LEYCESTER IN NEDERLAND

II.

HET GEZIN EN DE LEERAAR.


Een veertien dagen daarna zien wij Jacoba in den familiekring van den predikant Taco Sijbrandsz.; het is een stil en liefelijk namiddaguur, en uitgenomen de heer des huizes is het gansche huisgezin samen. Rustig is het dus niet, waar zulk een getal jonge kinderen spelen en woelen; maar de kamer is ruim, en overzwierige meubelen zijn er niet te beschadigen. De moeder heeft dus niet noodig, ieder hunner bewegingen met angst te bespieden, en iederen sprong van hun uitspattend leven door een afkeurend gebaar te berispen; niet eeuwig berispt, worden ze niet stout, kwellen elkander niet uit verveling, en hunne kreten en gejoel, zijn geene andere dan uitingen van vroolijkheid en levenslust, die zelfs het verouderde hart nog vreugd geven te hooren. De oudste zoon Cornelis zit in het midden van het vertrek, en is licht de eenige, die last heeft van het gewoel; want het strekt hem tot afleiding. Licht zou hij nog gaarne zich mengen in het spel, maar de Latijnsche les is nog niet in het hoofd, en er zal eene wapenschouwing plaats hebben voor het Duitsche Huis, daar hij alle Latijnsche boeken wel voor in de lucht zou wenschen. De twee oudste meisjes oefenen hare handigheid in een vrouwelijk handwerk, onder de leiding der moeder, der zachte minzame, wier bleek en wat ziekelijk gelaat toch kenmerken draagt van rust en gelatenheid; — die zelve zoo ijverig spint, dat de dunne, maar vermagerde vingers wel één schijnen geworden met den teeren vlasdraad, die toch door hare geoefendheid zoo zelden breekt. Naast haar zit Jacoba, bezig met een dier aardige en kunstige knipseltjes, sierlijk als kant en fijn als spinrag, waar wel het geduld en de ledigheid des kloosters voor zijn moet, om ze uit te vinden en aan te leeren, doch dat zij oefent onder de gretige blikken van twee nieuwsgierige kleinen, die haar met de zoetste woordjes het halfvoltooide kunststukje afvleien. Achter haar staat Leoninus, die wel mede bewondert, en nog meer de kleine hand dan het fijne werk; doch die met wat ongeduld opmerkt, dat het lieve kopje daarbij zoo zelden glimlachend naar hem opziet. De liefelijke lentezon, die reeds wat kracht wint, werpt van tijd tot tijd, door het hooge venster, een straal van warmte en vroolijkheid over oud en jong; het geheel geeft u een indruk van gezelligheid, van opgeruimdheid, van ijver, en het leert u begrijpen de aantrekkelijkheid en de poëzie van het eenvoudige werkelijke leven, alleen opgesierd door stille huiselijke deugden.

Jacoba heeft hare kloosterachtige kleeding gewisseld voor die eener jonge vrouw van het tijdperk, wel altijd het stemmige zwart, doch afgewisseld door veel zilver-borduursel, knoopjes en amanzen van zilver, die mouwen en keurs versieren, en die bij de laatste zelfs nauwelijks meer het zwart laten onderkennen. Eene guimpe van brabandsche kant, en een smal omgeslagen halskraag van dezelfde fijne stof, laten nog vrij veel zien van den teederen witten hals, door eene dubbele gouden halsketen versierd, waaraan,— wij moeten de waarheid erkennen, — nog altijd een klein krucifiks hangt. Haar goud-blond haar hangt in fijne krullen neder, slechts achter een weinig opgenomen in een wrong, die met een paar gouden haarspelden bevestigd is. Het noodwendige hoogje van kant heeft haar goede smaak verworpen, en licht zal het alleen bij plechtige gelegenheden worden opgezet; maar daarentegen prijken in hare ooren kleine baggen van goud, waaraan eene parel glinstert.

Men ziet het, ze heeft zelfs smaak gekregen in wereldsche versierselen; de laatste heeft Elias haar aangeboden; al het overige heeft Barbara gezegd, kwam haar toe van de goedheid harer gastvrouw; alleen vreemd is het dan, dat deze zelve zoo hoogst eenvoudig is, en zelfs hare dochterkens geen enkel overtollig versiersel toestaat. Maar Jacoba ziet daarin de zedige stemmigheid van een leeraars-gezin, en raadt niet de hand die haar weldoet. Niet enkel hare kleeding is veranderd, ook een weinig haar voorkomen: een meer levendige blos tintelt op het doorschijnend wit van hare wangen; hare oogen heffen zich met minder smachtende dweperij op, maar staren u aan met lustiger helderheid; ’t is of zich haar blik wat meer heeft gevestigd op de aarde. Maar is er in haar uiterlijk veranderd, in haar innerlijk ligt nog meer, of liever neen, ongevoelig heeft zij zich geschikt naar het omringende, en haar innerlijk leven heeft zich een weinig verloren, heeft zich meegegeven in het uitwendige.

Een geweldige schok was haar toegebracht op den ochtend, dien wij beschreven hebben, en waarin de jonkvrouw, in kloosterlijke afscheiding van mannen opgegroeid, zich plotseling in aanraking zag met hunne hartstochten, en in hunne handelingen als verwikkeld. Zij had eene wijle als een afschuw gehad van zich zelve, en geene boetedoening zoude haar te hard en genoeg krachtig geschenen hebben, om deze onvrijwillige besmettingen af te wisschen, waarvan zij minder dan zij het wenschte, zich had geweerd. Een paar dagen had zij in eene soort van ijlende verbijstering verkeerd, maar de zenuwspanning was bedaard, was in matheid overgegaan, en Taco Sijbrandsz. had het nu den tijd geoordeeld, haar met wat godsdienstige toespraak op te heffen uit de diepe verslagenheid, waarin zij vervallen was. Een Modet zou begonnen hebben, met haar te willen overtuigen van al het valsche en onhoudbare in haar geloof, — zou bijna eene halve afzwering hebben geëischt, of voor het minst eene toestemming eer hij haar durfde troosten en opbeuren met de gronden van het zijne. En wij begrijpen het, met Jacoba zou dat een lange strijd zijn geworden met zeer onzekeren uitslag. Taco Sijbrandsz. deed anders: schrander en meer verlicht dan vele zijner broederen van die dagen, begreep hij, dat het de geest van het Evangelie was, die dezen gedrukten en benevelden geest tot helderheid moest brengen, en vorm en letter liet hij zooveel mogelijk ter zijde. Hij liet zich niet in, over de rechten van den bisschop van Rome en zijne hierarchie over de Kerk; maar hij liet dezen ter zijde en wees haar op Christus, als op den eenigen Heer Zijner Kerk, — als op den eenigen naam, die gegeven was tot zaliging van allen, en hoe zij van elkander konden verschillen in gevoelen, en in wijze van aanbidding, zoo zij zich slechts vereenigden in dit eene: belijdenis van zonde aan de voeten van Zijn kruis, en liefde voor allen, die Hij als broederen had aangewezen.

Hij zeide haar niet, dat een afzonderlijke priesterstand, zich van alle maatschappelijke banden vrij houdende, en de lusten als de lasten van het huiselijke leven ontberende, de kweekschool was van menigen gruwel, en een vergrijp tegen de menschheid; maar hij leerde haar, hoe de goddelijke Heer het menschelijke niet had willen wegdringen uit den mensch, maar dat veredelen; hoe iedere band de volbrenging kon vorderen van een nieuwen plicht, en hoe Hij de gansche menschheid tot ééne zelfde priesterschap had geroepen, — de priesterschap der geestelijke reinheid, der geestelijke heiliging, en der geestelijke zelfverloochening, die hare wijding kreeg, niet door het vermijden van sommige plichten, maar door het volbrengen van allen, en die zelfs in het huwelijk, in het verkeer met wereld en wereldsche belangen, hare reinheid kon bewaren en hare roeping getrouw zijn.

