LEYCESTER IN NEDERLAND

III.

VELERLEI VERRASSING.


Om tot de derde voorstelling te komen, moeten wij ons eerst voor eene wijle begeven, buiten het huis van Taco Sijbrandsz., en even toezien naar de bewegingen van eenige mannen, die over de Marie-plaats voortgaan, en luisteren naar hetgeen er tusschen hen voorvalt. Wel is het avond, maar zij houden geene lantaren, noch laten die voor zich heendragen; ze schijnen dus meer belang te hebben, niet gezien te worden, dan wel zelve te zien. Twee hunner zijn in lange mantels gewikkeld, die toch de degens, die zij dragen, niet gansch kunnen bedekken; zij hebben Duitsche hoeden op, wier slap neerhangende randen hun ten deele het gelaat maskeeren. Deze twee mannen gaan dicht naast elkander, de een zich met losheid leunende op den arm van den ander; een derde gaat naast hen op eenigen afstand: hij draagt geen degen en heeft het gelaat onbedekt. Geen van drieën spreekt, een woord; allen schijnen zij wat haast te hebben, om voort te gaan, zonder te worden opgemerkt door een van de vele voorbijgangers, die met het zachte lenteweder (het is de 2de Mei) heen en weder wandelen op de ruime Maria-plaats, of lucht scheppen op de houten stoepen voor hunne bedompte huizen. Ondanks dien kennelijken wensch worden zij door een vierden persoon toegesproken, die in dezelfde richting gaat, en hem, wiens gelaat onbedekt is, toespreekt met een avondgroete en het woord:

»Ik rade, werwaarts gij u heen begeeft, broeder collega!

»Wat port u tot de begeerte het te weten, meester Hermanus Modetus?” antwoordde deze, en week nog wat meer zijwaarts af van zijn gezelschap.

»Omdat ik u geen kleiner belang onderstelle dan mij zelven, voor de goede zaak.”

»Ik zoude moeten weten, welke goede zaak gij hier bedoelt?” hernam de collega een weinig stroef.

»Nu, dat verstaat zich vanzelve; daar is er maar ééne, die wij voorstaan uit alle macht: de religie; maar al het andere hangt daarmede samen.”

»Ik kan toch niet denken, dat deze zoo instantelijk eenig gevaar is dreigende…”

»Acht gij dan voor niet met al, dat die kettersch een godslasterlijke vergaderingen der Jacobsgezinden nog blijven aanhouden, ondanks het toetreden van hare leeraren tot de onzen, en het afzetten van zijn ambt van den éénen weerbarstigen? Ik meende doch, dat dit u ter harte zou gaan als mij zelven.”

»Het zou mij zekerlijk grieven te vernemen, dat daar nog zoovele Christen-menschen zijn, die dus met hart en ziel blijven kleven aan libertijnsche en onrechtzinnige gevoelens, die in de St. Jacobs-kerk plachten beleden te worden, en die nog zoo wars zijn van Christelijke orde en tucht, dat zij zich niet eenmaal willen voegen naar de inzettingen en de discipline van de ware religie, nocht naar de ordonnantiën van ’t wereldsch gezag; maar ik kan niet denken dat dit zij…”

»Ik zegge u, het is!” hernam Modet heftig. »Eene zulke onrechtmatige oefening heeft er plaats op dezen stond in Taco Sijbrandsz. huis, en ik ben op weg derwaarts, om met mijne oogen den gruwel te aanschouwen, en den booze te verpletteren door mijn aanblik, en door de bestraffinge en dreigementen, — en daarna het al aan te dienen aan de overheid!”

»Broeder! broeder! wat een voornemen is dat!” hernam de andere kerkdienaar vermanend, en Modet’s arm nemende, week hij nog verder af van de mannen die met hem waren. »Zoo Taco Sijbrandsz. die overtreding pleegt, is dat zeker klagelijk eene foute voor een man, die voormaals zoo prijselijke deugden oefende; maar moei gij u daarmede niet! — niet op zulke wijze voor »t minst! deze dingen zullen toch welhaast zijn voorbijgegaan en te niete; men zou meenen, dat gij gansch geene tolerancie wist te oefenen…”

»Maar ik wil niet suspect wezen van tolerancie!” hernam Modet op een toon, die den ander onwillekeurig deed glimlachen.

»Om der wille der Christelijke liefde dan en der eendracht, die wij zoeken, broeder! bidde ik u ernstig: sta af van dit beginnen!”

»Al wilde ik het, ik konde niet meer; ik heb het afgesproken met twee van de ouderlingen, dat ik in persoon de zake ondertasten zou, en ik wil, noch zal daaraan niet gebreken.”

»Nu, zoo ga ik met u!” hernam de andere met een snel besluit, en zich schielijk tot de lieden keerende, die met hem waren, fluisterde hij een van hen iets in het oor, boog zich eerbiedig tegen den tweede, en ging verder met Modet.

De beide anderen bleven eene wijle aarzelend staan.

»En nu, wat zullen wij doen?” vroeg de een, even den arm loslatende van zijn geleider. »Mij dunkt, dat de eerwaarde man het wel inziet, als hij Uwer Doorluchtigheid dit voornemen nu ontraadt. Uwe lordschap zelve kan niet anders zijn, dan de boodschapper van gunst en genade; als ook, meene ik, uwe intentie was…?”

»Zekerlijk! Hebt gij mij niet gezegd, dat de man en zijn gezin die verdienden, ondanks zijne hardnektheid en zijne wangevoelens? Maar zoo hij zich eene zulke weerspannigheid onderstaat, dan moet er met andere maat gemeten worden! Bij Gods eer! ik laat mijne bevelen niet dus bespotten.”

»Ik onderstelle zulke verregaande roekeloosheid niet in den man, die tot hiertoe altijd zich zediglijk heeft gedragen, en onderdanig was aan de bestaande macht, en van dien ik wete, dat hij Uwe lordschap hoogelijk respecteert. Daarbij heeft Modet slechts vermoeden en geenerlei zekerheid.”

»In die onzekerheid dien ik toch mijn inval op te geven!” sprak Leycester, zich omwendende. »Ik kan zelf niet wel geduldig aanschouwer zijn van zulke overtreding, en even weinig de gewelddadige stoorder daarvan. Wat dunkt u, zal ik wat mannen van wapenen derwaarts zenden, om de ordre te maintineeren?”

»De tegenwoordigheid van Modet alléén acht ik genoegzaam, om die lieden uiteen te drijven, als ze samen zijn. Daarna kan Uwe Excellentie straffen, wat er strafbaars geschied zij; de dienaar, die met Modet is, kan een onpartijdig tuigenis geven.”

»’t Is ook licht een loos alarm van den ijverenden leeraar; maar altijd moet ik datgene opgeven, waar ik mij voor eene wijle verstrooiing mee beloofde; gij weet het, amico mio! lust des levens geniet ik niet te over, en ik had mij vreugd voorgesteld van blijde gezichten en dankbare gemoederen; dat wekte mij op, om u incognito te verzellen, ondanks uw ontraden.”

