LEYCESTER IN NEDERLAND

V.

DE GRAAF VAN LEYCESTER VOOR HET EERST.


Zooals wij begrepen hebben, had de Graaf van Leycester zijn tocht vanVlissingen naar Dordrecht vervolgd, als vooruit bepaald was; de overige steden van Zuid-Holland doorgetrokken tot naar ’s Gravenhage, waar hij den 7 Januari was aangekomen, en zooals de welkomstfeesten waren aangevangen te Vlissingen, hadden ze zich herhaald en verdubbeld bij iedere schrede die hij verder deed; zijne gansche reis was niets geweest dan één enkele triomftocht, eene ruischende reeks van jubelgalmen, waaronder men hem voortleidde; als een dampkring van wierook en hulde waarmede men hem omgaf. Het was een lange roes van opwinding, waarin zijne toejuichers den Graaf bedwelmden en waarin hij voorttuimelde tot aan ’s Hage toe, waar het einde dit werk der onvoorzichtige overdrijving ongelukkig kroonde, waardig den onbedachten aanvang. Een geboren vorst die zijn wettigen troon kwam innemen na eene rampspoedige ballingschap, kon met niet meer statelijke huldiging, met niet meer onderdanige eerbewijzen, met niet meer overspannen ingenomenheid zijn ontvangen, van volk en volksleiders beiden, dan deze staatsdienaar eener vreemde vorstin, die daar aankwam ten gevolge van een verdrag met zijne meesteres.

Onvoorzichtig heb ik het genoemd, en ik geloof met volle recht: wisten zij dan, of hij de man was die dit alles nemen zoude voor wat het was, luidklinkende schellen die niets degelijks inhielden; tooneel-decoratien der vreugde, die zouden worden opgerold na het feest; of dat hij het opvatten zoude in den eigenlijken zin? Of hij zich aan dit geflikker blind zou staren, dan of hij er over heen zou zien? en in die onzekerheid, hadden zij de proef met hem niet moeten wagen. En mocht de uitbundigheid van een vooringenomen volk niet zijn in te toomen geweest, de grooten en de schranderen des lands hadden voor een weinig matiging, voor eene noodige onttoovering moeten zorgen. Dat zouden ze zeker doen, maar wat later, maar op eene andere wijze, maar op eene onhandige en onrechtmatige; — maar eerst dan, als de betoovering al het kwaad zou gedaan hebben dat er te stichten was. Was dat, omdat zij zelve bedwelmd waren en begoocheld als het volk, of omdat zij vooruit beraden hadden, wanneer en hoe zij den breidel zouden aanleggen aan dit voorthollende paar: Leycester en het volk! Maar wat daarvan zijn mocht, het is zeker, dat ook in hun boezem de twee beginsels zich vertegenwoordigd zagen. Het is zeker, dat er onder de hoogen en machtigen, onder de wijzen en schranderen van Nederland eene hooge ingenomenheid heerschte met de voordeelen, welke het Engelsch bondgenootschap aanbood en de komst van Leycester; en dat ze geen beteren waarborg kenden tegen den invloed der Fransche partij, die sommigen duchtten tot wantrouwen toe zelfs in de protestantsche Louise de Coligny.

En het is even zeker dat de Graaf zich had blind gestaard, zooals Hooft zich uitdrukt, dat zijn hoogmoed opwies met zijn gevleiden trots; dat hij niet kalm wist te scheiden wat het zijne was, en wat men hem meer gaf dan hem toekwam; dat hij begreep voor goed te hebben ontvangen, wat men hem voor vluchtige oogenblikken ter leen gaf, dat hij zich als een passend kleed had omhangen met den vorstenmantel, dien men hem slechts om de schouders had geworpen bij wijze van vastenavondspel. Hij vergat zich zóó ver dat hij zelfs de aanspraken op vorstenrechten gelden deed; want toen de Delftsche magistraat zich woorden van hoffelijkheid liet ontvallen over zijne hooge afkomst, beantwoordde hij die met in goeden ernst te zeggen, dat de kroon van Engeland aan zijn geslacht was ontroofd, door den gewelddadigen dood van zijn broeder Gilfort Dudley en diens gemalin. Dat was een radeloos onhandige uitval voor zóó behendig een hoveling als hij gezegd werd te zijn; want, was het een woord van onvoorzichtigheid tegenover de ijverzuchtige Elisabeth, bij wie het kon worden overgebracht en gelden als eene ontkenning van haar uitsluitend recht op den troon, het was tegelijk eene ondankbaarheid tegenover eene weldoenster, die onschuldig was aan de bloedige slagen, en die alles gedaan had wat in hare macht was, om ze voor zijn persoon te vergoeden, en het bewijst wel zeker, hoe sterk de bedwelming hem het hoofd benevelde.

