LEYCESTER IN NEDERLAND

V.

DE VIERDAG VAN ST. JORIS.


De Graaf van Leycester had zich voorgesteld, den dag gewijd aan St. Joris, den schutsheer en het voorbeeld der ridderen van den Kouseband, in Utrecht met plechtige feesten te vieren. Even te voren had hij eenige plakkaten gemaakt, »daar de Staten niets tegen hadden,” zegt Hooft. Dat was zeker veel; want de Staten hadden zeer licht iets tegen de plakkaten van Leycester. Deze nu waren verordeningen tegen den uitvoer van paarden, die onmisbare middelen in den oorlog, door de winzucht der Hollanders den vijand afgestaan; — en eene andere, niet minder noodzakelijke, ter handhaving van stipte krijgstucht, waarvan ten zelfden dage door den Graaf, in een licht soldaten-oproer, onder zijne eigene slecht bezoldigde Engelschen eene strenge toepassing werd gemaakt. Op den dag van het feest zelf was alles in rust, en de Graaf voelde zich beter dan ooit gestemd, tot het vieren van vroolijke en openlijke feesten, daar eenige zijner beste wenschen voor het belang van Nederland waren vervuld. De schrandere en edele Willoughby was teruggekomen van zijn gezantschap naar Denemarken, met de beste beloften op ondersteuning van die zijde. Want wij mogen niet voorbijzien, dat de Graaf over de buitenlandsche staatkunde gedurig zijne zorge liet gaan, en telkens trachtte, die verbintenissen aan te knoopen, die hem het meest voordeelig schenen voor den Staat. Sir William Pelham was eindelijk aangekomen uit Engeland met versche troepen; die Pelham, op wiens inzichten in den krijgsraad, en op wiens arm in het veld de Graaf zulke hooge verwachtingen had gebouwd, zoover de kansen van den krijg door beleid waren te verbeteren. Men had den besten moed op het behoud van de belangrijke vesting Grave, en in de laatste weken had men zelfs ernstige voordeelen op den vijand behaald. De man, aan wien men deze laatsten voornamelijk dankte, was Maarten Schenk, een moedig en krachtvol krijger, een streng en behendig uitvoerder van stoute ondernemingen, uit den laagsten stand tot den hoogen rang van bevelhebber opgeklommen door werkelijke verdienste en persoonlijken moed; die niet opgehouden had met rusteloozen ijver werkzaam te zijn in den dienst van den Staat, van het oogenblik af, dat hij zich daaraan had verbonden. Bij Leycester had hij ter stond gegolden voor wat hij was. Nu had de Graaf hem naar Utrecht geroepen, om hem in ’t midden van de aanzienlijkste mannen, die hij er om zich verzameld had, door eene schitterende eere te onderscheiden. Wij zouden gaarne zijne loffelijke daden met de breede trekken schetsen, die ze eischen; maar ze behooren tot het gebied van den oorlog, dat wij besloten hebben niet op te treden; niet om over de fouten een sluier te werpen die Leycester of de zijnen daarin hebben kunnen begaan. Dat dit een punt was zijner gestadige zorge, zijner ijverige behartiging, is doorgaand bewezen. Dat het hem aan persoonlijken moed zoude ontbroken hebben, is eene verdenking zijner vijanden door geen enkel bewijs gestaafd, maar wel tegengesproken door zijne gedurige tegenwoordigheid op of nabij de plaatsen, waar gestreden werd; en zoo wij hadden moeten toegeven, dat hij als groot, als beraden veldheer geen waardig mededinger is gebleken van Parma, — zoo wij hadden moeten toegeven, dat hij vaak ongelukkig was in het kiezen zijner bevelhebbers, en niet altijd voorzichtig zelfs, zoo hadden wij ook kunnen aanvoeren, dat zijne eigene lands lieden hem vaak hebben teleurgesteld en somwijlen bedrogen; dat hij sommige Hollanders mistrouwde en mistrouwen moest, en dat hij toch de uitstekende krijgslieden onder hen altijd heeft gebruikt zonder acht te slaan op de staatkundige partij, die zij kozen getuige Hohenlo en anderen, en dat, als hij zelf zegt, »in geen honderd jaar eenig man slapper gesteund werd door zijn eigen vaderland”; en eindelijk, dat menige aarzeling en menig verzuim van den veldheer ook hier moet worden toegeschreven aan dien geheimen kwaden wil en die tegenwerking, waarmede de Gouverneur-Generaal als staatsman te kampen had. Doch de woelige bewegingen na te sporen van een krijg, met afwisselend geluk gevoerd, en die toenmaals niets heeft beslist, scheen ons niet dus vruchtbaar voor ons doel, om er onze taak door te verzwaren en uit te breiden, waar wij zooveel hebben gade te slaan in het staatkundig en burgerlijk leven van het tijdperk.

