LEYCESTER IN NEDERLAND

VI.

WEDERZIJDSCHE VERRASSING.


Van het groote getal aanzienlijke Engelschen en edele afhangelingen, die den Graaf van Leycester naar Holland waren gevolgd, hadden zich de voornaamsten geschaard in de groote ridderzaal. Al de schrandere mannen, die de Koningin hem als raadslieden had medegegeven, omgaven van nabij den zetel, voor den Graaf in gereedheid gebracht, en deze zelf trad binnen op hetzelfde oogenblik, dat de commissie uit de Algemeene Staten werd ingeleid.

Hij was gekleed in een allerprachtigst hofkostuum, dat hem in de oogen van Elisabeth goed zou hebben gedaan, maar het was opmerkelijk, dat het hoog karmozijnrood, eene kleur, die het purper zoo nabij kwam, ditmaal de heerschende was in zijn gewaad, en dat de juweelen band om zijne barret zijn trotsch voorhoofd omgaf als een diadeem. Hij droeg niet alle zijne ridderorden: die van het Gulden Vlies en van st. Michaël van Frankrijk, prijkten niet op zijne borst — eene fijne oplettendheid tegenover de Hollanders; — maar die van den Kouseband sierde als altijd eene der meest welgevormde knieën, die men nog immer met dat blauw satijn had omgeven gezien.

Het is zeker, dat weinigen zoo goed als hij de eere van een hoogen zetel recht konden doen — door die vereeniging van waardigen trots met hoffelijke bevalligheid, en zóó was hij dan ook niet misplaatst, en hij zag er waarlijk vorstelijk genoeg uit, te midden van zijn edelen en deftigen hofstoet. Essex, Sidney en de baronnen North en Willoughby plaatsten zich aan zijne rechterhand, terwijl Douglas, de baron Andeley, sir Walter Waller en Dr. Clark iets meer achterwaarts aan zijne linkerzijde terugtraden.

De Hollandsche heeren Menin, pensionaris van Dordrecht,Maelsoo, pensionaris van Enkhuizen, Floris Thin, advocaat te Utrecht, en de heer van Vosbergen waren ondertusschen na eenig ceremonieel genaderd, en werden opgeleid door sir Thomas Copely, eersten kamerheer van den Graaf — hun spreker boog zich tot den handkus aan Leycester en na eene korte zeer sierlijke rede, waarin hij mededeelde, hoe in de overtuiging van zijne groote, persoonlijke verdiensten, en van de toeneiging des volks tot Zijne Excellentie en de Koningin van Engeland, mijne Heeren van de Staten-Generaal zich hadden beraden op het aanbieden eener meer uitgebreide macht dan die, welke hem aanvankelijk bestemd was, en na deze inleiding overhandigde hij hem de schriftelijke aanbieding en de resolutie der Staten. Daarbij werd hem opgedragen de opperlandvoogdij in denzelfden vorm en omvang, als die onder Karel V door de Gouverneur-Generaals was bekleed geweest en geoefend; de hoogste macht in alle krijgszaken en in die van justitie en politie; dezelfde als vertegenwoordigde hij de hoogste macht.

De Graaf van Leycester zag dat geschrift in. Vreemd en zonderling was de uitwerking, die dat lezen op hem had; plotseling zag men hem sterk kleuren, niet van den blos der gestreelde ijdelheid, maar van het donkere purper des toorns; zijn voorhoofd zelfs deelde in dien gloed en op zijne sterk sprekende trekken zag men in ondubbelzinnig schrift hooge bevreemding en ontvlamde drift.

Hij schoof het papier door de handen heen en weder, in eene soort van spanning en besluiteloosheid, terwijl hij de afgezonden heeren sterk bleef aanzien, en zeide eindelijk met eene soort van uitbarsting, waarbij hij verbleekte en kleurde, in het gebrekkig Latijn, waarvan hij zich somtijds bediende, dat hij deze waardigheid op dien voet niet konde aannemen; dat hij het niet wilde; dat hij zich door de Staten-Generaal misleid gevoelde, en dat hij van alles wilde afzien. De verlegenheid en de verrassing der Engelsche heeren over deze vreemde, deze plotselinge, deze ongewachte uitbarsting was onbeschrijfelijk; ieder hunner was voor zich zelven en voor den Graaf met hunne houding verlegen.