»Veellicht daardoor, Mylord! Uwe Doorluchtigheid heeft te veel volstandigheid van wil, dat ontraden niet juist dien invloed zou hebben; en doorgaans ook doet mijn Graaf het best, geen ander hoofd te volgen dan het zijne. Echter had ik voor ditmaal met mijn raad geen ongelijk; want naar het gerucht gaat, komen velen van zijne sekte dien man bezoeken, en Uwe Excellentie had met een daarvan kunnen samentreffen, die haar herkende, dat haar licht eenige moeielijkheid kon brengen…”

»Ik had ook lust gehad, uwe kleine te zien!” sprak Leycester verdrietelijk.

»Uwe Doorluchtigheid kan daarin later altijd doen naar haar welbehagen. Zal ik Uwe lordschap nu terugleiden tot aan het Duitsche Huis?”

»Nu ja dan, kwelziek mensch!” en Leycester nam zijn arm met een zeker ongeduld.

Modet en zijn ambtsbroeder hadden intusschen hun weg vervolgd.

»Wie waren de gezellen, die nu van u gaan?” vroeg Modet.

»Twee lieden, die onbekend willen blijven, en die ik geen oorlof heb te noemen.”

»Hebt gij ook geen oorlof te zeggen, waarheen gij gezamenlijk gingt…? want daar gij niet van de Belials-vergadering kennis droegt…”

»Ja! Hoe weet gij dat zelve? Of is »t niets dan eene suppositie?”

»In geenen deele is het; luister! Sinds den avond, dat de man zijn afscheid preekte, met de woorden: "Ik zal den herder slaan, en de schapen der kudde zullen verstrooid worden," die hij godslasterlijk op zich zelven toepaste, zijnde hij geenszins een goede herder, maar een dolle, verpeste hond, die deze verleide schapen was hoedende, zonder wettelijke roeping en buiten de goddelijke tuigenisse…; sinds hij hen stoutelijk opwekte, bij hunne doling en wangevoelen te blijven en daarin te volharden, al was hij zelf verre, — sinds dien avond heeft die schare lucifarinisten begrepen, dat Satan’s rijk uit had in Utrecht.”

Modet’s toehoorder zuchtte.

»Daaraan zie ik nog geen eind, broeder! zoolang wie Christenen willen genoemd zijn, de liefde vergeten, die de uitnemendste is, en niet onderlaten met woorden van bitterheid zich vijandelijk te stellen tegen den dolende; voorwaar! »t is niet dus, dat men zal de onwetenden leeren en de afkeerigen trekken. Ik wenschte veeleer, dat men, navolgende het exempel der apostelen met wel leven en wel leeren, vele duizende menschen dwong om tot Christi bruiloft in te komen! Maar ik wete, waarop gij doelt: sinds de volgers van Taco’s leere begrepen en wel onderkend hebben, dat hunne gemeente als gemeente had opgehouden te bestaan, nu de dienaar van hen ging, wiens woord en voorbeeld hen stichtte, hebben zij nog wel naarstiglijk gezocht versterkinge en vertroostinge uit zijn mond te hooren; daarom heeft sinds voorgisteren zijn dorpel niet gerust van bezoekers en van die hem afscheid brachten, en dat heeft u, en wie »t u gemeld hebben, in den geest gebracht, dat zij bijeenkwamen tot verboden godsdienstoefening.”

»Ik verwarre geenszins die liefdebezoeken, als gij ze noemt, met onrechtmatig samenzijn. Wie mij daar de lucht af gaf, was een van heer Reingoud’s volgelingen, een zulke man, die goed onderricht heeft kunnen zijn.”

»Dat zou mij wonder doen, als dat met heer Reingoud’s voorkennis zij geweest. Maar gesteld: die lieden waren nu samen, is »t wonder, dat hunne harten nog voor »t laatst trekken naar de spijze, daar ze mee gevoed zijn zoovele jaren lang, schoon het brood is, waaraan zij zich niet verzaden kunnen, omdat het niet is het ware en zuivere brood des levens?”

»Spijze noemt gij het? Het is niet dan verkendraf, daar zich die logenlievende bokken mee verlustigen, en gij zoudt dat kwaad gering achten!”

»Verre van mij, dat ik ietwes gering zoude achten, waar »t Gods eere of der gemeenten zielen geldt; alleen ten dage van morgen worden de oude St. Jacobs-leeraars tot echte dienaren des Woords bevestigd in de Gereformeerde Kerke. Van dan aan moeten de voormaals genoemden onbeslotenen belijdenis doen van hun geloof, om te worden opgenomen in onze Kerk, en zich begeven tot tucht en orde; het zal dan alles wèl zijn; tot zóólang zij, naar het voorbeeld Christi "het onkruid geduld tusschen de tarwe," schoon »t mij grieven zou om den man Taco, dat hij zich met dergelijken onwettelijken handel inliet, zoo kort voor zijne afreis.”

»Wij zullen er welras de verzekerdheid van krijgen; want wij hebben hier alreeds het gezicht op zijne poorte, die wijd openstaat. Dát, voorwaar, is toch niet het gemeen gebruik, — en… ei, zie! daar gaat er opnieuw eene vrouw binnen.”

»Wij willen haar voorbeeld volgen, broeder Modetus! eer wij van dezen schijn nog het ergste denken.”

En zullen wij er dan het ergste van denken, mijne lezers? Wachten wij liever eene wijle en gaan wij dan binnen met de twee predikanten, die den hoofdingang van het huis open vonden en de duistere gang een weinig verlicht. Niet wel wetende, welk gedeele door Taco bewoond werd, aarzelden zij eene wijle, of ze zich ter rechter of ter slinker zijde zouden wenden. Gelukkig bemerkten zij eene vrouwelijke bediende, die ook de poort intrad, een mandje met vruchten dragende. Zij vroegen, waar zij den predikant Taco Sijbrandsz. zouden vinden. Zij wees het hun.

»Wilt vrij binnengaan, goede heeren! wilt vrij binnengaan,” sprak zij. »Mijn arme meester wil niet, dat iemand geweerd zal worden, schoon mevrouwe daar gevaars in ziet.”

De predikanten zagen elkander bedenkelijk aan, en zij traden binnen.

Maar zeker; het was geene ongeoorloofde vergadering van ongehoorzame onderdanen, die tegen wil en gebod van de aardsche macht naar eigen goeddunken zich stelden de Hemelsche te dienen, die zij overvielen in vrome, maar onwettige handeling; het was geene roekelooze bijeenkomst van weerspannigen, die zij betrapten op de daad; het was een familiekring, dien zij binnentraden, gesterkt door eenige vrienden, die zich geschaard hadden rondom een ziekbed. Ja, zij vonden lieden, die de handen ophieven ten Hemel! Ja, zij vonden lieden, die geknield lagen, biddende met tranen, maar het waren smeekingen tot God, om uitkomst in bangen nood; het waren beden, die ieder Christen te allen tijde mag uitstorten voor den Heer; het waren tranen der beangste vriendschap en der diep bekommerde liefde.