Dat de Graaf van Leycester in het midden van zijne ijverende predikanten, onder dit volk, en tusschen zijne krachtige handhaving van ’t Gereformeerd geloof in, op den inval kwam, om den gedenkdag van een heilige uit den Roomschen kalender plechtig en openlijk te vieren, getuigt van meer onafhankelijkheid van geest dan men hem wellicht heeft toegekend, en tegelijk, hoe vast hij zich op het punt van rechtgeloovigheid in het gevoelen van het volk gevestigd wist. Intusschen heeft hij den patroon der ridderen van den Kouseband doen voorstellen als een ridder, en niet als een heilige; maar toch, in een tijd, waarin men alleen uit afschuw van alles, wat »naar ’t pausdom smaakte,” sommige heerlijke Christen-feesten, tot den plechtigen gedenkdag van »s Heeren dood toe, had afgeschaft, was toch altijd het opluisteren van een St. Jorisdag eene gewaagde daad; toch zien wij niet, dat zij iemand ergernis heeft gegeven, maar zeker is het te onderstellen, dat Utrecht op dien dag, bij de plechtstatige omgangen der ridders, onder de lustige volksspelen, die er verordend waren, onder het jubelgelui der klokken, onder het uitdosschen der huizen en straten met frissche festoenen en bogen, ter eere van den ridderpatroon eene wijle als haar vroeger Roomsch feestgebaar hebbe hernomen, zeker tot innige blijdschap of weemoedige herinnering van menig Katholiek, of wie het heimelijk gebleven was in het harte. De feest viering van St. Joris placht, bij hare instelling in Engeland, aan te vangen met eene Hoogmis in de Windsor-kapel. Onder Elisabeth hadden de vormen harer bisschoppelijke kerk nog veel van den glans behouden, die bij de vormen der ridderschap pasten, en Leycester ook liet te dezer gelegenheid den Episcopalen geestelijke van zijn gevolg, doctor Knewstubs, den dienst verrichten in de Domkerk, als men gewoon was in de Windsor-kapel. En hoe goed voegde zich die middeleeuwsche plechtigheid onder die middeleeuwsche bogen! Hoe goed pasten die draperieën van purper fluweel, dat schitterend troongestoelte, opgericht voor eene koningin, tusschen die gothische pijlerdreven, en bij die kunstwerken in steen, de tomben van bisschoppen en keizers! Hoe statig klonk die bisschoppelijke ritus door een koorgewelf, dat opgebouwd was om te Deum's te weergalmen! Hoe eigen viel de vermaning tot riddereer en ridderplicht in een gebouw, waar de zinrijke wapenen der edelen en dapperen zich vertegenwoordigd zagen, voor het oog, tot op de rijkgeschilderde kerkramen toe! O zeker! zoo Philip Sidney en Martina onder het gejoel een blik hebben kunnen wisselen, dan heeft hij haar gevraagd, of het niet een schoone tijd was, die der ridderen, vol poésie en action, en vol hooge eerliefde! Een tijd, waarin hij haar openlijk had kunnen verklaren voor zijne dame, zonder de berisping der wereld te vreezen, of de ordeningen der Kerk te overtreden (*) , en zij zou hem begrepen hebben en toegestemd! In ’t eind, hoe welgeplaatst was dat altaar, opgericht om de offergaven te ontvangen, in een gebouw, nog doortrokken van de welriekende reukoffers der wierook! Doch merkwaardigst is het op te merken, hoe de Graaf van Leycester zelf zich gedroeg bij eene plechtigheid, waar hij niet enkel hoofdpersoon was, maar zelfs de eenige, die eene handelende rol had, ten aanschouwe van zooveel getuigen!

In het prachtig orde-kostuum, rijdende op het edelste ros, dat het Britsche rijk hem had kunnen toevoeren, reed hij heen naar de Domkerk, voorafgegaan van al de ridderen, baronnen en graven, die zijn hof uitmaakten; door den Staatsraad, door den Vorst van Portugal, door den jongen Graaf van Essex, verzelschapt van den Keurvorst van Keulen, den kapitein van zijne garde, den tresorier en den hofmeester van zijn huis, hunne witte staven dragende; de twee edellieden-kamerheeren, en Portelose, den heraut, in een rijk kleed roet de wapens van Engeland. Ditmaal weder was Leycester omstuwd van eene burgerwacht, maar het waren Utrecht's voornaamste burgers, die den dienst hadden aangeboden en niet opgedrongen, en wier bijzijn zijne eigene lijfwacht niet uitsloot. Vijftig zijner hellebardiers, met scharlaken roode mantels, gevoerd met purper zijde en omboord met wit fluweel. Die stoet, nog versterkt door zoovele krijgsoversten en voorname Nederlandsche heeren, als er in Utrecht samen waren, en door de volksmenigte met luide jubelkreten begroet, vond de plaatsen geregeld in de kerk, en werd door den heraut en de maarschalken derwaarts geleid. Voor de aanzienlijke vrouwen van Utrecht, zoowel als die verwant waren aan de leden van den Staatsraad of de hooge beambten van den Graaf, waren er plaatsen bereid, die zij alreede hadden ingenomen. Met eene vereeniging van ridderlijke waardigheid en losse bevalligheid, die aller aandacht trok en aller bewondering, bewoog zich de Graaf in zijn feestgewaad, dat van kleuren en gesteenten schitterde. Hetzij hij bij ommegang de steenen kerklanen doortrok, — hetzij hij met de courtoisie van den ridder en den eerbied van den hoveling de hulde eener kniebuiging bracht aan den troonzetel, voor Elisabeth opgericht en uit kieschheid lediggelaten, — hetzij hij met rustige deftigheid zich nederzette aan de linkerzijde van dien zetel op een lager gestoelte, dat toch ook onderscheiden was door een gehemelte van purper fluweel, — hetzij hij de ernstigste aandacht gaf aan de toespraak van den kapellaan, — hetzij hij de ridderlijke offergave op het altaar bracht in den naam der Koningin, of in den zijnen! Die laatste ceremonie vooral volbracht hij met, »such decorum and princely behaviour,” als mijn kroniekschrijver zegt: »That all generally sprake most honorably of him.” Hij was ook juist de man, geschikt voor de voorstelling, en een van hen, die zich het gemakkelijkst en met de meeste gratie bewegen, als zij zich onder de aandacht weten van duizenden; terwijl juist karakters van meer diepte en degelijkheid moeite vinden, zich te bewegen onder velen, en linksch worden, zoo haast ze zoovele nieuwsgierige blikken op zich gericht weten.

