LEYCESTER IN NEDERLAND.

TWEEDE BOEK.


Nu eens van ’t Looze Reintje! Gezongen, dat het klinkt.
Die vos greep ’t eêle beesje
En vatte ’t bij de keel,
En scheurde ’t lekker vleesje,
En gaf aan elk zijn deel,
Aan zijn vosjes evenveel.
………………………………
De boer dronk huy!

VONDEL.
Schep moed, beladen ziel! Gods gramschap wordt nu koel,
En vol betrouwen kruip voor dien genade-stoel,
Zwijg hutte des bescheids, orakel en sybillen,
Synoden en rabijns: in nood en kerkgeschillen,
Blijft Christus ’s menschen troost; die namaals regt verkort.
VONDEL.

XVI. REINGOUD.


Doen wij als Douglas en gaan wij Leycester voor naar Utrecht! Zoeken wij er echter den jongen Engelschman niet op, die ons wel vanzelve voor de oogen zal komen, maar zien wij even rond in de oude bisschopsstad, vervallen als ze is door den keer der tijden, van hare waardigheid als zetel der bisschoppen, van den glans en den luister, dien een geestelijk Hof wist heen te werpen over geheel eene stad, die het zich had uitverkoren. Zien wij haar in haar staat van verval, zooals wij haar weleens gezien hebben in haar bloei! Zien wij haar zooals de oorlog, en de plundering, en de bloedige strafoefeningen, en de uitwijkingen om geloofs- en staatstwist haar gemaakt hebben, sinds de dagen van haar weelderigen en goedigen Philips van Bourgondië, die de laatsten waren van haar frisschen bloei als Roomsch-Katholieke hofstad, sinds de kniebuiging van Hendrik van Beijeren voor Karel V, die haar afhankelijk maakte van een vreemden heer. Snel daarna zag zij hare vorsten afdalen van vernedering tot vernedering; hare ridderlijke instelling van St. Jan afgescheurd van zijn machtigen hoofdtak; eene vesting opgericht onder haar oog als tegen hare burgers; hare kloosters kwijnende en beroofd van hare voorrechten; hare kapittels zonder invloed en hare kanunniken zonder macht als zonder eere; de schatten der geestelijken verstrooid en verdeeld, de laatste harer bisschoppen ten grave gedragen onder een psalmgezang, dat geen gezag harer geestelijken het zwijgen vermocht op te leggen, en dat klonk als een jubelfeest van verlossing, aangeheven door de Hervorming; als een de profundisvoor het zieltogende Katholicismus. Van toen aan was haar de laatste levenskracht ontnomen, en aan een stuiptrekkend trillen onderkende men nog alleen maar van tijd tot tijd de teekenen van een leven, dat slechts één forschen genadeslag wachtte, om te worden uitgebluscht. Die genadeslag zou zich niet lang doen wachten. Reeds had zij van hare kerken, aan hare heiligen gewijd, moeten afstand doen, aan wie hare heiligen loochenden en hunne beelden vergruisden. Van die harer kloosters, die niet tot bouwvallen waren vermorzeld onder oorlog en plundering, waren de poorten wijd opengezet voor alle monniken en nonnen, die hunner geloften ontrouw wilden worden, en het had de rijen bij de plechtige processiën gedund, en het had de tonen van hun gewijd koorgezang verzwakt. Ten laatste waren ook die omgangen gestaakt geworden, en werden de koren niet meer aangeheven dan met gedempte stem, en was zelfs het dragen van het gewijd ordegewaad verboden geworden op de straten, en dat dáár, waar de geringste monnik altijd een groete placht te eischen van den hoogsten edelman, in naam van zijn gewaad!

O, voorzeker! het Utrecht van voorheen was weg, — weg en voorbijgegaan, en welke vergoeding kon de Unie van Utrecht zijn, zelfs al beloofde die haar, in de nieuwe Protestantsche vereeniging een deel van den invloed, dien zij bezeten had; zelfs al had de werkelijkheid voor haar die belofte gehouden, ik vrage u, welke vergoeding kon dat heeten, voor wie het hart aan deze herinneringen had vastgehecht? En nu! welhaast zou het anders worden, welhaast zou een andere heer er zijn zetel vestigen, en de stad voor eene korte poos den schijn en den glans teruggeven van eene hoofsche verblijfplaats, en haar maken tot het middelpunt van den Staat, maar het zou slechts eene flikkering wezen, eene voorbijgaande flikkering, en al ware dat niet, ieder kenmerk van kracht en van bloei van het Protestantsche Utrecht zou als eene nieuwe zekerheid zijn, dat het Roomsch-Katholieke had moeten terugwijken voor den geest der eeuw, en de werking van het eeuwig hervormend beginsel in de Kerk, maar voorzeker kon het Utrecht van voorheen zich achten als weg en voorbijgegaan, en het is haar sombere bouwval, waarop wij den voet zetten.

Wat was het bisschopshof eene doodsche en verlatene woning geworden van een levendig en weelderig paleis, dat het was geweest! — Wat was het Duitsche Huis een berooid en onherkenbaar verblijf, sinds de Groot-commandeur zijn rang van Grootmeester bad moeten afstaan en het baljuwschap aan der Staten bescherming was overgegeven, sinds gehuwde broeders zich een eigen huiselijken haard hadden gekozen, sinds Protestantsche broeders de kloosterlijke samenwoning hadden versmaad! Wat schenen die straten leeg en eenzaam, sinds zoovelen daar niet meer doorwemelden, die bij hoofschen zwier geestelijke waardigheid te vereenigen hadden! Wat hadden zij een armelijk en kwijnend aanzien, die huizen en winkels, die vroeger welvaart en nering trokken van de behoeften en eischen van den weelderigen hofstoet, van een zinnelijken eeredienst!Wat stonden die werkplaatsen ledig, van waar de Katholieke meesters waren weggetrokken, en hoe schooiend en bedelziek hokten de verarmde en aan arbeid ontwende handwerkslieden nu langs de sombere grachten om! En de verarmde kloosters hadden spijze noch aalmoezen meer uit te deelen! En men hoorde nooit meer de opwekkende tonen van de Vroegmisklok, noch het plechtige luiden van den Avondvesper, en niet meer de vroolijke kerstliederen van de koorkinderen, noch de luide jubelkreten van de Vastenavondfeesten. In de huizen vergat men de kaarsen van den Driekoningendag; op de straten de kermis- en St. Marten-vuren, en nooit zag men meer langs de grachten de sombere huizen gesierd met festoenen en tapijten, ter eere van de processiën der hooge kerk-feesten, en het sombere uitwendig der woningen was nu van een streng en somber inwendig de oprechtste vertegenwoordiging.

Gaan wij eene dier sombere woningen binnen, en dringen wij door tot in de binnenkamer van het huis! Eene kamer van de soort, als men voormaals in Friesland treur- of lijkkamer noemde, — als men ze gelukkig niet meer weet in te richten in onze eeuw; — eene zulke, waar de zwaarmoedigheid op u valt, zonder dat gij het zelf weet, en u tot wanhoop verleidt, eer gij er u tegen hebt kunnen wapenen; — eene kamer, waar geen zonnestraal weet door te dringen, en de lichtstralen eer geweerd worden, dan opgevangen door de hooge vensters en de talrijke in lood gezette glasruiten; — eene kamer, waar een hangend hoofd zich als vanzelve dieper nederbukt, en waar alleen eene ziel vol helderheid en ruste, nog wat blijmoedigheid weet te houden en wat levenslust. Het donker beschot van gebruind eikenhout, de zoldering met zware eiken balkjes ondersteund, waarvan zooveel lofwerk afhing en zulke hatelijke monsters en saterskoppen u aangrimden, dat in waarheid de vrees u beving, of ze niet zouden nederdalen om u leed te doen. Alle meubelen zoo zwaar en onhuiselijk, als ware ieder stuk huisraad op zich zelve eene verschijning uit een benauwden droom. Een steenen vloer, die iederen tred luid en hol weerkaatste. Een schoorsteen met wijdgapenden mond, die meer warmte naar zich trok dan rook; het vuur, het eenige, dat warmte had kunnen aanbrengen en licht daarnevens, op dit oogenblik verkeerd in een kwijnenden aschhoop. Zoo was er niets, niets in dit vertrek tot sieraad, tot weelde, of dat u tot het genot des levens had kunnen opwekken, en toch was het duidelijk, dat geene bekrompenheid van middelen zulk eene spaarzaamheid had noodig gemaakt.

Slechts er heerschte iets onhuiselijks, iets ongezelligs, iets dompigs en neergedrukts, dat zelfs door goud, noch door pracht had kunnen worden vergoed. Het eenige, wat getuigde van een streven naar licht en helderheid, — voor het minst naar het zedelijke, — was een Bijbel, geplaatst op een tafeltje naast de bedstede; maar, helaas! bij eene juiste waardeering van het geheel, bij een blik op den huisheer en hen, die met hem waren, bij het beluisteren hunner gesprekken, hebben wij recht om te vreezen, dat die Bijbel vaker werd geopend, als bron voor spitsvondige redetwisten, of om uit duistere profetieën dreigende toespelingen te putten, dan om de boodschap van het Evangelie te beluisteren, of de zachte wetten der liefde te leeren, die het Nieuwe Testament hare heilbegeerige toehoorders predikt, of te vragen, welke eischen van zelfsverloochening en heiliging, het juk van den goeden herder oplegt.

Drie mannen waren er samen bijeen; allen zoo dicht mogelijk bij het vuur geschikt, dat ze in het vuur hunner gesprekken hadden verachteloosd. Ze verschilden veel in uiterlijk voorkomen, maar ze hadden eene sprekende overeenkomst van leeftijd; allen waren ze heen over de lente, over den zomer des levens, allen naderden ze reeds de grensjaren des ouderdoms. De jongste hunner moest wel zeker eene halve eeuw geleefd hebben, schoon zijn krachtige, mannelijke bouw nog van geene verzwakking getuigde, of eenig kenmerk droeg van verval. Een ander kenmerk hadden zij gemeen: geen hunner had een onbeduidend voorkomen, of een zulk, dat men onbehagelijk had kunnen noemen, maar bij den een drukte zich het belangwekkende uit in kracht, in vuur, in stoutheid; bij den anderen in fieren en pralenden trots; bij den derden in iets fijns en behagelijks, doormengd met zoo iets stroefs en straks, een gelaat waarvan de uitdrukking zóó wisselde, naarmate hij het scheen te willen, dat er met zekerheid en bij een eersten blik niets van te bepalen valt. De jongste, hij wiens fieren trots wij deden opmerken, had ook in zijne kleeding de praalzucht gelegd, waarvan geheel zijne persoonlijkheid den stempel droeg. Zijn gestreept fluweelen kleed, zijn rijke kanten kraag, zijn dubbele gouden halsketen, zijne satijnen mouwen met goud borduursel op de naden, de fijne kastoor-hoed met veelkleurige vederen pronkende, de bruin satijnen pels met sabelbont bezet, dien hij over den stoel had geworpen; alles getuigde dat hij de man van fortuin was, die hare gaven wist te gebruiken. Het was Gerard Prouninck, van Deventer bijgenaamd, een man van strenge Calvinistische begrippen en van goede afkomst, die zijne woonplaats te ’s Hertogenbosch had verlaten, toen die in handen van den vijand was overgegaan, en zich te Utrecht had nedergezet sinds vele jaren. Van den man, die naast hem zit en naar wiens vloeiend en vurig spreken de beide anderen schijnen te luisteren met belangstelling en aandacht, hebben wij slechts den naam te noemen, om zeker te zijn dat ieder hem kent, want het is Hermanus Modet, ook genaamd Herman de Strijker, een dier predikanten uit de eerste tijden der Hervorming, in wie meer het omwentelingsbeginsel dan het hervormende heerschende was, en die, wellicht noodwendig voor den eisch van den tijd, voor het minst door hun tijd gevormd werden, en door diens woelingen medegesleept; het zij gezegd tot hunne verschooning.

Een van die predikers, wier krachtige en onstuimige welsprekendheid zich het best op haar gemak gevoelde, onder een gehoor van duizenden, vrienden en vijanden samen, beiden dreigende met het zwaard van het Woord, en tegen de laatsten wel gezind, uit noodweer naar meer stoffelijke wapenen te grijpen. Als aangevallenen niet enkel berustende op de tusschenkomst des Hemels, en vaak zelve aanvallende in den naam van den Heer.