En voorwaar! ze hadden niet noodig, Taco rekenschap af te vragen van onwettige oefening van zijn afgelegd leeraarsambt; want hij scheen op het punt, rekenschap af te leggen van geheel zijn dienst aan den Hoogsten Meester zelf. Gunst of toorn van den graaf van Leycester moest hem nu wel van kleine waarde zijn, want het was voor hem de vraag geworden, of hij in de naaste ure de gunst of den toorn van den Allerhoogste over zich zou hooren uitspreken.

Macht van vorsten en van priesteren! wat zijt ge klein, als de kleinste burger u verachten kan op het sterfbed! Die zekere grens van uwe heerschappij moest u prediken, haar nooit te gebruiken, dan als een geleend goed, dat u welhaast weer zal worden teruggevraagd; — moest uwe onderdanen leeren, om te uwen wille geen enkelen plicht te verzaken van die, welke de Koning der Hemelen heeft opgelegd; want wat zegt uwe bescherming, daar zij machteloos is, juist in dien allerhoogsten nood? O! Leycester had niet moeten terugkeeren, al had hij hier zijn hart niet kunnen verkwikken door vroolijkheid te brengen: dit ziekbed had zijne ziele betere dingen kunnen prediken dan de meest opgesierde rede van een Fraxinus!

Overspanning, zielsaandoeningen en uitputting hadden Taco op dit ziekenleger nedergeworpen. Hij lag er met de berusting van een Christen; maar de blijdschap van hen, die moede zijn van den goeden strijd, en die heengaan in vrede naar het land des vredes, worstelde bij hem met de zorge van den huisvader, die daar al zijne kinderen in de teerste jeugd ziet schreien om zijn heengaan, terwijl juist zijn harte beeft over hun blijven, hun verlaten blijven; met de bekommering van den teederen echtgenoot, die de trouwe gade tranen ziet storten van enkel angst voor verlies, en wiens hart samenkrimpt bij de gedachte, hoe groote aanwinst van plichten en lasten zij daaronder vergeet, — plichten en lasten, die hare krachten moeten te boven gaan! En had eens de Graaf van Nieuwenaar met bewondering zijne standvaste vroomheid geroemd, dat hij, schoon met zooveel kinderen bezwaard, ter wille van zijne overtuiging geheel zijne tijdelijke welvaart opgaf, diezelfde lofspraak kon nu wel eens der lijdende verbeelding van den zieke pijnigend zijn. Had hij, plooiende met zijn gevoel en zijn geweten, niet liever een ambt moeten behouden, dat de zijnen recht zou gegeven hebben op ondersteuning en bescherming, waar ze nu op zijn minst verlatenheid moesten wachten? Had de man, — de vader niet moeten schikken, waar het toch in »t eind de vraag niet was, zich van Christus Kerk te scheiden, maar alleen zich daaraan op andere wijze te verbinden? Verschool zich ook menschelijke zwakheid, eigendunk, trots, onedele vrijheidszucht in dat hardnekkig vasthouden aan eigene opvatting? En had zijn oog, door zonde verduisterd, ook eigen dwaallicht gehouden voor een lichtstraal des Hemels? En had hij niet moeten toegeven, veeleer in ootmoet geloovende aan eigene dwaling, dan aan het ongelijk van zoovelen, als daar tegen hem over stonden?

Licht waren het twijfelingen als deze, die de hitte der koortse hooger deden gloeien op zijne wangen, en hem het fijne angstvocht uitperstten uit de poriën, en het verdoofde oog soms met zoo akelig wilden glans deden schitteren. Maar ook waren er oogenblikken van hemelsche kalmte, die wel bewezen, dat, was de oppervlakte beroerd door lichaamslijden en door sombere voorstellingen eener ontstelde verbeelding en van een geschokt zenuwstel, toch in het diepste zijner ziel ruste schuilde en berusting, bij de bewustheid van een hard, maar een noodig offer aan eene heilige overtuiging.

Een zulk oogenblik troffen de predikanten bij hun binnentreden. Taco staarde met helderen blik den kring der zijnen rond, het hoofd een weinig gesteund door den arm zijner vrouw, die hem de andere hand vasthield. — De predikant, dien wij nog niet noemden, deed stil en zwijgend slechts eenige schreden voorwaarts, en bleef toen, als van ontroering getroffen, staan, het hoofd ontblootende. Modet integendeel, hoe het hem ook verrassen moest, alles zoo gansch anders te vinden dan hij het wachtte, had niet genoeg teerheid van gemoed, noch kieschheid van gevoel, om nu met beschaming terug te blijven; integendeel drong hij voorwaarts met onbescheidene drift, en was het vreemd? waar hij Taco hoorde zeggen:

»Dit geloove maakt mij zoo gerust, dat het mij licht is, deze schaduwe des doods in te gaan.”

»Gij gerust in uw geloove!” riep Modet. »Rampzalige! op welk geloove zijt gij gerust? Op een gebouw van slijk en stroo, van stinkende eigengerechtigheid en het ongadige goed van goede werken samengesteld! Gij, die ter eener zijde nog zijt liggende in de windselen des Papistischen bijgeloofs, en ter andere, alleen den lossen breidel houdt van de Libertijnsche ongebondenheid, God beware u! dat gij dus sterven zoudt! Bekeer u! Bekeer u, man! want gij mist den geheelen Hemel!”

»Mijn God! wat is dat?” riep Taco, die in de eerste verrassing den aard van het bezoek, noch den zin der redenen vatte.

»Wat het is? Dat de Heer daar staat, kloppende aan uwe deur, oft ge nog in mocht komen, zelfs ter elfder ure. O man! bedenk doch, dat gij naakt ligt in den modderpoel der zonde, en bekleed u met het zuivere kleed der gerechtigheid Christi! Het kan wezen dat gij voorverordineerd zijt en uitverkoren tot zaligheid van den beginne aan, schoon ook tot hiertoe wezende buiten de vergadering der heiligen. — Daarom beken u een arm en schuldig zondaar en verhinder niet door uwe obstinaatheid, dat de Geest tot u dringe, en u zuivere door het bad der wedergeboorte, — opdat ge niet door den vloek der wet eeuwiglijk branden moogt in de helsche pijn!”

»Helsche pijn! ach, het is Modet!” zuchtte Taco, — en wat vaster vervolgde hij, het angstig sidderen zijner gade opmerkende: — »Ik bid u, broeder! ga mij niet aan met zulke redenen, — die de mijnen verschrikken mochten, doch mij, God zij lof! geenerlei vreeze in het harte zullen jagen; sinds ik, schoon niet zonder zwakheid en struikeling, naar heiligmaking heb gestreefd mijn leven lang, — doch wat ik hierin roeme, roeme ik Christi, en zoo wachte ik nu het eind van dezen aardschen strijd, de palme der overwinning en de krone der eere uit Zijne genade-hand!”

»Gij roemen in Christus? ellendige zondaar! die niet eenmaal uwe ellendigheid beseft! Gij zijt vervreemd van God en Christus, en zult dat blijven door uwe schuld!” riep Modet heftig.