Toen de dienst in de kapel was geëindigd, keerde de stoet in plechtigen optocht naar het Duitsche huis terug. Allen, wie genoodigd waren tot de verdere feesten van den dag, volgden toen den Graaf, die ben voorging naar »de groote zaal,” eene onmetelijk ruime hal (vroeger de eetzaal der ridders), met rijk tapijtwerk behangen, en ditmaal ook nog opgesierd door festoenen, die de eentonigheid braken van die achtbare reeks portretten, de afbeeldingen van al de landcommandeurs der Orde. De Graaf scheen wel zeker thuis onder die fiere aanvoerders der ridderen, toen hij plaats nam op zijn hoogen zetel, overwelfd met draperieën. Op den roep van zijn heraut brachten zijne maarschalken tot hem den overste Maarten Schenk, dien hij met ridderslag en omhelzing de ridderlijke waardigheid verleende, en die den plechtigen eed afleidde in zijne hand. Daarop beschonk hij hem, in den naam der Koningin, met eene prachtige gouden keten, die hij hem zelf omhing, en onder eene toespraak, die den vurigen held te eerder moest vleien, daar hij voelde, dat de prijze verdiend was. Daarop gaf de Graaf kennis van eenige benoemingen in het leger, en de nieuwbenoemden, die aanwezig waren, kwamen hem danken en de hand kussen. Nog deelde hij mede, hoe hij besloten had het kolonelschap des heeren van Hautain, — zoo jammerlijk omgekomen bij den Kouwensteinschen dijk, — te doen vervullen door een opvolger zijner waard. De voorname krijgslieden, die aanspraken meenden te hebben, zagen op en luisterden toe met de gespannenheid der verwachting, die wisselde met den gloed van den toorn, en het verbleeken van den spijt, toen de Graaf, voortgaande, sir Philip Sidney noemde als den verkozene. Daar staken zich de hoofden bijéén: Philips van Nassau, Georg Everhard van Solms, Philips van Overstein, en wie al niet, die zich in rechten verkort hielden en in verwachtingen gekrenkt, konden nauwelijks hunne blikken en gebaren bedwingen, in tegenwoordigheid van den Graaf. Zij hadden haast, die te verlaten, om hun toorn en hunne teleurstelling lucht te geven. Leycester, zoo hij terstond hiervan iets opmerkte, schreef het toe aan de gewonen naijver van mededingers onder elkander; overtuigd dat wien hij benoemd mocht hebben, de overigen ontevreden zoude zijn geweest, en gerust in de bewustheid, dat hij, bij deze keuze, minder door de voorliefde van den bloedverwant was geleid, dan door de overtuiging eener verdienste, die hem zelf bewust was, en die niemand kon tegenspreken. Sidney ook dankte hem met dien blijden trots, die zoo ver was van uittartenden overmoed, als van valsche nederigheid; maar wat baatte dat tegen gekwetste baatzucht en vooroordeelen, die niet wilden helder zien?

»En nu, mijne heeren!” sprak Leycester opgeruimd. »Zou het niet onhoffelijk zijn, de dames langer te maken tot de zwijgende toeschouweressen onzer handelingen, waar zij zelve den tijd zoo vriendelijk weten te korten, door de zoete tale harer rozelippen? Indien wij haar voorstelden, eene wijle de volksverlustigingen gade te slaan, op de Marie-plaats? Er zijn staketsels en tribunen opgericht tot haar gerief, om naar lust zonder hinder getuigen te zijn van die woelige schouwspelen!”

De heeren bogen zich. Toen wendde zich Leycester tot Schenk:

»Sir Marten! zoo ik niet de zekerheid had, dat uwe lieftallige gemalin haar nieuwen ridder met de oogen volgde, zou ik u bidden, de koningin van mijn feest te geleiden, omdat gij er de koning van zijt!”

»Mylord Graaf! mijne echtgenoot en ik zullen, te allen tijde, onze wenschen onderschikken aan de bevelen Uwer Doorluchtigheid!” antwoordde Schenk, meer met de subordinatie van den soldaat, dan met de fijne galanterie van den ridder.

En toch was het de schoone Prinses de Simeije, naar welke Leycester hem heenvoerde, — eene jonge vrouw die reeds veel leeds had doorgestaan, en licht niet gansch zonder schuld. Gescheiden van een echtgenoot, wiens woestheid meer dan eens haar leven had bedreigd, aan wiens poging tot vergiftiging zij pas onlangs ontkomen was, leefde zij in een dubbelzinnigen toestand, die, ondanks al het schitterende van hare omgeving, van hare jeugd en van geboorte, haar meer een voorwerp maakte van medelijden, dan van benijding. Leycester had veel goedheid voor haar, en zij bewees hem soms den dienst, bij zijne feesten vóór te zitten met haar geest en hare bevalligheid. De Graaf had haar de kennismaking beloofd met den held van den dag; doch wij gelooven, dat die, wat meer à distance, lichter hare bewondering zoude behouden hebben. Het spiegelgevecht der galanterie, dat de Prinses met hem aanving, was niet het terrein, waarop die man zijne rijkste lauweren kon oogsten.