Hij zeide haar niet, dat uiterlijke boete en poenitentie nuttelooze zelfkwelling waren, die volstrekt tot de innerlijke reiniging niets konde toebrengen, en dat voorbidding en aanroeping der Heiligen ijdel was, als klanken, uitgeroepen in het ledige. Maar hij deed haar inzien, dat na de groote algeheele genoegdoening des eenigen Verlossers voor allen, er wantrouwen en ongeloof in liggen zou aan Zijne verdiensten, om ook nog door de onbeduidende kwellingen van het eigen lichaam, door straffen aan te nemen uit de hand van menschen, voor zonden niet tegen de menschen gepleegd, zelve iets te willen toebrengen tot de bevrijding van de ziel, die verlost was, zoo haast zij tot haar Verlosser was gevloden. Hij vroeg haar, of ze de liefde en de macht van den grooten Koning der Hemelen, die nu leefde en heerschte aan de rechterhand Gods, eene zoo zwakke en zoo krachtelooze dacht, dat engelen, of gezaligden, of apostelen nog hunne stemmen moesten verheffen, om die liefde op te wekken? Of Zijne almacht noodig zou hebben, zich te bedienen van hunne tusschenkomst? En zoo sprak hij met haar, over de belangrijkste verschilpunten, zonder één leerstuk te behandelen, of van verschilpunten te spreken, in het midden latende, wat opwekken kon tot strijd, en alleen die waarheden uitende, die niet konden wedersproken worden; naar de les van vader Duifhuis: »van ’t duister zweeg hij stil en sprak alleen van ’t klaar.

En als eene nadenkende en vernuftige jonkvrouw, die zij was, konde Jacoba zich niet gansch onttrekken aan den invloed van die leering, die nog daarbij meest tot haar kwam, onder den vorm van het voorbeeld. Zij had behoefte aan geestelijke toespraak; ze had de onmogelijkheid ingezien om die te verkrijgen, onder den vorm, die haar de liefste was; de persoon van Taco boezemde haar eerbied in; de zachtheid waarmede zij zich verpleegd zag en afgeleid, maakte haar hart open voor dankbaarheid en vertrouwen; zijn ambt zelfs bracht iets toe tot de kracht zijner woorden, het was, alsof haar wantrouwen voor Protestantsche scherpzinnigheid week, toen zij geene strijdvragen hoorde opwerpen; zij begon in te zien, dat, waar de sektarissen zich afgescheiden hadden van de Kerk en zich onttrokken aan hare heerschappij, zij voor het minst daaruit hadden medegenomen de voorschriften van het Hemelsche Hoofd der Kerk, en dat zij zich niet onttrokken hadden aan de gehoorzaamheid der wet; dat zij wel het gezag der overlevering hadden verloochend, maar dat zij de beste overlevering der evangelisten, het Evangelie, toch behouden hadden; dat ze wel niet nederknielden voor de moedermaagd, maar dat de kribbe van het kind Jezus hun heilig was en de oorzaak hunner blijdschap; dat ze geen zichtbaar beeld van Heiland of Heiligen, der aanbidding waard keurden, maar dat het kruis toch opgericht stond in hun hart. En dat men onder zulke verschijnselen hen erkennen kon voor volgelingen van Christus, en met hen konde omgaan als broederen.

Eenmaal tot die overtuiging gekomen, werd het verdere haar licht; zij zelve begon minder te hechten aan het uiterlijke, sinds zij had toegestaan, dat anderen er zich van onthouden konden en Christenen blijven. De eene vrijzinnige opvatting bracht snel eene andere voort; de macht van het voorbeeld en van het omringende werkte op haar, toen zij eens in den huiselijken kring was binnengegaan. Niemand dwong haar het gebed mede te bidden, maar onwillekeurig vouwde zij de handen en luisterde toe met aandacht, als de eerwaarde huisvader voor zijn gezin het avondgebed uitsprak; niets verhinderde haar het huisvertrek te verwisselen voor hare kamer, als deze den Bijbel opensloeg, maar de abdis van St. Clara las haar voor uit de vulgata; — en zij verlangde te onderkennen, waarin de Bijbel door Protestanten gebruikt verschilde van dien, welke hare Kerk toestond. En als zij daar hoorde, dat geen enkel troostwoord werd teruggehouden, geen eene belofte verminkt, geene enkele dreiging verheeld, geen enkele troost werd vergeten, en dat de volle, rijke schat van het Evangelie in onverholen rijkdom daar openlag voor iederen leek, dat haar verstand haar zeide, hoe eene Kerk, die zoo gerust hare grondstellingen durfde laten toetsen aan het onveranderde woord der Schrift, door ieder harer leden, zich wel zeker moest gelooven op de zuivere afkomst harer leer; en schoon zij altijd oordeelde dat niet voor alle kinderkens zoo krachtige spijze dienstig kon zijn, zoo voelde zij zich zelve toch sterk genoeg, om de vrijheid te nemen, zich met dat onvervalschte, frissche vocht te laven; zoo werd haar gewoonte, over de Schrift na te denken, en die te vergelijken ook met de leer van hare Kerk, — en eer zij het zelve wist, zonder dat iemand nog eene openlijke poging had gedaan, om haar, wat zij zoo vreesde, »ontrouw te maken,” aan hare Kerk, had ze reeds begrippen aangenomen en beginselen goedgekeurd, die niet meer vereenigbaar waren met de plichten van eene Roomsche leeke, — stelde het haar gerust, dat zij nog alle vormen van haar eeredienst onderhield zooveel zij het kon. Hare vasten hield zij getrouw als altijd, maar zij schaamde zich bij wijlen, als de kinderen uit veranderzucht het smakelijk vischgerecht voor haar bereid, met meer gretigheid aanzagen, dan de allereenvoudigste vleeschspijze, die nog daarbij met spaarzaamheid werd rondgedeeld; zij schaamde zich over eene bekrompenheid, die juist in onthouden van eene bepaalde spijze meerdere heiliging doet bestaan, terwijl het mogelijk was, dat zelfs de smaak meer door andere werd geprikkeld. Was het berusting in het onmogelijke of aanvang van verflauwing? dit althans is waar, dat de klacht over het verstoken zijn van de Misse, zelden meer uit haar mond werd gehoord, en ook geene luidere stem had in haar hart; en toen Leoninus haar, vanwege Douglas, den rozenkrans terugbracht, nam zij dien alleen met een flauwen glimlach, en legde dien meer achteloos, dan deze het mogelijk had gedacht, ter zijde op hare tafel.

En hoe vond Barbare dat alles? Wat deed Barbara daarin? Barbara, geene dwepende, geene mystieke ziel, maar eene vurige aanhangster van een uiterlijken eeredienst, zoo juist voor zinnelijke naturen als de hare geschikt, en die te meer aanklevende, naarmate zij meer onvatbaar was eene fijnere te schatten. Barbara, die Reingoud zoo hard was gevallen over zijne afscheuring, wat moest zij zeggen tegen Jacoba, — tegen haar pleegkind? — Zij zeide niets, en om de goede reden, dat zij niet meer bij haar was. Den eigen dag nog van het bezoek der drie heeren, was Barbara alleen uitgegaan. Twee dagen daarna had zij een geheim onderhoud gehad met Elias le Lion, en zoo haast zij Jacoba gansch hersteld zag en bekomen, had zij haar gezegd, dat zij voor eene wijle van haar ging om hare eigene zaken, en dat zij het met gerustheid durfde doen, wetende dat haar kind nu wel verzorgd was! — En hoe had Leoninus genade gevonden in de oogen van Jacoba? Wij begrijpen dat, met eene enkele opheldering van zijne handelwijze, en over het karakter van Essex, hij zich ten volle had gerechtvaardigd, bij haar zoo wel als bij, Taco die hem, als wij begrepen, van vroeger kende.