Wij zijn hem slechts even nagegaan onder die dampen van wierook en onder dat rinkelen van feestgeruisch: maar wij willen hem nu opzoeken meer tête-à-tête, wij willen hem nu beter onder de oogen zien, dan in tegenwoordigheid van geheel een volk. Wij weten waar wij hem vinden kunnen: in een kabinet grenzende aan de groote zaal; en zonderling, den man die zich zoo gaarne en met zooveel zelfbehagen bewoog, te midden van de huldiging der wereld en van zinnelijk eerbetoon — vinden wij hier alléén, — alléén met Gods woord; — neen — zoo is het niet; wèl ligt de Bijbel geopend naast hem, wèl schijnt hij in ernstige aandacht verzonken bij hetgeen hij leest; maar hetgeen hij in handen houdt en wat hij leest, is niet de Bijbel; het zijn vormelijke schriften; hij heeft opgeslagen een formulier-gebed; hij doorbladert het formulier voor het Avondmaal, zooals het opgesteld werd door à Lasco, en vertaald in gebruik werd gebracht bij de Hervormde Nederduitsche gemeente in Londen, door den ouderling Uitenhoven, en dat, ondanks verkortingen en wijzigingen naar de verschillende meeningen van de veel verschillende mannen, die er zich sinds mede bezighielden, toch is gebleven de grondslag van die, welke in latere tijden en tot op heden toe bij de Hervormde Kerk zijn gebruikt geworden.

De Graaf leest ze in het oorspronkelijk; — want hoe eng Hooft ook zijne taalkennis moge inperken, — hij was te zeer een man van geboorte en van goede opvoeding, hij was te zeer de metgezel geweest van den geletterden Eduard VI, te zeer de hoveling van Elisabeth, in een tijd dat het Latijn de taal was der hoven en der grooten, om niet zóóveel Latijn te verstaan als noodig was tot het lezen der liturgische schriften in die taal opgesteld. Maar vreemder is het, dat hij ze noodig heeft wij willen de waarde, de noodzakelijkheid van zulke soort van schriften in het algemeen, en van deze in het bijzonder, niet te kort doen; maar dat Leycester ze noodig had, dat hij ze zocht, geeft ons een blik te werpen in zijne ziel, die ons verder zal brengen in de kennis van zijn karakter, dan of wij zijne gelaatslijnen trek voor trek gingen ontleden.

Hoe! een man van zijne beschaving, van zijn geest heeft een formulier-gebed noodig om tot God te gaan, nu hij zich voorbereiden wil tot een hoog ernstigen godsdienstplicht? Hoe! een man als hij, heeft den leiddraad der vormen noodig, om zich te stemmen tot een godsdienstig werk, dat het meest zielverheffende en het meest bezielende moest zijn uit zich zelve? Hoe! zich vóór te bereiden tot eene plechtige gedachtenisviering van den dood des Heeren, en het hart niet tot Hem te kunnen opheffen dan met behulp van een vormelijk gebed? Hoe! zich vóór te bereiden tot eene verzinnelijkte gemeenschapsoefening met Christus, en de schaduw van à Lasco nog voor de oogen te nemen, om daardoor heen op te zien naar het licht? Nu! zóó blijkt het wàt het hem is: het is een werk waartoe hij zich gezet heeft; het is een plicht waartoe hij zich gereed maakt; het is hem niets meer of niets innigers, en dat bewijst wel zeker, dat hij één van die Christenen is, die iederen eersten dag der week en dan nog op eenige feestdagen daarbenevens, hunne godsdienstbezigheden afdoen, trouw en stipt evenals alle andere bezigheden; maar die zij ook even getrouw en ordelijk weten af te scheiden van alle hunne andere zaken, die ze voor de overige dagen en uren van het jaar ter zijde laten liggen, en die ze vooral buiten invloed houden op het werkelijk leven. Hij is niet het eenige voorbeeld, dat wij zullen moeten geven, hoe weinig, ondanks Luther, het praktikaal Christendom nog begrepen was geworden; hoe weinig het eigenlijk aanbidden in geest en in waarheid nog tot de harten der Christenen was doorgedrongen.

Waar we ook uitzondering zullen vinden, Leycester althans was één van de menschen die bidden met gebogen knieën, met gesloten oogen, met gevouwen handen, — niet met het hart, — niet met de handelingen, — niet met die stemming althans, die maakt dat het leven van den Christen enkel aanhoudend gebed is!

