Hij had nog het opperhoofd kunnen wezen van eene zwarte bende, en hij zou naast Maurits moeten staan aan het hoofd van een leger; op dit oogenblik zelfs was hij naast hem geplaatst als leidsman zijner jeugd in het krijgsgezag. Hoogst prikkelbaar van temperament, en aan allerlei soort van zinnelijke genietingen zich overgevende, zonder mate noch perk, vergat hij soms in den ruwen roes der zinnen de noodigste plichten; zonder eenige kieschheid op het punt zijner vermaken trok hij met zijne krijgslieden samen in de taphuizen en bierstoven, als makkers van denzelfden rang; terwijl hij een uur daarna in blinde drift met zijne onderhoorigen leefde als een Turksche pacha. Voor het overige zoo moedig als een ridder van de ronde tafel, zonder meer zorg voor zijn leven dan een laaggeboren avonturier, met ware soldatentrouw gehecht aan hen wier bezoldiging hij had aangenomen; aan Prins Maurits verbonden een weinig door de banden des bloeds, maar verder niet vaster dan hunne wederzijdsche overeenstemming zou aanhouden, en die kon verbroken worden door eene krenking van zijn lichtgeraakten trots, door eene verkeerde opvatting van zijn korzel hoofd. Onder het oog van Oranje was hij een stoutmoedig uitvoerder geweest van diens bevelen; had hij na diens dood den eersten rang gehouden onder de grooten van het leger, als luitenant-generaal van Holland en Zeeland. — Het is zoo, onder Maurits; doch die Prins was toen nog te jong dan dat die afhankelijkheid hem drukken kon, die hij later zóó knellend vond. Maar hoe vrijer hij was in zijne bewegingen, des te meer kwam zijne onhandigheid uit; doch middelmatig als hij was en trotsch, en gewoon de eerste te zijn, scheen het hem bijna eene verongelijking dat men een vreemdeling inriep waar men hem had. In het diepste van zijn hart was hij dus tegen den Graaf vooringenomen; en was hij te rond en te weinig politiek om die stemming doorgaand te ontveinzen, hij was tegelijk te gul en te veel mensch van het oogenblik, om niet voor den komenden een half morrend, half goedhartig welkom te hebben, dat hartelijk scheen omdat het luidklinkend was.

Wij moeten nog spreken van Graaf Willem Lodewijk van Nassau, den beminnelijken neef van Prins Maurits, ouder dan deze, maar door hartelijke vriendschap aan hem gehecht reeds van hun studietijd af. Zonder ijverzucht op de voorkeuze en toeneiging der natie tot dezen, had hij met juisten blik de voordeelen gezien, die zijne verwantschap met het huis van Oranje hem reeds gegeven had en nog konde geven. Zoo had hij zich met oprechtheid toegewijd aan dat huis en aan de belangen van Nederland; reeds had hij meerdere verdiensten bij het land dan zijn jongere neef: nog bij het leven van Oranje als onder-stadhouder van Friesland benoemd, had hij dit ambt aanvaard op een hachelijk oogenblik, toen die provincie verdeeld was in allerlei twisten en ongeregeldheden, die vrijuit hadden gejoeld en getierd en zich verbreid zonder wederstand onder het slappe bestuur van den verouderden Merode. En het was een hoofdig en eigenzinnig volk, als vastgegroeid in zijn vooroordeelen, vol schuwe terughouding en argwaan tegen wie zich geen Fries noemde, niet licht geneigd eene meening aan te nemen, die niet het eerst bij hen zelven was opgekomen, maar veeleer geneigd om in iederen vreemden gebieder een dwingeland te zien. En toch had de jonge vorst met schrander beleid en kalm beraad hunne twisten weten bij te leggen, hunne verdeeldheden te effenen, hunne vooroordeelen te beheerschen — en onder dit alles hunne genegenheid te winnen, te winnen tot eene mate, dat zij zelve de bevestiging van zijn stadhouderschap vroegen van de Staten, na den dood van Willem I: iets wat niet minder pleit voor zijne goede hoedanigheden als regeerder, dan voor die der Friezen zelve, die zulk een regent wisten te schatten, en die geëindigd waren met provinciale fierheid en vooroordeel te onderschikken aan het provinciale welzijn en het algemeen belang.

Ook als krijgsman had Graaf Willem Lodewijk reeds menige gelegenheid gehad zich te onderscheiden, en van die gelegenheden goede partij getrokken, zoodat hij in waarheid meer dan deze persoonlijke aanspraken had op de volksgunst, zoo zijne eerzucht of naijver die had willen doen gelden. Maar zoo hij er aan dacht, als een behendig staatkundige ontveinsde hij het en wij gelooven zelfs niet, dat hij er aan dacht; daartoe rustte zijn levendig oog met te veel goedronde teêrheid op den jongen Maurits, wiens schreden hij leidde zoolang deze leiding noodig hadden, wiens belangen hij steunde, waar ze zijn steun behoefden, en wiens wegen hij altijd ging, zachtmoedig als wijs naast hem gaande en zich de tweede plaats getroostende zijn leven lang. Het is waarschijnlijk, dat hij over Leycester dezelfde gevoelens koesterde en naar dezelfde beginselen dacht te handelen als de zoon van Oranje; maar het is zeker, dat zijn welkomstgroet de meest oprechte kon zijn, dat voor hem van den komende niet te wachten was, indringen in zijne rechten en overmeesteren van zijn gezag, en hij niet te vreezen had dat men hem stellen zoude als perk en dam tegen diens ontwerpen en eerzucht.

En nu, nu wij de merkwaardigsten onder de groote heeren zoowat hebben genoemd, zien wij op het volk; wij zullen er meer beweging vinden en meer leven, gelijk het volk zich vrijer uit, en minder verbergt, en luider toejuicht, of scheller afkeurt, dan de behoedzame grooten. Onder het volk begrijpen wij niet die leegloopende, verarmde, verlaagde massa’s, die tot niets zijn geschikt dan tot schreeuwen en uitspatten, tot bedelen of tot muiten; maar als wij spreken van het volk van Nederland, dan verstaan wij daaronder de burgerij, die nijvere, nutte, eerzame kaste der samenleving, die zóóveel stille en kalme deugden pleegt, voor zóóveel reine vroomheid plaats heeft in een eenvoudig hart, zóóveel gezond oordeel in een ongeletterd brein, zóóveel juiste waardeering van hun eigenbelang onder zoovele vooroordeelen eener belemmerde ontwikkeling; dat volk, dat leeft van zijne handen en van zijne vlijt, en dat nooit behoeft te vragen en nog altijd iets kan geven. Dit volk nu juichte toe, juichte Leycester toe met alle macht en met de oprechtheid des harten, die zonder bijgedachte was. Dit volk nu heette hem welkom als den verlosser en redder uit de benauwdheden des oorlogs en de wanorden der wetteloosheid; dit volk geloofde in waarheid te dier ure, dat er geen heil kon zijn voor het vaderland, dan bij de hulp van een vreemden heldenarm, en dat er geene betere en geene minder verdachte hulp te wachten was dan uit de hand der Koningin van Engeland, der vrome voorvechtster van het protestantismus! Want dit volk had reeds bloedige strijden gestreden voor de zaak van het geloof; dit volk had moordschavotten en brandstapels onder zich zien oprichten door het katholicismus; dit volk had reeds de bange dagen vanGranvelle en Alba doorgeleefd; het had zich nu reeds zóóveel jaren lang laten martelen en teisteren voor de vrijheid van geweten, dat kinderen, die geboren waren in het eerste tijdpunt der verdrukking, vaders en grootvaders waren geworden, zonder de roede der vervolging van hunne hoofden te zien afgewend; dit volk had geleefd in gedurige siddering voor een katholieken beschermheer of voor den vrede met den ouden katholieken meester. Dit volk, dat tot den invloed der Fransche Louise de Coligny had geducht, dat somtijds zelfs zijn Oranje had gewantrouwd, waar het hem zag aarzelen of zich matigen, als er strijd was tusschen protestantismus en staatkunde, moest wel innig verblijd zijn den man te zien, die geene andere staatkunde kon hebben dan die in het belang was van het geloof, en waarmede de troon van zijne vorstin en de orde in zijn vaderland stond of viel.