»Ik zal uwe gemalin de beste vergoeding schenken, die ik weet, sir Marten! Sir Philip! my cousin! gij hebt, vreeze ik, reeds eene Meikoningin gekozen?” vroeg Leycester dezen.

Maar Philip Sidney had niet gekozen. Met een ernstigen, zelfs wat somberen blik, stond hij aarzelend en besluiteloos, en toch was Martina op weinige schreden afstands van hem. Hij hield den blik van haar afgewend; zij sprak en schertste met de mannen en vrouwen, in wier midden zij zich bevond, met eene gejaagde overspanning, die anderen opgewonden vroolijkheid scheen, maar die van geene rust getuigde.

»Ik wacht Uwer lordschap's beschikking over mijn persoon!” hernam Sidney vast en met eenige verheffing van stem.

»Zoo bidde ik u — Mylady Schenk!” fluisterde Leycester.

Toen zich keerende tot den jongen Graaf Lodewijk van Nassau, in wien hij altijd een zeker welgevallen had, en van wien hij eens, had gezegd: »hoe klein hij ook is, ’t is een van de ernstigste en wijste jongelieden, die ik nog ooit toesprak,” legde hij dezen de hand op den arm en zeide zacht:

»Liefste Graaf en dear cousin! Ik moest bij de keuze eener dame voor u denken op uw rang, waar gij licht enkel op uwe jeugd zoudt willen zien: de Gravin van Nieuwenaar wacht uw arm.”

»Mylord! ik gehoorzaam; het is niet de eerste maal, dat ik mijn lust offer aan den plicht.”

En de jonge Graaf wierp een vriendelijken blik heen naar Martina, die hij eene wijle zijne opmerking had geschonken. Leycester zelf bood zijn arm aan Geertruida, de gemalin van den rampspoedigen en onvoorzichtigen Keurvorst van Keulen, Gebhard Truches, wien hij uit geloofsijver met zijn goud en zijn invloed steunde, en van wiens diensten, getrouwheid en dapperheid hij veelmalen roemt.

»Bij zooveel keuze in schoonheden, zal ik den Graaf van Hohenlo niet behoeven voor te lichten!” sprak Leycester glimlachend tot dezen; maar Hohenlo antwoordde stroef:

»Bij God, Doorluchtigheid! De zinnen staan mij niet naar scherts en hoofschheid.” En werkelijk! Deze man, die wel altijd in strijd scheen met het omringende, zocht ditmaal alleen het gezelschap der mannen. Was dat enkel, omdat zijne luim hem ingaf, niet te doen als de anderen, of lag er dieper zin in die handelwijze?

Buiten Hohenlo en de heeren, waarmede hij zich nog bleef onderhouden, kozen allen hunne dames verder naar welgevallen of naar eenige aanwijzing van de maarschalken-ceremoniemeesters. De echtgenoot van den Kanselier, die uit hare ziekte eene, bleekheid had gehouden, die haar, meer dan vroeger, het voorkomen gaf van haar leeftijd, zag zich verzelschapt door den statigen Kiligrew. Essex, die zijne vrijheid dankte, meer aan de goedheid van Leycester en de omzichtigheid van Leoninus, dan aan eigene buigzaamheid, had Ivonnette aan de zijde harer moeder gezocht, doch tevergeefs; zij was niet hier; met verborgen spijt zocht hij zijne dame onder de schoonste Utrechtsche edelvrouwen, die zich op het feest bevonden. Elias Leoninus geleidde eene jonkvrouwe, die het eerst hare intrede deed in dien woeligen en bonten kring, dien men de wereld noemt, en die zijne verloofde was, zonder dat zij het zelve wist: Jacoba! Leoninus voelde zich zóó gelukkig in haar vertrouwen en in hare rustige genegenheid, dat hij haar daaruit nog niet had willen opschrikken, door eene opheldering die hun lot had beslist. Om Leycester te voldoen, moest hij zich met haar op dit feest vertoonen, en hij had niet veel moeite gehad haar over te halen. Martina, des Burggraaf's echtgenoot, werd niet geleid, als gewoonlijk, door meester Paulus Buis, noch een van zijne vrienden: zij werd gesteund door den arm van Jacob Reingoud, die te dezen dage heer van Couwenberg was geworden.