»Wat oordeelt gij mij, u zelven daarmede veroordeelende?” hernam Taco zacht, doch met ernst. »Wat weet gij van mijn innerlijk leven? Wat weet gij van mijn verborgen omgang met God?”

»Die hem van de Kerke afgescheiden houdt, die zich niet wil voegen met de gemeente der geloovigen, die houdt zich af van Christus, die scheidt zich willens van Hem.”

»Omdat ik mij houde afgescheiden van de Kerke Calvini?” glimlachte Taco. »En waarom zou de Duifhuis-kerke niet ook een deel zijn der ware Christelijke gemeente en der Kerke Gods hier op aarde?”

»De Duifhuis-kerke een deel der Kerke Gods? Man! man! hoe zult ge, dus sprekende, ontkomen aan de beten des oordeelenden serpents, dewelke is de logen, de prinse der duivelen? Ik zegge u, die Kerke was des Satans!”

»Satans Kerke? dat moge veeleer die zijn, waarin men God maakt tot een eeuwig straffenden dwingeland, een vooruit beraden beul van een deel zijner schepselen, ondanks de zoete en verblijdende tonen van de Evangelische boodschap, en het verzoenende bloed des Nieuwen Testaments, dat gegaan is over allen, die geloovig zich daarin mogen wasschen! O, Christus! hoe verkort men daarmede uwe liefde! O, Heere! hoe verengt men de ruimte uwer barmhartigheid! De Satans-kerke, mijn vriend! dat is die, waar men eene nieuwe inkwisitie invoert met censure en discipline, — waar zij de vanen der vervolging opsteken, wier eigene voetzolen nog branden van de hitte der pausen-vervolging, die ze nauw zijn ontkomen! waar ze de verzenen slaan tegen de prikkels der liefde! Is dit volgen van Christus of van Satan? Is dit het smaken van de bevrijding des pausdoms, dat men deze in schijn bevrijde burgeren aanbiedt? — O, vader Duifhuis! waar is uw exempel? waar zijn uwe tijden? waar is uwe liefde?”

»Ziet nu, welk een fraai Christen we hier hebben!” riep Modet met woede en bitsheid in oog en toon, »die gaat steunen op zijn valschen logenprofeet Duifhuis!”

»Nog beter op dezen vrome te steunen, dan op den nieuwen koran Calvijns en op de farizeesche wetgeving der Gereformeerde conciliën, dewelke zijn de statuten der Synode!” riep Taco ook met toorn en heftigheid, en de matte heeschheid zijner stem was in akelig contrast met de opgeruide drift die uit zijne woorden sprak.

Zoo werd dat hittige vuur van een onverstandigen ijver, tegelijk eene aanstekende vlam, die rust en liefde dreigde te verteren, in eene ziele wellicht niet ver van hare scheiding uit het lichaam. Helaas! helaas! de eeuw is zestig jaren ouder geworden sedert 1525, maar haar gelaat is niet veranderd; slechts hebben hare trekken wat kalmte van de jaren aangenomen; de omstandigheden zijn veranderd; de personen zijn gewisseld, maar de stempel dien ze dragen, is nog weer dezelfde, en er is van hen te zeggen, als van zekere lateren in de politiek: »ze hebben niets vergeten en ze hebben toch niets geleerd!” Het is bedroevend, maar het is waar, — en eene droeve waarheid is toch ook waarheid, en zij kan meer wezen, zij kan nutte herinnering zijn! voor het minst, waar die gebruikt wordt, niet enkel met de bijgedachte: »zoo is het en zoo zal het blijven, want ook in dien zin zal de Kerk hier op aarde wel de strijdende Kerk zijn genoemd,” maar ook met deze: »het moet toch eens anders worden, als er hoogere en heilige eenheid zal gekomen zijn in de Kerk, de eenheid in Christus, door Zijn Geest en naar Zijne genade, en al het andere zal verteerd zijn tot asch, als verbrande hulsels, die eene heerlijke vrucht hebben besloten en gekoesterd tot hare rijpheid. Daartoe moet ieder geloovig Christen mede strijden met kracht en met moed, doch omgord met geene ander rusting, dan die des gebeds; door geen ander schild gedekt, dan dat der krachtige overtuiging; geene macht gebruikende, dan de macht van het voorbeeld, en geen ander wapen dan dat der liefde; — het eenige geweld dat passen kan nevens het Kruis. Het zien in den spiegel der vroegere eeuwen moge toch niet gansch vruchteloos zijn, waar zij tegelijk uitlokt tot een blik op de onze.

Modet’s medebroeder huiverend van de hitte eens strijds, die aanving op zulk een uur en plaats en onder zulke kenteekenen, trad schielijk nader, en rustig op Taco ziende, en Modet met de hand zachtkens wegwerende, sprak hij met zachte doch diep doordringende stem:

»Broeders! broeders! ik bidde u, laat doch scherpheid en twistinge dáár! Wat vangt gij aan, verschilpunten te ondertasten aan een ziekbed? Hoe kan hier van Calvijn of Duifhuis de vrage wezen? Daar is maar ééne name van den Hemel gegeven om zalig te worden, den name Christi; en bedenkt doch! bedenkt doch! Diens hoogste gebod is de liefde! — Hoe zondigt gij daartegen, broeder Modetus! door het zwaard der veroordeeling te grijpen, dat wel harten wondt, maar geene gemoederen heelt! Hebben wij niet het kruis der hope om op te richten, en den standaard der liefde om ons rond te scharen? En wat gaat gij dan aan, met de pijlen van partijdigen ijver elkander te kwetsen, nu voor »t minst, in eene ure als deze? Overweeg doch, dat het rijk Gods komt, zoomin met onderscheid van namen en stellingen, als met dat van spijzen, kleederen en ceremoniën! Hooge en wichtige leerstukken der Kerk moeten zuiver gepredikt worden en openlijk beleefd en beleden; maar wil ze niet maken tot onderwerpen van tweedracht en strijdigheid, zonder kennelijke roeping en te bekwamer tijd en plaatse; want dat is onwijze ijver, en dat bedroeft den geest Gods, en dat bedroeft Christus, die de liefde heeft aangeprezen! En gij ook, wellieve broeder Sijbrandsz.! vergeet wat achter ligt! — Geef uw verstand gevangen in de gehoorzaamheid Christi, en stel op niets uwe hope, dan op Zijn verzoenenden dood! Wij weten het allen, zoovelen wij u gekend hebben in leven en wandel, dat zóó goede vruchten niet komen kunnen van kwaden boom; — doch gij weet het als wij: de heiligmaking blijft hier onvolmaakt, hoe ook met ijver nagejaagd; heiligmaking is niet genoeg; — en rechtvaardiging door Christus alleen kan bestaan voor God, maar zij is ook genoeg! — Grijp die aan met alle vermogens die in u gelegd zijn en laat al het andere varen! — Gunt hartelijke broederliefde dit ééne vermaan!”