In Leoninus” karakter en gedragingen lag eene vereeniging van goedheid en ernst, van edelmoedigheid en fierheid, van vrijzinnigheid en losse blijgeestigheid beide, toch gepaard met eene zekere stijfzinnigheid en onverzettelijkheid, die alle op Jacoba machtig en overheerschend werkten. Haar vertrouwen werd door geen enkelen nevel ontluisterd; haar wil volgde den zijnen, bijna zonder dat zij het zelve wist; toch waren het geene zielen, die samenstemden; hij was de man van gezond verstand, zonder dwepende opgewondenheid, die juist oordeelde, maar zich niet in diepe beschouwingen verloor, de man van de werkelijkheid van het gewone leven, en daarin zeker een van de edeldenkendsten, vrijzinnigsten, openhartigsten. De richting van haar geest, — wij hebben die reeds aangegeven, —- moest dus in tegenstelling zijn met den zijnen; maar, was het gewoonte van den omgang? was het, zonder dat zij het wist, een afdalen van hare ziel? In deze dagen ging zij onwillekeurig zijn weg.

»Heer hopman le Lion! wanneer begint de wapenschouw?” vroeg op eens de blonde Cornelis, zijn boek toewerpende en met een sprong van zijn houten schammel gewipt.

»Tot mijne verheuging nog in geen uur!” hernam deze, naar Jacoba heenziende; »anders zou ik het kunststuk dezer zoete vingeren niet mogen voltooid zien, eer ik van hier ging.”

»Nog in geen uur!” hernam Cornelis op geheel anderen toon. »Nu, zoo ga ik in den tuin zien, of niet reeds wat madeliefjes de kopjes opsteken. Juffer Jacoba! wat geeft ge mij tot loon van ’t eerste lentebloempje?”

»Wat ge eischt, Cornelis!” hernam zij, opgeruimd glimlachende.

»Een kus!” riep de dertienjarige stoutmoedig, »aan ’t woord zijt ge gehouden.”

»Zoo zie, dat gij ’t brengt!” hernam zij.

»Die vrijpostige!” sprak de moeder, terwijl ze toch niet zonder welgevallen haar wilden jongen zag wegspringen.

»Jonge jaren eischen wat wils, juffrouw!” sprak Leoninus troostend.

»Nu kost gij anderen ook wel wat recreatie scheppen in de buitenlucht!” sprak vrouwe Sijbrandsz. tot hare kinderen, »Als uw vader thuiskomt, het hoofd wat belast, is hem zulk gewoel bij wijle weleens tegen.'

De kleine troep der vlijtige meisjes, en zelfs Jacoba’s vraagzieke lieveling, trokken af met eene drift, die bewees, hoezeer dit bevel in hun geest viel, en hoe zij haakten naar plaatsverandering, niet wijzer hierin dan groote menschen zelf.

»De kinders weg zijnde, heb ik eene bede tot u, hopman Leoninus!” begon de vrouw des leeraars, haar vriendelijk oog zacht naar hem opheffende. »Ik ben wat bedrukt; ik heb zorge over mijn man. Hij gaat om met ietwat, dat hem benauwt, en waar ’t klagen verruimt, zwijgt hij volstandelijk, al dezen heimelijken last voor zich zelven alleen houdende, oft mij de helft daarvan niet wettelijk toekwam, en ik het geheel niet vreugdig van hem zou afnemen, of voor ’t minst mededragen. Denkelijk aanziet hij de zwakheid mijns lichaams en mijdt daarom mij te kwellen, met wat hem deert. Maar de allermeeste kwelling is het mij, te raden, dat hij mij ietwat verheelt en niet klaar te onderkennen, wat?— hij, die mij nooit iets verholen heeft al de dagen van ons hijlijk lang! Nu zoudt gij, heer hopman! mij den dienst kunnen doen, dit voor mij na te sporen. Uwe goelijke meewarigheid zal hem opbeuren; uw mond is troostelijk, dien gij dienen wilt met raad, daar ik wete, dat hij wel meerder op geacht heeft; licht zal hij het hart openen voor u. Is ’t daarna noodig, dat het een geheim blijve voor mij, zoo blijve ’t! Aan mijn goed vertrouwen zal ’t niet gebreken. Is ’t van een aard, dat gij ’t mij kunt openbaren, zoo zeg het mij zonder schroom voor mijne zwakheid! God de Heer zal mij den geest sterken, waar het de vraag is, druk te deelen met mijn lieven man.”

»Er gaat veel om in de Kerke, lieve juffrouw!” begon Leoninus aarzelend.

»Ja! De leeraren van ’t consistorie, die vroeger nog wat verkeers hadden met Taco, blijven dezer dagen gansch terug, en de medebroeders komen veel met hem samen tot heimelijk onderhoud, en, naar ik wel gemerkt heb, loopt het dan op meerder woorden dan ik wete, dat hij kan goed achten, die alle twistinge haat. Zoudt gij meenen, dat het om kerktwist te doen was?” vroeg zij, Leoninus met onrust aanziende. »Mij dacht, dat zou hij mij doch kennen klagen.”

»Wie weet!” hernam de hopman. »Maar heb goeden moed, juffrouw! ik zal het haastelijk vernemen. Ik zal hem nu afwachten en toespreken, en daarin mijn uiterste best doen, tot verlichting van uwen heere Taco.'

»Nu, zoo zal God u daarvoor zegenen!” riep zij met geroerde stem en haar spinnewiel ter zijde zettende, verliet zij het vertrek.

»Eilacy! ik weet er meer van, dan ik zeggen mag; die van het consistorie hebben zware vorderingen tegen dominus Taco en zijne medebroeders. Doch wij willen hopen, en mijn vader doet daartoe zijn best, dat aan hunne eischen niet voldaan wordt, en dat het een en ander met wat plooiens en rekkelijkheids zich zal schikken. Doch ge hebt niet aan die verschillen; spreken wij van hetgeen u belangt!”

»De verschillen raken mij niet, maar ’t zou mij jammeren, zoo den goeden eerwaarden man, of zijn gezin ietwat kwaads trof. Heere Taco draag ik hooge eerbiedenis toe en zonderlinge genegenheid; dus denk ik mij een van de eerste kerkvaders!”

»Hij heeft daarvan den eenvoud, de gemoedelijke vroomheid, de broederlijke liefde en de vrijgeestigheid, die eerst later is verloren gegaan,” hernam Leoninus; »doch zeg mij, hoe is u zijne predikatie gevallen, daarbij gij hebt willen tegenwoordig zijn?”

»Zijne gemeente moet daardoor grootelijks gesticht wezen, als ik achte; ook te oordeelen naar de uiterlijke teekenen van ontroering en aandacht, die allen gaven, moet hij voor hen zijn als een Ambrosius of een Augustinus.”

»Zeg dan liever Pelagius!” hernam Leoninus lachende. »Voor ’t minst daar zullen de Calvinisten hem wel voor houden; alleen uit ééne predikatie kan u dat niet merkbaar zijn, bovenal daar de goede Taco de dogmatiek veelal ter zijde laat; dit vooral trekt mij onder zijn gehoor, anderen veroordeelen het; elk zijn genoegen; doch ik vroeg naar het uwe, en…”

Zij sloeg de oogen neder.

»Om oprecht te zijn, ik hoore hem liever, verklarende de religie aan zijne kinderen, en sprekende van God en Christus, in het midden van zijn gezin, dan dus lange predikatiën houdende tot zijne gemeente. Schoon ik niet vreemd ben aan ernstige overpeinzingen, met het aanhooren van diergelijke redenen niet gemeenzaam, verloor ik bij wijlen mijne aandacht; het scheen mij ietwat dor, niet altoos klaar, en rechtuit verklare ik, dat dit spreken maar weinig opwekkelijks voor mij had, en het mij meer

[p. 48]

stichting zou gegeven hebben, zoo men alleenlijk uit het Evangelie had voorgelezen; het gezang zonder statige kerkmuziek klonk mij wild en hard in de ooren, en ik dacht bij mij zelve: "Zoo dit der Protestanten al is, hebben zij een armelijken eeredienst, daar God en Christus maar povertjes mee geëerd mogen zijn."'

