LEYCESTER IN NEDERLAND

VIII.

ZIEKENBEZOEK.


In een ruim en hoog vertrek van een bovenhuis (wij zijn altijd te ’s Gravenhage) zijn twee personen samen, een man en eene vrouw; de man houdt zich staande bij de lage vierkante tafel, die in het midden van de kamer staat; de vrouw, — in onze eeuw had ze zeker op eene chaise-longue moeten nederliggen, of in eene paresseuse zijn weggedoken, gij zult haar recht daarop erkennen, als wij haar u hebben voorgesteld; maar daar hare eeuw een diergelijk meubel nog niet ten gebruike gaf, ten minste niet aan burgers, moest zij zich vergenoegen met een eenvoudigen stoel zonder leuning, welks rug echter goed gevuld was en met bruin leder bekleed; maar die zóó dicht naar het beschot van gladgewreven eikenhout was heengeschoven, dat zij daartegen ten minste het hoofd kon laten rusten, zoo vaak zij wilde.

Voor het overige was dit vertrek gemeubeld met eene weelde, die wij niet hebben zien heerschen in het huis des Kanseliers; de spinde, de tafel, de stoelen (met en zonder ruggen), waren allen van een zeer fijnen smaak, en niet slechts bewerkt met eene uitvoerigheid die getuigde hoezeer de houtsnijkunst te dier tijde nog bloeide; maar ook met opgelegde sieraden van ebbenhout verrijkt, — eene weelde, die zelfs teruggevonden werd op de schachten der gedraaide kolommen, die den hoogen schoorsteenmantel ondersteunden.

Wij verdenken de dame, van in haar kleedvertrek een spiegel te bezitten, die betrekkelijk groot was; maar in deze woonkamer was dit meubel vervangen door kleine kogels van glad geslepen metaal, van de zoldering afhangende in ieder der hoeken van het vertrek; — slechte plaatsvervangers inderdaad van het vlakke en heldere spiegelglas, daar ze op zijn best geschikt waren, de voorwerpen verkleurd en verduisterd terug te geven, en te hoog hingen dan dat iemand er in ernst aan denken kon, eenigen dienst van hen te vergen. Slechts als de koperen lichtkroon met zijn gele waskaarsen zou pronken, zouden zij die schittering veelvoudig weerkaatsen. Behalve het zaagsel waarmede de vloer was bestrooid, en dat iederen dag ververscht was als een wit en zacht sneeuwtapijt, heengeworpen over de steenen, waren nog de voeten der dame tegen hunne koude aanraking beveiligd door een voetkussen van tapijtwerk, van zóó fijn een arbeid, en van zóó uitvoerig een patroon, dat men er vrij zeker de nijvere hand der eigenaresse uit onderkennen kon.

De man, om nu eenmaal van meubelen op menschen te springen, kon een rijpe dertig jaren zijn, en droeg het gewaad, dat door de Hervormde leeraars van dien tijd in Nederland was aangenomen; dat wil zeggen, geene andere dan eene gewone deftige mannenkleeding, de tabbert met bont was de dracht van iederen geleerde; het zwarte laken voor wambuis en onderkleeding de dracht van ieder stemmig en fatsoenlijk man, dat alléén bij edelen of pronkende jongelieden door satijn en fluweel, soms met kleurige voering, werd afgewisseld; de halskraag geplooid in kanalen mocht ietwat kleiner zijn, dan die van hooggeborenen, en eenvoudig van kamerijksdoek, niet van kant of van rijk stikwerk, maar dat ook was eene weelde, waarin menig gegoed leek van den burgerstand zich nog niet met zijne aanzienlijken durfde gelijkstellen, en waarmede dus alléén eene zedige onthouding van te grooten opschik werd bedoeld.

De hoeden — breed van rand, vóór spits en achter spits, die Vondel zooveel aanstoot gegeven hebben, beschaduwden hun het gelaat nog niet, om de goede reden, dat de mode daarvan nog niet heerschende was, en slechts aanving door enkelen gevolgd te worden. Een bewijs dus dit alles, dat toenmaals in het kiezen van hun kostuum buiten de kerk, zelfs de strenge volgelingen van Calvijn zich richtten naar den smaak van hun tijd; waaruit volgt, dat hunne broeders van latere eeuwen, of de leeken die het van hen eischen, zich bewezen hebben, en nog bewijzen, te zijn, plus Calvinistes que Calvin, door nog altijd een onoogelijk en opzichtelijk hoofddeksel te behouden, welks vreemde vorm alléén een voorbijgaande wansmaak was van de petits maîtres der XVIIIde eeuw, en dat dus zijne wijding moet ontvangen hebben van het gebruik, meer dan van de afkomst; in ’t eind, of het behoud daarvan werkelijk dienstig is, »tot stijving van de tucht,” durf ik alléén vragen, niet beoordeelen; slechts dacht ik, dat de achtbaarheid van een man nooit moest gezocht worden in zijn kleed; slechts wete ik, dat wij niet meer leven in een tijd, waarin de standen zich onderscheiden door bepaalde drachten; slechts wete ik, dat de wetten der mode en der beschaving in onze dagen alles zóó hebben geëffend, dat het zeer moeielijk moet zijn, een welgekleeden prins te onderscheiden van zijn welgekleeden kleedermaker; en dat het hard moet wezen voor onze Hervormde predikanten, dat zij alléén voorbestemd blijven, om op die algemeene wet der gelijkheid eene zoo onbehagelijke uitzondering te maken; slechts meene ik te weten van sommigen onzer leeraars, dat hun de vreemde onderscheiding tot een last was, meer dan tot een lust.

Maar licht ook is zij anderen des te meer welkom, des te noodiger; er kunnen predikanten zijn wier gansche geestelijkheid bestaat in hun kostuum, en men heeft reeds de tegenwerping vooruitgezet, dat het kostuum leerde achten op voegelijke stemmigheid van gedragingen; maar wat kan een prediker zijn, die meer achting heeft voor zijn kleed, dan hij hebben zou voor zich zelven? Wat de Christen, die door zulke banden moet gebonden zijn? En nog weder kunnen er wezen, wier onbeduidendheid dat symbool van hun ambt onmisbaar is, en licht zijn er in onze XIXde eeuw nog Protestantsche leeken, die een dienaar des woords alléén begrijpen onder een gekleeden rok en een punthoed; en wellicht heeft dit klein getal (als ik hope) zwakken van geest, recht, dat om hun ergernis te besparen, aan zoovele anderen ergernis blijve gegeven. Ik herhale, ik durf niet beslissen … maar ik zou vertellen van den predikant, dien ik heb voorgesteld. Hij droeg onder den smalgeranden hoed, dien hij afgenomen had, het zwarte kapje, door lieden van deftigen stand en van zekere jaren in huis als hoofddeksel gebruikt; weelderige zwarte lokken drongen zich daaruit te voorschijn; jammer slechts dat ze zoo kort afgesneden waren; te meer jammer, daar ze dit hoog en schrander voorhoofd versierd zouden hebben.

Geheel zijn voorkomen ook was verre van onbevallig te zijn; het donkerblauw oog was doordringend en helder; de arendsneus in goede verhouding tot den vorm en de trekken van het gelaat; de mond wel gevormd en klein, te klein zelfs voor een man, te klein wellicht om van goede beduidenis te wezen voor zijne roeping als redenaar; de spitse knevelbaard was onderhouden met de zorg van iemand, die de voordeelen van zijn uiterlijk kent en er aan hecht; en toch was er iets in dat gezicht dat onaangenaam aandeed, voor wie fijn voelde en goed zag; de helderheid van dat oog was koud en scherp, en de wenkbrauwen, hoe sierlijke bogen ze ook vormden, waren zóó zwaar en sloten zich zóó dicht samen boven den neuswortel, dat ze van trots spraken en gissen lieten, hoe dreigend zij zich zouden samentrekken in drift of in toorn. Maar wat het meeste stuitte was iets straks, iets maskenachtigs in die vaste trekken, iets of ze wel nooit door eenige zachte aandoening konden bewogen worden; en licht ook kon het zijn, dat die gespannenheid werkelijk een masker ware, heengeworpen door de natuur, over de kenmerken van een opbruisend gemoed; zijne kleur zelfs getuigde er van; zij was bleek, maar van dat bleek, dat zich nooit door een zachten blos kan kleuren, maar dat iedere opwelling van drift in vlammen van purper uitspreekt.

In hoever het karakter van dezen man overeenstemde met den eigenaardigen stempel van zijn gelaat, en in hoever hij zijn karakter wist te beteugelen of heerschen liet over zijne daden, en van welke grondbeginselen zij uitgingen, zullen wij nog menige gelegenheid hebben aan te wijzen; slechts schetsen wij hem zoo nauwkeurig, omdat wij voor het minst reeds van hem weten, dat zijne ijdelheid door eene vluchtige opmerking zou gekwetst zijn geweest, want hij is dominus Libertus Fraxinus, van Antwerpen naar ’s Hage geroepen, om er derde predikant te zijn, en Libertus Fraxinus was van hen, die, zoo zij het al niet luide zeiden het ten minste droegen in het harte:

Wij staan met Goden in een nooit gekrenkt verbond,
Al wie ons wederspreekt, die wederspreekt Gods mond;
Wij zijn Gods beelden, Zijn gewettigde gezanten.

»en al wat daar verder volgt” zou hij zelf zeggen, als hij een psalmvers van Datheen had moeten opgeven.