»Zoo wil ik!” hernam Taco, »maar voorwaar, aan deze woorden, vol liefde en klaarheid, herken ik Wernerus Helmichius!”

En zoo mocht hij spreken. Het ware kenmerk van een echten Christen, liefde, en het zekere bewijs van een helder verstand, klaarheid en gematigdheid, waren karaktertrekken van Wernerus Helmichius. Leeraar en voorstander der Gereformeerde Kerk, als hij zich later heeft bewezen, en zich toenmaals reeds toonde, heeft hij toch zijne overtuiging in de zaak, die hij liefhad, weten voor te staan, zonder den warmen gloed, die hem bezielde, tot een verzengend vuur te maken tegen anderen. Hij werkelijk heeft den geest van het Evangelie begrepen en beoefend, terwijl hij zich tevens vasthield aan de letter, en terwijl hij voor zich zelven niet afweek van de leer, door zijne Kerk als de eenige rechtzinnige aangewezen, wist hij Gereformeerde nauwgezetheid met evangelische vrijheid hand aan hand te doen gaan, in tijden, waarin door het allerkleinste verschil van gevoelen, soms leeraren van dezelfde Kerk, van hetzelfde christendom, tegen elkander opstonden, zoo vijandig als aan geene Heidensche wijsgeeren dat ooit is ingevallen. Wernerus Helmichius, geprezen door beide partijen, waarin later de vaderlandsche Kerk werd verdeeld, en toch niet flauwhartig weifelende tusschen beide in, maar een ijverig en vrijmoedig voorstander van de zijne; Wernerus Helmichius was het werkelijk, die gesproken had, en door Taco als bij ingeving geraden was, dien wij voor ons gevoel liever het eerst hadden laten optreden, in de rij der Gereformeerde predikanten die wij opvoerden, zoo de eischen van den roman het niet anders hadden gewild; maar niemand toch kan ons verdacht hebben, dat wij den Calvinistische predikanten van dien tijd het onrecht zouden doen eener vertegenwoordiging alleen door een Fraxinus en een Modet, in een werk, toegewijd aan een Gereformeerd predikant, die de blijdschap is van zijne Kerk, en niet de minste van hen, op wie hare verwachting rust. En zeker, noch hem, noch een van zijne ambtsbroeders, onder wie ik mij trouwe en waarde vrienden kenne, zou ik willen bedroeven, door hun waardigen stand te bespatten met het slijk eener vroegere eeuw, en door enkel schaduwen te geven, als Fraxinus en Modet, waar ik ook lichtpunten wijzen kan, als Gideon en Helmichius! Helmichius was een baken dier tijden; hij was meer, hij was eene rots, maar eene rots die een rijke ader van het levende water der liefde in zich besloot, en uit diens overvloed menigwerf der anderen gebrek wist te voorzien.

Met dat doel ook had hij Modet vergezeld, en wij zien, dat zijne tusschenkomst niet onnoodig was.

Zoo haast had niet Taco hem herkend, of hij reikte hem de hand. Modet dus tot zwijgen gebracht, week ter zijde, en Wernerus naderde den zieke, tot hij hem konde toespreken, zonder door anderen verstaan te worden. Eene wijle bleef hij zoo met hem spreken, en daarop kleurde Taco’s gelaat zich met een blos, wij hadden haast gezegd van gezondheid, maar zeker van vergenoegen.

»Ja, mijn broeder!” sprak hij. »U geve ik gerust daarin te handelen; ik bekenne ook, dat was mij bezwarenis; maar zou het niet mogelijk zijn, dat ik hem sprak?”

»Hij zou met mij hier zijn geweest, zonder Modet; en nog — nog hope ik op hem, en,” vervolgde hij, opziende, »mijne hoop is niet ijdel geweest; want zie! — hij treedt zelf binnen.”

De man nu, die binnentrad, was Reingoud. Maar, opdat niemand der vreemden hem zou herkennen, maskerde hij zich zooveel mogelijk met hoed en mantel. Zoo haast Wernerus hem had opgemerkt, wenkte hij hem naar het ziekenleger heen. Taco’s kleur wisselde van bleekheid tot gloed; hij streed kennelijk met heftige aandoeningen, maar toch wenkte hij zijne gade, dat zij wat zoude ter zijde gaan.

Reingoud trad dichter bij, nam Taco’s hand, en zijne pols zoekende, sprak hij:

»Ik ben een weinig geneesmeester; deze krankte zal u den dood niet doen, en,” fluisterde hij hem in, »ik zal u een raad geven, die tot herstelling baten mag: wijk naar Alkmaar!”

»Naar Alkmaar!” herhaalde Taco aarzelend.

»Mylord’s bescherming wacht u daar en de mijne, en gij vindt er…” hij lispelde een naam.

»Haar? Zij leeft? O, daarvoor zij God gedankt!” riep Taco.

»Kunnen wij zoo aanstonds alleen zijn? ik heb belangvolle zaken met uw man te bespreken,” zeide Reingoud tot vrouwe Sijbrandsz., even heenziende naar de groep kinderen en menschen, die zich wat naar den achtergrond hadden begeven.

»De kinderen zijn weg te zenden, en ik wil het daarheen brengen, dat de vrienden ditmaal hun bezoek wat bekorten,” hernam deze; »alleen, heer! zou zulk onderhoud mijn lieven manne niet schaden?”

Taco zelf schudde van neen, en Reingoud zeide:

»’t Zal zijn ruste vorderlijk zijn.”

En de bezorgde gade stelde zich te voldoen aan hun verlangen. Zoo haast Modet zich door de tusschenkomst van Helmichius een weinig in de schaduw gesteld voelde, scheen hij zijne taak bij den zieke voor afgedaan te houden; voor »t minst, hij had zich van het ziekbed afgekeerd, en tegelijk had hij een nieuw voorwerp voor zijn ijver gevonden: zijn valkenblik had Jacoba opgemerkt Zij stond bij eene tafel, bezig met eenigen laafdrank toe te bereiden voor den zieke. Eene jeugdige dame, die nevens de tafel zat, en haar behulpzaam was, kon wel de brengster zijn van die menigte fijne verkwikkingen, die daarop lagen uitgespreid. Met deze dame sprak Jacoba druk en vertrouwelijk, schoon op zachten toon. Daar voegde zich Modet vrijpostig bij haar, en sprak haar toe op de wijze, die hem eigen was. Reeds in die toespraak zou Jacoba den man herkend hebben, die meer nog dan Reingoud’s koelheid haar uit zijne woning had weggeschrikt; nu ook dacht zij zich geene betere hulp dan ontwijken.

»Het moet zwoel zijn in de Mei-lucht,” sprak zij haastig tot de dame. »Willen wij een gang doen in den tuin? Vrouwe Sijbrandsz. zal de kandeel wel reiken, als de zieke het begeert.”

Met wat verwondering hoorde de vreemde bezoekster dit voorstel, maar zij gaf het toch gehoor door schielijk op te staan; want zij zag, dat de bleeke bevende haar steun noodig had en zeker ook versche lucht. Maar haar vervolger was niet een, die zoo schielijk zijn doel opgaf. Modet was de vrouwen op den voet gevolgd, nog vóór Reingoud binnentrad, en in den tuin had hij zich bij haar gevoegd, eer Jacoba hare gezellin de oorzaak van hare ontsteltenis had kunnen duidelijk maken.