Een van die predikers, die, zoo ze niet handdadig deel hebben genomen aan beeldenstorm en oproerige beweging, voor ’t minst door onstuimige taal en geestdrijvende toespraken, dwepende gemoederen tot zulke uitspattingen hebben ontvonkt en aangedreven. Bij Modet in ’t bijzonder welke ook zijne handelingen waren en welke zijne bedoelingen tot hiertoe, verdenk ik het beginsel niet, van waar zij uitgingen. Heete, al was het dan ook onverstandige geloofsijver, — geestdrift die zich door niets liet verkoelen, — hoe eenzijdig ook van richting, stoutheid en vastheid van wil, om de zaak, die hij de eenig rechtmatige hield, voort te zetten, — ondanks alle tegenstreving, moed en bereidwilligheid, om daarvoor ieder oogenblik rust, vrijheid en leven veil te hebben, zijn eigenschappen die ik nooit mijne achting kan weigeren, zelfs al zie ik ze bevlekt door zoovele zwakheden en hartstochten, door eigenzinnigheid, heerschzucht, liefdeloosheid en hardheid, als er bij dezen zijn op te merken.

De Fransche Prinses Charlotte van Bourbon, die hem eene wijle heeft gekend als den hofprediker van haar gemaal, veranderde zijn naam van Modet in dien van Immodest; en zeker heeft hij dáár als elders, van bescheidenheid, van zachtheid, van minzaamheid en van deemoed geene blijken gegeven, als het een prediker van Christus leere, en een verkondiger van het gezuiverd geloof had gevoegd. Maar men vergeve den man, die monnik was geweest, en die overtuiging genoeg had en ijver genoeg, om het klooster te verlaten, en een voorvechter te worden der Hervorming, dat hij onder woelige en moeielijke levensondervindingen, waar hij geweld met geweld heeft moeten keeren; — dat hij onder zulke omstandigheden niet alle gebreken van den monnik, niet alle gebreken van eene heftige natuur heeft kunnen afleggen met de kap, en dat hij niet een geheel nieuwen mensch heeft kunnen aandoen met het kleed van den predikant. Wij hebben daarom niet noodig eene zijner ongeoorloofde daden goed te keuren, noch in te stemmen met een enkelen zijner buitensporige uitvallen. Hem aanziende, hem hoorende vooral, kan men het niet meer vreemd vinden, dat hij duizenden had weten te boeien aan de klanken zijner lippen, dat hij door de welsprekendheid der gebaren en van het oog overreed had en overweldigd, waar het kalmer beraad licht niet door zijne gronden was overtuigd geworden. De donkere gloed van zijn zwart oog, — de strenge ernst die zetelde op zijn voorhoofd, — de krachtige uitdrukking van grove trekken, die ongeregeld waren, maar toch niet onbehagelijk, — de trots van zijne houding, — het gebiedende van zijne forsche gestalte, — de heftige, de vurige levendigheid zijner gebaren, boezemden ontzag in en belangstelling, al was het meer die der vreeze dan die der liefde.

De laatste persoon van het drietal, dat wij u wilden voorstellen, is ons, om vele redenen samen, de merkwaardigste. Hij is, als de anderen, historisch eigendom, maar wij nemen hem als eigendom van den roman. Wij hebben daartoe niet noodig, één enkel feit van zijn leven te ontkennen of te verloochenen; wij nemen alleen de vrijheid hem niet enkel op deze te beoordeelen; wij willen dieper gaan dan deze; wij willen verborgene vezelen nasporen, en hem kennen in fijnere schakeeringen, dan de ruwe schets, die de geschiedenis van hem geeft, waarop zij zijn karakter en zijn hart heeft beoordeeld, en haar oordeel of liever hare veroordeeling over hem heeft uitgesproken. Alleen de meest gewone soort van menschen geschiedt geen onrecht met zulk eene oppervlakkige beschouwing; maar persoonlijkheden als die van Jacob Reingoud, die zoovele tegenstrijdigheden in zich vereenigen, die tot zulke hoogten zijn gestegen, en tot zulke diepten zijn gevallen, hebben recht op eene scherpere, op eene vrijere, op eene juistere toetsing, dan die met twee pennetrekken gegeven wordt, in de geschiedenis van geheel een land; met hunne deugden en ondeugden, met hunne schitterende eigenschappen en met hun duisteren gemoedsstrijd, behooren zij tot het gebied der fantasie, der poëzie (als het woord niet te vermetel klinkt), en de poëzie zal zich het hare toeëigenen, en zij wil trachten te ontleden waar de andere alleen in stukken houwt; zij zal hem niet beter maken, maar zij zal hem omgeven met den stralenkrans van het genie, en het licht dat die op hem werpt, zal strekken om hem beter te bezien.

Wat hij innerlijk geweest zij, of niet? zal ons op dit oogenblik toch niet ophouden; wij willen nu alléén zijn uiterlijk opnemen. Dat is merkwaardig genoeg; schoon hij wel zes en vijftig jaar kan wezen, is het hem nog aan te zien, dat hij een beeldschoon man moet geweest zijn: nog heeft de opslag en de blik van zijn donker oog iets fluweelachtigs en iets doorborends samen, dat verleidend moest zijn en gevaarlijk van overredingskracht, voor mannen en vrouwen beiden. Wij hebben het reeds gezegd, dat de rechte uitdrukking van zijn gelaat niet vast te bepalen is: zij wisselt naar de gewaarwordingen, die hij ondervindt of die hij wil opwekken. De eerste heeft hij zoo goed in zijne macht, dat hij er zelden iets anders van zien laat, dan wat hij wil, en het laatste is hij zóó volkomen meester, dat hij altijd den indruk doch maakt, dien hij begeert; wilde hij aantrekken, rede en zinnen voelden zich geboeid; wilde hij afstuiten, eene koude huivering dwong tot terugtreden; wilde hij gebieden, iets dat sterker was dan een trotsche wil, dwong tot de hoofdbuiging der gehoorzaamheid; maar ondanks al die bewegelijkheid, hebben toch twee eigenschappen zijner ziel op zijn gelaat haar stempel gedrukt, dat blijvend is onder alle wisselingen heen: scherpe schranderheid en stoute trots; maar de eene daalt soms af tot fijne sluwheid, de andere plooit zich wel eens tot zachtere fierheid, maar stijgt het liefst tot laatdunkenden overmoed, zoo haast hij de zelfsbeheersching vergeet of onnoodig acht. Zijne gestalte is welgevormd, recht en buigzaam; noch de gezetheid van den middelbaren ouderdom, noch de vermagering, die haar soms vervangt; oorspronkelijk is zijne houding vast en gebiedend, en zijn zijne gebaren levendig en los; maar daar beide met gemak en met hooge natuurlijkheid zich richten naar de ingeving van de gedachte die de gelaatstrekken beheerscht, zijn ze evenmin te bepalen als de eersten; maar in zijne stem, vooral in zijn spreken, in hetgeen hij zeide, zoo wel als in de wijze waarop hij het zeide, lag de kracht zijner heerschappij op den wil van anderen; waar hij sprak om te overreden was hij zelf altijd het eerst overtuigd, en deelde die overtuiging niet zachtkens mede bij kleine teugen, maar stortte die op eenmaal, meestal met eene enkele machtspreuk, zijn toehoorder op het lijf, of drong die op onder ruischende woorden en schitterende beelden. De macht van zijn spreken ging zóó ver, dat hij, eene waarheid ontkennende of eene logen bevestigend, aan het twijfelen bracht, wie alreede voor zich zelven zekerheid had verkregen door feiten. Nu echter schijnt hij die machtige gave ongebruikt daar te laten, want hij zit neder luisterend, de beide ellebogen gesteund op de tafel, het hoofd rustend tusschen de handpalmen, luisterend naar het spreken van Modet, met die soort van ingespannen aandacht, die niet enkel de woorden van anderen tot zich neemt, maar ze ook op hetzelfde oogenblik als verwerkt, en met eigene denkbeelden verbindt.

Het was eene lange en heftige alleenspraak geweest, de rede van den predikant, die haar nu besloot met te zeggen:

»Dus staan wij predikers van de zuivere leer en herders van de ware Gereformeerde Kerke, — oprechte gezanten van God, als we zijn! — met die onzuivere leeraars der St. Jakobskerk, die, de gemeente zaligsprekende, op valsche en bedriegelijke gronden voortgaan in het opbouwen en uitbreiden der kettersche en afgodische sekte, die nergens anders toe strekkende is, dan om den papistischen zuurdeesem tusschen ’t gezuiverd geloof in te voegen, en dat op zulker wijze gansch te verderven in deze stad, die vrij al te veel uit nature en geheugenis van vroegere dagen tot de duisternisse des pausdoms is toegeneigd.”

»’t Mag wel zijn,” sprak Prouninck, »dat deze gansche toeleg een werk is van die verderfelijke orde der Jezuïeten.”

»’t Is niet wel denkelijk, dat de povere meester Huibert daarmede alreeds in verbinding stond, toen hij begon, sommige Paapsche bijvoegselen weg te laten, en ’t zou voorwaar eene fijne vond zijn van die orde, dus in eigene ingewanden harer moeder te woelen, om ’t lichaam eens anderen in woeling te brengen,” merkte Reingoud aan, met een glimp van spot.

»Wat er van zij, het is het werk van den Anti-christ, om de gezonde leer fijntjes afbreuk te doen,” sprak Modet; »maar met Gods hulpe zal dat heilloos beginnen verstoord worden, en zoo snood een doel niet tot goede uitkomst komen. Wij zijn daar vier in getal, allen rechtgeloovige leeraars, die zich dapperlijk zullen stellen aan het hoofd der kudde, om die te hoeden tegen de grijpende wolven. En mogen de anderen verkouden in ijver, of traag zijn van hand en slap van knie, ik zal dáár wezen, als een wachter op den dorpel van den tempel, tot wien de Heere Heere heeft gezegd: "Ik heb dij, mensche! gesteld tot een wachter des huizes Israël." En welhaast, hope ik, moge het blijken, dat Herman Modet geen ontrouwe, noch onnutte dienstknecht is voor deze godzalige Kerke en gemeente van Utrecht.”

»In geene gemeente, waar de Heer u tot de bedieninge Zijns Woords heeft gesteld gehad, is wel ooit die verdenking tegen u opgekomen,” hernam Reingoud, »veeleer is de roep, die uitging van uw ijver…”

»Geen slechtere dan mijn plicht van mij eischte,” viel Modet in, »alleen der anderen lauwheid ruste te laten, is ook verslapping in ’t goede. Mijn jongste ambtsbroeder, Johannes Uitenbogaert, dien ik wel verdenk van wat Zwingliaansche slapheid, in ’t laten rusten van deze kwestiën, is nu opnieuw door mij opgewekt geworden. Wernerus,Helmichius en Sopingius zijn te allen tijde vaardig ten strijde. Zoo zijn wij vieren de meerderen in getal tegen hen drieën, en als nu, volgens zijne beloftenis, de godzalige man, Libertus Fraxinus, hierheen komt, gelijkelijk met den Grave van Leycester, dan zullen wij ze opnieuw krachtiglijk bestrijden met het zwaard van het Woord, en mochten ze daar doof voor zijn, van wegen de hardigheid hunner herten, weldan, zoo zullen wij dat steunen en kracht geven met het zwaard van de wet!”

»En zij hebben den magistraat voor zich,” zeide Prouninck.

»God strijdt met ons,” sprak Modet. »U, welvertrouwde mannen en broeders in het rechte geloove! u mag ik het zeggen. Gij zult zien, welke machtige wapenen ons in de hand zullen worden gegeven door ’s Heeren bijstand.”

»Ik meene ze te raden: Mylord Leycester voor de ware religie wezende, zal zich stellen tegen de scheurmakers en voor u den kamp aanvangen met den magistraat,” sprak Reingoud, terwijl zijn scherp oog vragend rusten bleef op Modet.

»Daar hebben wij hope op, de rechtvaardigheid onzer zaak kennende,” hernam Modet, ietwat teruggaande.

»’t ls dan te hopen, dat tegelijk de magistraat verbrijzeld moge worden in dien kamp! ’t Is een verweerd en vermolmd lichaam, dat vernieuwing van ledematen noodig heeft, om tot rust en gezondheid te komen, maar dat zulke nutte operatiën vreest als de pestilentie,” sprak Prouninck.

»Ge zoudt hen tot arm of hand willen strekken, lieve heer!” zei Reingoud lachende.