De verwondering van de Hollandsche heeren grensde aan verbijstering. Zij hielden zich zóó zeker van zijn aannemen, dat zij alreede herauten en trompetters met zich gebracht hadden, om terstond zijne aanvaarding van de opdracht aan het volk te verkondigen. Hoe! hij was niet tevreden! hij was dáármede niet tevreden! niet voldaan met dàt groote deel van macht, dat hem werd in den schoot geworpen door de ingenomenheid der natie, nog door geene daad van hem zelven gerechtvaardigd, geene blinde te zijn, in het gloeiendste oogenblik dier opgewonden geestdrift, aan hare vertegenwoordigers ontwrongen om die natie te vergenoegen? Hoe? hij was dáármede niet tevreden: te regeeren met een titel en onder een vorm, die hem plaatste zoo hoog als Maria van Hongarije enMargaretha van Parma gestaan hadden? Niet tevreden! Wat zou het dan niet zijn, zoo hij geweten had, hoeveel het gekost had om dit voor hem te verkrijgen van alle die verschillende hoofden, die stemming hadden, en van alle die verschillende belangen der provinciën, en van ieders bijzondere vreeze voor willekeur en voor overmacht van een vreemden regent? O, voorwaar! het was geene kleine zaak geweest voor hen, die Leycester’s zaak voorstonden: Friesland te doen instemmen met hetgeen Overijsel had goedgekeurd; Holland’s denkbeelden van vrijheid en onafhankelijkheid in eenige samenstemming te brengen met Gelderland’s buigzamer zin; Zeeland en Utrecht genoegen te doen nemen in hetzelfde voorstel; en wat er van de zuidelijke provinciën nog overbleef, te doen aannemen, wat de noordelijken besloten hadden! Dat was eene zware taak geweest, die ten laatste met veel behendigheid en met hachelijke kansen was ten einde gebracht; — en nu; — Leycester nam niet aan! Leycester toonde zich als een beleedigde, als iemand, die verkort is geworden in zijn beste recht. Hij zag toornig; hij zag dreigend; hij scheen wel zeker besloten terug te treden! De Hollandsche afgevaardigden waren als verstompt onder de verbazing. En toch… Leycester had gelijk, dat hij ontevreden was; hij had gelijk, dat hij aarzelde aan te nemen; van zijn standpunt gezien, moest hij niet aannemen; en dat hij ten laatste aangenomen heeft, is de groote bronwel geweest, waaruit alle verwikkelingen, alle twisten, alle haarkloverijen, waardoor hij is overstelpt geworden, zonder ophouden zijn opgeborreld; het is zijn eerste misslag geweest, die het vruchtbare zaad is geworden van alle andere misslagen in zijn bestuur. Men zal hooren waarom.

In de algemeene verslagenheid over de uitbarsting van Leycester, was Sidney de eenige die de tegenwoordigheid van geest had, om de gevaren van hetgeen hem overijling scheen, in te zien en te voorkomen. Hij had de stoutheid zich onaangesproken tot Leycester te wenden, en hem te bidden voor het minst een minder beslissend antwoord te geven, en in eene zaak van dat belang, niet met zulk eene overhaasting te handelen. Hij verkreeg dan ook zóóveel, dat de Graaf met meerdere heuschheid den afgevaardigden te kennen gaf, dat hij nog niet volstrekt verwierp, maar dat hij zich over deze zaak beraden zoude, en daarna de Staten-Generaal kennis zou geven van zijn nader besluit. Ten laatste ook zegevierde de gewoonte om hoffelijk te zijn, en zijne ingewortelde zucht om voor zich in te nemen, in zóóverre op zijne gemoedsbeweging, dat hij de Hollandsche heeren, ieder in het bijzonder, met wellevendheid en goedheid toesprak; maar het waren toch eigenlijk niets dan van die onbeduidende woorden, die goed klinken en die niets zeggen, welke alle groote heeren van alle tijden, te aller ure in gereedheid hebben om eigen spijt te verbergen, of voor anderen eene hardheid te vermommen, en schoon de Hollanders niet onnoozel genoeg waren om in die fraaie woorden iets meerder te zien, met dien schralen troost moesten zij aftrekken.

Toen zij zich verwijderd hadden, was Leycester’s eerste woord:

»Roep mij Davison! ik wil hierin niet handelen zonder den ambassadeur.”