En dit volk, dat zoo goed eene enkele gedachte konde vasthouden, maar tot vele gedachten-verbindingen nog niet was opgevoed, dacht zich behouden, zoodra het zijn godsdienst had gered, en vergat de hooge politieke belangen of verstond die niet genoeg om daaronder aan nieuwe gevaren te denken; en wat ook Leycester doen zoude, hij was wel zeker gekomen om de Christelijke religie te handhaven, dit wisten zij van hem en dat was hun genoeg; ze hadden nu geen tijd om er aan te denken, of hij een Parma zoude opwegen in krijgskunde en een Oranje in staatsbeleid. Ze hielden het er zeker voor, dat hij de Gideon was, die hun evenzeer ruste zoude geven van de slingeringen des oorlogs, als vrede voor het bedenken van hunner zielen zaligheid. En zij juichten, zij jubelden; neen! zoo was nog nooit eenig held in eenig land aangeroepen en toegejubeld geworden; want onder het vreugdgeschater mengden zich danktonen aan God, en het waren geene danktonen voor de kleine aardsche belangen alléén, het was hun eeuwig heil, dat dit volk gewonnen achtte en waar het voor dankte in uitbundige lofgalmen en met stillere danktonen des harten, zonder in te denken of ze ook te voorbarig konden zijn. Maar toch waren er onder die burgers, die reeds dankbaarheid konden hebben voor genotene weldaden, en wier vertrouwen gerechtvaardigd was door ondervinding.

Toen de gloed der Hervorming het felste brandde, hadden vele Nederlanders, zoo vaak zij de kans schoon zagen tot ontkomen, verademing gezocht in landontwijking en schuilplaats gevonden bij meedoogende naburen. Oost-Friesland en Duitschland waren zulke wijkplaatsen, maar bovenal was Engeland een gastvrij toevluchtsoord voor wie uit de zuidelijke en westelijke provinciën redding zochten door de vlucht. De Schelde voerde zoo licht af naar Zeeland, van uit Zeeland was de overtocht naar Engeland zoo licht te doen en had zoo weinig hindernis, en men werd er zoo gastvrij ontvangen en met zooveel hulpvaardige liefde opgenomen, reeds onder Eduard VI, maar het meest wel onder Koningin Elisabeth, die zelfs de verspreide Londensche gemeente der Nederlandsche Hervormden terugriep en herstelde, nadat ze om Maria’s dwangbestuur ook voor eene poos uitéén was gedreven. Zulke gemeenten bestonden er daarna niet enkel te Londen, maar ook daar buiten, te Sandwich, te Colchester en eene zeer aanzienlijke zelfs te Norwich.

Maar die toelating en die bescherming van die vorstin voor deze uitgewekenen was toch altijd een vreemd verschijnsel. Wij spreken niet, hoe hare voorzichtige staatkunde zich toen reeds waagde aan zulke bewijzen van partijdigheid voor de oproerige onderdanen van Spanje; want dan zouden wij ter anderer zijde, in diezelfde staatkunde redenen genoeg vinden, die haar tot die bescherming bewogen; maar van Elisabeth, hoofd der Engelsche Episcopale kerk, van Elisabeth, strenge voorstanderes van bisschoppelijke waardigheid en vormen, van Elisabeth, strenge vervolgster der puriteinen in haar eigen rijk, tegenover deze Hervormden, die meest Calvinisten waren, eene sekte hare Puriteinen vrij gelijk, en even weinig rekkelijk van gevoelens, even vasthoudend in beginselen, even weinig verdraagzaam voor ruimere inzichten, even vijandig tegen alles wat naar vroegere Roomsche vormen zweemde en van wat menschelijke oppermacht scheen in de zaken der Kerk, van die Elisabeth, die gehuwde geestelijken haatte, en zich nog lange niet van altaar en crucifix kon ontdoen, was dit zeker eene vreemde en ongelijkmatige handelwijze, die niet uit haar zelve alléén moet zijn voorgekomen.

In haar raad had zij mannen, die der Puriteinsche sekte waren toegedaan: de man, die het meest in hare vorsten- en vrouwengunst deelde, voelde sterke toeneiging tot hunne belijdenis; Leycester was het, die, waar hij kon, in het heimelijk die landgenooten, die hij geloofsbroeders heette in zijn hart, beveiligde en beschermde, en die meer openlijk, als een goede raad der staatkunde en der menschelijkheid, durfde spreken en werken in het belang der vreemde broederen. Liet zijne politiek hem niet toe, zich persoonlijk bloot te geven als de vriend hunner beginselen ze wisten toch dat hij de vriend was hunner belangen; ze wisten toch, wiens tusschenkomst het machtigst voor hen pleitte aan het oor der Koningin. Neen! wij hebben onjuist gesproken, toen wij van Leycester zeiden, dat zijn oog bij het binnenkomen te Vlissingen alléén zoude rusten op vreemdelingen; dat geene warme harten er hem tegen klopten; dat geene vriendenhand zich uitstrekken zou naar de zijne; wij hebben onjuist gezegd, ten minste, zoo wij daarin het volk hebben begrepen. Want van die duizenden der Londensche en Norwichsche gemeenten waren er velen nu teruggekeerd in het vaderland, en zij hadden de dankbaarheid medegebracht in het harte; en mocht niemand hunner voor den Graaf van Leycester zijn genaderd, noch zijn aangezicht anders hebben gezien dan bij een openlijk feest; velen toch wisten het, dat de hand der hulpe, hun in eenigen nood toegereikt, door zijn wil was bewogen geworden, en velen hadden in de gave der mildheid hun door een derde verstrekt, ter gemoetkoming aan eene behoefte, zijn goud herkend, en menigeen had zich van eene ongedachte bevrijding te roemen, nadat zijn klaagtoon door een vriendenmond tot het oor van Leycester was gebracht. Neen, voorwaar! het waren geen vreemden, die den Graaf hier verwelkomden; het waren beweldadigden; het waren allen geloofsgenooten; het waren broeders, verbonden door den reinsten en innigsten band, dien der Christelijke liefde en van overeenstemmend geloof.

En in tijden als de toenmalige was eene weldaad bewezen aan een geloofsgenoot, eene gunst en goedheid bewezen, aan allen, waardoor allen zich verplicht achtten tot dank, en voor één Nederlander, die, Leycester zegenend, was heengetrokken uit Engeland, juichten hem nu twintig monden het welkom toe in Nederland!