Men heeft kunnen opmerken, dat de Graaf van Leycester bijna even ongelukkig was in het bijeenvoegen zijner partners, in aanzien op hunne geheime wenschen, als hij de Hollanders ongevallig is geweest in de keuze zijner staatsdienaars; maar indien hij dit laatste paar had samengevoegd, dan zeker kon hij nauwelijks scherpere contrasten hebben uitgedacht. En toch was er iets tusschen die twee, of ze bij elkander hoorden, of ze elkander gezocht hadden. Hun gesprek was levendig; hunne oogen ontmoetten elkander soms; en hoe ze in jaren en voorkomen verschilden, niemand had hen een onvoegzaam paar genoemd bij eene eerste beschouwing. Reingoud, met zijne ranke, buigzame gestalte, zijne levendige gebaren, zijn vluggen en fieren tred, zijn glinsterend, zwart haar, dat hij tegen het gebruik in lange lokken liet nedervallen op den kanten kraag; — Reingoud, gekleed in het zwart fluweel, de dracht van iederen leeftijd in den aanzienlijken stand, waarvan hij de stille pracht niet had ontsierd door overlading van sieraden: hij droeg geen ander, dan eene kostbare gouden keten, met schitterende saffir-steenen: een geschenk van Leycester; — Reingoud, in waarheid! zooals hij nu zijn gelaat ontplooid had van ernstige gedachten, en zijn trotschen mond tot fijn glimlachen dwong; — Reingoud zou niemand gehouden hebben voor den grootvader der teere bruid, die op kleinen afstand volgde. Men had hem eerder kunnen houden voor den bruidegom der jonge vrouw, wier anders bleeke wangen schitterden van een onnatuurlijken gloed. Voor ’t minst, welk ook het onderwerp mocht zijn van hun onderhoud, het was zeker, dat Reingoud er passie in mengde. Brusselaar waar zij Gentsche was, spraken zijne lippen fluweelen woorden van fijne vleierij, in het Vlaamsch patois, — de taal harer kindsheid, — de taal harer zoete herinneringen, en zijne oogen zagen dan op haar, — zijne wondre oogen, die niet zwart waren en niet bruin, maar van een groenachtig grijs, dat somwijlen de zwaarmoedige somberheid had van donkere zwarten, en waaruit somwijlen het wilde vuur lichtte, dat vlamt en verrast in het oog van den tijger.

En Martina…; het was of Martina zich vrijwillig, en met opzet overgaf aan de bekoring van dezen oogenblik. Somwijlen is het, of zij luistert naar die toovertonen, met achteloosheid en met wellust beide, zooals men in oogenblikken van onbestemde melancholie, luistert naar de tonen eener opgewekte muziek, die u met zich voeren, zonder dat gij ze verstaat, en dan scheen het weder, of ze zich willekeurig met een wilden moed aangrijpt, om het vuur van dat oog te trotseeren, en te glimlachen bij zijn glimlach! Zoo roekeloos Martina! De schuchtere! Die zelfde vrouwe, die van schrik is inééngezonken bij een eersten blik van zelfkennis! ’t Is omdat zij bij dien eersten blik de wond heeft gezien en gepeild; maar in plaats van een geneesmeester, een straffen beul heeft gevonden, die haar dus heeft teruggeschrikt van hare kwaal, dat zij niet eenmaal naar heelmiddelen heeft durven omzien, maar gegrepen hééft naar den beker der bedwelming, en naar den giftigen tuimeldrank der overprikkeling; zij wil zóó leven, dat zij niet voelt geleefd te hebben. Zij wil het tegenwoordige maken tot iets zóó kleurigs, zóó schitterends, zóó afwisselends, dat het verledene daarbij terugwijkt, als iets flauws, als een kleurlooze schim, die vergeten wordt, als ware zij niet geweest. En ziet! eene zelfde begeerte drijft Reingoud. Is het zoo vreemd, dat die twee schetterende wanklanken harmonie vormden tusschen hen.

De Graaf van Leycester, zijne dame geleidende, voerde zijn gezelschap de binnenplaats over, de groote voorpoort uit, en dáár verdeelde het zich met orde, en volgens rang op de tribunen en stellaadjen, op de Marie-plaats opgericht, waar de plaatsen der aanzienlijksten onderscheiden waren, door banken met scharlaken en brocade bedekt; daar bleven zij eene wijle toezien naar de volksspelen, tot groote voldoening der verzamelde menigte, die onder luidruchtige toejuiching hare vreugde te kennen gaf, bij het zien van »haar Graaf,” en hare bewondering over den luister en de pracht van het statelijk gezelschap dat hem omgaf. Wij zullen intusschen onze aandacht niet geven aan die volksspelen, die ook voor ons reeds het bekoorlijke der nieuwheid verloren hebben. Het gaai-schieten, het mast-klimmen, het ring-spel, de wedloopen der jonge Utrechtenaren uit de volksklasse, zou alleen dàn onze belangstelling wekken, als wij er de overwinnaars van konden aanwijzen; maar ze vermaakten »de kleine lieden,” en dat was genoeg. De momme-tocht van St. Joris met den draak, met levende personaadjes en met fakkellicht, zou eerst in den avond plaats hebben: dan ook zoude er »zoet bier en Deventer-koek” worden uitgereikt, aan wie ’t begeeren mocht.