»Neen, voorzeker niet! Een vrij man, als ik, die goed en have in overvloed heeft, kan wel heerschappij voeren in eene stad en op hare burgers, zooveel het hem gelust, zonder daarbij noodig te hebben, zijne vrijheid in te boeten, door zich te binden aan regenten-eed, of zijn tijd, door dien te geven aan regeerders-plicht.”

»’t Is van een wijs man, dus alle ambitie en zucht tot posten-bejag vrij te houden, vriend!” hernam Reingoud, met een dubbelzinnigen blik op hem ziende.

»’t Is nog van een wijzer man en vooral van een vromer Christen, zijn eigen zelfs heerschappij niet te zoeken door eenig middel, maar alle goederen en krachten, die God in onze hand heeft gesteld en ter leene gegeven, te gebruiken in Zijn dienst en tot vordering van Zijne zaak.”

»Als ik meen te doen,” hernam Prouninck trotsch, »zelfs nog voor Uwe Eerwaarde gedacht, mij daartoe op te wekken, schoon ik niet noodig heb geacht, daarbij afstand te doen voor eigen gebruik van ’t wereldsche goed, dat gebod nergens gevonden hebbende in de Schrift, maar veel meer de overtuiging gekregen hebbende, dat het recht en Christelijk is, ook het talent van onze aardsche goederen niet te begraven, maar daarmede woekerende, poorter en handwerksman te vorderen en tot nijverheid op te wekken, en tegelijk zijn gezin en zijne vrienden de zoetheden van den aardschen voorspoed te doen smaken, als de Heere God die geschonken heeft.”

Die mengeling van Christelijken ootmoet en menschelijken trots was bij Prouninck zóózeer natuur, dat zijne beide vrienden er zich niet meer aan ergerden, en zelfs niet Modet, die het onnoodig vond, er zich kwetsend tegen te stellen. Bij wijze van afleiding zeide hij dus:

»En doet gij niet reeds der goede zaak zelfs met uwe weelde een dienst, door naar mijn raad aanbieding te doen tot het huisvesten van eenig voornaam Engelsch heer, al ware ’t alleen, om ons met zekerheid te zeggen, wanneer hij komt, de Grave?”

»Dat zal welhaast zijn; mij is gisteren aangezegd geworden, het logies voor een der heeren uit ’s Graven gevolg gereed te houden; met den eersten April-dag wachten wij Leycester hier.”

»En wij zijn reeds in de laatste week van Maart,” sprak Modet vroolijk. »De Heere zal Zijn volk zegenen. De Heere zal eene blijde uitkomste geven aan Israël, en eene vroolijke triomfe aan alle Zijne liefhebberen! Als Leycester komt…!”

»Als hij komt!” viel Reingoud in met zonderlinge stembuiging.

»Wien kan het invallen, hier te twijfelen? Wie zou ’t hinderen. Is hij niet reeds op weg? Is hij niet reeds te Amsterdam?”

»En zoo die van Amsterdam den Grave wisten te bewegen, binnen hare muren te blijven, waar hij eene zoo statelijke ontvangst geniet?” hernam Reingoud, met iets dubbelzinnigs in toon en blik, dat scheen aan te duiden, hoe hij niet gansch zijne gedachte uitsprak.

»Geene slechtere wacht hem te Utrecht,” zei Prouninck. »Wat al triomfbogen en eerepoorten worden er reeds nu opgericht, zonderling voor ’t bisschopshof en ’t Duitsche Huis! Wat groote somme is er gesteld voor vreugdevuren en feestmaaltijden! ’t Zou mij niet wonderen, zoo hier en daar de straten belegd werden met tapijten, ten believe van de pooten der Engelsche paarden; en gedenk doch die eerewacht, die zich samenstelt en die de burgerhoplieden aan het hoofd heeft! ’t Moet treffelijk zijn, dit alles, om te zien, en overtreffelijk van zoo groote hulde het voorwerp te wezen.”

»Al goed, meester Prouninck!” viel Modet in; »maar ik heb meester Reingoud’s woord op het hart, als geen man, die op oudwijf’s praatjes hecht, of die ons nutteloos ontrusten zou, om ijdele vreeze te verwekken. Zeg doch! is er schijn, dat die van Amsterdam den Graaf in hun midden zullen houden door zulke middelen?”

»Ik zegge nooit "neen" op gebeurlijke dingen, maar wie weet, of ze zich van die hooge personaadje nog niet door schalker vonden verzekeren!”

»’t Klinkt vreemd, wat gij daar zegt; wat meent gij daarmee?” vroeg Prouninck, met stijgende onrust.

»Dat we geene volle verzekerdheid hebben, dat de Amsterdammers den Graaf van Leycester vrij en onverlet uit hunne stad zullen laten heentrekken.”

»Voor Gods zaak, wat port u tot deze achterdocht?” riep nu Modet heftig.

»Mijne kennis van der menschen natuur en handel in ’t algemeen, en van deze Hollandsche staatsgezinden en koopluiden in ’t bijzonder,” antwoordde Reingoud laconiek.

»Neen, bij Gods eere! meester Reingoud! gij spreekt niet zonder bepaalde oorzaak; dat is meer dan een los vermoeden, uw gansche aanzicht wijst het uit, gij weet iets.”

»En gij dan, weet gij niets, meester Modet!” vroeg Reingoud, scherp op hem ziende, »en dat, terwijl Libertus Fraxinus als uw bondgenoot den Grave verzelt?”

»Ik heb geen schrijven van Libertus Fraxinus, sinds hij den Hage verliet,” hernam Modet verslagen.

»Nu, dat is spijtig; want licht had hij de dingen, die er omgaan, van nabij kunnen melden.”

»Hoor, meester Jacob Reingoud! sinds gij ons hebt nieuwsgierig gemaakt, moet gij opbiechten,” sprak Prouninck.

»Nieuwsgierig is een klein woord voor zoo hooge zake,” riep Modet, »Nu, Jacob Reingoud! gij weet en begrijpt als ik, hoeveel er afhangt voor de zaak der religie, van het leven en welvaren van dien nobelen heer. Om Gods wil, zeg, wat gij weet!”

Reingoud zweeg eene wijle en liet hunne spanning op het hoogste rijzen; toen sprak hij met een nadruk, die wel bewees, hoe hij, hetgeen hij zeggen ging, eene gewichtige mededeeling achtte, of die door de anderen daarvoor gehouden wilde hebben.

»Nu dan, zoo wil ik, mits gij, welwaarde heer! en gij, meester Prouninck! mij ernstiglijk belooft van die wetenschap het gebruik te maken, dat ik zal aanwijzen, en in geheel het beloop van deze zaken de wenken te volgen die ik ulieden geven zal. Ik meen, dat ik dien eisch doe, aan wie overtuigd kunnen zijn van mijn vurigen ijver voor het welzijn van Kerk en Staat, en van mijne driftige genegenheid, om wie zich aan mij houden, bij te staan en voort te zetten met de zorgelijkste trouwe.”

Daarvan hadden die twee mannen nog geen bewijs dan des sprekers eigene verzekering van dit oogenblik; maar hij wist die zoo geldig voor te dragen, dat Prouninck zonder aarzelen antwoordde:

»Het komt ook niet in mij op, daaraan te twijfelen, en wis en zeker is het u beloofd, en te eerder, sinds in zorgelijke tijden, schrandere en welgezinde lieden zich aan den ander moeten sluiten, om wel te varen en het goede te vorderen.”

Een onmerkbaar glimlachje plooide zich om Reingoud’s mond, bij dit spreken van Prouninck, maar te ernstiger toch wendde hij den blik op Modet, toen die sprak:

»Ik zegge ook "amen" tot uw eisch, heer en vriend! en te eerder, sinds ik in uwe scherpzinnigheid en uitnemende kennis in allerlei wereldsch bestier het ruimste vertrouwen heb, en wel betuige daarin uwe voorlichting gansch niet versmadelijk te achten, maar integendeel die grootelijks van doen te hebben, schoon ik in ’t geestelijke meene, uw leeraar en voorganger te zijn en te blijven.”

»De alwetende God kent het, hoe ongetroost alle aardsche wetenschap den zondaar laat!” riep Reingoud met een diepen zucht, en de oogen ten Hemel slaande, als vergat hij alles rondom zich. Daarop Modet de hand reikende, zeide hij hem, op langzamen, slependen toon, en als woog hij ernstig ieder woord, voor hij het sprak.

»Zoo zeker gij geworden zijt het middel mijner bekeering — en mijner wedergeboorte; — zoo zeker gij — mijne — blinde oogen hebt geopend voor het Hemelsche — licht der genade; — zoo zeker zal ik in de hooge zake der Gereformeerde religie door geene andere oogen zien dan de uwe, niet kunnende dit, zelfs al kost ik willen. In het overige, heer! volg gerustelijk mij!” voegde hij er meer levendig bij. »En nu hoort:

»De ontvangst van Mylord Leycester te Amsterdam is eene vreemde geweest…”

»Toch geene koele, daar gaat maar één roep uit over de geestdrift…”

»En die roep is waar, maar dat is van de zijde van ’t volk; die der grooten was niet kleiner in machtige betuigingen van eere en hulde; maar zoo ver mijne kondschap reikt, is er geene eere geweest die niet eene verholen vernedering in zich besloot, en geene hulde, die niet den stempel droeg van een verkropt wantrouwen. Aanmerk alleen dit eene! De Graaf is te scheep van Haarlem gekomen, en wezende nabij hunne stad Amsterdam, zijn zij met aardige vaartuigen in de gedaante van dolfijnen en andere vreemde visschen zijn jacht komen omringen, en hebben hem dus als de hulde komen vertegenwoordigen van de bewoners der wateren, die hij doorkliefde.”

»Wel dan, dat schijnt mooi!”

»Acht niet op het fraaie mom! Onder betuigingen van zóó vernuftige en zóó zichtbare eere hebben ze het eigen jacht des Graven van de vaartuigen, die het volgden en verzelden, afgescheiden, omsingeld, en dus Mylord Leycester als afgesloten van zijn eigen gevolg en geleide, tot aan de marktplaats, waar hij voet aan land zette.”

»En de Graaf?”

»Heeft zich in ’t eerst, neffens allen van zijn gevolg, verwonderd over die wondre zeemonsters, en hun kunstig samenstel dapper geprezen; maar toen hij zich dus ganschelijk verwijderd zag van de zijnen, is hij ietwat somber geworden, en eene wijle in nadenken verzonken gebleven, na een paar woorden gewisseld te hebben met sir Philip Sidney, die hem denkelijk zal geraden hebben, een goed gelaat te toonen, althans hij had fierheid en hoffelijkheid van wezen hernomen, toen hij, ten laatste aan wal gestapt, de begroetingen van den magistraat met de gesten van minzame waardigheid vergold.”

»Klonken die begroetingen heusch?” vroeg Prouninck.

»’t Waren al suikerzoete woordekens, gesproken op den toon van deemoed en willige onderdanigheid, anders zeldzaam op de tong van den rouwen en fierer bestevaar Hooft, maar ’t bewijs voor de oprechtheid daaraf mangelde en stokte bitterlijk, zulks de Grave nog niet genaderd was tot het Prinsenhof, dat Zijne Excellentie tot logies zou strekken, of hij had oorzake gevonden tot iemand der zijnen te zeggen: "Die heeren bewijzen mij vele liefkoozingen, maar het komt niet uit het hart."”

»Maar hebben de Amsterdamsche heeren dat zeggen niet verstaan?”

»Dat is niet denkelijk, de Graaf sprak ze in ’t Italiaansch.”

»Maar bij Satan, en de Engelen! hoe weet gij ’t?” riep Prouninck uiterst verwonderd.

»Als mij gevraagd wordt, hoe ik wete, vertel ik niets meer,” hernam Reingoud. »ik brenge u waarheden voor het gehoor, laat dit u wel zijn!”

»Weet gij ook den inhoud van de aanspraak de magistraats-personen?” vroeg Modet, opdat hij met spreken zoude voortgaan.

»’t Waren meest versierde redenen; onder meer werd er gezegd, hoe zij der Koningin dankbaar waren, dat juist de Graaf tot hunne hulpe was gezonden, zijnde, als zij zich uitdrukten, de eenige man in de wereld, als de meest gewenschte tot die taak, dat zoo zeker van hunne dubbelheid getuigt als zij den Graaf haten in ’t binnenste van hun hart. Doctor Clarke heeft daarop geantwoord vanwege den Graaf, die voor zijn persoon dus is vrij-gebleven, door gebrek van tale, om valschheid met valschheid te vergelden. Van ééne vertooning moet ik melding maken, omdat zij bewijst, hoe het volk de beteekenis van ’s Graven overkomst begrijpt, en hoe de grooten niet hebben durven nalaten, in dien geest hem te huldigen. Daar was eene stellaadje opgericht op zijn weg, waar de vertooning werd gehouden eener mommerij, Mozes verbeeldende, als hij is biddende voor de Israëlieten, in den strijd tegen de Philistijnen. Die Mozes nu beteekende de pers on van den Graaf, en de vrouwe die hem de handen ondersteunde, was de Koningin van Engeland, mitsdien willende te kennen geven, hoe deze door krachtige hulp dit Israël bijstaat, in zijn strijd tegen de Philistijnen van Spanje.”