De vrouw was nog jong, en scheen zelfs jonger nog dan hare aren, die wel met de zijne konden gelijkstaan, door het fijne, het teedere, het kinderlijke van hare trekken, en zelfs van hare gestalte; maar zij was niet schoon, niet schoon ten minste, zoo de schoonheid begrepen is in eene zachte afwisseling van rood en wit, in regelmaat en harmonie van gelaatslijnen; — indien zij tot volstrekte voorwaarde heeft een kleinen mond en een sierlijk gevormden neus; want een zenuwachtig bleek was de onafgewisselde tint van haar gelaat, en hoe zacht een glimlachje zich ook plooide om den mond, het kon dien niet tot een kleinen maken, noch den fijnen neus tot een griekschen veredelen; maar zoo diepe blauwe oogen, zoo zacht als diep, omgeven door donkere pinkers, en overwelfd door wenkbrauwen van fijne teekenig, die zich afschetsten op een smal, maar edel voorhoofd, — zoo eene tinteling van fijn gevoel en een waas van zachte schranderheid, heenschemerend tusschen een nevel van lijden door, eene belangwekkende uitdrukking kunnen geven aan een vrouwelijk gelaat, en er de zoete betoovering der bevalligheid overheen werpen, — dan zeker was deze vrouwe nog in het bezit van die begeerlijke gave; terwijl het te gissen was, dat er een tijd moest geweest zijn, een eerste bloeitijd harer jeugd, waarin ze ook op blijder en frisscher schoon had kunnen roemen. Verwelking was het nog niet waaraan zij leed: het was slechts kwijning, licht slechts eene tijdelijke, eene voorbijgaande kwijning, als nog wel éénmaal door een nieuw opluiken vervangen kan worden. Kennelijk was het niet de verwoestende greep van eenigen heftigen hartstocht, die deze bloeme boog tot dicht aan verwelking toe; daar lag eene loome en matte rust in hare houding en op hare trekken, die iedere gedachte aan de koortskloppingen der tochten weersprak; evenmin scheen het de looden druk van eenige zware smart, die rouw had gebracht in de ziele, en bitteren weemoed in het harte; smart geeft tranen aan het oog, of uit zich voor het minst in eene taal, die op haar gelaat niet leesbaar was; het scheen zelfs niet eens de stille knaging des verdriets, of de kanker van een geheim en diep verborgen lijden; er was niets pijnlijks in de wijze waarop zij het hoofdje ter zijde liet hangen, tot het steun vond tegen het harde hout; — het was veeleer onlust, verdooving, onverschilligheid, matheid, gemis aan veerkracht, of hoe de spookgestalten meer heeten, die onzichtbaar als ontastbaar met hare dunne en taaie vingeren, eene ziele neerrukken tot een toestand van dofheid en neergebogenheid, die te meer reddeloos is, naarmate hare oorzaak niet is uit te vinden, en dus niet te genezen.

Zij leed aan een wee, dat ze zelve niet wist te omschrijven, dat ze zelve niet wist aan te wijzen, waarvan zij de oorzaken niet had kunnen noemen, maar waardoor lichaam en ziel gelijktijdig waren aangetast, terwijl beider ontstemming op elkander terugwerkte. Haar lijden was eene physieke en intellectuëele neergebuktheid, die bij zenuwachtige vrouwen in onze dagen iets zoo gewoons is, dat men ze nauwelijks meer telt dan eene verkoudheid, gelijk zij als deze opkomt en verdwijnt, maar die in hare dagen beschouwd werd als een zeldzaam verschijnsel en behandeld als eene ziekte. In zóóver zeker was het eene ziekte, dat die toestand bij de jonge vrouw nu reeds vele weken achteréén aanhield; maar te hooger steeg de verwondering van de omringenden, dat ze haar nimmer vonden, waar naar hun gevoelen eene zieke behoorde te zijn, op een krankeleger; dat zij haar altijd zagen gekleed met zorg en met keurigen smaak, of om hunne taal te spreken: »als moest ze te feest gaan,” en werkelijk ook vertoonde zij zich bij alle die feesten, waar de tegenwoordigheid van vrouwen gepast was; misschien wel niet zonder eenige ergernis voor wie haar kende en opmerkte, maar zij vertoonde zich ook in de kerk, en dat maakte toenmaals veel weder goed.

Wij hebben van hare kleeding gesproken; wij willen die beschrijven, omdat er iets eigenaardigs en willekeurigs in lag, dat niet zoozeer bewees onkunde van de wetten der mode, als wel eene zekere vrijheid van geest en smaak, om zich in enkele bijzonderheden boven deze te verheffen. Zoo was hare lange en ruime bouwen van zwart gebloemd satijn wel in sierlijke plooien heengeworpen over de ferdegale, maar zijn rijke eenvoud was niet verbroken door oplegsels of sieraden van lint of gekleurd borduursel; en had zij zich gevoegd naar den dwang van de puntige klemkeurs, zij had niet goed gevonden de strakke, stijve, gevulde en opgepotte mouwen na te volgen. De hare waren nauw sluitend van den schouder af tot aan den pols toe, en schetsten den vorm van den arm met juistheid af. Dit zeker was in het voordeel van armen zoo rond en toch zoo fijn als de hare; enkele gouden knoopjes alleen en kanten handlubben sierden die mouwen; — toch had zij het zich niet laten ontbreken aan keurige sieraden van goud en gouddraad, op borstlap en keurs; maar zij had zich niet willen vereenigen met den grooten staanden kraag: de hare was wèl van kant, maar omgeslagen, en vastgehecht aan eene guimpe, die onder de vierkant uitgesneden keurs den hals bedekte, en met een blauw zijden strik was toegesloten, en zoo had zij zelfs de vrijheid genomen, — getrouwde vrouw als zij was, — het kapje van doek of van zijde te versmaden, en het haar bloot te dragen; het blonde haar, naar Fransche mode van het voorhoofd naar achteren opgestreken, zonder scheiding, maar licht gecrepeerd en achter samengebonden en inééngekronkeld tot een wrong, die met blauwe en witte linten werd samengestrikt. Nu ziet men haar vóór zich, zooals zij daar nederzat, als wij nog even de klikkertjes noemen, muiltjes met houten zolen, doch van zwart satijn, rijkelijk met zijde en gouddraad opgewerkt, waar een voetje in stak, dat met dat eener Chineesche schoone om den prijs had kunnen dingen.

Deze kleeding rijk en toch niet opgeschikt, deftig en toch los, en dat kapsel, dat de blankheid van haar voorhoofd als met een luchtig goudblond wolkje omgaf, was zóó goed in samenstemming met het eigenaardige van hare bevalligheid en kenschetste haar tegelijk als eene vrouw, die genoeg onafhankelijkheid van geest had, om zich te durven ontslaan van bekrompen vormen, maar ook voorzichtigheid en goeden smaak genoeg, om het te doen met zedigheid en met terughouding, dat wij, na dit alles van haar te hebben opgemerkt, en op den aard van haar lijden als met de hand hebben gewezen, nauwelijks meer noodig hebben te zeggen, hoe weinig de predikant Libertus Fraxinus, met zijne scherpheid en met zijne koude, met zijne strakke kalmte en met zijne koude deftigheid, met zijne dubbele aanmatiging van ijdel mensch en van gezant des Hemels (als hij zich dacht) de geschikte trooster kon zijn voor dit zachte, fijnvoelende, tot weekheid toe diep voelende wezen; niets konde doen dan verpletteren, waar hij aanraakte, en afstooten, waar hij wilde te gemoet komen, en inéénbuigen, waar hij wilde oprichten; dat zich onder den tocht van zijn adem niets zoude ontlaten, maar alles verijzelen, en dat zijn vuur, — zoo hij zich kon opwinden, — slechts verschroeien zou, maar niet koesteren; dat die man en die vrouw elkander moesten terugstooten en afweren; dat er tusschen hen niets konde zijn dan misverstand, botsing en grieve, — welke ook de betrekking zijn mocht, waarin hij tot haar stond, — die, welke gewettigd was door de banden des bloeds of der maatschappij, — of wel de voorbijgaande en algemeene van den leeraar en den bezoeker.

Dat laatste was het geval, en het bezoek liep ten einde. Wij zien het aan de wijze, waarop hij zijn hoed neemt, terwijl hij haar iets nadert, en tot haar zegt: »en ten laatste, mejonkvrouwe! lees vlijtiglijk in het gulden boekske, dat ik hier met mij bracht, genaamd: de Sieckentroost dewelke is eene onderwijzinge van den geloove in den weg der zaligheid, om gewilliglijk te sterven, en »twelk gemaakt is van mijnen medebroeder Cornelius Hillenius, waarin gij verders vinden zult zalving voor uw gemoed, en versterking voor uw geloove bij deze vreemde krankheid, die over u is gekomen.”

»Alzoo wil ik, Eerwaarde!” hernam de dame met eene zachte verzuchting.

Het scheen, dat hij eenig ander antwoord had gewacht, eenigen dank wellicht voor de vroegere toespraak; althans hij vervolgde, terwijl blik en stem scherper woorden zeiden, dan die hij uitsprak:

»En moge de lecture daaraf betere vrucht doen dan mijn trouwhartig vermaan, dat omsonst is geweest, als ik zie; daar de trage onlust, die u benarde bij mijne aankomst, nog niet is geweken, schoon de troost, waarmede ik u troostte, onvervalscht als onvermengd was geput uit de levende bron der Schrifture, waartegen geen Christen de ooren verharden zal, zonder zonde.”

»Niet aldus deed ik, heer predikant! ik luisterde ootmoedig en heilbegeerig, als het past bij ’t aanhooren van Gods woord, en dat Zijner dienaren; maar de zwarte mistroostigheid wil alevel niet van mij wijken. Want al was het kostelijke nardus der vertroostinge, dien gij uitstorttet over mijn droevig hoofd, nardus is geen balsem, maar olie, die het vuur der koortse voedsel geeft in mijn binnenste.”