»Jonge dochter! jonge dochter! wat een droef en obstinaat volharden in uw wangeloof is dat doch, dat gij liever inkeert in de woning van vreemden, dan u te willen onthouden onder het godzalige dak van een waar Christen, als uw achtbare bloedverwant is; dezen latende rouwe dragen over uwe hardnektheid en afdolinge; maar mogen uwe ijdele en afkeerige zinnen u verre houden van de plaatse uws behouds, en van de luiden, die zich daartoe zouden beneerstigen, nu ik u hervonden heb, achte ik dat als een wenk des Heeren, dien men niet voorbijzien mag, en waar u dan de liefde niet trekt, zal dwang u nut zijn. In den naam van heer Reingoud! gij zult met mij gaan.”

Jacoba antwoordde hem niet; slechts klemde zij zich angstig aan hare gezellin, en verzuchtte:

»Dat ook juist mijn vriend afwezend moet zijn, — mijn broeder!”

Maar eene andere stem antwoordde Modet, en eene andere hand legde zich beschermend op den arm van het meisje, dien Modet reeds met zijn forschen greep wilde vatten.

»In den naam van heer Reingoud! laat af van deze jonkvrouw, en moei haar niet!”

Het was Wernerus Helmichius, die zich stelde tusschen de jonkvrouw en den ijveraar.

»Wat zal dit?” riep de laatste. »Meent gij, dat ik het lijdzaam zal aanzien, dat het kind van een zulken oudvader dus zal blijven inwonen in de tente der ongeloovigen, om van den gruwel der Papisterij te vervallen in de losbandigheid der Libertijnschen? Reeds eenmaal heb ik slapheid gebruikt, en mij zelven die verweten, mij niet onschuldig houdende aan hare ziele, zoo zij verloren ging; nu zal mij God hoeden, dat ik opnieuw traag zou zijn in ijver. Nu voere ik deze dochter tot wie zij aanbehoort, hetzij met wil of door bedwang.”

»Alle dwang is hier onnut en uit den boozen.”

»Daar staat geschreven: "Dwingt ze om in te komen."”

»Zoo staat er; maar die dwang moet bestaan uit krachtige inscherpinge van Gods woord; een dwang, die, gelijk hij zoet en liefelijk is, mede krachtiglijk werkt; maar de lijfelijke dwang, dien gij oefenen wilt tegen deze jonkvrouw, uit liefde voor hare ziele, is een onwettelijke als een onnutte; niemand heeft u daartoe vrijmacht gegeven.”

»Noch u, om dien tegen te gaan!” sprak Modet heftig. »Broeder!” hernam Wernerus kalm. »Ik heb die; aanhoor mij even!” en hij fluisterde hem een paar woorden Latijn in, die wel de uitwerking schenen te doen van een toover-formulier; want Modet knikte met een voldaan en wichtig gelaat, en sprak toen overluid:

»Ik ga dan aan Mylord kond doen, hoe wij het hier alles bevonden hebben.”

»Doe hierin, wat u oorbaar dunkt!” hernam Helmichius, die zich toen wendde tot Jacoba met het woord: »En nu, lieve juffer! moge het u gevallen, mij aan te hooren, die niet hier ben uit een simpel geval, maar met opzet gekomen, om u te onderhouden over eene ernstige zake.”

»Zijt gij leeraar van de Gereformeerden?” vroeg zij snel.

»Zoo is het!” hernam hij met een onmerkbaren glimlach; »doch vrees niet, dat ik dus op staanden voet trachten zal, u te winnen voor mijn geloof! Ik wete, dat God de Heer inwerkt in de harten der zijnen te zijner tijd, en dat een dienaar van het Evangelie daarmede gereed moet staan te ieder ure, tot elks dienste; maar dat niet mag opdwingen ten ongepasten stond, als een veil goed, dat verwerping en bespotting mag worden prijsgegeven, en ik hebbe te hooge achting voor mijne zending, om mij daarmede te tooien als met een kleed der ijdelheid ten ongelegenen tijd.”

»Ook vreeze ik dit niet van u, heer! die alreede mij zoo goedig genaderd zijt ter bescherming; alleen gij, Protestanten! hebt zoo verscheidene gelooven: daar is mijn goede gastheer Taco Sijbrandsz.; daar is die sektaris-leeraar van zooeven…; nu wilde ik zeker zijn, dat gij waart van hetzelfde geloof, als… als die leeraar, die gisteren in de Minrebroeders-kerke heeft gepredikt.”

»Gij hebt wel, juffer! daar stelle ik roem op, dat doctor Gideon tot mijne broederen zal behooren.”

»Een zulke leeraar moet van den Hemel zelf zijn bezield en aangedreven, niet minder dan apostelen en heiligen.”

»Wij gelooven voor »t minst aan de goddelijke roeping onzer dienaren,” hernam Helmichius met bevreemding. »Maar dit woord van u, juffer! eene Roomsche…?”

»O, niet van dat!” hervatte zij. »Zeg veeleer, wat u herwaarts voerde.”

»Volgaarne; alleen daar het teere punten raakt, kan ik over alles spreken voor deze vrouwe?”

Jacoba liet als werktuigelijk den arm der jonge dame los, haar werkelijk nog vreemde, slechts kennis van dien avond, en alleen verzusterd door deelneming in het lijdend gezin; maar toch antwoordde zij, na eenige aarzeling:

»Spreek, heer! ik achte geene geheimenis te hebben voor eene jonkvrouw als deze.”

Toch was de vreemde uit zich zelve bescheiden ter zijde gegaan, en Helmichius voerde nu Jacoba naar een steenen bank bij den tuinmuur, waar hij zich aan hare zijde zette.

»Een onbekende, zich mengende in uwe belangen, moge u wat vreemd schijnen,” begon de predikant; »maar ik hoop u later te bewijzen, dat ik er billijke oorzaak voor heb. Reeds dat ik uwe betrekkingen ken, moge u geruststellen, jonkvrouw! De nobele jonge hopman, Elias Leoninus, heeft u in dit huis als gast ingeleid; hij heeft dat gedaan, toen gij zoekende waart naar een verblijf, onder het geleide van eene Roomsche vrouw uit geringen stand, Barbara Boots. In dit huis zijn u vele ontmoetingen bejegend, die u zorge en moeite hebben gemaakt; maar de jonge Leoninus en de leeraar Taco hebben u tegen dat alles geveiligd en beschermd. En in die bescherming rustig, zijt gij hier nu naar uw volkomen genoegen. Is dat alles niet zoo?”

In de hoogste verwondering moest Jacoba haar »ja” zeggen.

»Maar gij kunt hier niet langer toeven!” hernam Helmichius, met eenigen nadruk.

»Mijn God! waarom niet?” vroeg Jacoba verschrikt. »Wie zal »t mij verbieden?”