En nu, mijne lezers! hebt gij een goed oog op den intocht van Leycester? Dat wil zeggen, op het doel en de beteekenis daarvan; op de onderlinge verhouding der personen die er hoofdfiguren waren; want het is zeker dat ik u nog niet heb gezegd, langs welke straten van Vlissingen de stoet heentrok, en het is even zeker, dat ik het u niet zeggen zal; maar ik wilde van u weten, of ik u nu gebracht heb op een standpunt van waar gij op uw gemak en met niet te veel inspanning de gebeurtenissen kunt zien afspelen die ik voor u ga ontrollen; en als dat zoo is, dan wensch ik u geluk en mij zelve, want dan kunnen wij aanvangen met den roman.

Begint nu met het plaatje uit Wagenaar op te slaan, dat Leycester’s intocht teVlissingen voorstelt, en als dat uwe verbeelding niet verkilt zou het mij spijten, want dan hebben wij eene sympathie te minder; want mij althans is het onmogelijk, in die kleine, stijve, wanstaltige figuurtjes de edelen en dapperen, de grooten en schranderen, de slimmen en beminnelijken te herkennen, die allen hier samen waren. Maar iets toch zien we heel goed: het is er winter, en een winter met witte straten en overijzelde boomtakken, zooals een echte winter zijn moet, een beeld van de ruste en de reinheid des grafs. De hooge heeren hebben hunne wederzijdsche begroetingen gewisseld; Leycester, de jonge Graven van Nassau en de Nederlandsche heeren, zijn alle te paard gestegen, — zooals men te dier tijde statelijke optochten niet anders begreep dan te paard; — en vervolgen hun tocht gemeenschappelijk met den held van den dag; Engelsche en Hollandsche dooreengemengd en naast elkander voortrijdende, met geene andere orde dan die van den rang; de lagere volgen naar toeval, en zóó de volksmenigte voor zich heendrijvende en zelve door haar voortgesleurd, nemen zij den weg naar het huis der feestviering, waar een kostelijk banket hen wacht; zij komen daar echter niet aan zonder een klein voorval dat wij moeten doen opmerken.

Eene groep van drie personen, lang tusschen de menigte verscholen, begon zich nu vooruit te dringen, met eene vastheid van wil en een zóó goed geluk, dat zij weldra in de dichtste rij stond van den bonten krindie g zich heensnoerde rondom den stoet, al dichter en dichter, en die, zoo niet bepaald het voortrijden belemmerend, ten minste de rijders tot omzichtige bedachtzaamheid dwong. Bescheidenheid en voorzichtigheid beide scheen de menigte te vergeten, onder de geestdrift en de nieuwsgierigheid. En de voorzorgen die hen tot beide hadden moeten terugbrengen, zóó ze genomen waren, schenen ditmaal, van de zijde der grooten, niet met gestrengheid te worden geoefend. De Engelschen hadden dergelijke maatregelen niet willen nemen, om niet te beginnen met een schijn van wantrouwen; de Hollandsche heeren hadden den volkstrots hunner landgenooten niet willen krenken door beperking van het volksgewoel. Maar wie ook nog eenige terughouding oefende onder de lagere burgers die deze drommen uitmaakten, voorzeker niet het drietal, dat wij aanwezen; voorzeker niet de vrouw die zich leunde op den arm van een man, en die zelve een jong meisje bij de hand leidde. De twee laatsten schenen lijdelijk en als het ware slechts om harentwil, en door haar voortgetrokken, zich dus bloot te stellen aan de opmerkzaamheid en zelfs aan de blijken van onwil der omringenden, maar zij zelve streefde vooruit met eene vermetelheid en met eene heftigheid van beweging en kracht van wil, die een ander doel moest hebben dan de eenvoudige begeerte om te zien.

En in waarheid, eenmaal de begeerde plaats bemachtigd hebbende, gedroeg zij zich op eene wijze, die het duidelijk maakte dat zij niet enkel wenschte te aanschouwen, maar ook boven alles wenschte opgemerkt te worden, niet slechts door de rustelooze en onderzoekende blikken, waarmede zij naar ieder der aankomende heeren uitzag, vooral zoo het Hollanders waren, en de schichtige haast, waarmede zij zich dan ongeduldig omwendde naar haar geleider met een hoofdschudden; niet slechts door het sterke voorwaartsbuigen harer gestalte, alsof zij in de wille was, zóó zóó een der ridders toe te spreken; niet slechts, door het vivat wuiven met haar doek, zoo vaak eenig persoon van aanzien langs haar heenging, maar zelfs, door luide in te stemmen in de toejuichingen der menigte, zoo vaak het den Graaf van Leycester of de Koningin van Engeland gold. En toch had die vrouw niet noodig, zich zooveel moeite te geven om opmerking te trekken, het moest haar veeleer moeite kosten om de oplettendheid te ontgaan, zoo zij dat nuttig had geacht; want zij had in geheel haar voorkomen iets dat haar van allen onderscheidde.

Niet slechts het vrije, het stoute, het ongedwongene van hare houding en van hare bewegingen, bij eene handelwijze die haar blootstelde aan de afkeuring en den onwil der omringenden, bewezen dat zij zich niet voor het eerst bevond in een dergelijken toestand, maar ook uit alles was het haar aan te zien, dat zij niet als schuchtere zwaluw gewoon was onder eenig huiselijk dak weg te schuilen; maar dat zij zeggen kon als in Joconde de Prins:

»J’ai longtemps parcouru le monde,” en dat die levenswijze haar karakter had gevestigd, of wel het gevolg was van haar oorspronkelijken aard; de frissche, volle, al te reusachtige gestalte, die bijna tot mannelijke forschheid overhelde, de donkere gelaatstint, op de wangen verhoogd tot granaat purper; het vel licht geschrompeld als van eene, die zonnehitte heeft voelen branden en stormen-guurheid opgevangen, spraken het niet enkel noch het allermeest uit dat weekheid haar vreemd moest zijn en schroom; maar nog sterker getuigden het alle trekken van dit gelaat, die meer behaagden door openheid dan door fijnheid, maar bovenal de gitzwarte oogen met den schalken vermetelen opslag, en de zwarte wenkbrauwen die, hoe welgevormd ze zich ook afschetsten op het verbruinde voorhoofd, toch voor eene zachte schoonheid te zwaar en te uitdrukvol zouden geweest zijn; en al hare gebaren, alle wendingen haars lichaams zelve stemden samen met dit karakter harer schoonheid.

Maar het was niet slechts dit ongewoon vrije en losse dat de aandacht trok, het was ook eene geheel eigenaardige bevalligheid die in haar boeide. Een mond meer welgevormd dan klein, met lippen die bijna grof waren, doch wier frischheid tot een kus uitlokten, en die zich nooit opende zonder sterke, breede, hagelwitte tanden te doen schitteren. Veel zoete kuiltjes rondom den mond en in de wangen, en toch eene ernstige plooi in het gelaat, die hare al te groote schalkheid moest matigen, en die getuigde van harde levensondervinding, van worsteling met moeite en met gevaar; die vrouw was op de volle middaghoogte des levens; het was nog zomer, maar de herfst zou spoedig dáár zijn; het was de overgang van een dertigjarigen leeftijd op dien van veertig, maar bij de gezondheid, waarvan haar rozenblos schitterde zoowel als het zuiver wit der oogen, waren de laatste zomerdagen nog verlokkend schoon.