»Nardus geen balsem,” herhaalde hij nadenkende en eenigszins bits, »vrouwe! gij onderstaat u te spreken van ’t gene gij niet kent, en uitspraak te doen in een punt, dat door geen onkundige kan worden uitgewezen. Ik houde het nog voor eene betwistbare zake, die wel beslecht diende tot verheerlijking Christi en tot recht verstand van de zuivere Schrift; — ik wil daarover de Schrifture raadplegen en onderzoekinge doen, en daarna het al uitéénzetten en uitwijzen voor de gemeente, in eene predikatie; — de naaste vrije beurt, die voor mij invalt, en die ik u ernstiglijk vermane niet te verzuimen, als hetwelk u zal leeren niet dus voorbariglijk en in onkunde te oordeelen over zaken der religie.”

Zij boog het hoofd met een fijn glimlachje.

»Maar om weder op uwe krankheid te komen, zoo gij van de oorzaak derzelve niet betere belijdenis doet, hoe wilt ge, dat ik, die uw geestelijke medicijnmeester moet wezen, daartoe goede middelen zal geven, zoolang ik de kwale niet ken!”

»Desgelijks spreekt ook dokter Bardeus, mijn geneesmeester, die mij alle corrupties en plagen opsomt, welke ik niet heb, maar van mij begeert, dat ik hem die noemen zal, welke mij kwelt, en hoe kome ik daartoe? dit uit te drukken, valt boven mijn vermogen; maar ik wenschte, dat toch iemand het weten konde, hoe wee mij te moede is,” en zij liet de armen slap nederhangen langs de zijde, als had ze niet eens meer de kracht, noch den lust zich het hoofd te steunen.

De predikant schudde het hoofd.

»Zoo ge niet ijverig waart in ’t geloof, nauwgezet op het stuk der religie, en wel rechtzinnig, zooveel ik kan nagaan, op alle punten der leere en niet getrouw in ’t waarnemen van den openlijken godsdienst…”

»Ja, te kerke ga ik,” viel zij in, en zuchtte diep, maar sloeg de oogen neder.

»Dan zoude ik deze kwelling houden voor eene bekoring van den duivel,” vervolgde hij hard en haar strak aanziende, als wilde hij den boozen geest met zijn blik opsporen en uitbannen.

»O, Heere God! zou het dat zijn!” barstte zij uit, »eene bekoring van Satan?”

»Wilt gij, dat ik het gebed voor de aangevochtenen doen zal, te uwen behoeve, voor het oor der gemeente?” vroeg hij, en die man, dien het toch niet ontbrak aan een scherpen blik, zag niet, dat zich hare oogen wijd openden van schrik en angst; zag niet, dat zij de handen krampachtig inéénklemde van bange ontzetting; zag niet, dat haar een koud zweet op het voorhoofd steeg, door pijnlijke spanning; of, terwijl hij het zag met het zinnelijk oog, maakte zijne ziel er de opmerking niet van, noch de gevolgtrekking; hij zag het niet die man, die zich geneesmeester noemde, dat hij het was, die haar de zielskwelling duizendvoud vergrootte, dathij haar bij den last, dien zij reeds droeg, nog een zwaarderen steen op het harte wierp; dat hijhet was, die de verwarring vermeerderde in een gemoed, reeds zoo ontstemd. De onhandige! die daar toch was binnengekomen met den wil, om een trooster te zijn, met den waan, dat hij een oprichter zou wezen, en met het recht van een gezant des Heeren; die bij deze zuster in Christus de plaats moest bekleeden van den liefderijken Heer; kende hij niet beter den zin van het Evangelie? Verstond hij niet beter den geest van den Meester? hij, die toch niet arm was in menschelijke wijsheid, had hij niet zóóveel zielekennis, dat hij schokte, waar hij meende ruste te brengen? dat hij verzwakte, waar hij dacht te versterken? Had de liefde hem niet zóóveel warmte gegeven in het hart, dat hij een zachter woord wist te vinden tot balsem van een lijden, dat zich niet wist mede te deelen, dan een zulk, dat het van duivelen-oorsprong betichtte? En had het geloof hem niet zóóveel licht gegeven in de ziel, dat hij een weinig helderheid wist te brengen te midden van eene kwelling, wier oorzaak zich niet liet uitvinden, dat hij die zocht in den somberen afgrond der uiterste duisternis? En was hem zelven die hope een zóó zwakke standaard, dat hij haar anker niet wist aan te bieden, als een vast steunsel der ruste, midden in den maalstroom van een ontrust gemoed, dat hij er liever hellevlammen in nederwierp, die het verteren moesten?

De man, die toch zeker in menige leerrede het ongeziene had geschetst, en het ongekende had beschreven, was hij zóó beroofd van verbeelding, dat hij zich niet voor eene wijle verplaatsen kon in den toestand der arme lijdende? Hij, die den Heer had verkondigd vele jaren lang, hadhij nog niet beter geleerd, met hoe zacht en meewarig een woord de wijze en goede Herder, een lijdend lam als dit zou hebben tot zich geroepen, om ruste te vinden en heeling onder zijn staf? Helaas! helaas! hij dacht aan dat alles niet; hij voelde dat alles niet; hij begreep dat alles niet; hij wist alléén, dat hij Hervormd predikant was te ’s Hage, en dat die vrouwe lidmate was dier Kerk, en dat het zijn plicht was tot die vrouwe te spreken, met hetgeen hij noemde herderlijke woorden, onverschillig of ze op dat hart de uitwerking zouden doen van hagel op het jong plantsoen, of van vuur op verdroogde aren, en zijn trotsche eigendunk begreep niet, dat de woorden, die hij sprak, en de toepassing, die hij uitdacht uit de letter van de Schrift,schade kon doen bij wie hij eene geloovige achtte; en zijne bekrompene ijdelheid was zelfs ietwat beleedigd, dat de woorden die hij had uitgesproken, niet de werking gedaan hadden, die hij meende er van te mogen eischen. O! dat de man wat minder scherp had gezien op de rechtzinnigheid dier vrouwe, en wat fijner blik had geslagen in haar hart! O! dat hij wat minder aan zich zelven had gedacht bij dit gesprek, om wat dieper en wat juister na te denken over haar! O! dienaren van het Evangelie hebben zware en hooge plichten, hebben een heerlijken, een Vereerenden werkkring, kunnen zich bekleed gelooven met het ambt, dat het meest ten Hemel opheft, en het eerste gezegend wordt op aarde; maar ze moesten vóór alle dingen menschenkennis hebben in het hoofd en menschenliefde voelen branden in de ziel, eer zij er zich loszinnig en vermetel mede bekleeden lieten! Zij, die zóóvele zwakheden en zóóveel lijden van het menschelijk hart voor zich zien blootgelegd, moesten het hunne openhouden en ontvangbaar voor de indrukken van het medegevoel, opdat iedere fluisterende klacht er kon gehoord worder, iedere zachte verzuchting er weerklank vond; dan zouden zij woorden weten te geven van vertroosting en opwekking, die het koel verstand alléén niet leert uitvinden. Zij ook, zij het eerst moesten den Bijbel gelezen hebben met het hart, zal hunne schriftkennis niet onvruchtbaar zijn als dorre geleerdheid, die hen rijk maakt in kennis, maar de leeken arm laat in troost!

Met eene angstige, hartstochtelijke stem riep dan ook de dame:

»Dat niet, heer predikant! dat niet! dat bidde ik af! Dat zou mij den beladen geest benauwen boven alles! Dat het zóóver met mij gekomen zoude zijn, het gedenken daaraan zou mij drukken als hellemacht!”

»’t Zou alléén wezen op uw eigen aanhouden en begeeren!” antwoordde hij, met nog meer koude in de stem, dan zijne houding en gelaat er reeds toonde. Toch trokken zich zijne wenkbrauwen samen, toen hij vervolgde: »Maar gij, mejonkvrouwe Martina van Navegheer! die van adellijken bloede zijt, al hoewel gehuwd met een burger, — hecht ge ook nog te veel aan de ijdelheden der wereld, en kan ook dat de strik zijn, waarin u de booze gevangen houdt? Wenscht ge meerdere hoogheid van staat…? Uwe maniere van kleedij, die verre is van Christelijken eenvoud, en verre ook van het gewaad des ootmoeds, brengt mij daarop: Zoo het niet te veel riekte naar papistische werkheiligheid, ik zou zeggen: kruisig u daarin! het moge u baten voor uwer ziele zaligheid, in vordering van zelfverloochening, al strekt het niet tot soelaas uwer krankte.”

Zij schudde het hoofd ontkennend.

»Hoe weinig mijn zucht naar hoogheid strekt, heer Fraxinus!” sprak zij eenigszins scherp, »zoudt ge weten, als ge geluisterd hadt in den aanvang van onze samenspreking, in plaatse van mij vóór te zeggen zoo menigte schriftuurplaatsen; want ik begon u mede te deelen een zeker verdriet, dat… dat ik nu niet meer beraden ben te klagen,” voegde zij er levendiger bij, »en wat het stuk der kleedinge betreft, huisvrouwe zonder huishouding, als ik hier te ’s Hage gedwongen ben te zijn, echtgenoot zonder moedervreugd en zonder moederplicht, als het naar God’s raad over mij besloten schijnt, wat hebbe ik anders dan de kleine verstrooiing der tooie, en daar te boven, ’t is de begeerte van mijn echtgenoot.”

»Van dezen gesproken,” hernam Fraxinus, zonder acht te geven op de dubbele klachte, die zij had geuit, en waarvoor zij wellicht zijdelings zijne vertroosting inriep, die hij althans nu nog had kunnen geven — en zonder er aan te denken, hoe helder een blik zij hem daar plotseling te werpen gaf in het ledige harer ziel, »van uw man gesproken; ik had wel begeerd hem aan te treffen ter eener deele om hem op te wekken, morgen neffens u tot ’s Heeren tafel te gaan, schoon ik van hem hope, dat hij het zonder dat voornemens is, — als gij weten zult…”

»Wete ik zijne voornemens,” sprak zij dof en somber; maar snel hervatte zij zich en voegde er bij, op haar gewonen, matten, kalmen toon: »Zekerlijk is meester Daniël de Burggraaf gezet en ijverig te over in ’t stuk der religie, om niet traag te zijn in het benaarstigen van zóó troostelijk een godsdienstplicht; alleen zoude ik wenschen, dat hij er ging, minder bezwaard en verwikkeld in allerlei wereldsche bejagingen en bemoeiingen, die tot niets voeren dan tot de flauwe begeerlijkheid eener ijdele staatszucht en glorie-lust.”