»’t Is ook meer om ons zelven te stichten dan om God te eeren, dien men eeren moet in leven en gemoed, en niet juist op bepaalde uren, aan eene bepaalde plaatse, naar ’t mij toeschijnt. Wij, die aan zulke predikatiën gewoon zijn, vinden daar opwekking genoeg, schoon bij den eenen meer dan bij den anderen, dit bekenne ik.”

»Voor ons is iedere Misse gelijk,” antwoordde, zij, met een klein schalk lachje naar hem opziende.

»Omdat de uiterlijkheden, die u de Misse uitmaken, veel eerder telkenmale zijn daar te stellen, dan aan iederen mensche te geven die geestvolle en bezielde sprake, die wij tot ons onderricht en opleiding verlangen van onze predikanten!” hernam Leoninus, licht het voorhoofd fronsende; »doch, melieve! dit doet mij denken aan eene andere predikatie, niet in eene Duifhuiskerk, en die gij toch met mij aanhooren moet!”

»Moet?' herhaalde zij wat bevreemd.

»Ja! ja!” lachte hij. »Ditmaal ongebeden, ongeweigerd; zonder uw consent, met geweld meegesleept desnoods, nog een uurtje vervelens te mijnen wille moet gij u getroosten.”

»En wanneer zal die vroolijke avond aanbreken?” vroeg zij schertsend.

»Zondag aanstaande; gij hebt nog tijd van beraad.”

»En hoe gaat het den armen Douglas?” vroeg zij, op eens van gesprek veranderende. »Nog altijd… ziek?” voegde zij er langzaam bij.

»Voor ’t minst nog altijd lijdende naar lichaam en geest.”

»Zou ’t nog altijd wezen uit desperatie aan een onderhoud…?” vroeg zij.

»Ik geloof, dat er veel consciëntiebezwaar onder loopt,” hernam hij wat droog.

»Zou het hem goed zijn tot herstel, zoo ik hem van meewarigheid eenig teeken gaf?”

Le Lion worstelde kennelijk met eene verdrietige gedachte.

»Zeer zeker!” hernam hij met zelfoverwinning. »En zoo ge denkt, hem te konnen minnen, zou het gewisselijk zaak zijn, hem hiervan te onderrichten…'

»Hoe komt gij daarop, heer Elias?” viel zij in. »Ik peinsde alleenlijk daarop, hem soelaas te geven…”

»Een valsche schijn van hope mocht hem later oorzaak worden van grootere pijn; daarbij, er is veel voorgevallen, waardoor dit alles ongeraden zou wezen.”

»Toch niet,” begon zij, en zag verbleekend naar hem op. ’toch niet om den tweestrijd met Essex, daarvan ik nooit de uitkomst heb gehoord?”

»Daarom niet!” hernam hij; maar zijn gelaat verduisterde zich, en een gloed vloog hem over het voorhoofd.

»Vaak heeft de gedachte aan dien strijd mij ontrust,” hernam zij. »O, zeg! Is dat nu voorbij, zeker voorbij?”

»Ja, dat is voorbij!” hernam hij somber.

»En Essex?” vroeg zij weder.

»Spreken wij liever nooit van Essex!” sprak hij met eene soort van ingehouden drift.

»Nu, waaraf dan?” vroeg zij verwonderd over zijn veranderd gelaat.

»Van uw heer grootvader, bij voorbeeld; want omtrent dezen heb ik u ietwat mede te deelen.”

»Wat zal ’t zijn?” vroeg zij met eenigen schrik.

»Gij weet, dat mijn heer vader en de heer Jacob Reingoud elkander veelmalen ontmoeten en mondgesprek met elkander moeten houden bij Mylord Leycester. Gij weet mede, dat ik heer Reingoud zie en spreek, en ook somwijlen van u.”

»Van mij!” en het arme kind ontstelde heftig, »zou ik naar hem heen moeten…?”

»Hij weet uwe verblijfplaats; maar hij wil alles van den tijd wachten en van uw eigen hart en wil.”

»O zoo! dan keere ik niet tot hem weder!” sprak zij heftig.

»Is uwe afkeerigheid van hem niet wat al te diep en te ongeneeslijk?” vroeg hij.

»Ik hebbe geen afkeer van hem!” riep zij. »Daarvoor behoeden mij God en de Heiligen genadiglijk! maar ik wete…, neen, ik voele, dat hij mij niet genegen is in het herte, wat hij ook bij Barbara daartegen moge hebben aangevoerd. Eene eerste beweging bij verwanten moet die van liefde zijn, of het is die van tegenzin; — de zijne was eene ijskoude, die ik na dezen nooit wel vergeten kan. Dat verstooten was te zonderling hard om ooit meer in liefde te verkeeren.'

»Gij kent hem niet; leer hem kennen! Heer Reingoud is niet standvastig en gelijkmoedig van aard en omgang als mijn vader, daarvan ik u wel heb verteld, maar hij is bij tijden zacht en goedig, bij tijden heftig en gram. Heer Reingoud is als een man, die geen innerlijken vrede heeft, zoo ’t mij toeschijnt. Nu eens voor eene wijle ganschelijk beheerscht door zijn hart, dan weer dat doodende in hem om den wille en de bejagingen van het hoofd. Gelijkmoedige rustigheid is niet in hem, maar aan zijne teere genegenheid zal ’t u niet gebreken. Geloof mij daarin op het woord! bewijzen daarvan mag ik u nu niet geven. Gij zult toch niet gansch onverzoenlijk zijn?”

»O, zekerlijk niet! ik wil hem vergeven en wegens mijn heenvluchten hem schuld belijden; doch met hem te zijn, daarvoor schrikt mijne ziel terug.”

»Wie zegt u, dat het voor langen tijd zou wezen?” hernam hij met iets teeders in stem en blik. »Wie zegt u, dat niet wel haastelijk een echtgenoot…?”

»Gij moest nu wel van mij weten, heer Elias! dat ik geen echtgenoot begeer.”

Hij zag haar aan met groote verwonderde oogen; en ietwat spotachtig vroeg hij:

»In trouwe?”

»In trouwe!” herhaalde zij, »en dan nog een zulken, dien heer Reingoud mij zou opdwingen!”

»Dwingen, — dwingen!” herhaalde Leoninus, met een zelfbewust lachje. »Ik zou wel mijn woord durven geven, dat daar geen dwang zal gebruikt worden.”

»Certeyn! heer le Lion! gij zijt wel diep in mijns grootvaders geheimen, voor een vriend van mij! En hoe zijne twistgierige predikanten mij kwellen zouden!” viel zij in, om het gesprek te wenden.

»Dat mag ik u beloven, in zijn naam, van niet,” hernam le Lion; »en daarbij, in meester Taco hebt gij gezien, dat alle predikanten geene Modets zijn. Ik zal er u leeren kennen, die nog meer uwe genegenheid zullen trekken, dan heere Sijbrandsz.”

»Vooruit kan ik daarop niet neen zeggen, maar hoe zal ik mijn geloof…?”

»Uw geloof!” Hij zag haar aan met een zachten, veelbeteekenenden blik. »Uw geloof, juffer en vriendin! zult gij houden, zooals ge liefst wilt en goedvindt te allen tijde, daarvoor zal ik borg zijn.'

»Nu, ik wil daarover nadenken!” hervatte zij.

»Niets dringt u tot een overhaast besluit. Heer Reingoud heeft vele staatszaken om handen, die hem afleiden, en heer Reingoud heeft veel geduld.”

»Veel, veel geduld!” hernam zij pijnlijk. »En,” voegde zij er bij, »de goede juffrouw Sijbrandsz. betuigde mij nog dezen morgen, hoe het haar groote vreugde zoude geven, mij altijd met zich te houden.”

»Juffer Jacoba! uw madelief, en nu mijn kus!” en de vermetele Cornelis liet haar de vrijheid eener weigering niet.

Le Lion zag op hem met eene soort van benijding en bitterheid.

»Het wordt tijd, dat ik ga,” hernam hij, een weinig gedwongen.

»En ge zoudt heer Taco wachten?” sprak zij verwonderd.

»De hopman heeft dan niet veel wachtens noodig; want ik hoor mijn vader” riep Cornelis, tegelijk dezen tegemoetgaande.