Maar daar nu eenmaal Leycester die vormen noodig had, was het niet vreemd dat hij ook ruste noodig had om zich, al had hij die niet in zich; dat hij tusschen zich en de wereld een sterken slagboom moest stellen, was wel zeker het bewijs, dat hij te midden van hare woelingen zich niet kon opheffen naar het hoogere, zich niet kon aftrekken van het zinnelijke; dat de wereld te veel in hem was, om haar niet voor eene enkele maal, en bij wijze van feeststemming buiten zich te houden. Daarom ook had hij zoo noodig, zich vast te houden aan het uitwendige; daarom ook vond hij noodig, het tegendeel te doen van het bevel des Heeren:

»Zalf uw hoofd, als gij vast! enz.” Hij had noodig tot zijne eigene stichting dat men wist dat hij zich stemde; vandaar ook, dat zijne ontstemming afhing van den eersten storenden indruk den besten; vandaar ook, dat zijne vroomheid die strakke vormen aannam, die maar al te veel de verdenking der huichelarij op hem wierpen; en wie hem zelfs in deze eenzaamheid had bespied, had hem wellicht nog niet gansch vrijgesproken van die vlek; want hij zou getuige zijn geweest van menige opwelling der eerzucht en der wereldzin, der ijdelheid en der heerschzucht, tusschen al die pogingen in, om zijne ziel voor eene wijle vrij te maken van de aarde. Hij zou gezien hebben, hoe hij den Bijbel ter zijde schoof met eene zekere matheid, de liturgische schriften onwillig uit de hand wierp, opstond van zijne plaats, zich naar één der vensters begaf, het vertrek in alle richtingen doorkruiste, onder uitroepingen en twijfelingen, wenschen en onderstellingen, die alle ver waren van het eigenlijke doel zijner afzondering, om straks daarna met eene soort van verdrietelijke overmanning op zich zelven weer neder te vallen in zijn zetel, om zich te bepalen tot de voorwerpen waarmede hij devotie bedreef.

Was het de soort van gepeinzen waarmede hij trachtte zich bezig te houden, en die bij hem niet tot een zachten en helderen ernst konden opvoeren, maar slechts tot eene strakke en doffe somberheid konden neerrukken, of vouwde hij weder met opzet zijn gelaat in de eigenaardige plooi der omstandigheden, of had alreede zijn gelaat in ernst van uitdrukking gewonnen sinds zijne komst in Nederland? Het is zeker dat gij in die gespannen trekken altijd den trotschen, in die oogen misschien den eerzuchtigen, maar zeker niet meer den schitterenden man zoudt herkennen, dien wij ons altijd voorstellen in dezen Graaf. Gij zult nog altijd iets vinden van den behendigen hoveling, de beminnelijke is als uitgewischt voor uw blik. Het is wel zeker de luitenant-generaal der Engelsche onderstand, de man met wijde plannen en met zware plichten, maar niet meer de aanbidder van de ijdele Elisabeth, niet de zwakke echtgenoot van de schoone Amy, Robsart, aantrekkelijk door zijne gebreken heen; — maar de gehuwde man met weerzin gescheiden van zijne echtgenoot, en die vader-plichten heeft te vervullen tegenover een stiefzoon! De man, die de ruimste helft van het leven heeft afgelegd, die het heeft gekend onder de volste genietingen, en die het nu gaat gebruiken tot ernstige werkzaamheid.

Het was, of zelfs de gestalte des Graven deelde in zijne herschepping; — vermomd als zij was op dit oogenblik in een ruimen ochtendpels van zwart satijn met bont gevoerd en geboord, en geleund als hij zat over zijne boeken heen, ontwikkelde zij noch hare slankheid, noch hare fierheid; de zwart fluweelen barret zonder eenig sieraad, had hij veleer neergetrokken over het hooge voorhoofd, om dat iets beter te beschermen tegen de vochtige koude van het ongewone klimaat, dan dat hij dien droeg als vroeger, met die onnavolgbare bevalligheid, die niemand hem nog had afgezien. Hij had nu ook niet noodig bevallig te zijn of iemand te behagen: want hij was alléén.

Het oogenblik, waarop wij hem hebben gadegeslagen, is dat, waarop hij de stoornis, door de jonge edellieden aangebracht, heeft laten berispen, en dus dat, waarop hij terstond weder zoude gestoord worden; want zijn dienaar Ferney, dien hij zeker het bevel gegeven had, hem die tijding te brengen, kwam binnen en boodschapte hem, dat sir Roger Douglas was aangekomen.