De kleeding ook der bevallige avonturierster was zóó opzichtelijk, dat die bij de effene stemmigheid der Noord-Nederlandsche burgervrouwen van het tijdperk opzien moest wekken; zoo het onderscheid al niet lag in de snede, het was in de heldere uitstekende kleuren, die herinnerden aan den weelderigen dracht der zuidelijke provinciën, en aan het katholicismus (waarvan zij de schuilplaats geworden waren sinds de Unie van Utrecht), dat hare leeken vrijheid liet tot iederen tooi, terwijl de strenge Calvinisten al meer en meer toegaven aan de denkwijze, dat de ernst des reinen christendoms moest worden uitgedrukt, niet slechts door een ernstigen levenswandel, maar door den ernstigen eenvoud van sombere kleuren in het kleed van den christen! Treurige bekrompenheid, van hoe menige andere bekrompenheid niet de verzinnelijkte uitdrukking! Die zich uitverkorenen achtten, meenden, dat het bruiloftskleed dof moest zijn, zou het den Onzienlijken Bruidegom welbehagelijk wezen; alsof in Zijn oog het zwart eene andere beteekenis konde hebben dan het purper; alsof Zijne zonnestralen niet alle kleuren daarstelden; alsof eene eenvoudige stoffe een beter borstwapen is tegen de verzoekingen van buiten dan eene rijke stoffe; onnoozele wederspraak van zich zelve bij hen, die het geloof aan de kracht der goede werken verafschuwden, en die met den pronkenden eenvoud van een kleed iets meenden te bewijzen voor de reiniging van hun hart! Had dan niet de ondervinding van het verledene hen reeds geleerd, dat zelfs de grove monnikspij niet beschermt tegen de tocht van het menschelijke der zinnelijkheid?

Maar het zee-groene damasten rokje onzer vreemdelinge had tot luchtiger bespiegeling moeten uitlokken, sierlijk als het afspeurde bij het zwartsatijnen jakje met vergulden knoopjes kwistig bezet; vooral als men zag hoe coquet de ruime plooien daarvan geschikt waren over de kunstheupen, die zoo weinig mogelijk vermomd waren onder het bonte en hooggekleurde schort, en als men den moed had de scharlaken roode kousen te overzien, en te vergeten dat die voeten niet klein waren en in schoenen staken van ongezwart leder, die meer op sterkte dan op fijnheid waren vervaardigd. De uitsnijdsels der poffen aan den bovenarm lieten helder linnen zien en het hoogje of de gestevene strook, die het kleine linnen mutsje omgaf, was van echte vlaamsche kant, al was het niet van de fijnste. Dit mutsje liet meer van het gitzwarte haar zien dan de eischen der mode rechtstreeks vorderden; maar toch was het duidelijk, dat er lange zijden schatten onmeedoogend werden weggeborgen. Zij droeg eene dunne halsketen, die slechts éénmaal nederhing, maar het was eene gouden, en zij was nog ten deele verscholen tusschen de opening van de keurs, als ware het sieraad, dat zij droeg, van te innig eene waarde om voor het oog der wereld ten toon te hangen. De halskraag was niets dan een effen gesteven boordje, dat omgeslagen den vollen frisschen hals evenzeer prijsgaf aan lucht en licht, als aan de blikken der bewondering. Naar deze kleeding te oordeelen zoowel als naar hare gedragingen, kon die vrouw wel niet anders dan tot den lageren middelstand behooren, hetzij ze daarin was geboren, hetzij ze door lot en omstandigheden daarin was nedergerukt, en eene lange gewoonheid haar daarmede had vereenzelvigd.

Datzelfde was niet te zeggen van de jeugdige persone, die zij bij de linkerhand vasthield, ondanks de levendigheid harer eigene bewegingen, en die werkelijk dien steun noodig had, met zoo onzekere en schuchtere schreden als zij de krachtige geleidster volgde. Hare gestalte, schoon door eene lange zwarte falie bijna gansch vermomd, scheen zóó rank, zóó teer, zóó fijn, en hare houding sprak zóózeer eene schuwe huivering uit voor den toestand, waarin zij geplaatst werd, en zonder die gebogenheid zou die zóóveel edels en waardigs gehad hebben, dat reeds dit alleen haar tot eene scherpe tegenstelling maakte van hare geleidster, en getuigde hoe het haar althans even vreemd was als smartelijk, dus blootgesteld te zijn aan al de lasten van een volksgewoel, al had ook niet een blik op het bleeke, fijne gezichtje er u de zekerheid van gegeven. Meer dan een blik op het benedendeel van dat liefelijk gelaat was intusschen ook niemand gegund; de falie bedekte het meer dan ten halve met bijna kloosterachtige gestrengheid, en dit bewees nog te meer hoe weinig zij, als de stoute Vlaamsche, gekomen was met eenige bedoeling, uit eene aandrift van nieuwsgierigheid of ijdelheid.

Hoe traag zij het nu ook tot voortgaan bewoog, haar fijn voetje moest aan rapper gang zijn gewend, en lichter last dan van haar zelve konde toch wel nooit eenig voetje zijn opgelegd. Het weinige, dat de falie ook van hare kleeding zien liet, was zóó eenvoudig als zoo jeugdig en teeder een wezen het zelve zijn moest; slechts uit de enge mouwen kwam een handje te voorschijn, door een handschoen tegen de gure buitenlucht geschoeid: eene verfijning, die toenmaals in den middelstand niet te huis hoorde; de man, die beiden tot cavalier diende, scheen echter tot dien stand te behooren. Zijn wambuis en boxen van goed zwart laken, de halskraag van neteldoek, niet overgroot, de smalgerande vilten hoed, met eene koord en eene roos tot sieraad, onderscheidden hem in niets van de eerzame en gegoede burgers, die zich niet in den eigenlijken volkshoop hadden gemengd. Hij scheen van middelbaren leeftijd, zijn gelaat was noch veelbeduidend, noch volstrekt onbeteekenend; hij was een van die gezichten, die noch aantrekken, noch terugstooten, en die men moet leeren kennen om er iets van te kunnen zeggen. Slechts was het duidelijk, dat ook hij met meer onwil dan genoegen, den drang der ijverende vrouwe toegaf, vooral toen ze hem zoo zichtbaar blootgaf aan de blikken der voorbijgaanden. Men zag hem blozen en verbleken, en bij wijlen het hoofd afwenden met eene soort van schaamte. Dit vreemdsoortige drietal dat zoo slecht bij elkander voegde, was blijkbaar door geene teedere banden aan elkander gehecht, want ze wisselden noch blikken van overeenstemming noch van genegenheid; ieder van hen scheen het meest zich bezig te houden met zich zelve, en niemand van hen scheen zich veel te bekommeren om de gewaarwordingen van de anderen. Nauw hadden zij eene wijle getoefd op de plek, waar de eenige, wier wil hen dreef, hen deed stand houden, — toen een deel der Hollandsche heeren voorbijtrok, geleidende eenige voorname Engelsche ridders, — ze hadden den Graaf Philips van Hohenlo aan het hoofd, die bij de verandering van den trein niet meer naast Prins Maurits reed, met wien de Graaf van Leycester zich bij uitsluiting bezighield.