En nadat één der heeren was heengegaan, om aan dat bevel te voldoen, zag de Graaf verlegen en verdrietig om zich heen; het algemeen zwijgen hinderde hem, en toch kende zich niemand van de aanwezigen het recht toe, dat af te breken. Daar viel zijn oog op Essex, die iets meer voorwaarts was gekomen, en die hem aanzag met eenige beteekenis. Eene afleiding ook van zijne eigene gedachten was hem welkom.

»Ik heb u nog niet kunnen toespreken, Lord Robert!” zeide hij, hem dicht nevens zich wenkende, »hoe bevalt u den Haag? zijt gij hier naar welgevallen gehuisvest op het hof?”

»Mylord is al te goed!” antwoordde Robert d’Evereux, en zag van ter zijde naar Leycester op: die goedheid en die belangstelling schenen hem niet natuurlijk.

»Wacht gij spoedig tijding uit Engeland? hebt gij reeds veel brieven van sir Walter Raleigh?”

»Tijding uit Engeland heb ik gisteravond ontvangen, Graaf! slechts niet van sir Walter, maar van… mijne moeder.”

»En?” vroeg de Graaf met zekere angst.

»Mylady is volkomen wel; er zijn in haar schrijven ook woorden aan u gericht, Mylord! want de Koningin vond voegzaam, dat de Gravin u schreef tegelijk met Lord Burleigh; een schrijven, dat u welhaast geworden zal; maar de Gravin voelde zich daarbij eenigszins gedwongen, en heeft eenige regelen ingevoegd in haar brief aan mij.”

»Dat verrast mij; dat verheugt mij, Robert! maar gij hadt mij dat al eerder kunnen zeggen.”

»Gisteravond was het te laat, Mylord! en dezen morgen vreesde ik Uwe lordschap te storen in zijne stemming,” hernam de jonge Essex, met die vermetele stoutheid, die nu nog zijner jeugd te vergeven was, maar die hij ook op meer gevestigden leeftijd niet zou afleggen.

»Geloof dat ik die oplettendheid op haar rechten prijs schat,” voegde Leycester hem toe, »gij moet Mylady Leycester wel een goede zoon zijn, om zóóveel goedhartige opmerkzaamheid te toonen aan haar gemaal.”

»Mijne moeder klaagt niet over mij, Graaf van Leycester!”

»Als ik afgedaan zal hebben met deze heeren, zult gij mij meer van haar zeggen, Graaf van Essex!” eindigde Leycester, en begaf zich meer in het midden van het vertrek, waar hij bleef op en neder wandelen, totdat de afgezant van de Koningin van Engeland, Davison, was aangekomen.

De Graaf gaf terstond eenige jongelieden, en allen, die niet in zijn vertrouwen deelden, bevel zich te verwijderen, en alléén gebleven met den ambassadeur, met Sidney, met Willoughby, met den baron North, met Dr. Clark, met Douglas en met Essex had hij zich terstond gewend tot den eerste, wien hij het staatsstuk in handen gaf met het woord:

»Gij ziet het, sir! dat kan ik zóó niet aannemen.”

Davison, — dezelfde staatsdienaar van Elisabeth, die later zulk eene treurige vermaardheid heeft verkregen, door het aandeel, dat hem werd opgedrongen aan den dood van Maria Stuart, — had juist het zwak en vreesachtig karakter, dat de Koningin noodig had, om hem de dubbelzinnige rol te laten spelen die zij hem oplegde, en hier in Holland ook scheen hem eene zulke te zijn opgelegd; men ziet het uit zijn antwoord:

»Had Uwe lordschap meer gewacht van de Hollanders?” vroeg hij, Leycester twijfelachtig aanziende.

»Van de Hollanders, sir! neen, ik wacht van de Hollanders niets,” riep Leycester weer met stijgende hartstochtelijkheid, »niets dan gehoorzaamheid; en juist daarom is deze handelwijze mij eene ergernis, en eene misleiding van hunne zijde: ik ben hier gekomen om te regeeren.”

»Juist schijnt het mij toe, dat Uwe Exellentie hiertoe de volle ruimte gewordt bij deze volmacht,” hernam Davison.

»Maar sir! omdat het eene volmacht is — eene aanstelling van hunne zijde — ik die alreede aangesteld was door hun verdrag met de Koningin; het is juist daarom, dat zij mij geven wat zij niet meer geven kunnen, wat ik reeds bezat; wat de voorwaarde is, waarop ik hier gekomen ben; de voorwaarde, waarop Hare Hoogheid deze lieden heeft gesteund en voortaan steunen zal met geld en met manschap, dat is de grondslag van de verbintenis; maar in »t eind, dat weet gij zoo goed als ik zelve, mijnheer! gij hebt immers ook uwe inlichtingen van de Koningin.”