Toen schoof Leycester liturgie en Bijbel beide ter zijde met eene drift, of hij voor zijn eigen geweten alléén een voorwendsel had noodig gehad, om een einde te maken aan bespiegelingen, waarbij het hem zooveel inspanning kostte zich te bepalen; maar toch zeide hij:

»’t Is wel een ongepast oogenblik, doch het is van dringende haast, dat ik hem zie.”

Eenige minuten daarna werd die wensch voldaan; Douglas trad binnen; maar in plaats van te naderen, bleef hij aan den ingang van het vertrek staan, en met den vinger op de boeken wijzende, sprak hij alleen vragenderwijze:

»Mylord! ik store u in vrome aandacht…”

»Niet meer; — ik heb mijne aandacht verricht,” sprak Leycester eenigszins kleurende. »Hebt gij?” en hij stak de hand uit, als om iets te ontvangen.

»Neen, Mylord!” antwoordde Douglas met eene buiging, »er was geen brief.”

Leycester vertrok den mond pijnlijk, en schudde het hoofd.

»Dat is onaardig; dat is verdrietig; dat is onbegrijpelijk,” riep hij met klimmende gemoedsbeweging.

Douglas antwoordde alléén door de schouders op te halen.

»U dank ik, Roger!” zeide Leycester, na eene pauze, en stak hem de hand toe, die de jonge man kuste, terwijl hij sprak:

»Wil gelooven aan mijne deelneming in uw leed, Mylord! maar zij het mij vergund u te zeggen, dat het nu heden de dag niet is om zich over deze te zeer het harte te bewegen. Het is toch niet het hoogste; het raakt het heil der ziele niet. Uwe lordschap heeft geestkracht genoeg om zich daarboven te stellen, al is de teleurstelling…”

»Het is niet enkel de lichte teleurstelling, die mij smart, maar ik ken mijne lieden daar ginder, en het moet geene kleine hindernis zijn, die haar belet aan onze afspraak te voldoen. Hebt gij te Hellevoet den man zelf gesproken?”

»En hij verwees mij naar den Briel; daar was een klein vaartuig binnengeloopen, dat brieven had overgebracht aan sir Thomas Cecil; het kon zijn, dat men deze gelegenheid had gebruikt.”

»En hebt gij dat onderzocht?”

»Uwe lordschap begrijpt, dat het mij zwaar viel, de taal niet kennende, onderrichtingen in te winnen in eene vreemde stad, waar ik wist mij aan niemand te kunnen aansluiten; toch kwam ik tot sir Thomas, die zoo hoffelijk was, als hij het zijn moest tegen een landgenoot, dien hij niet kende, en die u niet vermocht te noemen als zijn borg…”

»En…,” vroeg de Graaf met eenig ongeduld.

»Hij verschafte mij een onderhoud met den kapitein van het Engelsche schip, en ik vernam, dat hij geen pakket van ’t bewuste adres had aangebracht; er waren brieven voor Lord Essex…”

De Graaf zuchtte diep: »dat is zeer ontrustend,” sprak hij, en bleef eene wijle in een somber gepeins verzonken. Eindelijk sprak hij als bij zich zelven: »Essex moet aan zijne moeder schrijven… ik wil weten, wat daarvan is.”

»Het heeft mij verwonderd, dat Uwe lordschap niet het allereerst dien eenvoudigen weg heeft ingeslagen.”

»Neen, Douglas! op dien eenvoudigen weg zou onze briefwisseling wel eens verdwalen kunnen bij de Koningin. Essex vertrouwen? neen, bij den Hemel! dat ware te veel gewaagd!”

»Hoe, Mylord! Mylady Leycester is zijne moeder.”

»Ik heb er mij nog niet van verzekerd, dat zijne liefde tot zijne moeder zoo groot is als zijne spijt over mijn vaderschap, en die knaap heeft eene eerzucht…! En de Koningin heeft een paar malen blikken op hem geslagen en woorden met hem gewisseld, die hij zoo goed begrepen heeft, dat… dat ik hem wantrouwen moet.”

’toch, Mylord! zijn alle omwegen uit den booze en de uitkomst heeft getoond, dat ook zij niet altijd de zekeren zijn. En Lord Essex zal toch zóó zwaar niet zondigen tegen het Vijfde gebod.”

»Ik weet niet in hoever Lord Essex zich gehouden acht aan het naleven der Tien geboden,” hernam Leycester met een glimlach over de vrome naïveteit van Douglas, »maar ik weet wel, dat hij dezen ochtend niet eens de eenvoudige wellevendheid had om de rust te eerbiedigen, die ik had aanbevolen. Maar nog, maar hier vooral, ben ik zijn meester, en zal het hem toonen als het zijn moet, en ook daarom moet ik niet onvoorzichtig leveren in zijne handen. En nu, weg met die grieven van de overzijde van ’t Kanaal — en van die, welke met mij gebleven zijn! In Holland heb ik op meerdere belangen acht te geven. Gij spraakt zooeven van de moeite, die u het reizen geeft in dit land, bij de onkunde in de taal; waarom hebt gij dien Vlaming niet met u genomen, die Engelsch spreekt… hoe noemt gij hem?”