Een haastig woord van onzen burger tot de bevallige avonturierster, scheen haar te waarschuwen van Hohenlo’s nadering, ten minsten toen trad zij vooruit snel en besloten, met eene vermetelheid, die den prijs verdiende van grooten moed, en zij riep met eene frissche en volle stem: »Leve de Graaf Philips van Hohenlo! eere den dapperen Heer! leve de rechterhand van Oranje!” en schoon de volkskreten niet gansch dit lofgejuich herhaalden, een luid »hoezee” voor den dapperen en trouwer bestrijder der vijanden werd er toch snel de echo van. Maar versmolt de vrouwestem onder die kreten, wie ze het eerst had aangeheven kon de aandacht niet zijn ontgaan, vooral niet van een Hohenlo, wiens ijdele hoogmoed zich licht gestreeld voelde door eene vleierij, ware zij ook niet uit den waardigsten mond; van een Hohenlo, die niets zoo snel opmerkte als een goed soldaat en eene schoone vrouw, en de schoonheid van deze vrouw was juist van de soort, om op een ruw en zinnelijk gemoed een snellen indruk te maken, maar er was meer, de Graaf kende haar; want, de teugels van zijn paard in eene hand samenvattende, deed hij het stilstaan, en haar de andere hand reikende riep hij: »Barbara Boots! of we geluk hebben op den vierdag van Mylord Leycester! maar schalke deerne! ge kost mij een groet gebracht hebben meer in »t heimelijk, en met minder rumoer!”

»Ik heb Uwe Genade bij de trouw van het Oranjevaandel bezworen, geen kus te ontvangen van eenig man dan bij toezien van al het volk, sinds ik haar zelve die gunst heb geweigerd, ik achtte Uwe Genade een man als de anderen, en zoo kom ik haar dien aanbieden,” sprak de zonderlinge vrouw met eene mengeling van deftigheid en schalkheid tevens.

»Sinds vrouwenlist altijd de triomf wegdraagt, wil uw woord inlossen, deerne!” sprak de Graaf met ruwe goedwilligheid, en den voet wegtrekkende uit den stijgbeugel, wees hij haar die als trede om tot hem te naderen.

Met meer rappe behendigheid dan men het van hare weinig etherische gestalte zou gewacht hebben, wipte Barbara, een voet op den metalen ladder, en zich met de behendigheid eener kunst-rijderesse opheffende tot zijne hoogte, liet zij zich door den hooggeboren man een kus op de lippen drukken die luide weerklonk, maar die kus bleek duidelijk voor Barbara niets te zijn dan haar middel, niet haar doel; want met dezelfde beweging en gesteund door zijn arm die haar omvatte, hief zij zich nader tot hem op, en fluisterde hem toe: »Om Gods wil, heer Graaf! denk op den admiraal; denk er op zonder verwijl!”

»Ei wat, kind, spreekt ge me daarom toe!” riep hij meer verwonderd dan vertoornd, »ik heb mevrouwe mijne voorspraak beloofd, en zal woord houden.”

»Als ge niet vergeet, Heer! na het banket mocht ge vergeten! spreek met Mylord op dit stond! licht morgen hebben de vijanden het oor en mijn Heere smacht reeds zoo lange!”

»Wel, zoetlief! ge dringt zonderling, maar het zij u toegezegd; geef mij een pand van u om »t geheugen te sterken!”

En haastig rukte zij zich den keten van den hals, maar het sieraad dat er aangehecht was, scheen zijn tegenzin op te wekken, want hij schudde afkeurend het hoofd; zij brak het er haastig af met de sterke tanden, en was eene seconde daarna met één sprong terug op den vlakken grond, en scheen willens voor goed ter zijde te treden, maar de Graaf riep haar nog toe:

»Zeg mij, waar ge u onthoudt?”

»Overal en nergens, ik ben dolende.”

»Waar dan huist ge hier?” herhaalde hij meer dringend, »ik mocht goê tijding te brengen hebben.”

»In ’t Gulden kruis!!” riep zij lachende, en wendde zich af.

De Graaf ook reed voort met een gullen, luiden lach, maar hij zag even om naar degenen die hem moesten volgen, en toen beet hij zich de lippen, want hij merkte op, dat zijn ongepast oponthoud bij hen de aanleiding was geworden tot eene verwarring, waarvan hij de ontwikkeling niet kon afwachten zonder nog meerder aan zijn rang te kort te doen. Hij haastte zich dus voort, en weldra ook zag men de hooge pluimen van zijn helm zich bewegen, zeer dicht bij de barret van Graaf van Leycester, en die het naastbij waren merkten op, dat de luitenant-generaal van Holland en Zeeland met zeer veel aandrang het woord richtte tot dezen, die daarbij van tijd tot tijd toestemmend het hoofd boog.

Wij hebben haast, de handeling van Barbara Boots in het licht te stellen dat haar recht doet. Barbara Boots is eene vrouw, »sans feu ni lieu,” eene avonturierster; zij is het geworden door omstandigheden die het niet in hare macht stond te verhinderen. Zij is eene vrouw zonder verwanten als zonder beroep, zonder vooroordeel als zonder dak; maar zij is geene vrouw zonder eer en zonder deugd. Schalkheid en zorgelooze vermetelheid spreken uit haar gelaat, maar geene ondeugd; geene schuchtere zedigheid, de liefelijkste vrouwelijke deugd siert haar het voorhoofd, maar zij draagt de noodigste vrouwelijke deugd in het hart; zij heeft nauw de eerste begrippen van betamelijkheid en terughouding, maar zij heeft vaste en zekere voorstellingen van plicht en braafheid; zij trekt niet schuw de voelhorens in bij elke aanraking, maar bewust van hare eigene sterkte en vol vertrouwen op hoogeren bijstand, durft ze gevaren onder de oogen zien; zonder vreeze als zonder zwakheid, weet zij van duchten noch vluchten, maar als er strijd zijn moet, weet zij te overwinnen. Zij kende de overmacht van haar zwart oog en de aantrekkingskracht van haar donkeren blos op den Graaf van Hohenlo, en zij had niet geschroomd beide te laten werken in het belang van eene goede zaak, zonder een oogenblik na te denken over de gevolgen van zulk eene herinnering, of wellicht, met volkomene bewustheid van de gevolgen. Hohenlo vergat zoo snel! en Barbara was zoo schrander als vlug.

Maar nu haar gezelschap; dat zeker had meer geleden dan zij, onder de ergernis, die zij gegeven had, schoon die ergernis onder dit volk en ter dier tijde, bij de bekende zeden van den Graaf niet zóó groot was geweest, als wellicht eenig lezer het zich denkt. Toch had men haar schimpgelach noch blikken van afkeuring gespaard, maar Barbara telde die beide even weinig, als de ruwe hulde van den man, wiens dienst zij inriep. Hare arme jeugdige beschermelinge had intusschen zedelijke en lichamelijke kwellingen moeten verduren. Van den blos die op Barbara’s voorhoofd faalde, voelde zij het hare dubbel kleuren, de schaamte die deze niet kende, drukte haar met een pijnlijk gevoel, zij had zich zelve willen vernietigen, om niet daar te zijn, niet de getuige te zijn en als de deelgenoote van het kwetsend tooneel, en eene onbedachte beweging deed haar op hetzelfde oogenblik eene poging wagen om meer achterwaarts te wijken; maar die poging werd snel en smartelijk teleurgesteld, en dat was natuurlijk: die menschenmassa die op grooteren afstand achteraan stond, hunkerend van nieuwsgierigheid en morrend van ongeduld, omdat die onbevredigd bleef, zag nauwelijks één der gepluimde paarden standhouden, of zij begreep dat er iets voorviel, dat er nu vooral een goed oog zou te werpen zijn op een deel van den stoet; en zij stormde voorwaarts met al den drang, die vooruitstuwende menschenarmen en lichamen in staat zijn te geven. De vooraanstaanden konden geen stand houden, zij moesten nog meer vooruit; van die beweging kreeg de arme jonge dame bij haar ongelukkiger inval om achterwaarts te wijken den terugschok, die haar te meer krachteloos vond tot wederstand, sinds zij bij die eerste poging den arm van den geleider had losgelaten, dien zij in »t eerst had gevat.