Zoo wist Leycester ook het volk deel te geven aan de feestviering der grooten, die nu eerst aanving; want de maarschalken kondigden het »feest” aan, en men keerde terug naar het Duitsche huis. In de eetzaal was een vorstelijke maaltijd aangericht: pauwen, zwanen, faisanten, kalkoenen en ander gevogelte, in hunne natuurlijke vederen op de tafel pronkende, gaven daaraan eene sierlijke kleurenpracht, die reeds het oog verraste, eer zij den smaak streelden. De kostbaarste wijnen, die in het tijdperk bekend waren, de vreemdste gerechten der Engelsche keuken, werden beurtelings in kwistigen overvloed rondgediend. Maar hetgeen door ongewoonheid en pracht het meest de aandacht trok, was ook hier weder het gebak en suikerwerk, dat in allerlei vorm, bijzonder van wilde dieren, luipaarden, draken en leeuwen, werd aangeboden. Voor onze bekenden onder de gasten willen wij hopen, dat de verscheidenheid en de vreemdheid der spijzen hun eene afleiding moge geweest zijn, zoo geene vergoeding, voor verdriet of verveling; want daar de maarschalken hen geplaatst hadden naar rang, is het niet te denken, dat die schikking tegelijk hunne eerzucht en hun hart zal hebben voldaan. Ridder Schenk voor het minst voelde zich gansch niet op zijn gemak, tusschen de prinselijke heeren en vrouwen, in wier midden Leycester's onderscheiding hem plaatste, en ook Paulus Buis had zich zeker, zeer van harte, een plekje lager aan ’t lager einde getroost, mits hij ontslagen ware geweest van zijne geburinnen, deftige echtgenooten van Utrecht's hoogste magistraatspersonen; terwijl juist de Gravin van Nieuwenaar een zonderlingen blik van benijding heenwierp op diezelfde dames. Alleen Hohenlo, — en hij dankte het den fijnen tact van Leycester, die zulke middelen niet licht veronachtzaamde, om belangrijke vrienden te winnen; — alleen Hohenlo had de edeldame naast zich, die hij zich zelf zou gekozen hebben: Maria van Nassau, Vrouwe van Buren, dochter van Prins Willem, uit diens eerste huwelijk; — eene Prinses, die hij ernstig het hof maakte, en wier hand hij ten laatste verkregen heeft. Doch terwijl zij eten, verlaten wij ze, en zien we even om naar het volk, waar het zich, nog minder benijdend dan nieuwsgierig, verdringt rondom de hofwoning.

»’t Is toch een hoog en statelijk heer, onze Gouverneur-Generaal!” sprak een burger. 'Hoe hij zich draagt onder al die vorsten en prinselijke heeren! Slechts een Graaf, en toch is het wèl te zien, dat hij de oppergebieder is.”

»Slechts een Graaf! Een Graaf als Leycester is in Engeland zooveel, als een Keizer of Koning: hij is er immers alzoowel meester als de Koningin, en regeert heel Engeland naar zijn zin, hier uit Utrecht!”

»Daar zult gij al zoomin bericht af hebben als een van ons; maar wat zeker is: hier is de Graaf meer dan ooit vorst of koninklijk stadhouder was.”

»Ja! als de Staten er niet waren; ik heb mij al laten vertellen dat de Staten den Graaf in ’t regeeren hinderlijk zijn.”

»Dat zal over wezen, als de Graaf souverein is geworden en…”

»Zou dat worden, Mathijs?”

»Dat moet ge de burger-hoplieden vragen; ik kan wel zien, dat gij niet meer tot de schutteren hoort.”

»Ze zeggen: die hooge heer is zeer goedertieren en liberaal in ’t aanhooren van ieder man, altoos goed en beleefd antwoord gevende, wie hem aanspreekt.”

»Van wien houdt gij dat?” Hebt gij hem gesproken, meester wantmaker!”

»Neen! Ik bedien de koster van de Domkerk, die het weet door de heeren van het consistorie.”

»Nu ja! De geestelijken hebben altijd een schreefje voor; — ’t zou te bezien staan, wat ik verkrijgen mocht, en…”

En een ander groepje:

»Een milde heer, de Graaf van Leycester! Zulk een kostelijk feest en zooveel tonnen biers te onzen gerieve! En wat eene statelijke kleedij! Hebt gij die juweelen gezien op zijne muts?”

»’t Is wonder heerlijk; — alleen ’t is zonde, dat zoo rijk een heer zijne soldeniers zonder schoenen laat en met gescheurde hozen. Dat oproer van laatst was, omdat ze hunne soldij begeerden.”

»Dat komt van de Staten van Holland, die willen geene schatting toestaan.”

»Ze doen ’t, opdat de oorlog langer zal duren; daar trekken hunne kooplui gewin af.”

»Snoode winst, daardoor de Spagnool gevoed wordt!”

»Maar de Graaf weet raad tegen die lorredraaiers! Wat doen er Staten? ’t Zou beter regeeren, als er geene Staten waren. Meenen zij dan, dat de Graaf, die Engeland bestierd heeft, dit kleine land alleen niet berechten kan?”

»De spraak gaat, dat er laatst, om ’t schenden van ’t plakkaat van 4 April, een voornaam koopman in Middelburg is opgehangen.”

»Oef! De Graaf blijkt een streng heer; maar hij spaart zijne eigene Engelschen niet: denkt slechts aan vóórgisteren!”

»Ja! Zeven soldeniers aan den strop en tien er onder! Zulke exempelen stichten. Van zijn krijgsvolk zullen wij voor ’t minst geen overlast hebben.”

»En dan zijne minne voor de religie!”

»Maar waarom zou de jonge zoon van Nassau niet op ’t feest zijn?”

»Ja! Waarom was Maurits niet dáár?”

Dat was eene vraag, die Leycester met een zekeren spijt tot Reingoud richtte, toen hij overigens met fieren en voldanen blik het statig gezelschap overzag, dat nu, van tafel opgestaan, in zijne feestzaal rondwandelde, en zich bereidde, om eene vertooning te zien, die den meesten Nederlanders vreemd was.

»Mijn zeer goede Lord!” hernam Reingoud. »Dat is Uwe Doorluchtigheid immers duidelijk geboodschapt: De prinses-moeder is ongesteld gebleken; ’t mag wel eene Fransche migraine zijn! En de jonge Graaf Maurinck is zulk een teedere stiefzoon, dat hij de Prinses subito te Delft is gaan troosten.”