»Mylord! de Koningin heeft mij in geenen deele nadere onderrichting gegeven van het verdrag tusschen Hare Majesteit en de Hollanders; ik ben dus niet bevoegd om te beoordeelen, in hoeverre de laatsten zich daaraan onttrekken met deze daad.”

»Gij zijt zeer voorzichtig, mijnheer Davison! en ik konde u dus ontslagen hebben van de moeite om hier te komen en ons met uw raad voor te lichten,” hernam Leycester, en wendde zich onrustig ter zijde, tot Sidney, »nu dan, neef! lees gij dit; gij zijt van een goed beraad en van een treffelijk oordeel; als gouverneur van Vlissingen moet gij een goed inzicht hebben in de zaken van Holland; zeg gij mij dus, kan ik dit aannemen, zonder de Koningin en mij zelven te kort te doen? moet ik niet opgeven na zulk een begin?”

Terwijl sir Philip las, hernam Davison:

»Uwe Excellentie had integendeel alle recht om op mijne geringe diensten te rekenen, daar het tot mijne plichten behoort en mij zeer bijzonder is aanbevolen, Uwe lordschap te steunen, bij te staan en te dienen, in alle zijne ondernemingen, wenschen en bedoelingen.”

»Ik herken hierin de Koningin,” riep de Graaf, »zij geeft mij een blinde om mij te leiden, en als ik dan den verkeerden weg ben gegaan…,” doch hij hield zich in en op Sidney ziende, die ernstig en peinzend heengebogen zat over het staatsstuk, sprak hij: »en nu, lieve neef! wat moet ik aanvangen na zulk een begin?”

»Dat hangt, dunkt mij, af van de beantwoording dezer enkele vraag: waartoe is Uwe Excellentie hier?”

Leycester was niet in de stemming van geduld en kalmte; ook antwoordde hij met trots en ongeduld:

»Eene ijdele vraag, sir Philip! dat weet men tot in Spanje toe.”

»Wie weet zelfs, of de Czaar van Rusland er in zijn laatsten minnebrief aan de Koningin niet over geschreven heeft,” fluisterde Essex Douglas spottend in.

»En toch eene vraag, die juist en helder moet beantwoord worden, eer men Uwe Excellentie een raad mag geven op het punt van aannemen of verwerpen van deze opdracht der Staten-Generaal!

»Welnu dan, sir! het is bekend; maar als het toch herhaald moet worden,” hernam de Graaf met verbeten ongeduld. »Ik ben hier, om aan het hoofd van hunne regeerings-zaken te staan;

om hun aanvoerder te wezen in den krijg met Spanje; om de waarachtige Christelijke religie te handhaven; om wet en orde te herstellen; om de rust en den bloei der gemeente te bevorderen; om… om welke redenen zoude ik anders hier zijn?”

»Dus om geene andere redenen, dan om het ontredderde schip van dezen Staat voor zinken te behoeden; het te veiligen tegen de overmacht der golven, dat het geen wrak worde; het op te tuigen tot een deftig en ordelijk vaartuig; het af te houden van branding en klippen en het daarna te laten mededrijven op den grooten oceaan der volkeren? Dat is het begin, niet waar, Mylord?”

»Juist, sir! schoon dat in gewone menschentaal had kunnen worden uitgedrukt,” antwoordde Leycester.

»Ik kan nu meer eenvoudig zijn, want ik moet alléén vragen: wat zal het daarna wezen?”

»Daarna, sir! daarna? wel, dat doel, waarvan gij spreekt, eens bereikt zijnde, is er geen daarna, dat is het einde.”

»Welnu dan, Mylord! zoo waarlijk noch de Koningin noch Uwe lordschap, andere bedoelingen willen hebben dan de gezegde…,” en de jonge edelman hield een oogenblik op en zag den Graaf scherp in de oogen…

»Neef! gij dringt zonderling,” sprak deze met een lichten blos het hoofd afwendende, »maar zekerlijk, het oogenblik is nog niet dáár, om dieper in te dringen in bedoelingen en wenschen, van wie ook. Daar zijn staats-ontwerpen, die niet op ééns en tegelijktijdig ontvouwd kunnen worden, maar die zich ontwikkelen moeten uit de veranderingen, die de tijd kan brengen, en uit den loop der zaken zelf.”