Taco Sijbrandsz. kwam binnen, maar het was hem wel aan te zien, dat zijne echtgenoot waarheid sprak, en dat hij gebukt ging onder eenigen zwaren last. Nu echter scheen zijn bloed in eenige beweging; voorhoofd en gelaat waren hoog gekleurd, maar kennelijk was dat slechts de overspanning van het oogenblik. Zijn blik was verstrooid en starend; zijn gang gejaagd, en bij het binnenkomen, wierp hij zich op een stoel neder, alsof hij niemand zag en zich alleen geloofde. Jacoba en Leoninus beiden naderden hem, met eerbiedige deelneming. Toen stond hij op, als kwam hij tot zich zelven; streelde Jacoba over de blonde lokken; wist nog een zachten glimlach voor haar te plooien, en sprak goedig:

»Mijne lieve! wil mij eene wijle alleen laten; ik heb noodig, ietwes van hoog belang te overpeinzen.”

Zij kuste zijne hand; reikte Leoninus de hare, en verliet het vertrek.

»Met uw oorlof, heer Sijbrandsz.! zou ik wel een woord met u willen wisselen!” begon Elias.

»Op een anderen tijd gansch tot uw dienst, waarde hopman! maar nu…'

»Nu verkeert gij in druk en hebt een vriend noodig, eerwaarde man! en veracht daartoe mijne jonkheid niet, noch mijn stand, hoe ook verschillend van den uwen.”

»Ingeenendeele zal ik,” hernam Taco. »En zoo menschen-raad hier baten mocht, ik vroeg wel den uwen; doch dat, wat mij treft, kan door geens menschen macht worden geweerd, noch door eenigs menschen wijsheid worden hersteld.”

»Ik rade de oorzaak van uw harteleed; ’t is zeker het verschil met de consistorie, dat u drukt.”

»’t Verschil?” sprak Taco met eene zekere bitterheid. »Neen! het is niet het verschil, het is de eenheid, die mijne ziele leed doet; de eenheid, daartoe ze het brengen willen; het is, dat ze willen samenvoegen wat niet samen hoort, en dat ook niet noodig heeft één te wezen, om rustig naast elkander te gaan volgens der Christenen vrije liefde-wet!”

»Maar Mylord Leycester denkt anders; is het niet zoo? Die heeft van de Gereformeerde predikanten een groot woord geleerd, dat hij veel op de lippen neemt, en daar Zijne Excellentie wel wat straf mee te veld trekt, als mijn heer vader oordeelt: eenigheid in de leer.”

»Een wonder woord in de Protestantsche kerk, dat niet in waarheid kan bestaan, of ze zou moeten afgaan van haar eerste beginsel, het vrije onderzoek der Schriften door elk en een ieder! Eenigheid in de leer! en we hebben, sinds de Hervorming bevestigd is, nooit anders zien oprijzen uit het slijk van het verbasterde pausdom, dan een wijden kring verschillende kerkgenootschappen, allen zoozeer onderscheiden in opiniën als in namen, daarmede zij zich onderkenden, en, leider! elkanders gevoelen verdoemende, als valsch en logenachtig. En toch in de meesten daarvan, vindt men nevens menschelijke dwaling en bijvoegselen, spranken van ’t heilig Pinkstervuur: in velen van hen werkt Christus groot en krachtig; maar zullen nu al die hoofden, — nemen we ’t alleen in ons Neerduitsch vaderland, — zich laten voegen onder ééne mutse, op de wijze van de Pause-kerk, daar ’t zich al voegt naar het deksel van den bisschop van Rome? Ik vreeze, zoo het gelukken moet, dat het meer zal zijn tot uitbreiding van het gebied der kerkelijken naar het uiterlijke, dan tot vordering van het koninkrijk Gods in de harten der Christenmenschen!'

»Mijn heer vader heeft Mylord Leycester zulk ondernemen afgeraden, als iets gevaarlijks!” hernam Elias, die het gesprek verlengen wilde, ziende dat het uitspreken van zijne kwelling den predikant verlichtte.

»Mylord Leycester, dien ik een vroom en een wijs heer geloove, is vreemdeling; en onbekend met den aard onzer religiezaken, moet hij zich houden aan wat men hem daaraf voordicht. Als ik wel onderkend heb, hebben zij hem voorgesteld, hoe hier te Utrecht kerktwist heerschte, en Zijne lordschap heeft terstond geoordeeld dat die moest gedempt en gesmoord worden, ter eere Gods en tot vordering der Kerke. Dat heb ik wel verstaan uit de redenen van doctor James, die hij gevoerd heeft in de eerste samenkomst… Wel gaarne had ik willen repliceeren, dat daar geen kerktwist heerschende was, en dat noch mijne broederen, noch ik, de dienaren of de gemeente der consistorie, in ietwes hebben gemoeid oft ontrust, den ganschen tijd mijner bediening lang, en hoe toen de gemeenten vrede hadden en gesticht werden; maar het had doch niet gebaat, daar die heeren wel niet willens schenen veel naar mijne redenen te luisteren.”

»Ik wist, dat de Graaf gehaast is geweest, al de Utrechtsche dienaren der Christen Kerke voor zich samen te roepen, ten overstaan van den magistraat, om aan hunne diffusiën een eind te maken; maar de uitkomst…”

»De uitkomst is eene zulke, als voor de beide gemeenten even verderfelijk moet wezen, niet minder dan voor mij en mijne broederen, allen samen.”

»Hoe meent ge dat, welwaarde heer?”

»Dat mijne kudde verloren gaat! Dat zij van nu aan besloten wordt in den pestilentialen schaapsstal der consistorie, daarin zij gedwongen zal worden met tucht en discipline, als onder een nieuw pausdom, de Christelijke vrijigheid der consciëntie missende; en zekerlijk, de Gereformeerde Kerk zal bij zulken aanwas door bedwang en geweld geene groote bate hebben, veeleer schade! Mijne ambtsbroederen hebben "ja" gezegd tot die samenvoeging, en alzoo hunne zielen bezwaard met ontrouw aan de gemeente; en ik, die het geweten vrijgehouden heb in dezen strijd, ik ben in het tijdelijke gansch bedorven! God de Heer voorzie daarin, om den wille van mijne vrouw en mijne onnoozele kinderen!” En bij deze herinnering, bij dit volle gevoel van zijn leed, hief hij met bittere smart de oogen vol tranen naar den Hemel, en drukte de beide handen pijnlijk tegen de borst.

»Kan ’t wezen? Zoudt gij van uw ambt…?”

»Ontzet zijn? Zoo is ’t; — en nooddwang zal mij persen, de stad te ruimen. Zoolang er nog schijn van hope was, dat het al in eenig redelijk accoord zoude einden, verzweeg ik het mijner huisvrouwe, uit zorge haar niet noodeloos te belasten met vreeze van toekomend leed, dat ’s Heeren hand nog machtig was te weren; doch die hoop is voorbij; de bijl ligt niet meer aan den boom; maar de slag is gevallen. De tronk is omgehouwen!”

»En zou daarin ganschelijk niets te doen zijn?” sprak Leoninus bemoedigend. »Zou daar geene tusschenspraak hulpe kunnen brengen? de Kanselier heeft goede gunst bij den Graaf!”

»Geene tusschenspraak mag baten; mijne eer en geweten hebben beslist. Ik zegge Lutherus na: "Ik kon niet anders, God helpe mij! En rekkelijk! ik heb zooveel matiging gebruikt als met Godes eer kon bestaan, wetende, dat de liefde verdragelijk is; maar kon ik een trouwe dienaar des Woords heeten, en prediken en belijden het crontrarie van ’t geen ik heb gepredikt en beleden voor dezen, en wat ik nooit zal gelooven in ’t harte? Zal ik, die de vrijheid Christi liefheb, de schouders krommen onder het dwangjuk van ’t consistorie? Zal ik leeren van ’t verkiezen en ’t verdoemen, op zóó harde wijze als menschen dat hebben uitgedacht, en menschen dat drijven? Zal ik met eigene hand onderschrijven en toestemmen, dat daar nog menschelijke schrifturen te eeren zijn en na te leven? Ik, die wete, dat daar maar één Evangelie gegeven is, om zalig te maken, en dat wij geene andere schrifture behoeven, dan het zuivere onvervalschte woord Gods, en het inwendige woord des geestes, dat geschreven is op de tafelen onzer harten? Eer ik met zulk exempel de kudde zal ergeren, die op mij haar betrouwen heeft gesteld als op een deugdelijken leidsman, moge de herder verslagen worden en de kudde verstrooid, naar ’t geliefte van God den Heere!”