»En ’t is juist over hetgeen gij dus lichtveerdiglijk noemt, bemoeiingen eener ijdele staatszucht, dat ik meester Daniël ten andere wenschte te onderhouden,” viel Fraxinus in, met meer levendigheid, en op een toon, die kennelijk verschilde van dien, waarin doorgaand zijne toespraak tot de jonge vrouw gericht was, »om niet te spreken, hoe weinig het eener Christelijke huisvrouwe voegt haar manne hard te oordeelen, over de vlijt die hij doet en de zorge die hij neemt, tot welstand van zijn gezin, moet ik u nog daartoe indachtig maken, dat het ieder Christen betaamt, waar hij kan de hand te leenen tot vordering van den Staat? en zijne vermogens te besteden ten dienste van den lande is iederen manne oorbaar, en den uwen boven menig ander, daar hij begaafd is met degelijke welbespraaktheid en met goede inlichten in zaken van regeeringe — wel abel en bekwaam om hooge belangen te drijven, en dus mede geëigend de waarachtige religie te handhaven en de ware Kerke te schragen in deze Nederlanden.”

»Als hij daartoe geroepen wierd, wie zou ik zijn om hem daarvan af te houden, maar eilacie! — dat is verre — hij slaaft en zwoegt om te verkrijgen wat velen hem uitloven en wat geen hem nog heeft gegeven; dit is zijn gedurig streven sinds wij hier in Holland zijn; ’t is of er voor hem geene vreugdigheid te rapen is als in eenig staatsambt; ’t is of niets hem wenschelijk dunkt dan alleen dit — en waartoe doch? — als hij dus slaafde om te voorzien in de behoeften van zijn huisgezin, als gij meent, heer! dan zekerlijk mocht het bestaan, maar zijn wij niet slechts twee in de wereld bij verloren hope op den zegen van kinderen, en hebben wij niet tijdelijke middelen te over, om in ruste en in vergenoegen te leven, als gelukkige echte lieden die wij zijn konden? en hoe leeft hij middelerwijl? Geen ure ruste — nu is het deze, wiens jongste hij acht noodig te hebben, en wien hij eene plichtpleging moet gaan brengen in de vroegte — dan is het gene, die hem groote beloften gedaan heeft, en wien hij werkelijke diensten moet doen in ruiling; nu is ’t een ander, dien hij met penningen en met raad moet steunen, in afwachting van hooge voorspraak; en dus is hij van die allen de slaaf, en van een vrij man als een gebondene en pijnt zich af des daags met vergeefschen arbeid, terwijl te nacht verbeten ongeduld en zwarte mistroostigheid hem den slaap uit de oogen weren. Dus is zijn leven om de ijdele bejaging van een loon, dat wel immer uitblijven mag, en eindelijk ontvangen zijnde te schraal een prijs blijken zal, voor zóó zuur een arbeid! Maar, Heere! Heere! wat klage ik?” dus viel zij zich zelve in de rede en hield de hand voor de oogen, »de boei mijner lippen eens ontsloten vloeit de stroom van ’t weerhouden verdriet heen, zonder dam en buiten mate — ach, dat mij ’t God vergeve! want gij zegt wel, heer predikant! ik hebbe het recht niet mijn man te oordeelen.”

Ditmaal had Libertus Fraxinus de jonge vrouw tijd gelaten voort te spreken zonder stoornis, en zelfs had hij geluisterd; had geluisterd met een ernst en eene aandacht, en eene deelneming die zich soms zichtbaar uitdrukten op zijn gelaat; maar het was geene deelneming in hare smarte; het was geene aandacht die zich vestigde op haar lijden, geene opmerking die hij gaf aan hare klachte; het was de deelneming van iemand die eene tijding hoort die hem verblijdt, en de aandacht van hem die iets belangrijks verneemt, waarmede hij zijn voordeel hoopt te doen; — ook wilde hij niet dat zij die deelneming zoude opmerken; want toen zij, na geëindigd te hebben, hem aanzag, als wachtte zij eenig woord van medegevoel — en de oogen naar hem opsloeg met iets daarin, als eene stille bede om een goeden raad voor haar zelve, plooide hij zijn gelaat weer tot de vorige effenheid, en zijn oog had weer alle uitdrukking verloren, toen hij vroeg:

»En is dit nu de kwelling, waarom gij in bedruktheid nederzit?”

Zij hief weder het hoofd naar hem op, en hetzij dat een plotselinge keer van gewaarwordingen haar den lust tot vertrouwen benam, hetzij dat ze werkelijk over zich zelve in onzekerheid verkeerde, zij antwoordde na een kort zwijgen:

»Ik wete niet; ik kan dat niet voor zeker zeggen; ik geloof neen; ik geloof, dat het er ietwat toe bijdraagt… doch ik vreeze, dat…”

»Is mejonkvrouwe thuis, en voor mij te spreken!” hoorde men nu eene schelle, maar toch niet onwelluidende mannenstem vragen aan den bediende van den Burggraaf, die op eene binnenplaats eenig werk verrichtte.

De hooge en smalle vensterramen der woonkamer van vrouwe Martina zagen op die plaats uit; en zij zelve licht van kleur veranderende op het geluid van die stem, stond schielijk op, en een blik werpende uit het venster, dat zij opensloeg, riep zij met eene soort van verdrietelijke verrassing:

»Daar is weer meester Paulus Buis! voor de tweede maal vandaag; hij schijnt wel de achterpoort ingekomen te zijn, om de lieden van het huis niet te moeien; oft Arent nu zooveel beleid hadde, om hem af te wijzen!”

»Die vrijheid schijnt uw dienaar niet genomen te hebben; want ik hoor treden op de trap, en men komt hierheen;” en de predikant had nog niet uitgesproken, of reeds opende Arent de deur, om den bezoeker binnen te laten.

De vrouw van den Burggraaf kon zich niet weerhouden tot haar bediende te zeggen: »’t Is vreemd, Arent! dat gij dus bezoekers hier binnenlaat, zonder mijn wensch daarin te kennen, in het afzijn van uw heer!”

»Mijn meester heeft mij gelast, dezen heer te allen tijde te laten binnengaan, zooals mejonkvrouwe zelve het mij geboden heeft van den heer predikant,” antwoordde Arent op vrijpostigen en stuggen toon.

»Zoo zij ’t wel, Arent! ga,” antwoordde Martina, terwijl nog meer ontstemming op hare trekken zichtbaar werd; »en gij, meester Paulus Buis! die zekerlijk mijn man komt spreken, zoo ge dien wilt wachten, wees zoo goed, uw gemak te nemen, en veroorloof mij, niet vele omstandigheden te maken, als waartoe mijne krankte mij den lust beneemt,” en zij wierp weder het hoofd lusteloos achterwaarts tegen ’t beschot,

»En daar ’t u nu niet aan toespraak gebreken zal, zoo neme ik oorlof,” zeide Fraxinus, haar naderende als tot eene afscheidsgroete; doch de smeekende blik der jonge vrouw bad hem, haar niet in een gezelschap te laten, dat haar zóó scheen te mishagen, en haar mond maakte hem het veranderen van besluit gemakkelijk, door te zeggen:

»Gij wenschtet meester Daniël te spreken, Eerwaarde heer! ’t is niet denkelijk, dat hij lang meer zal uitblijven; wees dus zoo goed en toef nog eene wijle!”

Hetzij Fraxinus ditmaal begreep, hetzij Martina zijn oogmerk werkelijk diende, hij antwoordde schertsend: »Zoo mijn bijwezen door de stemmigheid van mijn ambt de jolijselijke propoosten van meester Paul Buis niet te hinderlijk zij, zal ik uw wil maken tot mijn genoegen, mejonkvrouwe!” en zonder af te wachten, wat Buis antwoorden zou, zette hij zich opnieuw.

De man, wiens ontvangst zoo weinig naar eene blijde verwelkoming had geleken, scheen zich echter hieraan even weinig te storen, als aan het vooruitzicht, dat hem door een facheux troisième de zoetheid van een tête-a-tête met de bevallige dame zou onmogelijk gemaakt worden; zijn scherp en geestig gelaat veranderde niet van uitdrukking, en zijne houding niet van losheid, toen bij na zijne eerste hoofsche buiging, met eene tweede, veel diepere, Martina naderde, en naar een oud gebruik, dat nog niet gansch versleten was, de eene knie voor haar boog, en dus zijn recht om hare hand te kussen gelden deed, dat zij ook niet eenmaal scheen te durven betwisten; — daarna opstaande, groette hij den predikant deftig, doch met de gemeenzaamheid van een meerdere, als nog vele groote heeren somwijlen aannamen tegenover de leeraren van het Protestantisme, die aan de eene zijde afstand hadden gedaan van de rechten en de voordeelen der Katholieke priesterschap, en aan de andere van de maatschappij nog niet die vergoeding hadden verkregen, waarop zij aanspraak mochten hebben, en wier toestand intusschen nog altijd eenigermate onbestemd bleef, en weleens een valsche was. Eerst na dien groet antwoordde meester Buis den predikant.

»Och neen, eerwaarde Fraxinus! gij hindert mij in ’t minste niet; eerstelijk niet, omdat ik lang genoeg in de wereld verkeerd heb om te weten, dat alle domine’s niet zoo zwart zijn als hun preekrok, en dus, dat heusche jok en vroolijk-moedige discoursen, die ik zou meenen te houden tot distractie van mejonkvrouwe, in geenen deele ergernis zouden kunnen geven aan onzen jongsten predikant, die op den predikstoel van te veel politieke kennis blijken geeft, om niet zooveel politiek te oefenen in het gemeene leven, dat hij een wereldling als mij kan hooren spreken van wereldsche geneugten in wereldsche tale zonder ergernis, als hij niet in eene kerk is.”