»Steven Paret, Mylord! ik was niet genoeg zeker van hem…”

»Dwaasheid, gij wantrouwt alle menschen.”

»Zoo liefdeloos een Christen ben ik niet, Mylord! maar Barbara Boots, de vrouw, waarvoor ik Uwe lordschap’s bescherming inriep, heeft mij gewaarschuwd voor dien man.”

»Eene vrouw zonder beduidenis, die onze tusschenkomst noodig had om niet als avonturierster te worden aangehouden, wat beteekent het getuigenis van zulk eene, die er hare redenen voor kon hebben? Ik reken altijd op de trouw van zulke lieden als ik ze betaal; voor goud koopt men ze met ziel en al. Ik begeer, dat die man in mijn dienst zal gebruikt worden.”

»Mylord is meester!” hernam Douglas stroef.

»Ik heb in dit vreemde land personen noodig, die geene andere zorge hebben dan die: mij te behagen, mij te gehoorzamen — en die aan mij verbonden zijn, om huns eigenbelangs wille. Een zoodanige moet zulk een berooide fortuinzoekende Vlaming zijn, en het heeft goede houding tegenover de Hollanders, een man te beschermen, die geleden heeft om de religie; het is mijn plicht als Christen en als voorstander der gemeente.”

»Uwe lordschap heeft daarin gelijk,” hernam Douglas met nog meer stroefheid.

Leycester maakte een heftig gebaar van ongeduld. »Gij zijt onuitstaanbaar, Douglas! gij stemt toe op eene wijze, die als tegenspraak klinkt.”

»Het past mij niet, Uwe lordschap tegen te spreken op andere wijze, en toch is er in mij eene stem, die mij zegt, dat ik niet toestemmen mag.”

»Ik weet het,” hernam Leycester zonder de stembuiging van lof of van teederheid, »ik weet het, gij zijt nauwgezet zonder voorbeeld — maar nu wij daarop komen, Roger! ik wenschte u anders.”

»Ik zal trachten te worden, wat mijn heer bevelen zal,” hernam Douglas met eene zonderlinge mengeling van stugheid en ootmoed.

»Ik hoop, dat het u licht zal vallen, mijn beste Roger!” sprak de Graaf met goedheid. »Gij moet nu welhaast achttien jaar zijn?”

»Gisteren geworden,” hernam Douglas met een zucht.

»En ik heb grijsaards van tachtig jaar gekend, die het leven vroolijker opnamen dan gij!” zeide Leycester zachtkens het hoofd schuddend, nadat hij hem eene poos had aangezien. Daarop wenkte hij hem zich neer te zetten op den vouwstoel nevens zijn zetel, en vervolgde toen, »Zie, ik heb mij hier in Holland nog niet met u kunnen bezighouden, en toch heb ik u veel te zeggen. In ernst, gij kunt niet blijven zooals gij nu zijt. Ik wenschte u jonger te zien, behagelijker voor anderen, minder strak, minder ernstig, meer van uw leeftijd.”

»Ik meende hiermede voor ’t minst niet Uwe lordschap te mishagen — die zelve…”

»Wat past aan mijne jaren, aan mijn rang en aan mijne stemming, kan zeer onpassend zijn voor u, sir!” viel Leycester met hoogheid in, »ik keure het goed, dat men nauwgezet zij in het betrachten van alle zijne plichten, inzonderheid die van den godsdienst; en ik zelf meene u daarvan het voorbeeld te geven,” ging hij voort met een blik op zijne stichtelijke lectuur, »ik, die hier gekomen ben in dit vreemde land, om de ware Christelijke religie te beschermen en op te bouwen, het pausdom te weren, en de kettersche dolingen tegen te gaan, en die wel gezind ben alle macht, die mij gegeven is van God en van de Koningin, te gebruiken en aan te wenden tot deze hooge en nutte plichten; mij voegt strengheid in zeden en manieren; mij voegt, de vroomheid des harten uit te drukken, door statigheid van gelaat en van houding, als door stemmigheid van woorden, opdat dit goede en vrome volk gesticht worde en wel getroost door de deftigheid van zijn gebieder. — Maar u, Roger! die nog een jonge man zijt, die geenerlei staat houdt in de wereld en die geenerlei ambt voert, dat tot ingetogenheid verplicht, — u moeten andere zorgen bezighouden; op u rust eene lichtere verplichting. Jongelieden van uwe jaren en van uwe afkomst moeten zich oefenen in de kunst om beminnelijk te zijn, om zich voort te zetten in de wereld; zij hebben niet noodig, te leven en te peinzen als kluizenaars, al houden zij tegelijk goede wacht op het heil hunner zielen!”