»Dat excuus klinkt fraai; maar…”

»Ik ben zeker, dat de arme Prins intusschen eene les in de politiek neemt van meester Barneveld, terwijl het jonge hart in hem brandt om hier te zijn.”

»Ja de jonge Graaf is "not a bad one;" maar Villers moest niet met hem zijn; daarbij, die heeren zaaien onmin…; zoo een pensionaris…!”

»Mylord! vergiffenis! hij is tegenwoordig advocaat van Holland; mij dunkt, wij hebben er reeds wat experientie van. Om van niets anders te spreken, die onvoegelijke eisch van ’t zegel is van hem.”

»Ja, bij God!” riep Leycester. »Mij, die hier den souverein representeer, te bidden een ander zegel te gebruiken dan het mijne! Op zulker wijze zouden ze mij dienaar maken onder hen!”

»Mijn vorst! ik leg mijn hoofd aan uwe voeten, zoo zij er niet lust toe hebben en er hunne vlijt toe doen.”

»Nu, Reingoud! Op hunne oevele daden hebt gij het hoofd niet te verpanden; daartoe is het ons te lief! Intusschen ik zou wel eens willen weten, of de Graaf Mauritius zou gekomen zijn, Barneveld ook genood zijnde.”

Reingoud haalde de schouders op. Op eens echter flikkerden zijne oogen en hij vroeg:

»Wat zou Uwe Doorluchtigheid doen, zoo zij hem hier hadt?”

'I believe, I would hang him!' sprak Leycester lachende; een woord, dat wel zeker scherts was; want toen Reingoud vervolgde:

»In goeden ernst, Mylord! Ik zou hem ter eerster occasie hier heen ontbieden, al ware ’t slechts om hem te leeren gehoorzamen!” antwoordde hij:

'Si si, senôr! Wij zullen dat later zien; nu geene syllabe politiek meer op dit feest! ’t Is niet te veel: één dag in ’t jaar niets te zijn, dan edelman en ridder van den Kouseband, en geen Gouverneur-Generaal! Ik ga eene wijle my duty volbrengen bij de dames en hooren, hoe haar de mommerij van Herkules gevalt, daar men, naar ik zie, mede aanvangt.”

Werkelijk rukte een troep gemaskerden de zaal binnen op het potsierlijkst uitgedost, en zonder veel eerbied voor het mythologisch kostuum; schoon het wel te zien was dat ze goden en halfgoden moesten verbeelden, en ware het niet te zien geweest, het was toch op den rand hunner kleederen te lezen! Deze lieden beklommen eene soort van tooneel, opgeslagen aan het einde der zaal, en begonnen de twaalf werken van Herkules uit te voeren, onder eene toejuiching van de zijde der aanschouwers, die, als het soms nog gaat, meer tegen dezen pleitte dan voor hen; Philip Sidney althans stond zich te ergeren, schoon hij zijn best deed om het te verhelen, en Daniël Rogers opmerkende, een man van geest en van letteren, die op Leycester's verzoek uit Engeland was overgekomen, zeide hij hem:

»Wat nonsense is dat? We zien daar dien Herkules in de bakermat, en tot een man opgroeien binnen een uur! Nu! Zijn die luiden in dit oord van de wereld anders dan in een ander; hoe kan dat met gezonde zinnen bestaan? Dan zie ik nog liever Gorboduke, of de komedie van de naald. Ik moet mijne barbaarschheid belijden; doch ik vind in zulke spelen geen smaak, en hoor liever het oude lied van Percy en Douglas, dat mij niet zoo haast in de ooren klinkt, of het hart slaat mij, als bij het steken der krijgstrompet! Zulke vreemde feiten, die toch niet konnen nagevolgd worden, zijn geene goede opwekking tot treffelijke daden;

en onze jonge luiden trekken morgen te veld!”

»Ik voor mij, ridder! zoude liever eene goede uitvoering zien van uw herderlijken dans en beurtzang, die den strijd afbeeldt tusschen rede en passie!”

»Gij vleidt, Rogers!” zeide Sidney, die op dát woord sterk kleurde. »En toch, wees gedankt voor de herinnering: zij kan te pas komen! Geloofd zij Apollo! De mommerij is afgeloopen en men bereidt zich tot den dans!” en hij verwijderde zich van Rogers.

De Graaf van Leycester had intusschen eenige hoffelijke woorden gewisseld met de aanzienlijkste dames, en vooral ’the Lady of Buren' en Hohenlo, die hij samen vond, eene fijne aardigheid gezegd, doch de Hollandsche heer beantwoordde dat met nieuwe strakheid, en de Graaf ook voelde zich nu gekrenkt en gaf den stuggen krijgsman voor heden op. Kennelijk intusschen was er eene soort van scheiding tusschen de openlijke en heftigste vrienden des Graven, en een ander gedeelte van zijn aanzienlijk gezelschap. De eersten verzamelden zich het meest rondom de Prinses de Simeye en de Paltzgravin; de anderen schenen sterk hun hof te maken aan de Gravin van Nieuwenaar. Paulus Buis was van de laatsten, schoon ieder hem voorzeker bij de eersten had medegerekend, uit aanzien der gunsten, die de Graaf hem nog dagelijks bewees, en van den invloed, dien hij terstond bij Leycester had geoefend. Die scheiding schreef Leycester toe aan de onmin tusschen den Keurvorst en Nieuwenaar, die den laatste zelfs eene oorzaak was geweest, zich van het feest te verschoonen, en den geheimen naijver der dames vond hij meer een glimlach waard dan een hoofdschudden.