»Maar, welwaarde vriend! ik heb nog niet recht verstaan, wat er dan eigenlijk geschied is, of geëischt wordt van u?”

»Saamgekomen als gij weet, heeft men zich eerstelijk ietwat vermoeid en, eilacy! wederzijds verhit in ijdele disputatiën; want kan dat anders dan een ijdele en onzekere strijd zijn, daar met eenderlei aard van wapenen gevochten wordt, en eenderlei vaandel in schijn opgestoken? Een zulke in ’t einde, daar Christus Christo, de waarheid in schijn de rechte waarheid oorlog aanzegt? Daarna ziende, dat het niet tusschen ons tot een eind te brengen was op zulker wijze, hebben doctor James en de Graaf van Nieuwenaar, die tegenwoordig was als stadhouder der provincie, om met wat kortheid en krachte te handelen, naar ’t believen van den Gouveneur-Generaal voorgesteld, de samenvoeging der gemeenten, daarvan wij leeraren blijven zouden, neffens en op denzelfden voet als de andere vier van de consistorie, ons onderwerpende aan hun kerkbestuur en onderschrijvende achttien punten, — tot aan de naaste Synode; — als wanneer er eene gansch geregelde kerke-ordening zal gegeven worden.'

»Dat heeft toch goeden schijn van billijkheid, achtbare vriend!”

»Schijn! als ge zegt,” hernam Taco bitter. »Maar ik vrage: is ’t billijkheid, met dwang samen te voegen, wat niet samen hoort? Is ’t billijk, de vrijen te binden? Is ’t billijk, af te gaan van ’t achttiende punt van den religievrede? Is ’t billijk, hun, die moeite, bezwarenis, schade aan tijdelijk goed, lijfsgevaar en wat niet al hebben gesmaakt en geleden onder ’t Spaansche juk, van nieuws aan een juk op te leggen, daarnaar zij niet vragen? — En nog dat daargelaten, om der eendrachtigheid’s wille en tot ruimeren wasdom van de Protestantsche religie, mocht dan eene zulke aaneensluiting plaats vinden; maar men vraagt van ons, dienaren der onbeslotene gemeente, dat wij de Nederlandsche geloofsbelijdenis zullen aannemen en onderworpen zijn! Men vraagt van ons predikanten van ’t Oud- en Nieuw-Testament, dat wij leeren en uitleggen zullen den Heidelbergschen cathechismus, ik vrage u: kan die eisch met billijkheid bestaan? — ik vrage u, kon die eisch met eere worden ingewilligd?”

»Sinds dit alles tegen uw geloof en inwendige tuigenis is, kunt gij geen man van eer blijven, en teekenen daarop uwe hand.”

»Zoo houde ik het ook. Hermanus Elkonius en Cornelis Rodenburg meenen het anders. Na wat tegenstrevens en wat beraads hebben zij geteekend, — ondanks belofte ter contrarie gedaan aan de gemeente. Hebben zij datzelfde vroeger geloofd en goedgeacht, waarom zich dan niet veel eerder gevoegd bij de consistorischen? Houden zij ’t als ik voor niet wel bestaanbaar met het voormaals geleerde, hoe mogen ze dan nu op eenmaal van opinie veranderd wezen? Of dat niet wezende, hoe kunnen zij belofte doen tegen hun gemoed, uit wereldlijke inlichten? Dan ik wil hen niet oordeelen; God verstaat hun weg, en zal mij den mijnen wijzen! Ik weet niet waarheen, maar ik trek van hier, nog eer de Aprilmaand ten einde is.'

»Maar dat kan zoo niet!” riep Leoninus. »Of meent gij dat uwe vrienden, dat de gemeenten daarbij rustig zullen toezien.”

»Zij zullen! zij het niet ter liefde van mij, zoo zij het uit vreeze van Gods gebod. Wat hierin geschiedt, is naar den wil der hooge overigheid des lands, en dus ook is dit duistere naar den raad Gods! ”

»En de magistraat, zal zij zich niet daartegen stellen, zijn ’t niet hare rechten die hier verkort worden?”

»Zekerlijk is dat; maar ook op haar hoofd drukt zwaar de hand van den Gouverneur-Generaal, — of veeleer van hen die hem hierin leiden. Die zwijgt en berust en ik houde mij niet gerechtigd die tot tegenstand op te wekken.”

»Edele man!” riep Leoninus; »maar toch dient er iets gedaan in uw tijdelijk belang…, ik zelf vermag niet veel, maar mijn vader…, mijne vrienden…! gunt ge mij, dat ik hiertoe spreke met hen, met heer Jacob Reingoud, bij voorbeeld?”

»Zoo ’t niemand in eer of rechten verkort, mag ik zeggen, ga uw gang! want zekerlijk zwaar drukt mij het leed, dat ik hiermede brenge over de mijnen. Hoe make ik het mijner arme huisvrouw bekend, zonder mijn ganschen moed en vastheid te verliezen.”

»De waarheid zal haar verlichting geven, zoo bang viel haar reeds de onzekerheid. Zij is het, die mij heeft aangezocht, om de bekentenis van uw leed uit te vorschen. Gij ziet, dat zij het alreede heeft gedeeld.”

»Zoo moge de Heer ons beiden sterken naar ziel en lichaam; want zij is van teere gezondheid, en ik zelve voele mij gansch onwel, en somwijlen van duizeling gekweld, en sterke hartklopping, die mij tot de sprake beneemt…, zelfs op dezen stond…,” hij verbleekte, en hield zich vast aan den rug van den stoel.

Leoninus verschrikte hevig, hij zag om, hoe hij hulpe zou brengen.

»Lang mij enkel een glas waters!” bad Taco.

»U alleen laten?” vroeg Elias aarzelend.

Daar wipte Cornelis binnen,

»Vader! daar is een deftig heer, naar ik meene, een predikant van de consistorie, die vraagt of ’t u gelegen komt hem te ontvangen.”

Taco’s bleekheid wisselde zich in donkeren gloed.

»Zijn naam, Cornelis?”

»Meester Johannes Uitenbogaerd moest ik melden.”

»Bid hem in te komen!”

»Ik smeeke, ontvang hem niet op dit pas!” bad Leoninus, »uwe zwakheid…”

»Die vreeze ik niet, als ik sta tegenover een van hen; alleen, mijn kind! laat mij eerstelijk een beker water gereikt worden, dan laat heer Uitenbogaerd hier binnen, en gij, mijn vriend! laat mij voor heden…!”

»De wapenschouwing!” fluisterde Cornelis Leoninus in, voor hij weg sprong.

Zoo nam Elias Leoninus afscheid van den prediker der St. Jacobs-kerk; maar, schoon hij niet scheidde met eene belofte van hulpe, lag er in zijn handdruk eene warmte, die meer zeide dan vele en luide verzekeringen. Een weinig tijds daarna bevond zich Taco Sijbrandsz. samen met Johannes Uitenbogaerd.