Het teere schepsel zou dan ook voorover zijn neergestort, en die val ware te meer gevaarlijk geweest, daar de dringende menigte zou zijn voortgestoven zonder barmhartigheid en de naaste omringenden zelfs de vrijheid niet zouden gehad hebben, haar te sparen, noch den tijd, om haar op te richten, zoo niet de armen van haar geleider haar beschermend hadden opgevangen, en deze haar met vlugge tegenwoordigheid van geest had vooruitgeleid, maar zooveel vooruit en zoo snel, dat zij zich plotseling geplaatst vond evenals Barbara Boots, voor het paard van een der ridders, die Graaf Hohenlo volgden.

Dat ware geen al te groote ramp geweest, zoo het dier even geduldig geweest ware of even goed in de macht van den berijder, als dat hetwelk de klem voelde van Hohenlo’s krachtige hand. Maar de berijder van dit paard was een fijne, teere jongeling in de eerste vaag der jeugd, en zijn ros een vurig en weerbarstig dier, dat zijn ongeduld bij dit onverwachte oponthoud, te midden van die menigte en van dat gejoel, door gedurig brieschen en springen te kennen gaf, en dat met den jongen meester een fellen kamp voerde om het meesterschap; en juist op het oogenblik, dat onze gejaagde schoone zich veilig achtte, deed het een dier zijsprongen, en raakte even met den zwaren poot en het scherpe hoefijzer het teere voetje van het arme kind; dat nederzonk meer bedwelmd van de snerpende pijn, dan juist omdat er eenige kwetsing plaats had.

»De Engelschman overrijdt eene vrouw!” riepen sommigen, die op eenigen afstand stonden.

»Het arme schaap is dood!” schreeuwden anderen, die dichterbij genaderd waren.

En wilder en dreigender kreten nog verhieven zich, als ware werkelijk eenig treurig ongeluk voorgevallen, als lag er werkelijk moedwil in dit noodlottig voorval. Want een schepsel, waarover niemand zich zoude bekommerd hebben, als ze vertrapt ware geworden in het gedrang, werd nu plotseling een voorwerp van waardij en bescherming, nu een ander dan hetvolk er zich aan vergreep. Reeds zagen de vreemdelingen verwonderd en verschrikt, want schoon ze niet verstonden, alleen uit de blikken dier lieden begrepen zij, dat het hen gold; maar de Hollandsche heeren verlieten de orde waarin zij reden en bedaarden de menigte, dat hun nog niet ten volle was gelukt, toen Hohenlo wegreed. De onwillekeurige pleger van dit feit was intusschen doodsbleek van zijn paard gesprongen, dat hij overliet aan de zorg van een zijner tochtgenooten, en haastig en meewarig, zonder acht te slaan op de blikken van toorn en dreiging der omringenden, naderde hij de jeugdige vreemdelinge, wie men reeds had opgeheven, en die nu door haar geleider werd bijgestaan. Maar toen hij daar stond voor die liefelijke en bewustelooze vrouwengestalte, die niet meer zijne hulp noodig had, en die zijne verontschuldiging niet zou verstaan, toen scheen hij als van eene plotselinge radeloosheid aangegrepen, en hij riep overluid: »O! mijn God! dit ongeval zal men ten kwade duiden en verkeerd uitleggen, en Mylord Leycester…”

»Niemand zal Mylord Leycester of iemand van de zijnen verdenken, of in eere verkorten om deze lichte ramp!” werd hem plotseling geantwoord in zijne moedertaal.

Hij zag op, verrukt en verwonderd over het zuivere Engelsch, dat hem in de ooren klonk, midden onder het Hollandsche volk. De man die sprak, was de geleider van Barbara Boots, die zijne beschermelinge zachtkens een weinig meerder oplichtte.

»Zij is niet gewond, want ziet gij, sir!” vervolgde hij, »de juffer bekomt alreede, en van opzet kan hier wel de vraag niet zijn.”

»Niet minder zou het mijne ziel gegriefd hebben en ontrust, had ik zoo jeugdig en wonderschoon eene miss van dit land eene kwetsuur toegebracht door mijn paard,” hernam de Engelsche ridder, »maar wie zijt gij, master! om onze taal dus te spreken, toch niet een Hollander?

»Een Nederlander gewis!” antwoordde deze, »gevlucht uit Antwerpen, om de vervolging der religie.” En het was opmerkelijk, welk een nadruk de man legde op dit woord: »ik heet Steven Paret, gansch tot den dienst van Zijne Excellentie.”

»Master Steven Paret! ik ben zeker, dat mylord belang zal stellen in u, ik allereerst heb veel goed te maken; maar sinds uwe dochter uwe hulp niet behoeft, noem mij uwe woning — ik zal u nader zien; nu moet ik voort.”

Steven Paret voldeed met welgevallen aan den wensch van den jeugdigen ridder, die nog een blik wierp op het meisje, dat het kleine voetje reeds weder tot haar dienst had, en besteeg toen haastig zijn wild ros, dat hij de sporen liet voelen nog meer uit wrevel dan om met haast zijne plaats in den stoet te hernemen. Want Hollanders en Engelschen, beiden waren hem nu reeds voorgegaan.

Barbara Boots had met onrust haar gezelschap verwijderd gezien van de plek, waar zij ze meende te hervinden. Toen zij zich, na veel worstelens met de menigte, eindelijk met hen samen vond, was het met de luide betuigingen van leed, van onrust en van blijdschap, die men zich van zulk een karakter denken kan, dat zij de beschermelinge nu teederlijk aan den arm nam, Steven Paret den anderen gaf en toen met hen het volksgewoel ontweek zoo spoedig zij het vermocht. Zij scheen zeer opgeruimd: zij was geslaagd!

»Denk aan den admiraal!” was hare bede geweest tot Hohenlo! maar, welke admiraal was het, die zulk eene voorspraak kon noodig hebben, en voor wien zulk eene vrouw zóóveel belangstelling toonde? en met welke banden was zij zelve gehecht aan den grooten heer, die in zóó kommerlijken toestand scheen te verkeeren? dat laatste zullen wij eenmaal Barbara hooren vertellen op hare eigene wijze. Dat de admiraal geen ander zijn kon dan de rampspoedige heer Bloys van Treslong, hebben heel veel lezers reeds begrepen, en waarom zulke hulp hem nuttig kon zijn, zullen wij even zeggen.