Over het gezicht van Libertus Fraxinus vloog plotseling een vlammend rood; was het opgewekte toorn; was het bij eenige beschamende herinnering, dat uit de scherpheid van des sprekers toon te vermoeden was, en bevestigd werd door de wijze, waarop de predikant de oogen nedersloeg, terwijl hij met gedwongenheid antwoordde:

»De gewezen Advocaat van Holland is een te schrander man om niet altijd te weten, wat hem voegt te spreken en waar; en heer Paulus Buis is zeker een te goed Christen, om een oprecht dienaar des Woords van kwade meening te verdenken, in ’t geen hij ter stichting der gemeente en tot oorbaar der Christen-kerke oordeelt te moeten zeggen.”

»Ja, een goed Christen ben ik, menschelijke zwakheden uitgenomen,” hernam Buis, »reken daarop, meester Fraxinus! maar gij hebt mij gehinderd te zeggen, hetgeen ik wilde: de reden, waarom uw blijven mij ten tweede niet stoort in mijn plan; want ik denk te gaan, zoo haast mijne slede zich hooren laat, en mijne komst hier is alleenlijk om mejonkvrouwe te vragen (hij wendde zich tot Martina) oft het haar gevalt, mij te vergezellen op eene sledevaart naar Delft.”

»Hoe kunt gij meenen, dat ik daarop ja zal zeggen, heer Buis! in het afzijn van mijn man!”

»Uw man? wel, allerschoonste! die heeft hoogere zaken in het hoofd dan aan uwe uitspanningen te denken en zich te moeien met uw tijdverdrijf; die houdt te dezer stond de kaarse bij een groot heer van de magistraat om jongst te winnen.”

»Alevel zal ik dus een tocht niet ondernemen, zonder zijn oorlof en voorweten.”

»Wat dat aanbelangt, ik ben daarover met den Burggraaf besproken; en tot merkteeken dat ik er niet mee jok, hij heeft mij zelfs na onze thuiskomst hier genood, om gezamenlijk te avond te spijzen.”

»’t Is bijster vreemd, dat mijn Heer, zoo hij het aldus verstond, daarvan met geen woord heeft gerept.”

»De vreemdigheid daaraf zal haast minder worden, als ik u zal gezegd hebben dat ik meester Daniël ontmoet heb omstreeks het Noordeinde, en dat ik meedeelde, wat ik te middag in den zin had met dit mooie winterweer, nevens eenige lustige mannen en zoete juffers, die ’t zich niet aan vroolijkheid gebreken laten; al hetwelk hij goedkeurde en mij goed luk toewenschte in het winnen van uw consent daartoe — gevende mij te avond afspraak in zijn huis, opdat ik van zijn wedervaren mocht hooren bij den grooten seigneur, naar wien hij heentrok! En nu, mejonkvrouwe! laat u doch gezeggen door ega en vriend beiden; onder de zachte stralen van den lauwen wintermiddagzon over ’t spiegelgladde ijs te rennen, onder zoet gekout naar ’t welvermakelijk Delft — is u beter dan hier alléén te zitten suffen, en voort te peinzen in droevenaargeestigheid.”

De vrouwe van den Burggraaf zuchtte diep; een plotselinge blos bedekte haar voor eene wijle den wang, toen zij als bij zich zelve sprak:

»’t Is zeker, dat deze eenzaamheid mij het harte krenkt!” en zij zuchtte hoorbaar.

»Wel dan, wat aarzelt ge nog, om het verheugend ja uit te spreken?”

»Zal men niet mijne krankte eene ingebeelde gril heeten, als men mij bekwaam ziet zulken tocht mede te maken, en als dokter te middag komt…”

»Vindt hij de zieke uit en schrijft het toe aan de kracht van zijne medicijnen. Tot meerder vreugd zullen daar ook Engelsche heeren van het feest zijn, allen jeugdige gentelmans, die met Lord Leycester zijn overgekomen.”

De lichte aantrekkelijkheid, die de voorgestelde partij voor Martina scheen gehad te hebben, bleek plotseling verloren te gaan.

»Ik moet te avond ter voorbereiding, heer Buis!” zeide zij ernstig — den predikant aanziende — maar zonderling, ook van die zijde verkreeg zij geene hulp.

»Ge zijt lang voor het avond-biduur terug,” zeide deze, »en ’t is dienstig voor de gezondheid.”

»Toch houde ik, dat zulk een tocht, daarbij de vreemde Engelschen, die wel voor rouwe gasten bestaan mogen, samenkomen met jongelieden, niet voegt op zulken dag, en althans niet voegt voor mij, zonder bijwezen van mijn man,” sprak zij op éénmaal vast en besloten.

»Ik houde voor zeker, mejonkvrouwe!” sprak Buis, voor het eerst met zichtbaren spijt, »dat gij met deze vlaag van uitnemende stemmigheid slechten dank zult winnen bij uw echtgenoot, die het gaarne ziet, dat gij u mengt in het gezellig verkeer.”

»’t Ware oorbaar dan, dat hij mij daarin niet alléén liet, om zijne eigene bejagingen der staatszucht te volgen.”

»Ik zeide u alreede dat daar niets schuldigs in steekt, mejonkvrouwe! en dat gij uw man deswegens niet hard vallen moogt.”

»Wel wis, domme! het vaderland moet ook geholpen worden,” sprak Buis, met eene zekere ironie.

»Ik houde ’t zoo heer Buis! dat Kerk en Staat beide recht hebben op de diensten der getrouwe inboorlingen, en het ware wenschelijk dat alle medeburgers zulks bedachten en daarnaar handelden!” sprak Fraxinus deftig.

»Ik meende dat de Burggraaf een Vlaming ware,” hernam Buis, ietwat scherp.

»Van geboorte ja! maar toch genoeg Hollander in ’t harte, om deze landen te dienen!” sprak de Burggraaf zelf, terwijl hij binnentrad.

Martina scheen te herleven toen zij hem zag; zoo het geene onverdeelde blijdschap was over zijne wederkomst, het was toch zeker blijdschap zich verlost te zien, of voor ’t minst afgeleid van gesprekken, die haar drukten, en de geheime hoop, een bondgenoot te vinden in den tegenstand aan eene uitnoodiging die haar kennelijk zoo weinig behagen gaf; een flauw blosje kleurde haar even het gelaat, terwijl zij het hoofd naar haar echtgenoot ophief, maar matter liet zij het weer terugvallen tegen den muur, toen zij zag, dat hij zelfs geen blik op haar sloeg, en terstond op Paulus Buis toeging, hem met eene soort van achtingvolle gemeenzaamheid groette, en daarop tot Libertus Fraxinus zeide:

»Zoo ijverig op uw post van ziekentrooster, Eerwaarde heer!”

»Ik ben hier ook voor wie zich gezond achten, heer Burggraaf! ik ben gebleven, omdat ik een woord heb voor u.”

»Zoo haast tot uw dienst, domine! — Heer Buis!” en hij wenkte dezen aan de andere zijde van het vertrek, »aanhoor even dit!” En toen deze naast hem stond, sprak hij fluisterend:

»De Kanselier is gansch onhandelbaar; met hem is niet wel aan te vangen; hij wil niets beloven; hij was niet eens verwonderd over het nieuws, dat ik hem bracht.”

»Dat geloof ik met al mijn hart; hij zal het alreede geweten hebben.”

»Hoe! dat de Graaf niet aanneemt…”

»Ta! ta! ta! dat hij daaraf de capriool maakt, wilt ge zeggen; gij zijt toch niet simpel genoeg om te meenen, dat die mommerij Leycester ernst is? En dat de Kanselier daarmede bekend is, hoe kan het u wonder schijnen? Mijne Heeren van Holland zullen wel gehaast zijn geweest, van de slechte réussite hunner commissie dezen heere kond te doen.”

»Zoo hebt ge mij op een Aprils-boodschap uitgezonden, heer Buis!” sprak Daniël eenigszins geraakt.

»Ik u gezonden, man!” riep Buis met een luiden lach. »Gedenk doch, dat het uw eigen inval was, toen ik uit zonderlinge vriendschap en affectie het vreemde nieuws mededeelde. Gij wildet zien, wat ge daarmede maken kondt bij den Kanselier, en ik dacht: baat het niet, het mag niet schaden; ’t is nooit kwaad, de spiën naar ’t beloofde land te zenden, om te zien of de druiven vast rijpen.”

»Ze waren nog verweerd zuur, heer vriend!”

»Zonder gekscheren, hoe droeg de Gelderschman zich onder dezen Engelschen nevel?”

»Ik houde ’t er voor, dat hij er zich zelven mede ingehuld heeft; waarheid is, dat hij ondoordringbaar was, en wat hij in ’t hoofd had, niet te doorzien.”

»En wat ge nog gezien hebt, acht ge daar te boven niet noodig mij te laten kijken. Dat is niet wijs van u, man! Denk doch, zoo ik het spel houde, dat gij mee de kaarten in handen krijgt!”

»Meent ge ’t dus…,” sprak de Burggraaf, met eenige weifeling op hem ziende.

»Waarom anders; hebben wij niet te zamen eene alliantie gemaakt te dezer fine?

»Ik ware toch liefst van die des Kanseliers zeker geweest.”

»Waarop kwamen zijne woorden neder?”

»Ge kent zijn statigen toon. Wel dan, daarmede sprak hij mij toe, of hij nog te Leuven collegie hield over het staatsrecht, en of ik een jong student ware geweest: "Meester Daniël! het past niet in dergelijke zaken zoo haastelijk voort te gaan. En het is niet van een vroed en niet van een weleerlijk man, twee partijen gelijktijdig tegen elkander te dienen, als gij in dezen gezind schijnt te doen."”