»Uw eigen hart; uw eigen verstand; uw teeder gevoel. Uw gastheer Taco ligt op een ziekbed, dat een sterfbed kan worden. Zoo het God den Heer behaagde, hem dezen nacht tot zich te nemen, hoe zoudt gij morgen onder zijne weezen staan, naast zijne weduwe?”

»Als die haar troostte, door met haar te schreien…”

»Ik zou kunnen aanvoeren, dat een zulke troost een schrale is; doch ik wil toegeven, dat hij strekt tot leniging; alleen geef mij toe, dat uwe persoons tegenwoordigheid hare bezwarenissen vermeerdert…”

»Hoe mag dat zijn, heer?” vroeg zij verwonderd.

»Onbekend, als gij zijt, met alle wereldsche zaken, is van u alleen die vraag mogelijk. Bedenk doch, die lieden hebben geene tijdelijke middelen…; en hetzij nu de Heer dit gezin van hoofd en steun berooft, hetzij ze, met hem ballingen, zwerven buiten deze stad, na dezen kan gebrek hen drukken, kan uw onderhoud hunne zorgen vermeerderen.”

In waarheid, daaraan had de jeugdige onbedrevene nooit gedacht, die in haar klooster aan alle zorgen des werkelijken levens

[p. 81]

vreemd was gebleven, die haar bestaan zelfs niet in de verte vermoedde. Nu het haar duidelijk werd, drukte het haar met dubbele kracht.

»Licht dat alreede bekrompenheid hen gedrukt heeft, terwijl zij mij het leven zoet maakten met alle lusten, die zij bieden konden. Mijne schuld en mijne beschaming is groot; dat had Leoninus mij moeten zeggen.”

»Dat kon Leoninus u niet zeggen, zoolang hij u geen ander verblijf had aan te bieden; maar wees gerust! Taco zelf heeft er niet aan gedacht, noch een van de zijnen. Gij waart hun een lieve, een welkome gast. Zie! ik konde u wel leiden naar het doel, dat ik beoog, alleen door u deze onrust op het kiesche gemoed te laten; maar een zulk beginsel moet u niet van hier drijven. De weldaden en goedheden van heer Reingoud kunnen dit gezin volgen; elders zoowel als hier, en dus hun rijkelijk vergoeding bieden voor de wijkplaats, die zij u schenken zouden.”

Jacoba glimlachte bitter.

»Nu, heer! zie ik, dat gij niet zoowel bekend zijt met deze zaken, als gij vermeent. Mijn grootvader dien lieden goedheid bewijzen, uit aanzien voor mij? Hij, die mij zelve van zich zond en overgaf aan de onguurheid van »t lot…!”

»Ik weet, wat ik zegge,” hernam hij; »maar zoo gij die stem niet gelooft, kan in trouwe geen kiesch gemoed, als het uwe, deze gastvrijheid blijven aannemen.”

»Ook ga ik van hier, zoo haast het zijn kan.”

»Waarheen, jonkvrouw?” vroeg hij ernstig.

»Hemelsche machten! weet ik het zelve?” riep zij met angstige stem. »Ik ben nu alleen, wel zeker alleen. Ik heb Barbara verloren. Ware hij slechts hier, mijn broeder Leoninus!”

»Gij weet, lieve joffer! dat de hopman verre is op een krijgstocht, die hem lange van hier kan houden.”

»Ja! dus plotseling! Wel zeker hebben mij de Heiligen verlaten wier dienst ik veronachtzaamd heb!”

»Hij zal u uitredden, die meer is dan Heiligen; die der Engelen Heer is. Is het niet meest uit vreeze voor religiedwang, jonkvrouw! dat gij u scheidt en afkeert van heer Reingoud?”

»Dat was het, heer! maar dat is nu niet het meeste. Er is meer: De vader van mijne moeder heeft geen hart voor haar kind! Dat heeft mij getroffen, — dieper getroffen dan hardheid of dwang! Dat heeft iets gebroken in mijn hart! — Dat heeft iets gedood in mijne ziel! Wat daarmede is vergaan, is niet meer goed te maken.”

»Heer Reingoud geen hart voor u, jonkvrouw? Nooit was er ouderen teerheid, die de zijne overtreft, zooals hij die mij heeft ontdekt. Oordeel zelve! "Hij had berouw van uw heengaan; hij wilde u terug hebben; hij kende uw verblijf; hij was machtig in Utrecht; goddelijk en menschelijk recht gaven hem geweld over u; macht had hij in handen; één wenk en hij had u binnen zijne woning… Wij leven in de dagen van geweld; men zegt zelfs, dat hij het drijft tegen anderen. Welnu! hij gaf dien wenk niet. Waarom niet?"”

»Uit koelzinnigheid; ik heb dat uit een zeggen van Leoninus begrepen,” en Jacoba zuchtte.

»Neen! omdat hij aan niets, dan aan u zelve, dan aan uw vrijen wil dien terugkeer danken wil; omdat hij onder vele lasten des levens een troost wenschte: uwe liefde; — omdat hij die teere bloem niet breken wilde door geweld; omdat hij die kweeken wilde, als iets heiligs en liefelijks, in uw gemoed. — Dat heeft Taco van hem geweten in de laatste dagen; dat heeft hem bezwaard in den strijd van zijn ziekbed, dat zijn woord uw hart niet sterker tot verzoening had geneigd; dat zijne daad u dus lange van uw verwant hield gescheiden; — en zie, mijne jonkvrouw! zoo gij een dienaar des Heeren, die geen priester is van uwe Kerk, een woord gunt van vermaan, zoo zoude ik u zeggen, dat aller Christenen verwanten-plicht één is, en dat, zoo ooit het vrouwelijk gemoed open moet zijn voor liefde, en verre van bitterheid, en geneigd tot verzoening, het avonduur van dezen dag aan Taco’s ziekenleger u wel krachtiglijk en ernstiglijk moest hebben gepredikt, hoe menschen, die zoo haast door den dood kunnen gescheiden worden, voor het minst moeten toezien, dat ze niet in haat en tweedracht vanéén worden gerukt. Zeer zeker, jonkvrouw! het lot heeft u nooit de zoetheid van verwanten teerheid te smaken gegeven tot hiertoe, — dat is klagelijk, zeer klagelijk, maar hieraan zult gij dat zoet onderkennen, zoo gij wel hebt aangezien, hoe groote bedroefenis het scheiden van een vader kost aan zijn gezin! en zoo meene ik, moet gij nu beter dan ooit gestemd zijn, om in de armen te snellen van uwer moeders vader, die zich met teerheid naar u uitstrekken. Of zoudt ge nog niet kunnen wederzien? — nog niet kunnen vergeven?”