Die wakkere krijger van den Staat, die trouwe dienaar van Willem I, zuchtte in eenen onwaardigen kerker, en wat erger was dan eene tijdelijke gevangenschap, hij wist zich bedreigd aan leven en eere; — en wat de hardheid tot eene onbillijkheid maakte, men had zijne zaak gesteld in de handen van lieden, die niet op de hoogte waren om haar te beoordeelen, en die, zoo ze àl niet zijne persoonlijke vijanden zijn geweest, voor het minst gehandeld hebben alsof zij het waren. Schuldig of rein van schuld, de vurige admiraal van Zeeland, wiens valkenoog. wacht hield over de Zeeuwsche stroomen, terwijl zijn nijvere geest peinsde op de bevrijding van de Schelde — de fiksche bevelhebber van Ostende, die niet enkel moed had tegen de overmacht van vijanden, maar ook tegen den overmoed van ruwe krijgslieden, — Treslong, wiens uitstekende verdiensten geprezen worden door den Staatschen Hooft zelve, — Treslong had van zijn vaderland andere rechters te eischen gehad dan een baljuw David Zomer, die zijn eerste gevangenbewaker was als zijn partijdige rechter, en die de man was om zijn beul te worden, gelijk hij reeds zijn pijniger en zijn verschalker was geweest.

Het vergrijp van Treslong was een vergrijp tegen de hoogste macht van den Staat, tegen den raad van regeering waarvan men Prins Maurits het hoofd had gemaakt; — maar het was geen overlegde boosheid met kalmte beraamd; het was verraad noch bedrog; het was zwakheid noch ontrouw; het was het gul-gauwe opvlammen van een vurigen geest en een korzel hoofd; het was eene uitstortinge der bitterheid van een getergd gemoed; het was de overijling van een stouten geest die niet gewoon is, zich perken te stellen en in te binden; het was eens krijgsmans overijling, eens edelmans overtreding, en was het noodig dat hij ondanks zijne diensten en trouwe gestraft werd naar de strengheid van eene krijgswet, het was ten minste billijk geweest, zoo hij behandeld ware geworden met de waardigheid van een edelman. Noch het één, noch het ander was tot hiertoe geschied, en het mocht mishandeling heeten: de achteloosheid waarmede men hem en zijne belangen overliet aan de willekeur van personen, die zich, door het misbruiken van dit vertrouwen het brandmerk der geschiedenis hebben verdiend, terwijl het de taak van den roman is, dat nogmaals in te drukken.

Niet enkel dat de baljuw David Zomer den man die daar zat in zijn kerker, den Gravensteen te Middelburg, den aanzienlijken man, die weleer aan het hoofd was geweest van de zeemacht der provincie, dien kerker pijnlijk maakte door het onthouden van die kleinere gemakken, die de kerkersmart een weinig vergoelijken; — niet enkel dat hij haar vertienvoudigde, door hem de zachte toespraak der zijnen te onthouden; — niet enkel dat hij zijn verleden lasterde en zijn tegenwoordig betichtte, opdat hij onzeker als hij was van zijne eigenlijke schuld, voor het minst glimp en oorzaak mocht vinden, om iedere strafheid te wettigen; — niet enkel dat hij kreten van beschuldiging aanhief, die zóó lang uitgegalmd en nagebauwd werden door de lieden van zijn aanhang, tot het ééne enkele stemme van veroordeeling was geworden, die opging over gansch Zeeland en die zóó luide weerklonk, dat zij iedere stem der billijkheid had overschreeuwd, totdat de verdrukte in gansch Zeeland geen pleitbezorger vinden kon, die den mond durfde openen ter verdediging van zijne eer en van zijn leven.

Niet enkel dit; maar ook nog joeg hij hem door angst in een valstrik, waarin geen waardig rechter een schuldige had willen vangen, en waarin hij den onschuldige vastklemde. De vrees voor een schandelijken dood, de pijnbank, de tranen en beden eener teedere vrouw, die men toen eerst tot hem liet, opdat hare zwakheid de sterkte van den man zoude overwinnen, wekten in hem de gedachte op aan de vlucht, de eerste noodgreep van den gekerkerde, die geen geloof heeft aan de billijkheid zijner zaak of aan die zijner rechters. Zijn cipier liet zich tot het bevorderen dier vlucht bewegen, tot den prijs van eene som, voor die dagen hoogst aanzienlijk. — Die overeenkomst werd niet losweg afgesproken, maar schriftelijk bepaald en bevestigd door den naam der beide belanghebbenden; de liefhebbende echtgenoote smaakt een zoeten triomf: in verbeelding ziet zij den dierbare vrij; — — maar het is alles spel geweest; het is alles list geweest; de verlossing is een bedrog, en niets dan de vinding van David Zomer, die dezen stap van den rampzalige, als eene proeve van schuld tegen hem getuigen laat.

Het is zeker, dat de Raad van regeering zulk eene gruweldaad nooit heeft kunnen bevelen of goedkeuren, maar het is ook zeker, dat de Raad van regeering, met verwerping van alle bedendeze rechters voor dien man had uitgekozen; en het is even zeker, dat een Raad van regeering ontrouw is aan zijne roeping, zoo hij zich dus heeft kunnen bedriegen in de keuze van zijne wilsuitvoerders en dat hij deelneemt aan het feit, zoo hij daar niet tegen getuigt door eene snelle en strenge bestraffing. Het een noch het andere is geschied. De baljuw David Zomer durfde zegevierend voortgaan met zijne vervolging, en de zaak was nog onbeslist bij de komst van Leycester. Graaf Maurits wordt altijd genoemd aan het hoofd van hen, die de vervolging tegen Treslong aanvingen en de onrechtvaardigheden billijkten; het zou een treurig begin zijn van zijn openlijk leven, zoo men hem een werkelijk aandeel moest geven aan die daden, schoon de schijn wordt verzwaard door het feit, dat zijn natuurlijke broeder Justinus van Nassau den verdrongene opvolgde in zijn ambt. Maar wij hebben reeds aangegeven hoezeer die Prins slechts ééne stem heeft kunnen hebben in dien Raad, en hoezeer het eene flauwe en eene zwakke kan geweest zijn; de tegenspraak van een zestienjarig jongeling, die zijn eersten voet zet op het gebied der regeerkunde, tegen de taal van mannen, grijs geworden in staatszaken, rijk in levenservaring, machtig door overtuiging, geweldig in overreding; die zich persoonlijk gekrenkt gevoelden en die wellicht den vorstelijken leerling hunne krenking als de zijne hebben opgedrongen, tot hem het jeugdige vorstenbloed gistte in de aderen, en hij zich overreed zag waar hij had willen overreden; — zeker is het, dat ondanks alles, toch nog ééne stem voor het recht en de onschuld iu zijn hart is blijven pleiten, en dat hij dien indruk niet verloren heeft zijn leven lang, en dat hij haar heeft ingevolgd, zoodra hij zelve het vermocht. Treslong heeft een hoog en eervol ambt bekleed in zijne hofhouding, zoo ras de stadhouder Maurits meester was!