»De Schrift zegt, dat het niet mogelijk is, twee heeren te dienen, Mylord!” sprak Douglas ernstig, maar iets als een glimlach speelde om zijn mond.

»Gij kunt daarin den weg nemen, dien ik u voorga, sir! en bedenk tevens, hoe het niet voegzaam is, dat jongelieden, die niet bestemd zijn tot predikers, noch tot bisschoppen, de uitspraken der gewijde Schrift in den mond nemen, om eene nutte vermaning af te weren,” sprak Leycester sterk kleurende, want zijn eigen geweten drukte hem het verholen verwijt met dubbele scherpheid in de ziel.

Douglas boog het hoofd, onder de harde berisping, en de Graaf ging voort:

»Ik begeer dus, dat gij u van nu aan meer zult aansluiten aan de jonge edellieden, die mij hierheen verzellen; het is eene van de redenen, waarom ik u met mij nam — ik wil, dat… hoe staat gij met Lord Robert?”

»Als water en vuur, Mylord!”

»Hoe, sir! en dat, terwijl ik u met mij voerde onder voorwaarde, dat gij u met hem verdragen zoudt?”

»Uwe genade verstaat mij niet wel, of mijn woord is te duister:

Lord Robert werpt mij vuur toe, maar ik neem het op in het koele vocht, dat het dooft.”

»Zoo doet gij wel, en Mylady Leycester zal het u met groote toegenegenheid vergelden.”

»Ik wacht mijn loon hierin niet van Mylady Leycester, noch van iemand anders. De Heer moge het mij toerekenen, dat ik in deze verdrukking lijdzaam ben.”

»Daar is het weder, of ik den reverend Wattison hoor!” riep Leycester met ongeduld, »ik zie nu, hoe groot eene fout ik beging, met uwe opvoeding te vertrouwen aan dien man.”

»Het was de grootste weldaad, die Uwe lordschap mij bewijzen kon, omdat zij mij leerde uwe andere weldaad te dragen,” hervatte Douglas op zijn sombersten toon.

»Welke weldaad bedoelt gij, sir?”

»Het leven, Mylord!” barstte Roger uit met een doffen snik.

»Wat beteekent dat, sir?” riep Leycester, hem strak aanziende, met een oog dat van toorn gloeide; en na eene pauze, daar de jonge man niet antwoordde, voegde hij er bij met strengheid:

»Verwijder u, master Douglas! verwijder u snel! gij tergt mij uit tot toorn; ik wil u in vele dagen niet weder zien.”

»Neen, dit is geen dragen!” riep de jonge man, zich de oogen bedekkende met de hand, en zich nederwerpende aan Leycester’s voeten.

»Vergiffenis, vader! vergiffenis! ik ben een waanzinnige!”

»Neen, gij zijt een ondankbare!” hernam de Graaf, en zijne strengheid scheen zich toch te verzachten, toen het gebogen hoofd van den jongen man zijne knieën raakte. »Gij zijt een ondankbare; want wien mag wel het leven lichter zijn, dan u? welk jong edelman kan, als gij, ieder zijner wenschen en luimen involgen? Noem mij den oudsten zoon uit een edel huis in Engeland, die zóóveel vrijheid geniet als u wordt toegestaan? Al noemde men u Roger Dudley, gij kondt u geen ander lot wenschen. Mijn wettige zoon, de baron van Denbigh leeft; ik kon u toch niet tot Graaf van Leycester maken.”

»Ach, dat gij mijne moeder tot Gravin van Leycester hadt gemaakt!”

Bij dit woord stond Leycester met heftigheid op; hij verbleekte zichtbaar:

»Gij zijt razend, jongen!” riep hij, »ik had mij zelf even licht koning van Engeland kunnen maken!”

»Mylord! Mylord!” riep de jonge man verbleekend op zijne beurt; »dat is een vreeselijk, dat is een duister woord!”