»In trouwe, mooi gevonden!” sprak Prouninck ernstig.

»En waar daarneffens,” voegde Modet er bij.

»Als nu onze Mozes maar blijft gedenken, dat deze Israëlieten van Holland evenals die van Judea, weleens van volgzame schapen in oproerige wolven kunnen verkeeren, die de tanden toonen tegen den herder, en de handen zouden willen afhouwen en binden, die zich voor hen hebben opgeheven om te bidden. Oordeelt onder meer uit dit! Toen de Graaf zich aan wal begaf, hebben de zeemonsters ook hunne ingewanden op het land uitgestort, en als waren ’t zoovele Trooysche paarden zich ontlast van hun inhoud, die bestond uit keurig uitgemonsterde mannen van wapenen, dewelke alle waren jongelieden van de deftigste huizen, die terstond Mylord als eerewacht omgaven, en gezegd hebben zich te zullen stellen als zijne wachters en oppassers bij nacht en bij dag, dat nu zeker eene eerlijke en hoofsche hulde is, die zij Zijner Excellentie brengen; alleen het ontbreekt den Graaf niet aan dienaars en geleiders van eigene keuze; en zonder nog te noemen, hoe het hem dwang oplegt, en iedere zijner bewegingen beperkt door ’t bijwezen van geheel vreemden, is het als eene berooving van zijne vrijheid, als eene doorgaande bespieding zijner daden, terwijl het hem tegelijk afzondert en ontbloot van eigene vrienden en volgers, en als weereloos in hunne macht laat bij een mogelijk misverstand, — nu wat zegt gij daartoe?”

»Zou daar werkelijk boos opzet liggen in dezen handel?” vroeg Prouninck.

»Maar hoe kan ’t wezen, dat die luiden alreede den Graaf in haat hebben genomen? Ze hebben toch meest allen geleden voor ’t geloof dat de Graaf komt handhaven, en gestreden tegen de Spanjaarden, die hij komt bestrijden,” merkte Modet aan,

»Oft die lieden nietwes anders belangrijk hielden dan ’t geloof, en nietwes anders ter harte namen dan de liefde voor ’t vaderland!” riep Reingoud, met iets laatdunkends, dat onwillekeurig sprak uit zijn toon en trekken, »doch, vrome man! ik wil u daarmede het eerwaarde hoofd niet belasten. Geloof mij alleen in dit, dat de Amsterdamsche regeering den Grave in ’t heimelijk geen goed harte toedraagt.”

»Dat mag wel wezen,” viel Prouninck in, »omdat er nog zooveel Papisten zitten in den magistraat!”

»Juist,” sprak Modet, »van dezen is ’t te denken, dat ze den vromen Christen heer van ganscher harte haten zullen, die den kanker van ’t land, dewelke is de minne des pausdoms, komt uitsnijden met krachtige hand.”

»Neen, in trouwe, geloof mij! in de Roomschgezinden zoeke de Graaf zijne bitterste vijanden niet, voor ’t minst niet zijn gevaarlijkste!”

»Wel, meester Reingoud! dat is een vreemd woord uit uw mond,” riep Modet, »de voorspreker te zijn van de Papistische dwaalgeloovigen!”

»Niet hunne voorspraak, Eerwaarde!” zei Reingoud, »mij dunkt, het mag onrecht heeten, mij van zulke intentiën te suspecteeren; het is vrij wel bekend Utrecht rond, hoe grooten afschuw ik heb van de Papistische doolleere. Ik meen naar handel en wandel voor een goed Gereformeerd man bekend te staan. Ik meene van zuivere rechtgeloovigheid bij alle deugdlievende Christenen getuigenis te kunnen halen. Ik meene, dat mijne trouw en aanhankelijkheid aan de ware Kerk…”

»Bijlo! daarvoor mogen St. Jacob en St. Barbara geloofd zijn en geprezen, meester Jacques! schoon die trouw aan onze wellieve Moeder, de Kerk, nauw anders te wachten was van een Kardinaals leerling, en een lieveling van zoo vroom een heer, als Graaf Lamoraal,” sprak eene vrouw, in welke wij Barbara Boots erkennen, en stapte het vertrek binnen, recht toe op Reingoud aan, altijd als vroeger Jacoba aan de hand met zich voerende.

Die vreemde lofspraak op zijne gehechtheid aan geloofsvormen, die hij juist bezig was met zoo sterke woorden te verloochenen, en midden tusschen de betuigingen in zijner oprechtheid voor eene leer, die daar zoo scherp tegenover stond, en de verschijning der beide vrouwen zelve, het opzichtige van Barbara’s tooi, het kloosterachtige van Jacoba’s gewaad, alles te zamen was eene zoo vreemde, zoo plotselinge, zoo verrassende, en tegelijk zoo kluchtige tegenstelling met den ernst van dit huis, den loop van het gesprek, de persoonlijkheid der bezoekers, en de houding die de heer des huizes tegenover hen had aangenomen, dat Prouninck, die den laatsten indruk het eerst vatte, in een gullen en hartigen lach uitbarstte, terwijl Modet met een strengen blik en een ernstig hoofdschudden zwijgend bleef afwachten, welke wending deze zaak zoude nemen door het antwoord van Reingoud.

Deze scheen een paar minuten onder schrik en verbazing verpletterd; hij was bleek geworden, staarde met strakke oogen naar de binnengekomenen, en al ware zijn wil besloten geweest op een antwoord, zijn mond had het niet kunnen geven in ’t eerste oogenblik. Maar als een man, die over wijdere kloven was heengesprongen, bij de hoogten en diepten van een avontuurlijk leven, was hij spoedig zich zelve geworden, had zijne kansen berekend, zich Barbara’s aard herinnerd, en antwoordde toen, op een toon van ernstige waardigheid:

»Leider! vrouwe Boots! ik zie dat gij nog niet bekeerd zijt van de dwalingen uwes wegs, maar schoon ik u niet ontboden heb tot mij te komen, gij zult welkom zijn onder zeker beding…”

»Lacy, ja! gedoold heb ik veel,” antwoordde zij; »maar, bij Onze-Lieve-Vrouwe van Megen! gevallen ben ik niet, en dat zegt ietwat in de verdorvene tijden die er loopen. Dat ik u welkom ben, nobele heer! dat zou ik meenen, mits de welkomst, die ik met mij brenge. — Jacoba, kindlief! dezen man moogt gij kussen en omarmen, al waart gij gewijde non! Meester Jacques! heb ik niet wat danks verdiend? ik voere het ontvreemd lam tot u; zie hier de kleine!” en zij duwde Jacoba met meer hartstochtelijkheid van beweging, dan zachtheid naar Reingoud heen, zonder de voldoening te hebben der omhelzing, die zij eischte; want Jacoba bleef stijf en schroomvallig staan, den vreemden man strak aanziende; en Reingoud maakte geene enkele beweging die van toenadering getuigde. Dit was meer dan genoeg om Barbara te ergeren.

»Bij de zoete engelen van ’t paradijs!” riep zij, »wat die man koud is! O, gebenedijde Moeder Gods! ’t is wel te zien dat hij den schat niet kent dien ik tot hem breng. ’t Is eene peerle, zeg ik u, man! uwe Jacoba, het kind van uwe beminde dochter! ’t Is eene zonderling uitnemende vereeniging van alle deugden en volmaaktheden, konsten en kennissen samen. Gij zoudt meenen, dat St. Cecilia nedergedaald was uit het heilige paradijs, als gij haar kost hooren spelen op de harpe, en kweelende stichtelijke liederen. Oft ook de abdis van St. Klara verlekkerd ware haar te houden voor meesteres van ’t koor! Ze leest, schrijft en spelt: klerken noch doctoren zouden ’t niet beter doen. Ze heeft liedekens gemaakt tegen de ketters, daar de godzalige Anna Bijns, indertijd maagd en schoolmeesteresse tot Antwerpen, bij beschaamd mag staan. Zij leest de Vulgata zoo vlug, als ik de kralen tel van mijn rozenkrans… In reinheid en onschuld wint de moeder Gods zelve…”

»Neen, eene zulke ergernis is niet langer te dragen voor een waarachtig dienaar des Woords,” riep plotseling Modet, en opstaande, sprak hij tot Barbara:

»Vrouwe! kwets niet langer mijn gehoor en dat van deze godzalige Christenen, met zulke afgrijselijke aanroepingen des Paapschen bijgeloofs, en het afgodisch heilig spreken van gestorvene zondaren en zondaressen, van dewelke het nog zeer onzeker is, oft ze door de genade tot de zaligheid zijn gekomen! Dit zijn woorden uit Satan en lasteringe Gods.”

»Hoe komt hier een Lutheraansch pastoor?” vroeg Barbara, met meer kalme verwondering, dan men ’t van haar zou gewacht hebben; maar plotseling werd hare aandacht afgeleid door Reingoud, die met een doffen snik, blijkbaar diep opkomende uit het hart, uitriep:

»O, mijn God! O, mijn God! hebben ze ’t kind tot de Paapschen gebracht?”

»Nu wat zou dat, Jacques Reingault?” riep zij, in hooge verbazing. »Ge kost toch niet meenen of wenschen, dat men ze Luthersch of Calvijnsch hadde opgebracht.”

»En waarom niet Calvijnsch, slavinne des bijgeloofs?” riep Modet heftig, »waarom zou aan dit dochterken bij die maniere de weg niet mogen geopend zijn, om te komen tot de kennisse des Woords, die brengen kan tot de verzekering der zaligheid naar de genadige roepinge Gods? Waarom niet veeleer dat, dan dat ze verloren zou gaan, ten eeuwigen dage liggende in de diepte van de afgodische Pausen-kerk, en zich stellende te zijn wat gij blijkt te wezen, eene aanhangster van den Antichrist, en eene navolgster van de ontuchtige hoere van Babel?”

»Wat onderstaat gij u mij dus te schendnamen?” riep Barbara die niet veel van Modet’s woorden had begrepen, maar toch de laatste meende te verstaan. »Vileinige ketterpriester! Noem dus uwe eigene vrouwen, dochters of bijzitten, sinds die schande omgaat en menigvuldig is in uwe verfoeielijke Kerke! Ik eene hoere? vermaledijde sektaris! Weeg uwe woorden beter, eer gij ze op uwe venijnige tonge neemt! Barbara Boots is eene eerlijke vrouwe, wettig gehijlikt met een braaf Spanjoolsch soldaat, en hem getrouw in nood en verzoeking, alschoon gescheiden door de zware kansen van dezen bitteren oorlog!”

Terwijl zij dit uitriep, met zóó heftige gebaren en zóó dreigende blikken, als men het van haar wachten kon bij zulke aanleiding, was zij Modet dicht genaderd, als om door daden van toorn de scherpe woorden te bekrachtigen. Nu hem dicht in de oogen ziende, riep ze op eenmaal uit:

»Hoe heb ik het nu? Is dit niet de uitgeloopen mispaap, pater Herman? die tot Gend de luiden tot hagepreken verlokte en tot Antwerpen in ’t geuzenoproer het volk tot het uitstormen der heilige beelden heeft aangeport? ’t Zijn fraaie luiden, waar gij hier mee verkeert meester Jacques! en zoo nu ’t spreekwoord waar zegt, "men kent een man bij zijn gezelle," dan…”

Het spreekt vanzelve, dat Modet zich gereed maakte, Barbara’s toespraak op zijne wijze te beantwoorden; maar Reingoud, die al telkenmale gepoogd had, tusschenbeiden te komen, vatte nu het woord op, zoo rechtstreeks tot hem gericht:

»Eerwaarde heer! daar is met deze Paapsche harpij geen omgaan dan op zekere maniere, die ik alleen kenne. Laat mij het spreken, en acht u zelven te goed voor zoo lagen redetwist!”