Wij moeten even zeggen, dat de vrouw van den Kanselier zich uitnemend vermaakte, en zich met hare gewone levendigheid uitliet over het »wonderheerlijke feest,” waarvan zij het in ’t geheim bejammerde, dat ze er hare Ivonnette »om redenen” van had moeten onthouden. En zeker! het won Jacoba hare gunst niet als toekomende schoondochter, dat zij daarin zóó weinig deel scheen te nemen, en telkens met kennelijke schuchterheid naar Elias omzag, als zocht zij bij dezen rust en bescherming, tegen al dat gewoel. Jacoba voelde zich hier al zoo weinig thuis, als aan den arm van Barbara Boots.

De Graaf van Leycester had weer Reingoud opgezocht, en zeide hem:

»Ik zag u daar, sprekende met eene treffelijk schoone dame, wie mag ’t zijn? Toch niet mevrouwe Prouninck, die ik nog niet heb kunnen uitvinden, schoon uw kliënt — haar man — mij uitstekend gevalt? — ’t Blijkt een notabel man, die gebruikt moet worden; doch wie was your partner van zooeven?”

»Die met dat kleed van blauw zilver- brocade, die nu spreekt met Graaf Lodewijk Willem, en met Lord Essex?”

»Juist die! Zie hare manieren, nu zij spreekt en naar ons heenziet, die zachte en schrandere oogen herinneren mij aan mijn nicht Catharina Gray! Wie is ze?”

»’t Is de Helene van onzen Burggraaf!” hernam Reingoud, wat gedwongen lachend; want hij leed onder die aandacht van den Graaf.

»En men zegt, dat gij in anderen dagen een Paris zijt geweest! lachte Leycester.

'Geweest is een hard woord op het punt van vrouwengunst, Mylord!” hernam Reingoud, die hem dit woord moest teruggeven, al had het zijn laatste moeten zijn. »Zoo zij nu niet al haar aandacht gaf aan den jongen Lord Essex, zou ik mij de vrijheid bidden, haar voor te stellen.”

»Neen! ’t Is onnoodig; ik zal haar zoo straks wel toespreken; maar gij, bega geene gekheden! want schoon wij heden leven onder de leus van het Hony soit qui mal y pense, zou ik u later niet redden kunnen, indien…” De Graaf fluisterde hem Italiaansch in het oor. Reingoud dwong zich een glimlach af, maar het was een pijnlijke, en hij werd als op de folterbank gespannen; want Leycester, die gaarne op gemeenzamen toon sprak, en dat toch niet deed met ieder, hield hem terug, en hij zag sir Philips naderen tot Martina, en hij had voor ’t minst de derde willen zijn bij hun onderhoud.

»Uwe kleine ziet er lief uit!” vervolgde Leycester. »Very nice! Wat schuchter en nonachtig, maar dat is beter in eene jonkvrouw, dan te groote vrijmoedigheid. Zij is vernuftig als… eene kleindochter van u. Zij heeft mij een paarmalen geantwoord met veel juistheid, schijnt zich echter beter te verstaan op de kerkvaders dan op de fabelleer, dat ik niet voor groote schade acht. Ik had slechter smaak in Douglas gewacht. Poor Douglas!' De Graaf zuchtte even, »Ik wenschte, dat hij te helpen ware!”

»En toch is Jacoba de bruid van een ander, Mylord!”

»Nu ja! Ik meene ook niet door voldoening van zijn hartstocht, doch daarin, dat hij dien overwon.”

»Ach ja, Mylord! dat zou zeker voordeelig zijn.”

»Neen! waarachtig, sir! gij zijt niet bij ’t gesprek.”

En dat was ook waar. Hij hield het oog gericht op Sidney, die in eene soort van spanning Martina's bewegingen met diepen, somberen ernst gadesloeg.

Maar Reingoud voelde, dat hij zich dwingen moest, »bij ’t gesprek te zijn,” en te eerder, omdat nu een gentleman-usher den Graaf kwam boodschappen, dat er een persoon was, die master Roger Douglas wilde spreken, en eigenhandig missiven aanbieden. Dat hij op het bericht van den toestand des jongen edelmans de bede had geuit, voor den Graaf Leycester te worden gebracht, en dat men dit dezen man niet durfde weigeren, aanziende vroegere bevelen van Zijne lordschap.

»Dat moet Steven Paret wezen!” riep Leycester, hoog kleurende.

»Zoo noemt hij zich, Mylord!”

Reingoud integendeel verbleekte bij dien naam.

»Hij brengt brieven uit Engeland!” fluisterde Leycester hem in; en tot den gentleman: »Master Nowles! Voer dien man in mijn kabinet! Reingoud! gij volgt mij! Geef acht op Paret, en zeg! wat gij van hem oordeelt!”

»Ik gehoorzaam, Mylord!” zeide deze, hem volgende, en met een diepen zucht nog een blik werpende naar de zaal. »Mijn God, Reingoud! wees u zelve!” sprak hij zich toe. »Hebt gij dan nu niet alle uwe stoutheid noodig?”


Ingezonden op: 19 July 2001