»Het is de naklank van uw vermetelen wensch, Roger! en lichter zal het nooit voor u worden,” hernam Leycester minder hevig, doch met meer hardheid. »Laat u dit gezegd zijn voor altoos: ieder herdenken aan uwe moeder brengt u verder af van mijne genegenheid; en een tweede woord als dat van zooeven, verbant u uit mijne tegenwoordigheid voor het vervolg. Ga voort, als gij doet, de Gravin van Leycester te eeren en te dienen als eene moeder; zij zal het voor u zijn, en gij zult nooit eene andere kennen. De uwe, al stond gij naast haar, en al kende zij u als mij zelven, zou den blik niet op u wenden; zij heeft niet het hart eener vrouw; zij heeft minder kinderliefde dan eene tijgerin; het is haar om het even, of gij leeft of niet; en zoo ge niet door haar wordt verwenscht, is het alléén, omdat zij niet weet, dat gij bestaat.”

»Mylord! uit barmhartigheid, houd op!” riep de jonge man, en moest zich leunen tegen Leycester’s zetel, »was ik niet reeds genoeg gebogen onder den last van mijn aanzijn? dit klinkt afgrijselijk! uw spreken is als een vloek!”

»Geen vloek, maar het gevolg als de straf van uwe onbescheidenheid; en nu, voor ditmaal zij het u vergeven, wees getroost!” Doch de jonge man was hijgende neergezonken aan zijne knieën, en scheen het niet te verstaan, wat de Graaf er zachter bijvoegde:

»Maar ben ik de eenige verwant, dien gij kennen zult, ik ben er ook alléén voor, om u lief te hebben, en ik ben u zeer genegen. — Mij dankt gij tweemaal het leven, ik ontrukte u aan wie het booze met u vóórhadden. Daarom zijt gij mij te liever geworden; ik zal mijne gunst nooit van u afwenden, zoolang gij die waardig zijt. Wat ge voor het tegenwoordige hebt, weet gij; en vrees de toekomst niet! wat ik u niet kan nalaten in rang en eere, laat ik u na in goud; kon ik mijne gravenkroon niet overbrengen op uw hoofd, alles van mijne bezitting, waarover ik vrij beschikken kan, zal het uwe zijn.”

Douglas zuchtte en wendde het oog ten Hemel, als om dezen ten getuige te nemen hoe weinig die belofte hem troostte.

»En ge moogt hopen,” vervolgde de Graaf, »dat ik nog meer voor u zal kunnen doen. Als mijne ontwerpen hier in Holland wel slagen, zal ik meer zijn voor Elisabeth, dan ik ooit was; ik zal vrij zijn en zij zal mij noodig hebben. Dat zijn juist twee voordeelen, die ik nooit op haar vooruit gehad heb, en die ik hier zal kunnen verkrijgen; dan zal ik haar van mijn zoon spreken, begrijpt gij mij nu?”

»Ja, Mylord! ik heb u verstaan,” hernam Douglas, en hief zich op; want hij gevoelde, dat Leycester hem nooit begrijpen zoude, »en ik dank u, Mylord! want ik weet dat Uwe lordschap voor mij is een zóó genadig heer, en een zóó welwillend vader… als Graaf Leycester zijn kan,” was hij op het punt er bij te voegen, doch de Graaf voorkwam hem met te zeggen:

»Daar moet u dezen ochtend eene venijnige wesp gestoken hebben, dat de pijn u dus heeft overprikkeld.”

»Geene wesp, Mylord! neen! een adelaar is heengestreken met de vleugels langs mijne kwetsbare plek. sir Philip Sidney heeft met medelijden op mij gezien, toen Essex hem iets van mij had gezegd.”

»Is het dat? wel, stel daar wat gezond verstand tegen! sir Philip Sidney is een schrander heer, van wien ik vele goede diensten hoop in dit land; maar hij is tevens een poëet, die het hoofd vol heeft van overspannen denkbeelden en overdrevene begrippen van allerlei aard, beter passende in het hoofd van een tooneelspeler en verzenmaker, dan in dat van een edelman, en met gevoelens, die gangbaar mogen zijn in Tasso ’s poëterijen en in deMeikoningin, maar die geene munt zijn om uit te geven in de werkelijke wereld; ieder moet hem hoogachten, maar het is niet altijd goed, op zijne woorden te letten als waren het uitspraken van de Schrift.”

»Toch moet het voordeel zijn met hem om te gaan, en ik wenschte…”

»Dat voordeel moogt ge genieten, als gij mij belooft, er geene grootere waarde aan te hechten, dan dat van een voorbijgaand vermaak! en nu, genoeg daarvan! ik heb reeds meer tijd aan u gegeven dan ik moest, en dat te meer daar ik mij kleeden moet tot eene voegelijke ontvangst van eene commissie uit de Algemeene Staten, die te elf ure hier zijn zal. Wat of die Hollandsche heeren willen? ik onderstel dat zij hierheen komen, tot regeling van het ceremoniëel bij het aanvaarden van de regeering; daar dient toch wel zoo iets plaats te hebben als eene inhuldiging of eene inwijding, opdat dit Hollandsche volk wete, wanneer het zijn nieuwen meester gekregen heeft.”