»De schalk! oft hij zelf niet veelmalen tusschen Scylla en Charybdis heeft doorgestevend. — Ik houde ’t voor zeker, dat Zijne Edelheid een gelijke pijl op zijn koker heeft, als gij wildet afschieten.”

»Zeker is ’t, dat er alreede een vreemde snoes in zijn huis was; maar daar die den mond niet opdeed, weet ik niet, of ’t een Schotsche Puritein was of een lersche wildeman.”

»’t Mag wel een Spagnool zijn geweest. Bij den Kanselier komen al die vreemde snoezen samen, of ’t een taveerne ware op neutraal terrein; christen of onchristen, het schijnt hem om het even.”

»Bylo!” sprak Daniël, »ik geloof, dat hij bondschap houdt tot in de Nieuwe Wereld toe, dat hij de kunst heeft gevonden, om Turk en Paus als goêvrienden samen te voegen.”

»’t Is toch denkelijk, dat hij het met Sixtus beter zou vinden dan met Calvijn!”

riep Buis lachende; maar de Burggraaf stiet hem aan den arm en sprak zacht:

»Bij mijne trouw, heer Buis! gij moogt wat achten op uwe woorden, als ’t u goed dunkt zoo luid te spreken.”

Waarheid was het, dat Buis, ondanks het voorbeeld van zijn bondgenoot, om het bijzijn van Libertus Fraxinus, zijne luide stem geen enkelen toon had verzacht.

»Tsa, wat zegt dat? Domine en ik hebben geene geheimen voor den ander, en daarbij, ik weet, dat Zijn Eerwaarde zoo goed Engelsch gezind is in ’t harte, dat hij het ongetwijfeld met onze opiniën en inzicht der zaken eens moet zijn!” riep Paulus Buis lachende, doch tegelijk een zóó fijnen, een zóó scherpen blik werpende op Fraxinus, dat deze de beteekenis daarvan zeer goed begreep.

Terwijl hij nu en dan een verstrooid antwoord gaf aan zijne lijderes, had de predikant reeds aanhoudend met schitterende oogen naar het gesprek der beide mannen geluisterd, en dus uit de gezegden van Buis het onderwerp daarvan kunnen opmaken; de gelegenheid om zich daarin te mengen, liet hij dan ook niet verloren gaan.

»Engelschgezind!” hernam hij, »ik weet nauw, welke beduidenis Uwe Edelheid hecht aan dit zeggen; maar zoo de Graaf van Leycester een zoo godzalig Christen blijkt, als de roep daarvan voor hem uitgaat, dan zeker moet ieder, die het wel meent met kerk en vaderland, op zijne zijde wezen.”

»Onder conditie nochtans, dat de Graaf in den lande blijft, heer predikant!” zeide Buis.

»Zou er vreeze zijn voor het tegendeel?” vroeg deze verbleekend.

»Zoo hij het Gouverneur-Generaalschap niet aanneemt, zou ik niet weten, wat Mylord Leycester hier verder te doen zoude hebben!” hernam Buis.

»De Heere behoede deze arme gemeente, dat het daartoe komen zou!” riep Fraxinus.

»En dan hare leeraren,” glimlachte Buis spottend, »verbeeld u eens, heer predikant! dat er bij zulk een ommekeer van zaken eens een Rotterdamsch of een Haagsch heer op het hooge kussen raakte, zoo een van hen, die meester Jan zaliger na wat al te veel herderlijke zorge voor der Staten wijsheid, het wijsheid-bidden hebben verleerd.”

De verlegenheid van den predikant scheen toe te nemen in eene mate, die hem niet de helderheid liet om te zien, dat dit spreken enkel scherts was; ten minste, hij zeide met beklemden ernst:

»Kan er waarheid liggen achter dit gezegde, heer Buis? Meent gij dit van tijden, die te wachten zijn?”

»Neen, neen! heb goeden moed, Eerwaarde! dit gissen kan missen; de Graaf zal zijne resolutie wel terugnemen. Ik zou omsonst in Engeland zijn geweest, om dit niet te kunnen voorspellen, en naar mijn verstand zijn de dagen niet meer verre, waarin de dagelijksche bede der geestelijke heeren: "ons koninkrijk kome" der vervulling nabij is.”

»Heer Buis! wil die spottaal staken,” riep nu Martina uit hare matheid oprijzende van ergernis.

»Te liever, schoone Burggravinne! sinds het weinig past geeft, dat we voor netelige staatskwestiën en dor kerkenrecht, het bijwezen uwer volmaaktheden vergeten en den zoeten kout daarvoor achterlaten; daarom gun mij nu een heusch antwoord op mijn ootmoedig verzoek, oft het u nu gelieft van mijne slede gebruik te maken, die ik alreede in de verte hoor rinkelen?”

Libertus Fraxinus had intusschen den Burggraaf ingefluisterd: »Maak doch, dat die beiden voortkomen! ik heb u iets in ’t heimelijk te zeggen en mijn tijd dringt.”

En Daniel dus op zijne vrouw toegaande, zeide haar:

»Wel, melieve! schiet haastig uw warmsten vlieger aan, en gun u de recreätie, die de heere Buis u aanbiedt…”

»Het is mij geene recreätie, Daniël! zonder u,” sprak zij zacht, en vaster voegde zij er bij: »ik doe ’t niet!

»Wil niet langer toeven, vrouwe!” antwoordde hij, of hij het laatste niet verstaan had, »de slede is voor ’t huis genaderd, en kan niet wachten als eene tochtschuit.”

»Daniël! ik bidde u,” hernam zij, met een zekeren angst.

»Martina!” en hij sprak haar naam uit, met zulk eene vreemde mengeling van bede en dreiging, en zijne gelaatstrekken namen daarbij zulk eene zonderling sprekende uitdrukking aan, dat de arme zich met eene soort van siddering haastig ophief, niet met matte, maar met gejaagde schreden de kamer verliet en welhaast terugkeerde in eene kleeding, geschikt tot een tocht in het winterweer. De glinsterende oogen, de vroolijke drift, waarmede Buis haar den arm bood, hadden den Burggraaf alléén reeds tot eene waarschuwing moeten zijn, dat hij zijne echtgenoote een gevaarlijken dwang aandeed; dat zijne echtgenoote recht had bij haar tegenzin; maar hij zag slechts Fraxinus, wiens geheimzinnige woorden en blik voor hem iets onweerstaanbaar belangwekkends hadden.

»Te avond zien wij elkander weer, meester Daniël! en gij, heer predikant! wees mijner gedachtig, als gij uw schepter zwaaien zult,” riep Buis nog Fraxinus toe, terwijl hij zich met Martina aan den arm verwijderde.

»Meester Paulus Buis is een roekeloos spotter met het heilige, en als ik vreeze een ijdel, dertel man daartoe,” sprak Fraxinus, het hoofd schuddende, toen zij vertrokken waren, »en voor de toekomst zou ik u veeleer ontraden, uwe vrouw in zulk gezelschap vermaak te laten nemen.”

»Meester Paulus Buis is mijn vriend, heer predikant! en een aanzienlijk man teffens, wel bekend en veel geëerd in meer dan eene provincie, en ik zie niet, waarin mij schaden zou, dat mijne huisvrouw met hem en met zijne vrienden in ’t openlijk gezien werd, en zoo ’t u gelieft, wenschte ik op geen verder spreken over dit punt!” hernam de Burggraaf.

»Volgaarne, ’t is ook niet daarop, dat ik komen wilde. Eerstelijk eene vraag in mijn ambt. Gij gedenkt zekerlijk morgen aan ’s Heeren tafel te gaan?”

»Zulks houde ik voor een plicht, die nooit moet verzuimd worden, door een iegelijk, die zich een oprecht aanhanger noemt van onze religie, evenmin als het bijwonen der prediking van het Woord,” hernam de Burggraaf met een ernst, waarin oprechtheid onmiskenbaar was, »doch ge weet dit van mij, Eerwaarde heer! en het kan niet dit zijn, dat ge mij dus in ’t heimelijk te vragen hebt.”

»Toch was het dit, dat mij denken deed, op hetgeen ik met u te spreken meen. Bij diezelfde vraag aan uwe huisvrouw kreeg ik ten antwoord, dat gij omgingt met vele wereldsche bemoeiingen in den geest.”

Een gloed steeg den Burggraaf over het voorhoofd, hij fronsde de wenkbrauw.

»Heeft Martina mij dus verklaagd?” vroeg hij.

»In geenen deele was dit haar doel; gij hebt daar eene parel van eene vrouw, hare lichaamszwakheid uitgenomen, slechts uit hare woorden begreep ik, wat gij vuriglijk wenscht, wat gij met moeite en begeerigheid najaagt.”

»En gij keurt dit af?”

»In geenen deele; ik houde het voor geoorloofd; Kerk en Staat kunnen niet staande blijven noch vorderen zonder welgezinde dienaren. En wie de bekwaamheid heeft tot dien dienst en gezind is tot oprechtheid, mag zich geroepen achten en zich aanbieden met een gerust gemoed; slechts komt het dáárop aan, de goede keuze te doen, en niet het pad ter slinker zijde te nemen, als men dat ter rechter alléén gaan kan zonder dolen.”

»Wat noemt gij in dezen het rechte pad, heer Fraxinus!”