Toen zich tot Barbara keerende, met iets rustigs en hoogs in de houding, dat kalmte gebood en eerbied afdwong, zeide hij haar:

»Vrouwe Boots! gij zegt wel: "aan zijn gezelle kent men den man." Dus hadt gij konnen raden aan ’t bijwezen van dezen achtbaren man, die een Gereformeerd predikant is, dat ik zelve gekomen ben tot verandering van geloof en tot de kennisse der gezuiverde waarheid, en van u, die eene wijze en schrandere vrouwe zijt, van u doet het mij wonder, dat gij zelve in ’t verloop van zooveel tijd en bij zoovele wegen, als u daartoe hadden kunnen brengen, niet tot zulker overtuiging gekomen zijt!”

»Ik, meester?” vroeg zij verwonderd en overbluft, als meerdere lieden van hare soort, die terstond gevat zijn, om ruwheid met ruwheid te beantwoorden en voor scherpheid scherpte terug te geven, maar die den draad der tegenspraak verliezen en de tegenwoordigheid van geest, zoo haast ze met beschaafde en kalme redeneeringen worden aangesproken en overheerd.

»Ja, Barbara!” hernam Reingoud op nog zachter toon, zonder haar tijd te gunnen, van hare verwarring te bekomen, of na te denken over de geheele beteekenis zijner woorden. »En vele vrome luiden kan ik u tot voorbeeld noemen. Denk slechts de Gravin van Egmond! Gij weet, hoe wij die gekend hebben, gehecht aan de oude begrippen, en menigte nobele en wel wijze lieden meer. Meent gij, dat na zulke exempelen daar niet recht en reden moet zijn, die het volgen daaraf billijken? En ziet gij, sinds ik die gevolgd ben, is het eene natuurlijke consequentie der oorzake, dat ik mij bedroeven moet als bevreemden, dat men mijn kind, mijne kleine Jacoba, die gij tot trouwe geleidster hebt gestrekt, als ik denken kan, in begrippen heeft versterkt en vastgemaakt, dergelijken voortaan niet anders kunnen zijn, dan strijdende met de mijne!”

Toen hief zich Jacoba op, het zonderlinge kind, dat na den eersten verschrikten uitroep van Reingoud zich ter zijde had gewend, en als zonder deelneming was gebleven in de twisten, die zich verhieven, maar niet toch zonder er aandacht op te geven; want nu sprak zij met hare diepe en ernstige stem:

»Dat dit u pijne moet geven, voelt mijne ziele, heer! maar toorn daarom niet tegen de lieden, die dat bestaan hebben! want zoo zeker zij daarin gehandeld hebben naar hun beste geweten, zoo zeker hebben zij dat niet gedaan buiten den wil en de leiding van ’t Hemelsch Bestuur; en zoo gij ooit ietwat gesmaakt hebt in de dagen uwer trouwe aan haar van de verkwikkingen, die onze Kerk reikt aan hare geloovigen, ge zoudt zekerlijk nog genoeg geheugen hebben van de liefelijke koestering eener zoo teedere moeder, en de dankbare teerheid begrijpen, die voor haar hebben moet het weesje, dat zij moederliefde en vadertrouwe beide heeft vergoed.”

In Reingoud’s oogen flikkerde een hartstochtelijk vuur, en zijne wangen kleurden zich met een hoogen gloed, toen hij haar dit spreken hoorde. Hij sloeg de hand aan het voorhoofd en zweeg eene wijle, als moest hij zich herstellen van eene vreemde aandoening; eindelijk sprak hij:

»Vadertrouw en moederliefde, Jacoba! zult gij beide vinden in het huis en hart van uw grootvader, en tot geen anderen prijs dan het verzaken uwer dwaalbegrippen.”

»Gij doet wel, meester Reingoud! met die aanbieding op die voorwaarde,” sprak Modet, »want, schoon er geschreven staat: "hebt geene gemeenschap met de Heidenen," dewelken in onze dagen zijn de Papisten, zoo is ’t toch, dat ge deze jonge dochter, die van uw bloed schijnt, niet verstooten moogt, maar integendeel terechtbrengen naar het licht, niet wetende, of ze niet een uitverkoren lammeken der kudde mocht zijn. Ik biede mij volgaarne aan tot hare onderwijzinge in den waren weg en om haar af te brengen van de verfoeiinge, daarin ze tot nu toe was levende!” en haar naderende, wilde hij met eene zekere beschermende goedheid hare hand vatten; maar Jacoba trok die schichtig terug, en achteruit wijkende, sprak zij:

»Ik leef niet in verfoeiingen, heer! en ik heb uwe onderwijzinge geenszins noodig, noch zal die aannemen, en het geeft mij wonder, dat een prediker der Calvinisten, die gezegd worden zich toe te leggen op kennisse en geleerdheid, niet zóóveel geheugen heeft van de geschiedenis der Kerk, om van haar dienst en van hare belijders zich zulke gedrochtelijke voorstellingen te maken, als die, waarop vele uwer woorden van dit uur hebben gedoeld.”

Op zijne beurt was Modet overbluft door deze beschaafde tegenspraak, evenals Barbara. Hij kon alleen uitroepen:

»Hoe groote verblindheid en stoutheid, nevens zooveel scherpzinnigheid, in zoo jong een harte!”

Barbara, schoon zij dien niet gansch begreep, genoot den triomf van haar pleegkind; zij stootte Modet aan:

»Wat zeide ik, fijne preekheer! onderwind u niet te disputeeren met haar! zij is doctoren en predikanten te slim af, als ’t op ’t stuk van religie aankomt. En ook om onzen wil, zet het discoord niet aan! Ge ziet, alreede beginnen zij beiden elkander te verstaan, en welhaast zal het lieve kind hem welkom zijn en waard als een engel uit den hemel.”

Jacoba was intusschen haar grootvader genaderd, en voor hem nederknielende, sprak zij dus:

»Waardige heer! men heeft mij hierheen geleid, met hope, dat gij u der weeze, die van uw bloed is, zoudt aantrekken, en haar ter hulpe zijn en bescherming in dit leven. Zij behoeft weinig: zij verlangt niets dan wat ruste en wat eenzaamheid; slechts bidt zij dit ééne: moei u niet met haar geloof, en doe geene pogingen, om haar af te brengen van hare trouw aan hare altaren! want, zoo waarachtig die altaren dezelfde zijn, waar het allereerst de gekruiste Christus is geloofd en aangebeden, zoo waarachtig zoudt ge haar bij die pogingen wel des levens lust benemen kunnen en het leven zelve, maar haar daaraan niet ontrouw maken door geweld van woorden, noch gebruik van macht!”

Kennelijk verhief zich een zware strijd in Reingoud’s ziel, gelijk hij gedurende geheel dit gesprek nauwelijks zich zelve was geweest, en telkens iets zwaks en weifelends had gehad in zijne houding, als ontbrak hem kracht, of overtuiging, of beslotenheid om zich te toonen, wat hij was, als wist hij zelve niet, wat te willen; nu echter zag hij Modet aan, wiens scherp en vurig oog onderzoekend op hem rustte.

Jacoba, die nog geknield lag, hoorde zijn doffen zucht, eer hij sprak.

»Jacoba! deze voorwaarde kan ik niet toestemmen, aldus mag ik u niet aannemen. De religie, waartoe gij u bekent te hooren, zonder hope te geven van bekeering, wordt hier in deze landen niet meer openlijk beleden of geduld; zij strijdt met mijne eigene opiniën en wandel, en…”

»Zelfs is het u niet geoorloofd, omgang of gemeenschap te hebben met zoo verstokte Papisten,” voegde Modet er nevens, »voor ’t minste, zoo gij als oprecht Gereformeerd man wilt aangemerkt en gehouden worden, en der kerkelijke tucht…”

»Ik zal mijn verwant daaraan niet blootgeven,” sprak Jacoba ernstig, en opstaande kuste zij Reingoud’s hand; daarop zeide zij:

»Vader van mijne moeder! vaarwel dan voor dit leven! Zoo ga ik heen, werwaarts Gods engelen mij geleiden zullen. — Barbara! geef mij nog weder uw steun! ons zwerven vangt van nieuws aan.”

Maar vrouwe Boots begon nu te begrijpen, en het was met eene woedende hartstochtelijkheid, dat zij uitriep:

»Wat! hij neemt u niet aan? Wat! hij zendt zijn kind heen? O, die goddelooze Judas! die eerst zijn God heeft verraden, als ik merk, en nu zijn bloed verstoot!”

»Barbara! gij ziet, het gaat mij diep ter harte, maar zij zelve wil niet met mij blijven.”

»Zij niet willen? zij niet, die uit het diepste van Braband tot u gekomen is? Maar zij vreest, dat gij, en die uitgeloopen monnik dáár, haar dwingen zoudt, om van haar geloof te gaan, en schoon ze maar eene zwakke deerne is, als ik eene zwakke vrouwe, en gij veel schoone woorden hebt, daarmee gij de luiden ompraat, dat zult gij nooit op ons verwinnen, noch op haar, noch op mij. Wij zullen niet, als gij, den Heere verloochenen, wiens lichaam wij gesmaakt hebben in ’t heilige Sacrament. Oft gij al het rokje omwendt, daarmede hebt gij de wereld niet verkeerd! Maar kom! ik weet, dat gij in ’t harte niet zoo kwaad zijt als gij met dat grimmig gelaat toonen wilt; laat ons onze disputatiën staken! Neem het kind tot u en beloof het niet te ontrusten om de religie! en om met haar te blijven zal ik mij stellen tot het bestieren uwer huishouding, daarin alreede wanorde heerscht bij mangel van vrouwelijk opzicht. Ware ik anders hier binnengekomen, huisdeur en gangdeur openstaande? Nu dan, ter liefde van Jacoba en van u zal ik mij hier vredig dragen, en mij niet moeien met uwe Lutherij, doende als merkte ik die niet!”

»De Heere beware mij,” riep Reingoud met eene soort van afschuw, terwijl hij Modet aanzag. »Ik, die niet eenmaal meid of knecht in mijn huis wil gedoogen voor den minsten dienst, die niet onderzocht is en gebleken, te wezen van de ware leer en van zuivere rechtgeloovigheid op alle punten, ik zou een kruis over mijne tafel gedoogen?”

»Het herdenken van ’t kruis kan toch wel geen Christen tegen zijn!” viel Jacoba in.

»Ei, wat guiterij!” riep Barbara heftig, »deze nieuwe Petrus spreekt dus, en hij meent hetanders; maar ik voorspel, dat kan geen goed einde nemen; het liedje zegt het:

Hij is gehaat als de helsche afgrond,
Die anders denkt in het hert, dan hij spreekt met den mond.

En nu, zeg op, meester Jacques Reingault! want dit weifelen heeft al te zondigen langen duur. Het kind blijft Roomsch; neemt gij het aan of niet?”

Barbara’s toespelingen, dat er geveinsdheid kon loopen tusschen zijne tegenwoordige denkwijze in, scheen Reingoud drukkend en gevaarlijk tegenover Modet, dies dacht het hem noodig, een schitterend bewijs van oprechtheid te geven:

»Jacoba moge gaan! Wie vrouw of kinders liefheeft boven den Heere, is Zijns niet waard!” riep hij met hardheid in den toon.

»Nu, God betere ’t! aan overgroote liefde voor vrouw en kinders hebt gij u, naar mijn weten, nooit bezondigd, man!” riep Barbara. »Getuige uwe arme vrouw, die gij hebt laten verkniezen in eenzaamheid en onlust in ’t leven, om den wille van die slimme en trotsche heks, die gij tot bijzit hebt genomen, en die u wist te belezen, uwe kinderen van u af te zenden, dat de moeder van dezen engel in zoo groote rouwe heeft gebracht, dat ze daaraf gestorven zou zijn, indien niet…”

»Nu zwijg, Barbara!” riep Reingoud gebiedend, niet luid, maar met iets zonderlings in stem en blik, dat wel opzettelijk scheen, »Noodzaak mij niet door andere macht u het zwijgen op te leggen!”

Eene vrouw van dien stempel, te midden van zulk woeden, het zwijgen te willen opleggen op geene forscher wijze, scheen wel een beginnen even ijdel als een hollend paard te willen breidelen met een zijden draad; en toch bleek Reingoud’s middel toereikend; want Barbara zweeg plotseling, werd bleek en wendde het oog van hem af, met eene soort van huivering; toen Jacoba bij de hand vattende, zeide zij zeer verslagen:

»Kom, lieve! kom, het is ons niet goed, hier te zijn! Heiligen des Hemels! dat ik daarop ook niet verdacht was, eer ik u hierheen bracht!” en zachter fluisterde zij: »De duivel was in Iscarioth gevaren, desgelijks in dezen.”