Jacoba’s ziel was onder dit spreken heftig geschokt geworden, door velerlei strijdende gewaarwordingen. — Het allermeest trof haar de nieuwe verzekering van Reingoud’s zeldzame genegenheid, die haar opnieuw werd gegeven, — en zonderling, die zij nu uit dezen mond geloofde! Was het behoefte aan teerheid? Was het werkelijk overtuiging, die overmacht kreeg op eene vroegere ondervinding? Was het een gevoel van verlatenheid? Was het vrees voor zijn eenzaam en plotseling verscheiden, of angst voor het hare? — Het is moeielijk uit te wijzen, maar het is zeker, dat zij uitriep:

»Vergeving! wederzien, achtbare man! hoe kome ik daartoe?— hoe zal ik tot hem gaan? — waar zal ik hem vinden?”

»Hij zelf zond mij naar u heen; hij zelf is hier. Wilt gij mij volgen, naar hem? uit vollen, vrijen zin, met wat teerheid voor hem in het harte?”

Dit sprekende was Wernerus opgestaan; tot eenig antwoord legde Jacoba hare hand in de zijne; zoo voerde hij haar het ziekenvertrek binnen. — Reingoud’s bijzonder onderhoud met Taco scheen wel afgeloopen; voor het minst was vrouwe Sijbrandsz. in de kamer teruggekeerd, en schoon Reingoud nog altijd naast Taco’s leger zijne plaats had gehouden, zij zwegen beiden, als zaten zij in stille gespannen verwachting. Het oog van den predikant was verhelderd; de uitdrukking van zijn gelaat was wel mat, maar zeer kalm. Toen Jacoba binnentrad, wendde aller blik zich op haar; maar Reingoud liet haar niet naderen. In eene verrukking, die onbeschrijfbaar is, met eene mengeling van woestheid en weekheid, die bij geen ander kon worden vereenigd, — iets van den tijger en iets van de tortel, — stortte hij haar te gemoet, duldde niet dat zij nederknielde aan zijne voeten, maar hief haar op van den grond in zijne armen, en droeg haar zoo heen naar Taco, met het woord:

»Zegen haar tot afscheid! zij is nu mijne — mijne voor eeuwig!”

En Helmichius, die zijne taak afgedaan wist, verwijderde zich. In de gang stond de vreemde jonge dame weder naast hem, en wendde zich tot hem met eene zekere hartstochtelijke heftigheid:

»O heer! ik heb daar goede en troostelijke woorden van u gehoord tot anderen; een zulke leeraar van den godsdienst sprak nooit tot mij; zoudt gij ook troost hebben voor mijne beladene ziel, voor mijn bedrukt gemoed, zoo dat zich voor u konde openen? Zoudt gij mij willen aanhooren?”

»Dat is de last van mijn Heer, die zelf tot zich riep allen, die belast zijn en vermoeid.”

»Maar de smarten die ik te klagen heb, konden u wat vreemd schijnen…”

»Voor allen toch heeft de godsdienst balsem…”

»Maar zoo daar eene lijdt, die gansch verre is van God en zijn dienst?” vroeg zij met eene stem, daar eene wereld van zielsangst in trilde.

»En die ten leste toch Hem zoekt met boetvaardigen zin! Wel, mijne dochter! dezulken zijn de kinderen Zijner uitverkiezing! Dezulken neemt Hij het liefst.”

»Eene zulke ben ik!” snikte zij en ging snel van hem.

»Uw naam, jonkvrouwe!” bad hij, haar volgende, »uwe woning voor het minst.”

»Ik zal tot u komen! ik weet uw naam, — den mijnen — ben ik niet vrij te geven!” was haar antwoord.


Taco Sijbrandsz. is hersteld van zijne krankte, en uit Utrecht heengetrokken met zijn gezin naar Alkmaar, twee dagen nadat zijne vroegere ambtsbroeders van St. Jacob, als leeraren der Gereformeerde Kerk waren bevestigd, twee dagen dus nadat zijne gemeente was ingelijfd, en als opgelost in die der Calvinistisch-Hervormde.

En hiermede nu, — dachten de Calvinistische predikanten, — was de kerktwist gedempt; — en Leycester meende eene groote daad verricht te hebben voor de Kerk; maar zij hadden niets gedaan, dan haar den kanker ingeënt, die later zoo pijnlijke kunst-bewerking zoude eischen. Want het verschil was niet uitgebluscht, slechts verstopt, en ingerekend was het, en Leycester en de predikanten hadden voor de Kerk niets gedaan, dan daarin de elementen opgenomen voor nieuwe verdeeldheid; zij had nu binnen in zich, wat haar vroeger buiten zich ergernis had gegeven. De vormen waren geëffend, en de nieuwe leden voegden zich daarnaar; de gevoelens waren het niet en de gedachte was niet te beheerschen; de overtuiging had zich niet gevangen gegeven onder de kerkelijke tucht. En toen welhaast na Leycester’s heengaan, de magistraat opnieuw de begravene vormen opwekte en nieuw leven gaf, toen kwam al het gesmoorde en verstikte weder boven; toen werkelijk werd de beslotene gemeente geschokt en verdeeld; want van wat het hare geworden was, moest zij zelve zich scheuren en afscheiden; de broederen moesten uitgaan, omdat zij er vreemden had binnengelaten; er ontstonden partijen, die elkanders prediking niet wilden aanhooren; elkanders Avondmaal niet wilden deelen; elkanders doop niet geldig achtten; toen ontvluchtte men de kerken en school samen in weiden en hagen; toen werkelijk was er verwijdering in de Kerk van Utrecht; toen werkelijk was er kerktwist, die gedempt moest worden, en die toch, nu eens met fel flikkeren, dan eens met heimelijk smeulen, bleef voortduren, tot zij samensmolt in de jammerlijke Remonstrantsche twisten, die de Kerk zooveel leden heeft gekost, en hare leeken zooveel tranen en zooveel zuchten, en hare leeraren zooveel vervolging en zooveel lijden, en zoo menigen strijd tusschen plicht en plicht, en zelfs het offer van menige Christelijke deugd, ter wille van partijdigen godsdienstijver. Maar wij hebben gelukkig niet noodig onze pen te leggen op de eene schaal, of de andere als eenmaal Maurits zijn zwaard (naar Vondel), waar die belangen gewogen worden; want onze taak eindigt, waar wij de eerste grens in het verschiet krijgen van het tijdperk, dat al die warreling en woeling zag opsteken.

En wat Leycester aangaat, hij legde aan den avond van dien dag het hoofd rustig neder onder eene afgedane taak; — en hij kon het, zonder zijn geweten te misleiden, want hij had immers verricht, wat den Gouverneur-Generaal der Nederlanden als eersten plicht was opgelegd: »hij had de ware Christelijke religie gehandhaafd.” Voor hem en voor hen, met wie hij zijne verbintenis had aangegaan, kon dat geene andere zijn, dan de Gereformeerde; en hoe de gevolgen van die handhaving later ingrepen in de staats- en kerkbelangen van Nederland, hij kon er wel niet op verdacht zijn; en hoe het meesterschap in kerkelijke zaken, hem zoo gul toegekend door predikanten, die toch zoo ijverig streden voor een vrij kerkbestuur, later van machtigen invloed was op geheel de kerkenorde, is nu nog niet het oogenblik na te sporen.


Ingezonden op: 19 July 2001