»Ik zal het u wijzen. Gij staat op den driesprong, die licht in de keuze tot verwarring leidt. Wil aandachtiglijk luisteren! Schoon het waar is, dat de tijden luisterrijk gekeerd zijn ten voordeele van de ware religie; schoon het rijk van den Antichrist, ik meene den papistischen, een heftigen stoot heeft gekregen met de afzwering van den Spaanschen dwingeland, en merkelijk afneemt in deze Geuniëerde Nederlanden, tot groote winst en profijt van de gezuiverde Kerk, die toeneemt, zich uitbreidt en bevestigd wordt door de hulpe Gods, sinds de benauwde dagen voorbij zijn, van de zwaarste verdrukking en van den bangsten strijd: Zoo is ’t, dat wij hoop hebben, dat zij eenmaal geheellijk zal zegevieren, als de vrome, Engelsche heer aan ’t hooge bestuur raakt, en dat met kracht en klem kan blijven voeren. Nu is ’t alreede zóó ver gekomen, dat godvruchtigheid geen last meer lijdt tot den bloede toe, en vroomheid niet meer gejaagd wordt van stad tot stad nocht hard geperst om des Woords wille. Maar verre nog is ’t daaraf, dat de eenige ware religie de opperheerscheresse zoude zijn, zooals het wezen moest in een Staat, dus door den Heere zelf bevrijd en vereend. Daar worden nog vele heeren gediend nevens den eenigen God Israëls, en al zijn de Baälstempels omvergerukt en de altaren der papisten verbroken, aan vele afgoden wordt nog geofferd, veel ongeloof nog geduld onder vrijheidsleus, en vele dwaalleeraren, — zijn het ook geen Baälspriesteren, — durven nog de Elia’s trotseeren in deze landen. Niet als het zijn moet, worden der Christenen gewetens gewogen, in de zuivere schale der rechtzinnigheid, gehouden door uitverkorene dienaren Gods…”

»’t Is klagelijk, Eerwaarde heer! maar wat kan hier een slechte leek…?”

»Aanhoor mij ten einde toe. De Staten en de magistraat der steden, die zich in ’t eerst wel vromelijk hadden gevoegd en geschaard nevens de strijders en belijders der ware leer, nu eenmaal vast op ’t kussen gezeten, dunken het oorbaar andere maat te houden; hun religievuur raakt aan ’t smeulen; met hunne vromigheid en kerkschheid staat het bijster smal, en vergetende uit wier handen zij de mogendheid verkregen hebben, luisteren zij naar de inblazingen eener valsche staatkonst, om die te houden, en zoo ze al geen bondgenootschap maken met de openlijke vijanden van de gezuiverde leer, — als waartoe bij een langer leven de Prinse uit politiek het licht had gebracht; — toch gedragen zij zich niet meer als trouwe bondgenooten van die leer, en laten haar aan zich zelve over, niet eenmaal de beschermende hand reikende aan hare ware dienaren en trouwe voorstanders; zoo is ’t ook dat het met de verkondiging van het woord gaat, als in de gelijkenis van den zaaier; — hier vertreden, dáár verschroeid, ginds uitgerukt, elders gecorrumpeerd, en met vleeschelijke tale vermengd, zoodat gemoedelijke leeken het niet meer weten te onderkennen, en bij mangel aan helderheid des geloofs, licht gevangen worden in de strikken, die ter andere zijde het rijk der duisternis uitwerpt. Zoo blijkt, dat het rijk van den ketterschen Antichrist aanvangt, nu wij met den papistischen meenen te hebben afgedaan; zoo is ’t dat door dit onchristelijk beleid der overheid, dat zij vrijzinnigheid noemen, de religie haast verachteren zoude, schrifture vervalscht, hare oprechte verkondigers gehouden als onnutte dienstknechten in den wijngaard van den Staat, hun loon nog geringer gehouden dan de geringe dunk van hunne diensten, en hunne betamelijke pogingen om de zaken tot beteren stand te brengen, geacht als onvoegzame moeizucht der oproerigheid tegen het wettig landsgezag.” De predikant zuchtte diep, en zweeg eene wijle om adem te halen: »Niet beter gaat het de oprechte Christenen in de gemeenten. Deugdgezinde luiden worden weinig geëerd of geprezen boven wereldlingen, en moge het naleven van Gods geboden niet meer komen te staan op vervolging en bitterheid, ’t is er toch verre af, dat ijver voor de religie een middel zou zijn, waardoor men hier in hoogheid klimt, en tot eere bevorderd wordt.”

»Ge zegt dit mij, heer predikant! die daaraf alreede zoo bitterre ondervinding heb gesmaakt. Ik, die mij beroemen mag, van trouwe aanhankelijkheid aan de religie oprechte blijken te

hebben gegeven, die van een reinen godzaligen wandel getuigenis kan erlangen, werwaarts men navrage, mij is het niet eenmaal mogen gebeuren een zelfde ambt, als ik in Vlaanderen om des geloofs wille heb afgestaan, hier om des geloofs wille terug te ontvangen; ik wil ’t erkennen, dit pijnt mij bitterlijk; ijdel was tot hiertoe al mijn streven. Mijne heeren de Staten van Holland hebben mij lang zoetelijk gepaaid met ledige beloften, waar zij zelve wel mee schijnen te gekken; zoo heb ik mij dan begeven tot eene andere zijde en ik heb tot beschermheer genomen meester Paulus Buis, wien het, schoon op dit pas ambteloos, gansch niet aan invloed gebreekt, en die wezende van het gezantschap in Engeland, groote eere en genegenheid heeft gevonden bij de Koningin, en zich geen minder deel belooft in de gunst van Mylord Leycester…”

»Op Mylord Leycester is het ook, dat wij onze hoop gevest houden; van hem wachten wij betere dingen, en het is daarop, dat ik komen wilde. De Graaf is hier vreemd, en ware hij de abelste man en de fijnste geest van het Britsche koninkrijk; hij zal hier moeten zien door anderer oogen, voor ’t minst in den aanvang van zijn gebied. Wie hem ’t naast omringen, zullen het roer van staat drijven, en moge de nobele heer de welmeenendste zucht hebben tot vordering van de religie en tot welstand van des Heeren gemeente, het zal beide bijster weinig vromen, zoo hij niet goede toelichting krijgt van wàt het waarachtige belang der Kerke is, en wáárin het ware heil van het gemeenebest in dezen bestaat; veeleer zal dan wat hij drijft en ordent, tot achterdeel strekken van het Godsrijk in de Nederlanden, dan tot diens oorbaar en deugdelijk voordeel. Nu is ’t grootelijks te vreezen, dat de Hollandsche heeren van de Staten, of die hun naar de oogen zien, des Graven leiders zullen worden, tenzij een wijs geval of wijsheids overleg met ’s Heeren hulp, dit perijkel keere — want voor Kerk en kerkelijken zeker zou het de doodsteek wezen.”

»Zou dat te vreezen zijn? men spreekt doch, dat de Kanselier van Gelderland bij Mylord wel is gezien, en als ik denke dat ik alreede een Engelsch heer in samenspraking heb gevonden met dezen…”

»De schade zou nog kleiner wezen, zoo des Graven arm zich steken moet in de mouw van des Kanseliers tabbert. Een ieder weet, hoe magertjes het staat met zijn christendom…, en dat was uwe doling, Burggraaf! dat gij gemeene zaak meendet te maken met dezen.”

»Van de politieke zijde gezien en bij mogelijke verwarring van zaken…, na ’t afslaan van de opdracht door Graaf Leycester, was het toch niet zoo oliedom,” sprak de Burggraaf, met een glimlach, »maar, heer Fraxinus! wat hebt ge mij beters voor te stellen?”

»Hoe de tijden ook loopen mogen, zoo een vroom en kerksch Heer als de Graaf van Leycester schijnt te wezen, naar ’t gerucht dat van hem uitgaat, kan niet blijven buiten gemeenschap en goede verstandhouding, met wie leeraars en voorgangers zijn in die Kerke. Ik althans zie mij alreede de deur geopend van zijne gehoorzaal; dezen avond moet ik voor zijn gehoor preken in de hofkapel, en voor morgen wil de Graaf met de gemeente het Avondmaal vieren, dat ik bedienen zal. Ik neem daaruit aanleiding, bij Zijne Genade met den kerkeraad ten gehoor te gaan, en daarna…”

»Zeker… zeker, Eerwaarde heer! licht is zijn hart u dan even geopend als zijne gehoorzaal.”

»Toch weet ik niet, hoe de Graaf denkt over, en zich draagt jegens die van onzen stand; der Engelschen aard is wantrouwend, en kerkelijken, sprekende in ’t belang der Kerk, mogen licht eigenbatig schijnen, en van partijdigheid zijn verdacht. Daarbij, al neigt de Heer tot gulheid en oordeelt het loffelijk en dienstig, dat wij voorstaan wat ons het naaste is, die belangen verhechten zich zóó nauw met die van den Staat, dat het opzien mocht geven, zoo wij te diep ons daarin mengden met eigene daad, zoo versta ik het dus: mannen van goed beraad en der Kerke wel geneigd, nevens den Graaf geplaatst te zien, om dien heer dáár in te lichten, waar onchristelijke staatkunde hem blinddoeken zou, met redenen van menschelijke wijsheid, met zulke mannen een nauw en oprecht verbond aan te gaan, tot vordering van alle christelijke belangen, en tot nut en welvaart van hare voorstanders, en bestuurd door hun raad, de gunst winnende en affectie van den Graaf, en zijne handelingen richtende ten algemeene nutte, dat zeker zou heil kunnen brengen in dezen Staat, en een goeden steun kunnen geven aan de vestiging en de ordening onzer gezuiverde Kerk. Uw gemoed hebbende doorgrond en uwe wijsheid bekwaam achtende tot dien dienst, stelle ik u voor, de deelgenoot te zijn van dien nutten bond, en als de eersteling daarvan, sinds ik mij nog aan geen ander heb verklaard.”