»’t Is mijn grootvader, Barbara!” hernam deze pijnlijk, »maar gij hebt wel gezegd: ons is het hier niet goed; gaan wij!”

En werkelijk gingen zij, en Reingoud liet ze vertrekken. Strak staarde zijn oog Jacoba na, maar zijne hand deed geene enkele beweging om haar terug te roepen. Daarna als tot zich zelven gekomen, zag hij met eene soort van twijfel vragend op zijn gezelschap. Prouninck, wiens bescheidenheid niet op zijne niewsgierigheid had kunnen verkrijgen, heen te gaan vóór den afloop van dit tooneel, wilde zich nu verwijderen, terwijl hij sprak:

»Ik achte, goede heer en vriend! dat gij voor heden den lust lot meerder praats zult verloren hebben.” En Modet scheen willens hem te volgen, na het woord:

»Broeder! hierin is veel duisters, en uwe handelwijze mij gansch niet klaar, maar ik vertrouwe, dat gij het uw leeraar en vriend aanvertrouwen zult.”

Maar Reingoud hield ze terug.

»Geenszins zult gij gaan, welwaarde vrienden! Ik ben zoo geschikt als immer om politiek te praten, en we hebben nog vele belangrijke zaken met elkander te verhandelen.”

En daarop, als wilde hij den indruk van het vreemde voorval door de anderen doen vergeten en voor zich zelven wegweren, begon hij hen te verwikkelen in zoovele belangvolle overwegingen, onderstellingen, profetien en vermoedens, over de gebeurtenissen van den dag en van de dagen die naderden, dat hij hen verbijsterde en medesleepte, en dat de avond gansch was gevallen, eer zij aan scheiden dachten.

Toch had Reingoud gesproken met een hartstochtelijken gloed, die kennelijk overspanning was. Ook toen hij ten laatste alleen was gebleven, liet hij het hoofd voorover nedervallen op de tafel.

»Dat is geleden! Zoo blijve ik ten minste alleen! Zoo mag ik voor ’t minst nadenken over mijn wee.” En toen hij het hoofd ophief was er wanhoop op zijn gelaat, terwijl hij voortging: »En wat heb ik nu gewrocht? Ik heb Jacoba verstooten; de eenige, die nog wat verzachting had kunnen aanbrengen in de hel van mijn leven; ik had dien steen voor ’t minst mij van de consciëntie kunnen werpen, het kind goeddoende van de rampspoedige ouders; dezen ochtend nog zou ik het beste van mijn goed gegeven hebben om de enkele zekerheid, dat dit kind leefde, en de plaatse te kennen waar ze verbleef; — en nu daar zij voor mij stond, zoo liefelijk en aanminnig een schepsel, als nog ooit mijne oogen zagen, heb ik niet eenmaal het hart gehad om tot haar te zeggen: »Jacoba! wat gij zijt en vanwaar gij komt, ik heb u lief als het liefste mijner ziele; help mij het zware pak des levens dragen! Dat komt van die gevloekte afzwering!” riep hij, en sloeg met de gebalde vuist op de tafel. »O! zekerlijk geloove ik, dat ik mijne zaligheid heb afgezworen in die ure. Hoe Barbara recht had, toen zij vermoedde…! Hoe het vrome kind mij een zwaard door de ziele sneed, toen zij mij hare ruste voorhield en hare blijdschap! De reste van mijne levensjaren, die nog komen moeten, gaf ik er voor, om eenmaal, — o! gij Heiligen des Hemels!— eenmaal die ruste te smaken, en dien zaligenden vrede, dien men verkrijgen kan, na eene zuivere biecht! Maar lacy! lacy! moed en geloof tot eene zuivere biecht had ik lange verloren, voor ik dezen vertwijfelden overgang volbracht, met de daad. Toen drong ik mij de gedachte op, dat ik vrede zou vinden in hetgeen zij noemen: het zuivere Woord! En nu, wat is mij die Bijbel?” En met eene soort van minachting zag hij neder op den zijnen, dien hij aanraakte met de toppen der vingers. »Een boek daar alle menschen hetzelfde in lezen, hoe kan één enkele zich dat aantrekken? Hoe? tot een onschuldigen engel als Jacoba, en tot een man als ik, hetzelfde woord? voor beiden dezelfde bekeering? voor mij geene zwaardere boete dan voor haar?” Hij glimlachte bitter. »Ik zeg niet, dat het boek niet goed is, maar het is een boek voor zwakken, voor reinen van hart, voor kleinen van geest, als het zelf zegt, voor geloovigen in ’t eind! Het noemt als voorwaarde van rust en blijdschap, die het zal aanbrengen: geloove. Nu, wie kan zich zelven het geloove geven? Of men niet reeds walging had van dit geloove, als men met oordeel luistert naar de redenen hunner predikers, die ellendigen, die zelfs de zwakke hoop benemen, met u de onmacht tot dat geloove zoo zwaar op het hart te drukken! Simpelen! ze zijn in strijd met de Schrifture waarbij zij zweren; ze begrijpen die zelve niet en zij leggen die uit aan anderen! Dan nog beter is het, dit boek te sluiten voor ’t gemeen bereik, als in ’t pausdom; het brengt voor ’t minst geen verwarring in de hoofden van leeraren en leeken beiden. Toen ik nog Roomsch was, kon ik ten minste gelooven, dat het: te absolvo van mijn biechtvader voor mijwas; hier lees ik voor, dat alle zondaren kunnen zalig worden; de predikanten zeggen van enkelen, en onder die enkelen noemt de blinde ijveraar Modet mij! En waarom? Omdat ik de spreekwijzen weet weer te geven, die de man mij tot vermoeiens toe heeft voorgepraat; — niet omdat hij iets weet van mijn hart, mijn gemoed, mijn leven, meer dan ik aan ieder ander zou hebben vertrouwd ? En ook waartoe? — waartoe aan een man, die door geen eed van zijn ambt is gehouden tot zwijgen? — waartoe aan Modet eerder dan aan Prouninck? — En wat zouden die beiden samen vermogen voor mijn vrede? En toch, God weet, hoe ik daarnaar smachte! God weet, of ik niet luister naar hunne redenen, met hoop, ze zouden een lichtstraal brengen in mijn geest! Maar wat baat het? Ik leere slechts de vormen vatten, waarin zij onder elkander spreken van deze dingen; ik leere ze naspreken, zooals men eene vreemde taal zoude aanleeren; mijn geheugen houdt ze vast; mijne tong geeft ze weder; mijn oordeel kan den zin niet aannemen; maar om dit nabauwen achten zij mij van de hunnen, noemen zij mij rechtgeloovig! Licht is het bij de meesten van die rechtgeloovigen niets anders. Toen hij mij de opiniën van die St. Jacobslieden ontwikkelde, viel het mij in, aandachtig toe te luisteren, oft ook tot dit geloove mijne rede mocht neigen, maar ’t is al één; eene strijdigheid meerder of minder zou mij het harte niet bewegen kunnen. Maar is ’t niet wat simpel, mij met zulke vraagpunten het hoofd te vermoeien? Ik ben nu eenmaal van de Gereformeerde partij, en heb daar mijne bedoeling mede, en ’t zou mij slecht te stade komen, zoo de consciëntie mij op eenmaal perste tot een nieuw geloove te gaan. En die dolle predikant, die mij zeide: "Broeder, gij hebt een zwaar offer gebracht aan uw geloove, uw bloed niet achtende," had hij kunnen weten, hoe zwak een deel daarin had wat hij de religie noemt! Gunde ik het arme kind niet liever hare ruste, dan haar te verwikkelen in mijn strijd? Kon ik het aannemen voor de oogen van deze lieden en het vrij houden van alle kwellingen en moeite, die ik achtte dat ze haar zouden aandoen? Weet ik, wat ik zelve zou kunnen bij de plannen, die ik mij in ’t hoofd heb gezet en bij de dagen die naderen? Weet ik, wat ik zelve zou willen in oogenblikken van zwakheid, of — hoe weet ik het tegendeel — van sterkte? Klonk het mij niet als een schimp in de ooren, toen men het kind Papiste noemde? En dan Barbara Boots met mij te hebben, en van haar aan te zien de zottelijke bijgeloovigheden van het pausdom, die niet meer zijn van onzen tijd, die nooit geweest zijn voor mijn gemoed? En ook, die vrouwen zouden mij in den weg zijn geweest, bij het nieuwe pad, dat ik gaan wil; en dat nu, nu ik zekerheid heb, dat men mij noodig zal hebben; nu ik met Frankrijk heb gebroken; nu Meetkerke mij raad vraagt; nu Julio mijne wenken volgt; nu ik nieuwe vervulling wacht voor mijn leven; nieuwe werkzaamheid; meesterschap; voldoening van eerzucht; rijkdom; alles wat afleiding geeft; alles wat de onrust van ’t gemoed stillen kan… voor eene wijle,” voegde hij er langzaam achter, »en de stemmen smoren, of overschreeuwen voor ’t minst, die het daarbinnen zoo bang maken, dat wanhoop en vertwijfeling u aangrijpen bij hun eersten kreet!” Hij huiverde, en zijn voorhoofd kleurde zich met een blauwachtig bleek.

»En dat alles zou ik dus onberaden opgeven, om de minne van een kind? Zoo erbarmelijk een zwakhoofd ben ik niet,” hervatte hij, zich opheffende uit zijne gebogene houding, en zijne oogen schitterden eene wijle; toch verduisterden zij zich weer, en zijn hoofd boog zich opnieuw toen hij na eene poos hernam:

»Maar Jacoba weg! — Jacoba voor goed in de handen van deze vrouw! — Jacoba zonder bescherming met Barbara samen, licht in gebrek — dolende — zonder — dat — o, mijn God! o, mijn God! — daar moet ik in voorzien! Ik moet althans het kind verzorgen, — al is ’t verre van mij; — ik moet het kind weerzien; — ik moet, ik wil het weer hebben. Waren die lieden niet dáár geweest, ik had mij met Barbara over wat anders kunnen beraden; ik had kunnen plooien en schikken; het al had een goeden keer genomen. Nu, waar mag ze met het kind zijn heengevloden? Ik drage deze onzekerheid niet langer; ik wil het weten, ik wil ze opsporen!”

En werkelijk riep hij een bediende, liet zich eene handlantaren brengen en ijlde zijne deur uit.

Men heeft nu eene eerste kennis gemaakt met den persoon van Reingoud, maar men heeft hem niet gezien in een gelukkig oogenblik, hoewel in een zulk, dat ons een dieperen blik te werpen geeft in zijne ziel, dan of wij hem in eene schitterenden stonde hadden aangetroffen, waarin hij eene zegepraal had behaald op trotsche vijanden door de macht van zijne taal. Want dit oogenblik wijst ons op diepe wonden zijner ziel, verloren gemoedsrust, onvervulde behoeften van geloof en vrede, gebrek aan harmonie en eenheid tusschen hoofd en hart, onzekerheid, die het gelooven evenzeer vreest als het ontkennen, een overwicht van verstand, eene meesterlijke zelfsbeheersching en wilskracht, maar het eerste niet onderschikt aan hooger licht, de andere niet geheiligd door zedelijke bedoeling, en gebroken door weifelingen en woeling van hartstocht en stoffelijk belang. Reingoud — alles heeft het ons gezegd — had reeds een duisteren levensloop achter zich, bij zijne komst in Utrecht; zij was niet eenmaal een geheim in Holland. Wij hebben gezien, dat Barneveld en Leoninus zich dubbelzinnig over hem uitlieten, schoon de laatste hem verdiensten toekende; maar, wat men in Holland wist, dat was in Utrecht licht nog verholen, voor het minst had hij diens ondanks zich door stijve kerkelijken en lieden van strenge zeden, als Modeten Prouninck, weten te doen hoogachten tot eene mate, dat zij zijn omgang en zijne voorlichting zochten, maar dat was niet het grootste meesterstuk zijner behendigheid.