Maar een man van aanzien en van verdiensten als Treslong, kon toch niet zoo weerloos ten doel staan aan vervolging en onbillijkheid, zelfs niet in naam der wet, of machtige stemmen moesten zich daartegen verheffen, en krachtige voorspraak moest zich doen gelden ter bemiddeling en matiging. En zoo was het ook. Zijne edele verwanten, die zijner gade, en die echtgenoote zelve, hadden de hulp en den invloed ingeroepen van al wat in Nederland nog den mond durfde openen ter bescherming van het ongeluk; onder dezen de Graaf van Hohenlo, die krijgsman als hij was, voor het leed eens krijgsmans het meeste medegevoel kon hebben; en de Graaf ook had zich een moedig en gewillig verdediger bewezen; maar al die invloed gezamenlijk was zonder kracht gebleven; tot buitenlandsche hulp toe had men afgesmeekt; de onderhandelingen met de Koningin van Engeland waren te dien dage opnieuw aangevangen; Treslong’s verwanten en de overtuiging zijner verdiensten stemden Elisabeth te zijner gunste, zij zoude spreken tot de Staten of zij heeft het gedaan; — maar ook de Koninklijke pleitstem bleek in dit geding te zwak, hoe onwaarschijnlijk, het schijnen mocht, daar men een bewezen hoog-verrader bij zóóveel voorspraak genade zou hebben verleend;

maar de admiraal Bloys van Treslong was geen hoog-verrader; — hij was erger, hij was schuldig aan majesteits-schennis; — en niet van een monarch die licht eene persoonlijke grieve zou vergeven hebben; — maar hij had bijzondere personen beleedigd, personen die zijns gelijken waren, maar die op het oogenblik van de grieve zijne meesters heetten en met de uitvoerende staatsmacht waren bekleed; hij had bitterheden gezegd; hij had bitsheden uitgeworpen; hij had grofheden gesproken, die wellicht waarheden waren; — en dit zeker was het gevaarlijkste dat hij tegen zich zelven had kunnen doen.

Daar zijn grootsche en heerlijke bladen in de geschiedrollen van ons vaderland en in die van deszelfs regenten; ze getuigen van stoute en krachtige handelingen, van den moed die zich waagt tegen het sterkste, van ondernemingszucht die opvat met vuur, die omvat met wijsheid, die volhardt met vlijt en met vastheid, en die volbrengt met zegepraal! Maar ter zijde van dit alles heeft veeltijds gestaan de geest van lauwheid, van schroom, van bekrompenheid, van vooroordeel, van hardnekkigen eigenzin en van flauwheid, die het groote neerrukte of ter zijde hield, die verloor omdat zij niet durfde wagen, en die tegenwerkte wat zij had moeten steunen; en geen tijdperk van onze historie (ik laat de nieuwere buiten mededinging), was wel zóó omneveld en neergedrukt door dien geest, als die welke het Leycestersche tijdperk onmiddellijk voorafging, en die het gedeeltelijk beheerschte. En geen wonder! Na de overspanning eener verwonderlijke krachtsontwikkeling bij den eersten opstand van Spanje, was matheid en dofheid gevolgd; de worsteling had te lang reeds aangehouden en met te ongelijke krachten; het vuur der geestdrift had tijd gehad uit te dooven.

Er is in iedere worsteling, in iedere grootere onderneming een oogenblik, waarin men zich moede voelt, waarin men haar zou willen opgeven, en waarin men ondertusschen de handen in den schoot legt, of ten minste ze flauwelijk rept; waarin men voelt, wat men meer moest zijn, en waarin men in plaats van zich krachtiger aan te grijpen, zich door de ontstemming laat nederrukken tot werkeloosheid. Op die stemming was meermalen de Raad van regeering betrapt geworden door den overmoedig-ijverenden Treslong, en schoon men dien armen Raad van regeering om duizend redenen niet te hard mag vallen om die stemming, het was een dergelijk aarzelen dat zijne werkzaamheid had verlamd, zijne ontwerpen had verijdeld en zijn leeuwenhart bruisen deed van spijt! Het waren twee mannen vooral, die hij als zijne vijanden kende: Valerius en Heins, die hij de oorzaken dacht van dit verzuim, uit kleingeestige tegenstreving die de algemeene belangen drukte, ter wille van eene bijzondere veete. Dit alles had hij gezegd, en gezegd in den vollen Raad van regeering, in het bijzijn van den jongen Maurits, die zijne medeleden dus kon leeren kennen of doorzien; en hij zeide het op ruwen krijgsmanstoon, zooals de ontvlamde drift het hem op de tong legde, en zooals het gegriefd gevoel het hem inzien deed.

Was het vreemd dat er later voor hem geene verschooning was? Had Willem van Oranje geleefd, o voorzeker! het had een anderen keer genomen; Willem van Oranje kende den ouden leeuw in het brieschen zijner woede; hij had zelf eens een hard woord van hem te dulden gehad, een woord van edele verontwaardiging, waaruit bewustheid van eigene verdiensten sprak, maar tegelijk waardig zelfgevoel, schoon gewikkeld in ruwen omslag. Maar Willem van Oranje was de schrandere als de edele, die wist te scheiden en die wist te overzien ter juister tijd, en schoon eene kleine terugzetting volgde ter wille van een ander, de verzoening volgde ook, en het vertrouwen van weerszijden werd opnieuw gegeven en waardig beloond. Maar nu, Willem van Oranje leefde niet meer, en er was wel zeker geene hope te bouwen op de verzoenlijkheid, noch zelfs op de billijkheid der beleedigde partij, en er was geene andere hoop meer dan op eene vreemde hand: op den Graaf van Leycester, door wiens komst de hooge Raad van regeering van zijne rechten verviel, of die voor het minst met hem zou moeten deelen.

De Graaf van Leycester was reeds in Engeland voorloopig opmerkzaam gemaakt op Treslong’s geding, en wel zeker had hij beloofd er in te voorzien; maar was het gezegd, welke zijde de Graaf van Leycester zoude kiezen; — hij, die als vreemdeling inkwam in dat land, als de aftredende regeering hem hare grieven zoude mededeelen. — De Graaf van Hohenlo had wel beloofd tusschenbeide te treden, maar Barbara Boots had het wel juist uitgedrukt, na het banket kon het den Graaf vergeten zijn onder de dampen van den wijn, en morgen hadden licht de vijanden het oor; en hij was dus niet te vreemd, de ongewone zijdelingsche maatregel, waartoe de edele vrouwe van Treslong zich moest vernederen, om haar echtgenoot zoo niet de eere dan voor het minst de vrijheid terug te geven, en het was dus wel zeker zóó ver gekomen, dat de tusschenkomst en de herinnering eener Barbara Boots niet overtollig konden heeten, sinds men te strijden had tegen een Zomer met vrienden als een Hohenlo. Haar ruwe ijver die zich niet schroomvallig zou laten binden door vormen, noch terugzetten door vreeze voor onheusche afwijzing, was wel het beste wapen tegenover lieden, die alle vormen hadden overtreden, en die willekeur niet eens wisten in te kleeden in hoffelijkheid. De zedige vrouw van rang, mocht ze duizendmaal lieftallige gemalinne zijn en juist omdat zij het was, omdat zij hare waardigheid had op te houden, kon zich aan dat alles niet wagen, kon zich persoonlijk niet tot daartoe vernederen; maar sinds het eens zóóver gekomen was, dat men onderhandeld had met een cipier David Zomer, was het geen val meer, maar eene oprichting, dat men zich toevertrouwde aan Barbara Boots.


Ingezonden op: 19 July 2001