»Wel, heer Fraxinus! ik acht mij dat eene eere en ben u grooten dank schuldig, dat gij mij hebt verkoren eerder dan iemand anders, voel mij ook wel geroepen en geneigd tot deze verbintenis; alleen het zou mij lief zijn, zoo we wat zekerheid konden erlangen voor ’t welslagen. Zekerlijk is ’t, dat een man, als Uwe Eerwaarde, die te spreken weet tot gemoed en oordeel beide, groote kans heeft van wel bij Zijne Excellentie gezien te zijn; alleen Zijne Excellentie diende in ’t land en aan ’t bestuur te blijven, en…”

»Daar gij zoo wel ingelicht zijt van ’t afslaan der opdracht, ei, zoo deel mij mede, wat daarbij is omgegaan!”

De Burggraaf voldeed aan dit verzoek, en de predikant zeide daarop:

»Zoo willen wij onze vlijt doen, dat den Grave op alle punten zooveel contentement gegeven worde, als ’t hem believen mag, en bewegen deze landen niet te verlaten; maar het gouvernement te aanvaarden tot troost van het benauwde volk en tot heil van de geperste Kerk. Meester Daniël! als ik zeker zal zijn van den Graaf, zullen wij ons nader beraden op de middelen daartoe strekkende; want ik meene, dat deze zaak tusschen ons is afgesproken?”

»Zij is het; alleen ik dien te verklaren, dat ik geen eerlijk man kan blijven, en dus zonder oorzaak de zijde van Paulus Buis verlaten.”

»Dat begeere ik niet van u. Omstandigheden en verschil van gemoed mogen van die vriendschap maken, wat ze willen. Is meester Buis daarbij niet, wat men noemt, goed Engelsch-gezind? En wie niet tegen ons is, zullen wij achten hier vóór ons te zijn.”

»Zoo ben ik de uwe met hart en ziel, en dat is gezegd en bezworen tusschen ons, dat wij elkanders personen en belangen vorderen zullen, waar wij meest en best kunnen.”

»Ik de uwe allereerst bij den Graaf; maar in trouwe, meester Daniël! denk daarop altijd, het is met goeder inzicht voor onze bedrukte Kerke, dat ik mij inlate met zóó wereldschen handel.”

»Ik meene het niet anders, heer predikant!” sprak de Burggraaf ernstig.

En die beide mannen verzegelden hunne belofte door een handdruk.

En de predikant ging van daar, zekerlijk meer getroost dan de lijdende, tot wier troost hij gekomen was.

In Libertus Fraxinus hebben wij een predikant te zien gegeven, zooals het onze schuld niet is, dat wij er meer zullen te vertoonen hebben; maar wij haasten ons met de waarschuwing, hem niet zwarter op te vatten dan hij werkelijk is.

De predikant Libertus Fraxinus is geen huichelaar; hij is niet eens de eigenbatige eerzuchtige, die zich zelf zoekt het eerst en het meest, onder schijn van voor hooger belangen te werken. Hij is van hen, die voor zulke belangen offers zouden brengen van hunne rust, en die gereed staan daarvoor ijverig te strijden. Hij heeft reeds meer dan eens zich gewaagd op de uiterste grens, die der Staten tolerantie der ijverende kerkwelsprekendheid toenmaals niet straffeloos overschrijden liet. Hij was er misschien wel eens over gegaan, als wij uit het zijdelingsch verwijt van Buis kunnen onderstellen. Een bewijs voor ’t minst, dat hij genoeg overtuigd was van de wettigheid zijner zaak, om er iets voor te durven wagen. En schoon de man onpeilbare afstanden ver is van den christen-leeraar, zooals het gezuiverd Christendom dien geven moest en het Evangelie ze vormen kan, als wij ons stellen niet boven, maar in het midden van zijn tijd, als wij niet met drie eeuwen vooruitgang tegenover hem gaan staan, en dan van hem eischen, dat hij zien zal uit ons licht; — maar als wij eens naast hem gaan staan, en ons licht gebruiken om de toestanden te beschouwen rondom hem heen, dan zullen wij begrijpen, dat hij — en wij spreken voor de velen, die nog volgen moeten — niet zoo diep in het ongelijk was met wat politiek te drijven, midden onder zijn geestelijken arbeid door, of liever, zijn geestelijken arbeid door wat politiek te schragen. Zijn oordeel is juist, als hij klaagt over den toestand der Hervormde Kerk, in de provinciën der Unie, op dat tijdstip. Na hare moeielijke geboorte uit een verbasterd Katholicisme, is het of zij de eerste jeugdige levenskracht het liefst gebruikt tegen zich zelve, of het meeste van die geestdrift, die haar ijver gaf, zich los te rukken uit de banden des pausdoms, nu welhaast ontaardt tot een twistvuur, dat hier spreekt in hitte van vervolglust, en dààr doodsmeult tot eene assche van onverschilligheid. Hier verzamelt zij liever strijdkrachten, dan bouwstoffen tot bevestiging van hare grondvesten; dààr voelt zij zich wankelen en vraagt van stoffelijke tusschenkomst, wat ze van geestelijke inwerking had moeten wachten. Hier begint zij op vormen aan te dringen met verwaarloozing van het wezen; daar buigt zij zich slaafs onder het juk van de stroeve letter, om elders in den naam van vrijheid bandeloosheid te prediken, en onder dat alles als vergetende den vromen ernst van hare afkomst en het gewijde doel van hare roeping.

Zoo ging het niet goed; dat zag Libertus Fraxinus en wie dachten als hij, zoowel als wij het nu zien zoovele eeuwen daarna; maar, waar wij zouden gewenscht hebben, dat die Kerk in kracht en in vastheid had toegenomen, door geestelijke meerderheid boven die, waaruit zij zich had opgericht, door meer innerlijke liefde van alle hare leden voor het ééne en waarachtige Hoofd, zich uitsprekende in onderlinge broederliefde en innerlijke heiligmaking; door een meer volkomen geloof, dat zich moedig en vertrouwend vasthield aan het woord zijner belofte, en dat geene vrees kende, zelfs niet die voor de zonde, in de zekerheid op de eeuwige voldoening van haar Middelaar; in onwankelbare hope, zich opheffende tot blijmoedige vreugde in de bitterheid des tegenwoordigen levens, met de volkomene zekerheid der toekomende zaligheid; en die liefde, dat geloof en die hope scheppende uit eene reine en geloovige opvatting van het Evangelie, die zich gewillig mededeelde, maar die zich nimmer opdrong. Zulk eene Gereformeerde Kerk, rijk in innerlijke gemeenschap met Christus en bevoorrecht met hooge gaven des Geestes, zoo zij mogelijk geweest ware te dier tijde, zou zekerlijk eene even vaste als waardige houding hebben gehad, tegenover de openlijke aanvallen van het Katholicisme, en hare stille zijdelingsche ondermijning, tegen de woelingen van bewegingzieke dwepers en van ongeloovige vrijdenkers.

Maar Libertus Fraxinus dacht aan eene uitwendige kerk, een hecht en vast gebouw, steunende op de onverwrikbare grondwet van de letter, en die stellende als vasten grondslag van alle wetten voor den Staat. Als een ruime en schoone tempel, die geheel het vroom en geloovig volk zou verzamelen binnen hare wanden: ééne groote gemeente, die volgzaam en vertrouwend voort zoude gaan aan de hand harer voorgangers, welke tot bevordering van de eenheid en de orde, aan geene andere macht zouden onderworpen zijn dan aan die van de Kerk; een zulke tempel achtte hij het waardigste Godsgebouw, om te stellen tegenover het koepeldak van St. Pieter en de ongewijde vergaderplaatsen der scheurmakers; en tot het oprichten van zulken tempel zekerlijk, mochten stoffelijke middelen, zelfs in geestelijke hand, niet ongerijmd worden geacht. Daarbij, de betrekking van Kerk en Staat onderling, was als vanzelve nauw en innig in een land, dat aan godsdienstige beginselen het allermeest zijne opkomst en vorming als onafhankelijken Staat, had te danken, en bij eenheid van belangen waren beider rechten nergens met juistheid bepaald, noch met helderheid uitééngezet; — en de dienaren der eerste, wier toestand onder die verwarring als vanzelve een valsche was, hadden intusschen te veel geheugenis van priesterlijk overwicht uit het verledene, en te veel voorbeelden van het staatkundig meesterschap hunner broederen in de opkomende Protestantsche republieken, om zich tegenover de dienaren van den laatste met de lijdelijke rol van getrouwe onderdanen te kunnen vergenoegen; — en de werkelooze onzijdigheid, die deze oplegde, kon ook wel zorgelooze onverschilligheid zijn, in oogenblikken, waarin zij meenden te zien, of wel werkelijk zagen, dat de godsdienstijver der hoogere standen verflauwde, en de zaak, die hun de hoogste was, door de regeerders niet meer behartigd werd met die warmte, alsof het ook hun hoogste was gebleven, en niet meer behandeld op eene wijze, dat zij die rustig hunner zorge durfden overlaten.

De botsing van belangen kon niet meer verre zijn, was alreede gevoeld geworden… en tegenover de aristocratie van den Staat had die van de Kerk hare zwakheid gevoeld, zoolang zij in ongeordende scharen daar stond, en geene wapenen had opgevat, dan die haar rechtens behoorden, — dan de geestelijke; — dan die van het woord. Maar bij den man, die nu kwam, — den vreemdeling, wien de roep van godsdienst-ijver vooruitging, zoude te herstellen zijn, wat reeds verloren was, en te winnen, wat nog nooit was bereikt; — maar nu ook was het zaak, hem ter zijde staan, zijn oor te hebben het eerst, zich van zijn bondgenootschap te verzekeren voor goed, al was het dan ook door een greep van wereldsche kuiperij, en door middelen, die meer getuigden van menschelijke behendigheid, dan van apostolischen zin en christelijk volgen en afwachten van de leidinge Gods. De predikant Libertus Fraxinus vond, dat het bij uitnemendheid een tijd was om te handelen en niet om te wachten. Zijne persoonlijkheid moge tot dit oordeel hebben bijgedragen; wij zullen zien, wat hij er door werkt.


Ingezonden op: 19 July 2001