»Daar zijn andere middelen, Mylord! waardoor het hen duidelijk zal worden, dan door eene aanschouwelijke plechtigheid. Bescherming tegen hunne vijanden, krachtige handhaving van het recht, herleving hunner welvaart, handhaving van het ware geloof; ziedaar, waaraan dit goede volk Uwe lordschap’s hand moet herkennen!”

»Zoo zal het ook zijn, Roger! zoo de Heer mij hulp en krachten verleent, en de Koningin mij niet te veel moeite geeft; — maar ziet gij, men moet toch beginnen, en de waarheid is, dat ik sinds den 19den December hier ben, en nog niet in de gelegenheid ben geweest, eene enkele daad van gezag te oefenen; — men heeft mij tot hiertoe de moeite bespaard, mij met iets te moeien: niemand heeft zich nog verledigd mij inzage te geven van de regeerings-zaken — van alles, wat een regent weten moet, zal hij niet in den blinde rondtasten. Dat kan zóó niet blijven. Ik zal de Hollandsche heeren daarop opmerkzaam maken, en als de Zondag voorbij is, moet daarin worden voorzien. Het wordt tijd, dat men het anders wete dan door feestgejuich, dat de Graaf van Leycester in Holland is. Waren er reeds Hollandsche heeren in mijne gehoor-zaal, toen gij binnenkwaamt?”

’toen nog niet één, Mylord!”

»Dat is vreemd, en dat na de betuigingen, waarmede mijne Heeren van de Staten-Generaal mij hebben verwelkomd; toen zij zeiden: "mij de handen te kussen met allen eerbied, en Hare Majesteit en mij zelven te presenteeren alle en behoorlijke autoriteit, gehoorzaamheid en getrouwheid," en na die betuiging, "hun goed en bloed te zullen consacreeren tot devotie en dienst van de Koningin en van ons, moesten zij zich daarin immers reeds verdringen? Die Hollanders, ze hebben geen het minste begrip van hoffelijkheid, noch van eigenbelang.”

»Van dit laatste wellicht genoeg, edele Graaf! geloof mij, de Hollanders zijn wijs genoeg; ik ken geen hunner, maar als men de gebeurtenissen van de laatste vijftig jaren indenkt…”

»Ach, wat! de Prins van Oranje had staatkunde en vernuft voor hen allen, maar die is er mee ten grave gedaald; de Prins van Oranje had, bij een langer leven, van deze provinciën een onafhankelijk graafschap gemaakt; — en hij zou er meester zijn geweest als Elisabeth in Engeland; — ze hebben dien goeden Heer verloren; welnu! zoo ben ik daar, om zijne plaats te vervullen.”

Douglas antwoordde niets; maar hij zag hem ernstig en droevig aan met iets in het oog, dat naar twijfel zweemde en naar verwijt.

De Graaf echter zag dien blik niet. Onder het spreken was zijne aandacht gevallen op het grillige flonkerspel der lichtstralen op den geslepen amathist van zijn zegelring, en hij zag niet op, dan om tot den jongeling te zeggen:

»Nu ik aan den Prins van Oranje denk, wij hebben hier een geboren Prins van Oranje, den jongen Maurits, voor onze partij te winnen; de Koningin heeft mij ernstig aanbevolen, zijne vriendschap aan te kweeken, en Elisabeth weet wel, wat zij beveelt, opdat wij zelve dus geen schijn van onheuschheid op ons laden — bezoek gij nog heden den jongen Graaf Maurits van Nassau; hij is van uwe jaren; gij moet hem een weinig het hof maken, en hem voor mij winnen; dat zal licht te doen zijn, dat huis van Nassau is arm, en het schijnt mij toe, dat het dezer dagen wat verwaarloosd wordt door de Staten. Essex zal hem ook gaan zien, maar dat zal wel zijn voor eigen bejag; en vergeet ook niet dien wilden Hohenlo, een rechten Duitscher, een recht soldaat; men zegt, dat ik veel aan hem hebben kan als hij het drinken laten wil; breng hem een paar woorden van beleefdheid uit mijn naam — en nu, ga! wilt gij mijn kamerheer waarschuwen, dat ik mij kleeden zal?”

Douglas verwijderde zich met eene zwijgende buiging, en de Graaf ook stond op om zich naar een ander vertrek te begeven.


Ingezonden op: 19 July 2001