»Mylord! in hoogen ernst; zelfs dat, wat men wacht van dien tijd en van dien loop der zaken, moet hier worden in aanmerking genomen, hoe wisselvallig ook…”

»Ik versta niet die fijne zifterij der woorden,” viel Leycester driftig in, »en bidde u, houd u bij uw wrak, sir!”

»Zoo wil ik, Mylord!” hernam Sidney hoog, maar met meer fijnheid. »En dus is mijn raad deze: den stuurman, die het wrak wil behouden, moet het onverschillig zijn, of de nooddruftige zeelieden zelve hem het roer overgeven, dan wel of zijn bevelhebber hem dat in de handen stelt.”

»Dat is gedacht met het hoofd van een dichter, sir Philip! maar de geredden zouden den stuurman daarna als ballast kunnen beschouwen en over boord werpen; de staatsman moet zich daartegen veiligen.”

»Mij dunkt, dat dit eerder te doen is door de wijze, waarop de piloot het roer voert, dan door die, waarop hij het aanvaart,” hernam Sidney, »maar, om nu de beeldspraak daar te laten, die Uwe Excellentie verdacht schijnt, schoon de politiek zich onder haar laat inkleeden. Uit een bloot staatkundig oog gezien, Mylord Leycester! is men van weerszijden te ver gegaan, om zóó terug te treden; en het bezit nemen der macht, op welke wijze dan ook, is wel zeker de eerste en onmisbare schrede tot het verzekeren daarvan.”

»En toch kan ik haar niet nemen, zooals ze daar ligt,” hernam Leycester, het papier, dat hij in de hand had genomen, met onwil terugwerpende op de tafel, »daar moeten wijzigingen worden gegeven; daar zijn termen in, die niet blijven kunnen; zóó word ik onderdaan van onderdanen, en ik ben hier de gevolmachtigde eener Koningin; hun verdrag met de Koningin heeft mij reeds gegeven, wat zij mij nu aanbieden als hunne gift. Gij ziet, mijne heeren! dat ditniet zijn kan.”

De Engelsche heeren zagen elkander eene poos bedenkelijk aan; Sidney haalde even de schouders op, en de gezant Davison sprak:

»Daar zullen ongetwijfeld wijzigingen te vragen zijn en te verkrijgen, van al hetgeen Uwe Excellentie tegenstaat. De Hollanders hebben voorwaar genoeg reverentie getoond en eerbiedenis aan Uwe lordschap, en vooral te veel kniebuigingen overgebracht aan ons hof, om niet op eenige wijzigingen in den vorm der opdracht te kunnen rekenen.”

»Zoudt gij ook van die meening zijn, mijne heeren?” vroeg Leycester op de anderen ziende.

»Ik ken reeds de Hollanders als stijfhoofdig en vasthoudend, juist op het kleine en vormelijke, waar zij grooter belangen met meer lichtigheid overzien,” sprak Sidney.

»Altijd zou het voorzichtig wezen, zich van hun goeden wil hierin te verzekeren, eer men den eisch deed,” zeide baron North.

»Zeker! het zou als eene nederlaag zijn, zoo het mislukte. Dan ware »t beter mij met het luitenant-generaalschap te vergenoegen; in geen geval kan ik eenige andere afhankelijkheid aannemen dan van Elisabeth, noch in deze zaken verder gaan dan zij het mij veroorloofd heeft. Terug gaan naar Engeland…”

Sommige Engelsche heeren glimlachten om dit woord.

»Maar hoe komen we tot die zekerheid?” ging de Graaf voort. »Ik heb nog geen der Nederlandsche heeren in mijn particulier belang gewonnen; aan wien hunner zal ik mij toevertrouwen? Zal ik met Hohenlo spreken?”

»Mylord! dat zou zekerlijk eene groote fout zijn,” viel Sidney in. »Ik heb in de relatiën, waarin ik tot dien Graaf gekomen ben, met opzicht tot Zeeland, dien edelman ietwat leeren kennen! Of hij Uwe genade wel genegen is, zou ik niet durven beslissen; maar het is eene waarheid, dat hij mij is voorgekomen, zoo zeker de tegenstelling te zijn van een bedacht, een voorzichtig en een ervaren staatsman, als de grijze Nestor daarvan gezegd werd, het model te zijn.”

»Ik bid u, sir! vermaak ons nu niet met de toespelingen van uw vernuft en laten wij de Troyanen dáár,” sprak Leycester verdrietelijk over zijne vergissing in Hohenlo.