De oude Graaf Lamoraal van Egmond was vroeger zijn meester geweest, of liever hij de zijne, door die geheime overmacht, die een dienaar somtijds maakt tot den heer van hem, wien hij dient. Als blijk van zijne gunst niet minder dan uit overtuiging van zijne bekwaamheid, wilde Egmond hem een ambt opgedragen zien bij de financiën.Granvelle stelde zich scherp daartegen, zoo scherp, dat het eene oorzaak werd van twist en bitterheid tusschen die beide fiere mannen, totdat Reingoud zelf Granvelle’s tegenzin wist te overwinnen en te verkeeren in eene genegenheid, die als eerste gave het betwiste ambt voor hem ten beste had. Zóó krachtig een invloed had dat stout en doorslepen karakter, dat scherpzinnig hoofd, en dat helder vaardig oordeel weten te verkrijgen in den loop van korte onderhandelingen op een groot staatsman als de Kardinaal-minister, dien het toch zeker niet aan scherpheid van blik zal ontbroken hebben, om hem te doorzien, en die daarna hem zoo vaak gebruikte als hij konde, en in de fijnste zaken. Dat was eene duchtige school voor zulk een leerling; ook had hij er groote vorderingen gemaakt, en toen hij de Spaansche heerschappij zag ophouden in de Nederlanden, en om nog krachtiger drangredenen van zijn persoonlijk belang gedwongen was, de Zuidelijke gewesten te mijden, week hij naar Holland en beproefde daar eene fortuin, die hij door zoo krachtige gaven wist te stevigen. Toch verkreeg hij er niet, wat hij wenschte, en het gelukte hem zelfs niet, een lid uit te maken van een gezantschap, dat naar Frankrijk gezonden werd, om over de opdracht der souvereiniteit te handelen.

»Toen reisde hij het gezantschap na zonder roeping, en stelde zich partij, waar hij had aangeboden bondgenoot te zijn, en door behendige inwerking wist hij zich te stellen tusschen den Koning en de gezanten, op zulke wijze, dat de eerste hem een vertrouwen schonk, dat hij nauw eigene staatdienaars schenken mocht. Het berichtschrift der ambassadeurs, dat geheim had moeten blijven, gaf hij Reingoud in handen, ter inzage en beoordeeling, en liet toe, dat hij daarop zijne aanmerkingen maakte en ternederstelde. Wat hem bewogen heeft, Frankrijk te verlaten bij zulke kansen, heldert de historie niet op; het mag wel gelegen hebben in eene onrustige natuur, die het liefst met zwarigheden kampte, en de geëffende baan een te licht pad vond voor een vasten voet; maar zeker is het, dat hij daar niet bleef, en opnieuw poogde zich vooruit te zetten in Engeland, toen een ander gezantschap uit Holland derwaarts ging, om over dezelfde opdracht met Elisabeth te onderhandelen.

Dáár leerde hij begrijpen, dat het woord Roomsch-katholiek hem een hinderpaal moest zijn bij iedere schrede, zoowel hier als in Holland. Ook in Holland teruggekeerd, wierp hij dat geloof af als een last, die hem reeds lange hinderlijk geweest was te torsen, en dien de gewoonte alléén hem tot hiertoe had doen meedragen; maar behendig liet hij Modet de eere smaken van die verandering; behendig wist hij hem den triomf te doen genieten, een leek als dezen gewonnen te hebben voor zijne Kerk, en in den trots en dankbaarheid van den gelukkigen ijveraar had hij zich een machtigen bondgenoot geworven voor verdere plannen. Tot dit alles behoorde niet enkel eene ongewone staatkundige behendigheid, maar ook eene hooge mate van geveinsdheid, en toch was Reingoud geen huichelaar in de zwartste beteekenis van het woord. Reingoud was een van die menschen als er meer zijn, uit tweeërlei menschen samengesteld, die beiden beurt voor beurt zegevierden, beurt voor beurt heerschten. Sterk van hoofd, zwak van karakter ging het hem meestal als Robert le diable; zijne deugd hing af van een klokslag; erger nog: in de vreeselijke oefenschool van de Machiavelistische staatkunde, had hij deugd en ondeugd leeren verwarren, met eene onbegrijpelijke gemakkelijkheid zich indenkende in de gevoelens, in de beginselen van anderen, en zich daarnaar voegende, waar zijn belang of de eisch van het oogenblik het medebracht, was hij de rechte grenslijn bijster geworden; waar plooibaarheid dubbelheid werd, was hij menigmaal met zich zelven in strijd over zijn waar of zijn ondersteld karakter, zóó ernstig nam hij de houding aan, die hij goeddacht te toonen; zoozeer scheen hij niet enkel, wat hij schijnen wilde, maar zóó zeker was hij het op datzelfde oogenblik. Zoo in het staatkundige. In het burgerlijke, in het godsdienstige was het niet beter; dáár heerschte nog meer verwarring, nog meer strijdigs,

nog meer weifeling, nog meer onzekerheid, naarmate hij op zijne wijze pogingen deed, om tot eene overtuiging te komen, die hij niet zoeken kon met een eenvoudig hart; zijn vernuft wilde uitcijferen, zijn trots wilde rekenschap eischen, zijne schranderheid wilde zich niet laten beschamen; hij meende zelf, dat hij overtuiging zocht, maar het was de logen, die sprak uit een ontreinigd gemoed; hij zou gehaat hebben, wie hem dus had overtuigd. Hij was geëindigd met den vorm van den eeredienst voor niets meer te houden, dan een vaandel van hereeniging voor zekere partij, en die alzoo te gebruiken; in het diepste zijner ziel den overijverigen Modet minachtende, die bekrompen genoeg was, er iets meer van te maken. Was het vreemd, dat deze ziel open lag voor iederen aanval van het zelfbelang, van den hartstocht, van de zinnelijkheid? Was het vreemd, dat dit hart zich sluiten kon voor het zachtste menschelijke gevoel, om zich plotseling weer met hartstocht en tot weekheid toe, aan de teerste indrukken daarvan over te geven?

Zulk een strijd vooral was het geweest, dien hij had doorgestaan bij Jacoba’s komst, in tegenwoordigheid van mannen als Modet en Prouninck. Zijn hart had zich geopend, maar het koud berekenend verstand had het snel weer gesloten; hij had al zijne ontwerpen moeten opgeven, zoo hij Jacoba had aangenomen op hare voorwaarden, en hij had te veel liefde voor haar, en te veel gemoedelijkheid zelfs om haar de zijne op te leggen; vandaar zijn weifelen, zijne zwakheid, zijne besluiteloosheid; vandaar zijn lijdelijk toestemmen in haar vertrek; hij, die eens besloten, zijn wil nooit had laten buigen, noch voor omstandigheden, noch voor personen. Maar nu ook bevreemdt het niemand, dat in die ziel een hartstochtelijk berouw de ijskoude strakheid verving…, dat nadenken hem in eene overspanning bracht, die hem met koortsige drift tot handelen aanzette.

………………

………………

………………

»Dat ik u bidde, vriend! ga uit mijn weg; ik hebbe haast voort te komen!” sprak Reingoud, een uur later tot een man, die onbewegelijk als een standbeeld stond te leunen tegen een paal, die het enge dwarsstraatje in tweeën scheidde, en die dus hem in ’t voortgaan belemmerde, en als onwillekeurig hielp zijne hand de bede wat aandringen.

De persoon dus op tweeërlei wijze opmerkzaam gemaakt, wendde zich langzaam om, en zeide ernstig, doch zonder scherpheid:

»Master! gij kondt voorbijgaan zonder mij te storen; ik meende dat voor Engelschen en Hollanders de rechten op de openbare straat gelijke waren.”

»Een Engelschman,” herhaalde Reingoud, ietwat verrast, en met eenige hoffelijkheid sprak hij: »verschooning, sir! ik althans zal geen Engelsch heer hier rechten betwisten, en zoo mijn greep wat onzacht was, het is omdat de drift en de haast mij het bloed wat verhit hebben. Ik heb noodig, die vrouwe in te halen die daar voortloopt met zoo gejaagde schreden.”

»Gij hebt dan niet noodig veel verder te gaan; want welhaast zult gij ze in dat hoekhuis links zien binnentreden, en gij kunt haar daar opzoeken, zoo ge er moed en vrijheid toe hebt,” voegde hij er bij met een zucht. »Zie slechts!”

En werkelijk, Barbara Boots ging het onaanzienlijke huisje binnen; maar zij was alleen.

»Gij dus ook, moeit u met de gangen van die vrouw?” vroeg Reingoud verwonderd.

»Ik heb al zooveel recht u te vragen, waarom gij er u mede moeit?” hernam Douglas, want wij begrijpen dat hij het is.

»Ik oefen het recht van een verwant, — en nu gij, heer?”

»Ik dat van een vroegeren beschermer, maar gij, master! een verwant! zijt gij het van die vrouw zelve, of van de persone die zij geleidt?”

»Gij weet dus ook dat zij eene andere met zich heeft?”

»O! zoo ik dat niet wist, toonde ik dan dus belang in deze avontuurlijke vrouwe, die nog Papistisch is bovendien? Maar een verwant, heer! zoo gij dat zijt van Jacoba, dan zijt gij wel zeker dezelfde, naar wien zij is komen heenreizen uit het diepste van Braband, en dien zij licht niet heeft kunnen uitvinden in deze groote stad?”

»Ja, het arme kind moet een zwaren tocht hebben afgelegd, en dat tot zulker uitkomst!” sprak Reingoud dof als bij zich zelven. »Die uitkomst kan nu eene goede worden: als gij die verwant zijt, hebt gij slechts daar binnen te gaan en u te doen kennen. Barbara Boots zal gehaast wezen u de jonkvrouwe toe te voeren, en ik zal God den Heere danken, die haar in veilige hoede heeft gebracht.”

»Haar belang gaat u dan wel ter harte?” vroeg Reingoud met stijgende verwondering.

»Bij God en mijne eer, sir! als het mijne!” hernam Douglas hartstochtelijk.

»Dan waarlijk, sir! doet het mij wonder, dat gij zelve Barbara Boots niet gevolgd zijt, om u Jacoba’s lot aan te trekken.”

»Wilde zij dat dan? Was het niet daarover, dat ik met die vrouw strijd had, even voor gij dáár aankwaamt? Heeft ze mij niet geboden, in den naam van de jonkvrouw zelve, geen stap verder te doen, noch eenige poging, om haar verblijf te ontdekken en haar te bezoeken? En ik, die tot Utrecht gekomen ben, vóór de anderen, met geen ander doel dan haar weer te vinden, haar te beschermen, waar ’t nood deed, zelfs al ware zij niet af te brengen van hare Papistische dolingen…! En ben ik niet zoovele dagen lang hier geweest, zonder spoor of teeken te vinden van ’t veel geachte goed, en als wanhopende aan het hervinden daarvan, schoon een schrander vriend mij daarin steunde? En oordeel dus van mijne blijdschap, toen ik gisteren in het midden van de stad Barbara weder ontmoette, verzellende Jacoba, en de jonkvrouw gezond zijnde van lijf en leden, en hoe ik den Heer prees voor die leidinge! En toch zou het mij strekken tot weinig voldoeninge; want, schoon ik in mijne verrukking wel neergeknield zou zijn op de straat, zonder aanmerking dat het heldere dag was, zij schenen zeer weinig te deelen de vreugde van het wederzien, en schoon ik mijn arm bood, om ze veilig te leiden door het volk, het werd stroef afgeslagen, en Barbara zeide mij: "Als de juffer met haar bloedverwant is, mag die oordeelen, of haar uwe bekendschap dient."”

»Dat zeggen had goeden schijn van billijkheid,” merkte Reingoud aan.

»Niettemin was ’t hard voor mij. Toch was ik vaardig tot gehoorzamen, en Barbara, ietwat tot zachtigheid geneigd, gaf mij afspraak te dezer plaatse voor hedenavond. Dan zou zij mij zeggen, of en waar ik Jacoba zou mogen wederzien.”

»Nu,” vroeg Reingoud heftig, »gij weet dus…?”

»Leider niets! Vrouw Boots scheen zooeven zeer ontstemd van gemoed, zeide mij niet, wat er gebeurd was met Jacoba, maar wel, dat een droevige keer in haar lot haar de leste hope had benomen op haar verwant, en dat zij nu in eene plaatse zich onthield, waar zij mij niet wilde noch konde toestaan, haar te bezoeken. En toen ik meer wilde vragen en harder drong, met zoovele bewegelijke woorden als ik inderhaast vinden kon, ijlde zij voort, als gij gezien hebt, mij verbiedende, bij Jacoba’s toorn, haar zelve te volgen. En schoon ik niet ben van degenen, die al de wetten der hoofsche ridderschap fijntjes weten na te leven zoo is dit toch een bevel, dat de eer en ’t zelfsbelang geboden te volgen. Maar hoe ’t mij zwaar viel, moogt gij indenken, heer en niet langer moge het u vreemd schijnen, dat ge mij vondt, die hardvochte vrouw nastarende, als een man die van zinnen is.”