De persoon van Uitenbogaerd is eene zoo bekende, niet alleen in de geschiedenis van de Kerk, maar ook in die van den Staat, dat wij met het noemen van zijn naam voor de meesten alles hebben gezegd. Ieder denkend Protestant in ons Nederland heeft zich naar de kleur en richting van zijne denkbeelden een gevoelen gevormd over dezen man. Zoo hij een der hoofdpersonen ware in onzen roman, zouden wij niet schromen het onze te geven en te motiveeren; maar hij komt ons even voor de oogen, om niet weder op te treden. Wij laten u, om zoo te spreken, niets zien dan den slip van zijn mantel, en de geschillen, waarin hij hoofdpersoon was, liggen buiten het tijdperk, dat wij geven, schoon de gebeurtenissen, die wij voorstellen, daarop zeker voorbereidend hebben ingewerkt. Voor de zeer enkelen, die niet alles van hem weten, zeggen wij alleen, dat hij gedeeltelijk op kosten der Utrechtenaren had gestudeerd te Genève, sinds 1584 van daar was teruggekomen met goede getuigenissen, bovenal van Theodoor Beza, en in 1585 tot Gereformeerd predikant was beroepen en bevestigd; dat hij reeds toen in wat vrijeren en ruimeren geest predikte en sprak dan de meesten zijner ambtgenooten, en dat hij velen tot zijn gehoor trok, zelfs van de St. Jacobs-gemeente. Wat hem naar Taco heenvoerde, zullen wij uit hun gesprek verstaan.

Toen zij gezeten waren, zag Uitenbogaerd eene wijle op hem, met eene mengeling van eerbied en medelijden; daarop zeide hij minzaam:

»Houd mij ten goede, welwaarde broeder! zoo ik opnieuw tot u kome, en gun mij een weinig vrijmoedelijk met u te spreken.”

»’t Zou ondank wezen, zoo ik alle bemoeiingen, die met goeder trouw geschieden, niet dankelijk aannam; alleen, welwaarde! ik dacht, dat na onze laatste samenspreking alles tusschen ons was afgedaan.”

»Dan, voorwaar! hebt ge in de warreling diens dags de afspraak vergeten, daarmede wij afscheid namen. Ik zou onze consistorie voorstellen, dat gij zoudt kunnen volstaan op het stuk der praedestinatie en den aankleve van dien, met de belijdenis van Zurich, dewelke ik ietwat zachter houde dan de gewone uitwijzing Calvini.”

In ’t eerst antwoordde Taco niet; hij bleef strak neerzien op zijne handen en speelde met de vingers.

»Ge vraagt niet, hoe ze ’t opnamen,” hernam Uitenbogaerd, die een antwoord had gewacht.

»Ja, hoe namen ze ’t op?” herhaalde Taco werktuigelijk.

»Ze vonden den voorslag ietwat vreemd; hetzij dat ze niet groot verschil erkennen in de opiniën van Calvijn en Zwingli ten dezen, hetzij ze zulke voorbehouding wat ruim hebben geacht. Somma! het heeft vele moeite gekost en de kracht van menige overwegende rede, om hen tot consent te brengen in dezen; maar toch zij hebben toegestemd en verklaard, zich van u met deze belijdenis op dit punt tevreden te houden. Mij dunkt, wij geven hier van rekkelijkheid en welmeenendheid de oprechte blijken.”

»Vele en te vele! meer zelfs dan ik had gewacht of… gewenscht!” voegde Sijbrandsz. er langzaam achter. »Waarom mij meer gedaan dan de anderen?”

»Omdat gij alleen ons meer waard zijt, dan de beide anderen samen: gij hebt het volk gesticht door voorbeelden, godsvrucht en ’t is ondenkelijk vast aan u verbonden, uw overgang alleen zal eerst vasten vrede werken; ziedaar wat aanbelang de goede genegenheid van ’t eerwaarde kerkbestuur te uwaarts.'

»Hoe meer ik voormaals gesticht heb, hoe meer ik hierna ontstichten zou door zulken handel. Is ’t niet genoeg, dat Elkonius,— die nog wel mijn landsman is, — en Roijenburg, door zorge der gemeente tot zijne studiën gekomen, in zulke schikking zich gevoegd hebben, dat zij, hope ik, voor God den Heer zullen kunnen verantwoorden, zoo zeker als zij daarvan rekenschap zullen te doen hebben ten jongsten dage. Ik voor mij zal mij niet begeven in zulken strik, ten ware mij God van Zijne kracht beroofde.”

»Hoe? gij zijt dan nog niet wel besloten?”

»Ter contrarie! Mijn besluit staat onwankelbaar vast: ik zie af van ’t onderschrijven.”

»Dat is afzien van uw dienaarsambt.”

»Ik weet zoo!”

»’t Is geene vrage uit onbescheidenheid; alleen hebt gij tijdelijk goed?”

»Gij weet, dat ik niet heb.”

»Niet enkel in deze stad en provincie, maar in alle provinciën dezes lands heerscht Mylord Lycester en is wel besloten, deze ordre in te voeren. Ik zegge u zekerlijk, uitnemende man! gij vindt nergens elders eene plaatse…”

»Daar moge mij God voor hoeden, dat ik om de dertig zilverlingen eener standplaatse mijn Heer en mijne consciëntie al te zamen zou verkoopen!”

»Maar, welwaarde broeder! utrecht verlatende, weet ge waarheen!”

»Ik zal volgen, waar de Heer mij leidt!”

»Ge kunt doch geen handenwerk opvatten. En uwe arme kinderkens, hoe zult gij in hunne nooddruft voorzien?”

»"Ik heb nooit gezien het zaad des rechtvaardigen zoekende brood," zegt Salomo.”

»Maar gedenk, dat gij aan mij beloofd hebt te blijven, zoo ik verkrijgen konde, dat men uwe opiniën over gezegde verschilpunten zoo nauw niet bepaalde! God heeft die belofte gehoord!”

»Neen, niet als een eed was zij, en de Heer neemt niet alle beloften aan. Deze zou mij bezwaren. Zoo groote vrijheid, daar allen gebonden zijn, zou mij wezen als een dijk van stroo! Men kent alle mijne opiniën op die stukken, zoo niet…”

»Blijf die voor u houden! Leer alleen van ’t klare en zwijg van ’t duistere! Men moet ook al Modet en Sopingius zijn, om juist de hardste steenen het liefst te tillen; velen onder ons nemen dat stuk zoo hoog niet.'

»Dan doen die velen tegen plicht en geweten. In eene Kerk als de uwe moet men dit alles hoog nemen, of zich daarvan scheiden.”

»Met scheuren en weder scheuren wordt de eendracht der Kerk niet bevorderd. En gij zult toch wel toestemmen, dat die eenheid te bewaren wenschelijk is, vooral in deze dagen; dat zij eerst een sterke muur is tegen de openlijke aanvallen of de stille ondermijning der papisten.”

»Zoo is ’t; maar behoeft dat eene eenheid te zijn, naar het uiterlijke en naar den vorm? Laat het veeleer eene zulke zijn, naar den geest, naar de liefde!”

»Wordt dezulke dan minder gevorderd, zoo gij u leent aan wat wij wenschen? Zie doch! Ik leere zelden of nooit zoo breed van verwerpen en verkiezen, en komen niet die van uwe gemeente in mijne Kerk uit vrijen wil? Is ’t niet langs zulken weg, dat men Christi rijk uitbreidt?”

»Dat houde ik ook, broeder! doch dan teekene men niet zijne hand onder de Nederlandsche confessie der Gereformeerde Kerk en neme niet aan, haar catechismus te houden tot leiddraad voor het onderwijs! — Dan ga men bij ons, die de vrijen waren, en verwerpe alle schrifture, behalve dat heilzame boek des Bijbels, de eenige, ware, klare getuigenisse Gods. De eersten zijn slechts dwaallichten, en doffe lantaarnen in den duisteren hoek der vleeschelijke harten schijnende; de andere is de dag zelve, onze morgensterre, in der geloovigen harte lichtende. Neen, mijn jeugdige broeder! ik zal u niet zoodanige kwaadwenschinge doen, dat uwe consciëntie eenmaal op zulke proef mag gesteld worden als de mijne; tusschen overtuiging en dwang, die knelt, tusschen eer en nooddruft, die wacht; maar, zoo dat zijn mocht, sticht u dan veeleer aan mijn voorbeeld, dan dat gij mij heden zoudt trekken tot het uwe! Doch hiervan is genoeg getwist; ik bidde, laat ons dit einden, en verschoon mij, zoo ik toch ga, ondanks uwe pogingen, die welmeenend waren! Ik hebbe moeite gehad met mijn ambtsbroeder Elkonius, en het zou tusschen ons zwaarlijk meer vrede kunnen blijven.”