»Ik noemde een Griek, Mylord!” hernam Sidney glimlachend.

»Het is mogelijk, neef! ik herinnerde mij alléén, dat die naam voorkomt in den Troyaanschen oorlog, waarover onze genadige Koningin zóó ernstig en met zóóveel vuur kan redeneeren, of zij zelve niet ieder oogenblik bedreigd werd met een Spaanschen; — en Grieken dan of Troyanen, wij zoeken Hollanders, al ware het slechts één Hollander, maar het moet er een zijn, die wijs is als Salomo en van wien kan gezegd worden als van Nathanaël — dat er geen bedrog in hem is.”

»Men heeft mij den Kanselier van Gelderland als een schrander en vroom heer hoogelijk geroemd,” sprak Douglas, op zachten, aarzelenden toon, Leycester aanziende, als vreesde hij eene onbescheidenheid te begaan.

»Wel, mijne heeren! hoe heb ik niet terstond op dezen gedacht,” hernam de Graaf verruimd, »dat is zekerlijk een man, die ons hier passen zou, en dat hij de gunste der Koningin hoog waardeert, en onzen eigen persoon in hooge achting schijnt te houden, is mij wel gebleken uit zijne aanspraak van verwelkoming.”

»’t Is zeker,” sprak Sidney, »dat diezelfde aanspraak niet minder getuigde van schranderheid en fijnheid, als zij tegelijk een model was van eene welsprekendheid, alléén te vergelijken met die van de beste orators der oudheid, en zeker zoude ik reeds op dezen heer gewezen hebben, zoo men de fraaie woordenklank der rhetorijke kon houden als de waarachtige uitdrukking des gemoeds. Ik wete hier geen bewijs voor het tegendeel; alleen schijnt het mij toe, dat de Hollandsche heeren dezen Gelderschman niet zoo op den voorgrond gezet zouden hebben, zoo zij niet bij deze gelegenheid van zijne gezindheid en gehechtheid te hunwaart waren zeker geweest, en tegelijk van zijne instemming in hunne denkbeelden.”

»Men heeft hem mij juist voorgesteld als zonderling gehecht aan Mylord, en wél geneigd Zijne Excellentie te dienen!” sprak Douglas, altijd weer tot zijn vader.

»Mijn goede Roger! het zou eene fortuin zijn zoo dit waarheid bleek, maar hoe zijt gij tot die kennis gekomen?”

»Het moge zijn door een partijdigen mond, maar het was een heusche en een geldige. Op mijn tocht hierheen maakte ik kennis met den zoon van den Kanselier, die mij op deze wijze van zijn vader sprak.”

»En nu, mijne heeren! vindt gij niet, dat wij het met dezen man kunnen beproeven?” vroeg nu Leycester opgeruimd om zich rond ziende.

Allen gaven hunne toestemming; allen waren van het gevoelen dat men zich aan den Kanselier van Gelderland kon wenden zonder gevaar.

»Ziedaar dan de eerste maal, dat master Douglas ons uitzicht verheldert,” sprak Essex dubbelzinnig spottend.

»Zijne donkere gelaatskleur is die van zijn geslacht, en een weinig van zijn ernst zou menigen jongen edelman goed staan, vooral op plechtige vierdagen; wees zoo goed, daar morgen op te denken, Mylord van Essex!” zeide hem Leycester op bitsen toon, »en u, Roger! ik dank u, dat gij aandacht hebt gegeven op hetgeen ons dienen kon. Ik wil uw wenk niet veronachtzamen, maar dien houden als van den Hemel gegeven; gij zelf zult mij in deze zaak dienen. Het is nog vroeg. Begeef u zoo spoedig gij kunt naar den Kanselier van Gelderland, en verzoek hem uit onzen naam herwaarts te komen — zonder hem te laten doorzien, waarin wij hem willen raadplegen. Zoo het zijn kan, laat hij te middag tot ons komen, opdat ik van deze zake ruste hebbe voor het gemoed aleer ik ter voorbereiding ga; en dit brengt mij voor den geest, hoeveel tijd ik gegeven heb aan deze wereldsche belangen — van dien, welken ik had willen afzonderen tot stichtelijke overpeinzingen. Dus, mijne heeren! te namiddag wacht ik u weder; ik zal uw verderen raad hooren, als ik den Kanselier zal gesproken hebben.”


Ingezonden op: 19 July 2001