»Ik begrijp uw spijt, en ik eere uw schroom, mijn jonge vriend!” zeide Reingoud, zijne hand vattende; »en zoo ’t immer in mijne macht valt, hope ik de laatste te loonen. Naar uw uiterlijk te oordeelen, schijnt gij mij toe te wezen een jonkman van goeder afkomst en opvoeding, ik heb hooge achting voor de Engelsche natie, zonderling voor allen daarvan, die hierheen gekomen zijn, om dit land te verlossen uit de groote jammeren, daarin het gedompeld is. Zoo ik dus het kind tot mij neme, daar ik nu wel toe besloten ben, zal ik u vrijheid geven, uwe kennis te vernieuwen met haar en met mij.”

»O, wees daarvoor gedankt, heer! gij weet niet, hoe groot eene weldaad gij mij daarmede toezegt; want, ziet gij! het gedenken aan haar, de hope op het wederzien, en de vreeze van het tegendeel, laten mij ruste bij dag noch bij nachte; ’t is mij eene gestadige kwelling, die mij verstrooit bij den dienst van Mylord, daar ik mijne halve aandacht nauw aan geef; het leidt mij af bij mijn gebed; — met tranen en met berouw verwijt ik het mij zelven, als ik het vertrouwe aan u. Ik verzake God voor het schepsel! Gij verstaat, wat dat is?”

»Ja, zekerlijk doe ik! — het kwelt u, dat zij tot de Pauselijke kerk hoort, en dat zij schijnt met hardnekte verknochtheid die aan te hangen.”

»Dat is het juist, wat mij de consciëntie nog meer benauwt.”

»Arme jonkman! ik begrijp uw strijd; — veel meer, ik voele die mede; — en ’t was daarom, dat ik niet terstond besluiten kon, Jacoba met mij te houden.”

»Hoe! zij is dus reeds met u geweest, en gij — gij hebt haar kunnen verstooten?” voegde Douglas met moeite er bij.

»Niet verstooten; slechts eischte ik, dat zij van haar bijgeloof zoude afstand doen.”

»Dat zoude ieder Christen in uwe plaats hebben geëischt.”

»Zoo meende ik het ook, doch zij begeerde liever mijne liefde, mijne bescherming op te geven, dan hierin toe te stemmen, en zij heeft mijn huis verlaten, zich opnieuw vertrouwende aan de leiding van Barbara Boots.”

»Maar hoe mag ’t wezen heer! dat gij het hebt konnen toestaan? Haar toevertrouwen aan die vrouw! Gij weet niet, wat al leeds en smaads haar kan toekomen, door ’t bijwezen en de vreemde gedragingen dezer avonturierster. Om niet eenmaal te spreken, hoe grootelijks gij u daarin bezondigd hebt aan hare ziele, haar als overgevende in de strikken der Paapsche verleiding!”

»Lacy! zij was immers daarin alreede diep verward, en zoo verhard in dat geloove.”

»Dat geeft geenszins eenig Christen en allerminst een bloedvriend recht, om haar los te laten. Christus heeft gezegd: "Dwingt ze om in te komen!" en Hij zelf heeft van Saulus de hand niet afgetrokken, schoon die de vurigste was onder de vijanden, en is die Saulus niet tot een Paulus geworden? Voorwaar, heer! veracht het woord mijner jonkheid niet, maar daarin hebt gij niet wel gedaan, en ik bidde u, om uws zelfs wille, om den wille dier minnelijke en verdoolde jonkvrouw, en om den mijnen, dat gij nu haastelijk dit verzuim goed maakt, en u verzekert van ’t bijwezen van uw kleinkind!”

»Zoo wil ik, jonge man! zoo wil ik, en daartoe ook was ik hier. Zoo slechts Barbara mij te woord wil staan; ik ken hare hoofdigheid.”

»Die zal zich buigen voor uwe rechten, hoe ook onwrikbaar voor mijne smeekingen ”

»Nu dan, ik ga ’t beproeven; gelust het u, mij te wachten?”

»Volgaarne wil ik, als gij ’t mij gunt.”

En Reingoud trad de donkere dwarsstraat dieper in; maar tegelijk zag men aan het eind daarvan uit het bewuste huis eene vrouwengestalte te voorschijn komen. Het was Barbara zelve; zij droeg eene lantaren van geölied papier in de eene hand en in de andere een bundeltje. Eene wijle scheen het, of ze terug wilde keeren, toen zij een man hoorde naderen; maar toch stapte zij besloten door. Welhaast was Reingoud bij haar; welhaast waren zij in gesprek; en dat het een levendig moest zijn, bleek uit de heftigheid van beider gebaren, wel te onderscheiden bij de gele flikkering van het draagbare licht, wel te hooren zelfs uit den luiden en scherpen klank van hun spreken, schoon geene woorden voor Douglas waren te verstaan. Na eene poos echter kwamen zij dichter bij, en de Engelsche jongeling hoorde toen duidelijk, hoe Barbara uitriep:

»Neen, waarachtig, meester Jacques! daarmede zult gij mij niet overhalen, — neen, zeer zekerlijk zegge ik het u niet, — het kind is nu wel, daar het is.”

En Reingoud’s stem klonk nu vleiend:

»Barbara! wil mij gelooven! Ik ben tot gansch andere gedachten gekomen, en zoo ik toen aarzelde, was het uit vreeze!” en zijne stem daalde tot een onhoorbaar fluisteren.

De hare was luider, toen zij antwoordde:

»Een vroed en degelijk man moest niet zoo wankelbaar zijn van zin! Wat geeft mij borge, dat gij niet opnieuw van gedachten wisselt? Neen! nu gij ’t kind eens verdreven hebt, is ’t zake, dat ze niet weder tot u komt. Om niet te zeggen, dat ik nog gansch niet bekomen ben van den schrik en den achterdocht, dien gij zelf in mij hebt verwekt, oft wel uwe wondre overmacht over menschen en zaken niet van helsche herkomst is, of voor ’t minst door inwerking van onzuivere toovermacht!”

»Ei, wat ijdele inbeelding voor eene zóó wel verstandige vrouwe! Moest ik u dan niet het zwijgen opleggen, op welke maniere dan ook, nog meer om den wille van ’t kind, dan om den mijnen? En daartoe nog…,” en weder werden zijne woorden onverstaanbaar, maar aan zijne gebaren was het te zien, dat hij ernstig sprak en met vuur; doch zij antwoordde:

»Neen, heer Reingoud! al klinkt dit spreken schoon, al hebt gij te allen tijde der luiden hart weten te neigen naar de zoete fleemtaal van uwe tong, toch zeg ik u, mij zult gij er ditmaal niet mede belezen, als ge het weleens gedaan hebt, toen ik nog eene onnoozele deerne was. Al mocht het in ’t begin mooitjes schijnen tusschen u en Jacoba; Duren is eene mooie stad, en met u woont men daarin wel niet lang!”

»Barbara! Barbara! ik gelaat mij van u te smeeken, wat ik toch recht had met macht te eischen. Zoo deze plaats het toeliet, ik zoude aan uwe voeten vallen en uwe knieën omhelzen, en dat om die ééne gunst: noem mij Jacoba’s verblijf! want dat gij haar in ’t gindsche huis niet geborgen hebt, schijnt mij zeker.”

»Dat raadt gij, man! maar te eer zeg ik u niet, wat ge weten wilt, waartoe zou ’t zijn?”

»Waartoe het zijn zou? Gedenk doch, Barbara! dat zij mij zou strekken tot eenige vreugd in mijne eenzaamheid, tot eenigen lust in de bitterheid van mijn leven; — o! gij weet niet; er is mij dezen dag veel door het hoofd gegaan en veel in het harte veranderd; mijn leven is zonder haar na dezen geen leven meer; — ’t is een eeuwige strijd, een vagevuur…”

»Des te beter! dus kunt gij u wennen aan de hel; want ik vreeze, man! daartoe komt het toch ten leste met u.”

»Fij, Barbara! hoe kunt ge jok spreken? ik spreke in reinen, trouwen ernst; — breng mij het kind of wijs mij hare wijkplaats, en gij zult zien, hoe het voor haar, voor mij, voor u zelve, tot heil, tot troost en tot vordering van blijde dagen zal zijn!”

»Ja wel, bijget! zoo ’t niet anders uitviel! Gissen kan missen. — Wat geeft mij borge, dat gij hierin oprecht zijt, en oprechtelijk handelen zult? Wat geeft mij borge, dat het met goede voornemens is, dat gij dus omgezwenkt zijt, in zoo korten tijd? Wat geeft mij borge, dat niet Jacoba gekweld wordt…”

»Mijn mannewoord,” sprak hij luide en ernstig, en al had hij het zachter gesproken, toch had Douglas het verstaan; want Barbara was telkens voorwaarts gestapt, en Reingoud had haar moeten volgen.

»Een mannewoord?” riep zij luide, en bijna hoonend. »’t Is een fraai pand, dat ge mij daar geven wilt! Dat is wel de grofste valsche munt, daar Jacoba’s lot voor zou verkocht konnen worden. Uw mannewoord bovenal is wat zaaks! Kost ge zelve noemen hoevele malen ge het gegeven hebt en teruggenomen, bovenal als het mijns gelijken gold? En dat der mannen over ’t algemeen, is ’t niet het wankelbaarste van alle dingen en het minste van waarde, waar vrouwenooren mee gepaaid worden en vrouwenharten mee misleid? Zweer dan liever bij vrouwetrouw, als gij denkt, dat eeden mij belezen kosten; maar der mannen woord, manneneed, bij St. Barbara’s marteldood! ik kenne den man niet, van wien ik het aan zou nemen als geldige verzekering.”

»Ook van mij niet, vrouwe Boots?” vroeg Douglas met zijne diepe, ernstige stem, »ook van mij, wiens eer en trouwe gij kennen moet; als ik mij borg stelle voor dezen man?”

»Ei, heer Douglas! zijt gij nog daar? Die moeite hadt gij u kunnen uitsparen; maar nu gij ’t mij afvraagt, wil ik bekennen, u te houden voor een goed en nobel heer, tot ik van het tegendeel bewijzen zie, hebbende van u blijken van eer en trouw; maar, lacy! één vreemde vogel maakt nog geene drift; — en zoo haast ge met meester Jacques Reingault gemeene zaak maakt, wete ik niet, waarom ik u niet aanmerken zou, als vogels van eender veeren!”

»Nu dan, geef mij geen betrouwen; maar vraag een pand van mij, het kostbaarste, het heiligste, dat gij wilt, daarmede ik mij verbinden zal, Jacoba’s beschermer en helper te zijn in allen nood, — en op die conditie, noem mij de plaatse van haar verblijf!”

»Alevel doe ik dat niet, goede heer! en de reden er van is: hij,” en zij wees op Reingoud, »heeft niet genoeg liefde getoond voor het kind; — en gij, fijne heer! gij wat al te veel; — en zoo laat mij gaan, meesters! ik trek heen uit Uitert, en mijn geheim neme ik met mij.”

»Gij zult niet,” riep Reingoud, »al zoude er geweld…” en met kracht greep hij haar arm.

»Met dwang verkrijgt gij niets; gij zoudt mij de tonge uit den hals rijten, maar niet het woord, dat gij wenscht.”

»Ik bidde, laat af van haar! geene mishandeling!” riep Douglas, die Reingoud’s hand terughield.

Barbara nam dit oogenblik waar, om vlug weg te wippen.

»Nu dan, gij, meesters! wilt gij ’t weten, waar ik het kind heb verstoken?” riep zij hun toe uit de verte.

»Zeg, Barbara! zeg!” bad Douglas, die aan hare schalkheid niet dacht.

»In een klooster, gij, nobele voorvechters der Geuzen-religie!” riep zij lachende.

»O, mijn God! in een klooster!” riep Reingoud, als inéénkrimpende van schrik. »Dan is het kind voor mij verloren, dan moet ik het opgeven!”

»Ik niet!” riep Douglas. »Wees getroost, goede heer Reingoud! ik zal haar uitvinden; ik zal ze u wedergeven.”

»Hoe vangt gij ’t aan? wat zult gij doen?”

»Ik ga machtige hulp inroepen!” riep Douglas, en ijlde voort.

»Om ’s Hemels wil! geene opspraak! ik wil geene opspraak van dit geval!” riep Reingoud hem toe; doch de jonkman verstond zijne woorden niet meer.

En al had hij ze verstaan, zou dat gebaat hebben?


Ingezonden op: 19 July 2001