»Nu dan! zoo hebbe de ambtgenoot afgedaan, maar nog niet de jonge man, die den ouderen vriend oprechtelijk vereerde en hooghield. Helmichius denkt als ik…'

»Hoe mag dat wezen! Hij heeft zware woorden tegen mij gezegd, staande den redetwist.”

»Hij is sterk tegen uwe vrije gevoelens, die hem tegenstaan en bitterlijk bedroeven; maar hij is niet tegen uw persoon, en wij beiden hebben ons verbonden, u tegen vervolging te weren, al de dagen, die ge nog hier onder ons verkeeren zult.”

»Die zullen zoo weinige zijn, als het met het ordenen mijner zaken kan bestaan; hoe zou ik dan nog moeite vreezen…?”

»Toch heeft het nood. Gij kent Modet… Een zekere dienaar uit ’s Hage is hier ook nog aanwezig, die Mylord Leycester strengen raad geeft; en ’t volk is bitterlijk opgezet…”

»God geve, dat daar geen volksrumoer kome! Die van mijne gemeente zijn van de aanzienlijksten der stad, en juist daardoor het eerst blootgesteld aan plundering en schennis bij onraad en oploop onder ’t gemeen! God geve toch, dat ze niet aan have of lijf gedeerd worden om dezer zaaks wille. Tot vrede zal ik hen manen, nog eenmaal van mijn stoel; ik zal toch nog eenmaal mijn stoel mogen betreden, meene ik?” En Taco’s stem werd dof onder de smartelijke aandoening, die de vraag in hem opwekte.

»Ik hoop dat voor u te verkrijgen. Intusschen heb ik reeds iets verkregen, dat, naar ik hope, u smaken zal, nu het zeker is dat gij niet te behouden zijt. Lees dit geschrift!”

Taco nam den gezegelden brief en zag dien in.

»O, mijn God! het is zijn schrift,” riep hij uit.

»Nu ja, wiens schrift zou het wezen, dan dat van den man, die hier alles in handen houdt, sinds de Graaf hier is, van…”

»Nicase van der Clijde? Zou ’t mogelijk zijn, en kan die mij beschermen?' herhaalde Taco, bijna met verwilderden blik.

»Wat name noemt ge? Heer Jacob Reingoud is ’t, die u goed wil in ’t heimelijk.”

»Dat is Gods hand, dat ik dien man nu wedervinde!” riep Taco, altijd aan zijne eigene gedachten toegevende; maar zijn verbleeken en het onvaste van zijne houding bewezen, dat hij opnieuw door een aanval van duizeling werd getroffen. »O, welwaarde broeder! meent gij, dat ik hem zou kunnen spreken, als ik nu haastelijk tot hem ging?”

»Dat zeker niet. Hij is meestal op het Duitsche Huis bij den Graaf, en daarbij uit aanzien van uwe houding tegen de Kerk, de strenge begrippen van Mylord op dit punt en zijne eigene, zou hij u niet ontvangen te zijnen huize.'

»Zijne strenge begrippen! Maar die man is immers een heete Roomschgezinde?”

Uitenbogaerd glimlachte.

»Heer Jacob Reingoud een Papist! Weet gij dan niet, dat hij de drijver en voorname medehulp is in deze zaken?”

»En die man heeft dit geschreven?” vroeg Taco, opnieuw met wat drift op het geschrift wijzende.

»Zoo is het! Dit goede woord van protectie en faveure. Maar, goede vriend! u komt iets over; gij bezwijmt schier…”

»O, mijn God! ik weet niets meer; ik begrijp niets meer; het is of mij geestverwarring overvalt!” sprak Taco met eene flauwe stem; waar toch ontzetting in beefde, en hij liet het hoofd nederzinken op den schouder van Uitenbogaerd, die hem ondersteunde.

De jonge predikant, die niet voor het eerst zich in Taco’s huis bevond, riep met luide stem de huisgenooten te hulpe. Zij kwamen allen en nog anderen daarnevens; aanzienlijke Utrechtenaars, leden der St. Jacobs-kerk, die reeds van Taco’s vastheid hadden gehoord, kwamen die eeren en hem daarvoor danken door hun bezoek.

Vrouwe Sijbrandsz. had beschreide oogen; het was haar aan te zien, dat Leoninus den zwaren vriendenplicht had volbracht. Uitenbogaerd kwam op een inval. De teere bezorgdheid ziende, waarmede Taco zelfs te midden van eigen onwelzijn naar haar het bedwelmd oog ophief, als om haar toestand te raden, maakte hem indachtig van hoe groote beweegkracht smeekingen en tranen moesten zijn van eene dus geliefde, en zoo haast Sijbrandsz. zich een weinig had hersteld, zoo haast hij de handdrukken had beantwoord der Utrechtenaars, die zich rond hem verdrongen, sprak Uitenbogaerd tot zijne gade:

»Vrouwe Sijbrandsz.! werp u doch neder aan de voeten van uw man, met alle uwe dertien onnoozele kindertjes, en smeek hem, dat hij blijve!”

»O, mocht hij blijven!” herhaalden de leden der Duifhuis-gemeente als in koor, zonder op dat oogenblik aan al de consequentie van ’t woord te denken. Den geliefden leeraar behouden, scheen hen nu het naaste.

»Dat hij u en de uwen en zich zelven niet in ballingschap uitdrijve,” vervolgde Uitenbogaerd, »en nood en armoede over u brenge, om eene middelbare zake…'

»Waar het eer en consciëntie geldt, zijn daar geene middelbare zaken!” sprak Taco vast. »Maar het zij! Niet zonder haar wil, zal ik haar lot en dat van ons gezin prijsgeven, aan wat het kan treffen. — Maria! beslis gij zelve, waar een oprechte dienaar Gods, voorganger der gemeente en van zijn Christelijk gezin, kiezen moet tusschen den vrede der wereld en den vrede der consciëntie! Wat weg zal hij volgen? — Wat weg wilt gij volgen met hem, die uw man is?”

Zooveel menschen waren daar samen en plotseling heerschte daar eene stilte als des gebeds; zoo zeker begrepen allen het gelijktijdig, dat zulke keuze biddend moest worden gedaan. Of daar niet genoeg ware om Taco’s lijdende vrouw te treffen, greep ook de ernst van die stilte haar aan. Verbluft en aarzelend zag zij den kring der zwijgenden rond, zag even op hare kinderen, die haar gevolgd waren, en de aandacht der ouderen ziende, de kleine handjes hadden gevouwen. Zij zag op Taco, die zijn oog nedersloeg, opdat zij daarin bede noch bevel zoude lezen… Toen hief zij het hare, het zachte beschreide, even ten Hemel op, en met zwakke, doch klare stem sprak zijn toen:

»Vrede met God is het naaste te zoeken, en waar uwe verlichte wijsheid ’s Heeren wil en wenk heeft onderkend, zoo volg dien! ik zal u volgen, en wat ons op dezen weg treft, kan dat ons schade brengen? ons of onze kinderen?”

»Neen, zekerlijk kan het niet!” en Taco hief zich op en klemde haar met innigheid aan zijne borst. »O, Heere God! wees gedankt voor deze vrouw; en gij, mijn medebroeder! waar zulke trouw en zulk geloove mij sterkt, meent gij, dat ik nog zou konnen zwak zijn?”

Uitenbogaerd, een weinig met zijne houding verlegen, legde Reingoud’s open brief ter zijde en verwijderde zich met wat drift.

»Ziet, hoe deze twee, de vermaarde victoriën der martelaren Christi voor oogen houden!” sprak eene diepe welluidende stem, vol geestdrift.

Het was Jacoba, die gesproken had.


Ingezonden op: 19 July 2001