LEYCESTER IN NEDERLAND

XV.

EEN GENADIGE MEESTER, EN HOE SIR PHILIP EINDIGT.


»Zoo ik den Graaf het eerst had gesproken, ware ik overwinnaar geweest!” was de gedachte, die Reingoud voortdurend pijnigde, waarop hij voortknaagde, als de mythologische nijd aan haar eigen hart, en die hij op allerlei wijze heen en weer wentelde, telkens met vernieuwde spijt, met vernieuwde bitterheid, met vernieuwde woede. De rampzalige zag niets in zijn val, dan eene fout van hem zelf, eene onoplettendheid, het goed geluk van Barneveld, diens behendigheid en Leycester’s zwakheid, of gebrek aan macht. Hij zag er niet in, dat de vinger Gods zich, van die middelen al te zamen, had bediend, om hem het »niet verder!” toe te wenken, opdat hij dien wenk zou verstaan, en zich zoude nederbuigen voor den schrik Zijner almacht; en waar hem de vleugelen waren gekortwiekt, tot het werken van het kwade, te danken, dat hij nog handen hield, om op te heffen tot het smeekgebed der boetvaardigheid. Niet alzoo Reingoud! Hij zag dien niet, of hij wilde dien niet zien, en waar hij dien zag, was het, om er met opgerichten hoofde naar heen te staren, en met uittartenden blik de dreiging te trotseeren, en in plaats van neer te storten en de handen te vouwen, hief hij zich op in zijne volle lengte, en schudde hij nog de geknotte wiek, als kon die hem nog wapen strekken, om den geduchte te bestrijden. Naar het uiterlijk had Reingoud’s houding den schijn van berusting; maar ook de berusting, welke eene zulke opvatting van ongeluk leeren kan. Geen gelaten onderwerpen, maar een koud en laatdunkend versmoren van iederen zucht; verzwijgen van iedere klacht; het tandgeknars van het ongeduld, achter het ijzeren masker der onverschilligheid; het bedekken van de doorvlijmde borst, achter het stalen schild der onkwetsbaarheid! Hij voegde zich, met trotsche minachting, naar alle eischen van eene gevangenschap. Hij vroeg zich geen voorrecht; hij klaagde over geene ontbering; men had hem niets kunnen weigeren, omdat hij niet ééne begeerte had geuit. Hij sprak niet tot zijne gevangenbewaarders, dan om te antwoorden; en zelfs de wensch, om zich te uiten aan zijne vrienden op het papier, om zich mede te deelen aan wie ook, scheen hem niet eenmaal behoefte; hij had geen schrijftuig gevraagd. Maar men kan indenken, welk eene mate van vlijmende smarten, van snerpende bitterheid, zich moest samentassen in zijne ziel, terwijl hij het er alles in besloten hield, en hoe het dáár woelen en bernen en bruisen moest, en telkens dieper moest ingrijpen, en in het fijnste levensbeginsel woeden! Gedwongene ledigheid, bij een gestel, zoo levendig als het zijne, bij een geest, voor wien de zwaarste inspanning behoefte was, en als uitspanning gold, bij herinneringen als de zijne, bij een tegenwoordig als het zijne, en bij een toekomst, als waarop het spelde…! Voorzeker! Zoo Barbara Boots, of een ander zijner gekwelden, van zulk een ijselijk verwenschen niet schuw, hem de hel had toegewenscht, konden ze de voldoening hebben, dat hij er hier eene gevonden had op aarde!

En onder die foltering was zijn oog brandend, zonder de lafenis van een traan, en zijn gelaat marmer-koud en marmer-strak, en de glimlach der snijdendste ironie, week niet van zijn mond. Zoo was het weer avond voor hem geworden, na een dag, die hem hetzelfde had gebracht, als de vele vorigen. De vestingpoorten van het uitgeplunderde Doesburg waren met verdubbelde wachten bezet; de avondklok had geluid; de stille burgers, die nog moed en nog middelen hadden, om in de stad te blijven, na de inneming en de gruwelen, die haar hadden verzeld, tegen Leycester’s wil, en ondanks de edelmoedige bescherming, die Essex hun had verleend tegen zijne eigene soldaten; — die weinige, arme, bevende lieden begonnen nu weer wat tot adem te komen, en zij hadden zich tot rusten gezet. Op de straten was het zoo stil geworden als in Reingoud’s kerker; hij had de schildwacht hooren aflossen voor het ontruimde burgerhuis, dat hem tot gevangenis strekte. Voor ieder, wie niet door een plicht werd opgehouden, was de avondruste begonnen, was de ure van den slaap welhaast dáár. Ook Reingoud had zich neergeworpen op zijne rustbank; slechts wist hij, dat hij niet rusten zou, en toch ondernam hij telkens dat wanhopend pogen, om met verbeten woede de teleurstelling te dragen; want de lafenis van den slaap kon hij niet afdwingen van de natuur, als de uiterlijk schijnbare kalmte bij het waken. Daar hoorde hij den buitengrendel afschuiven van zijne kamer; snel wendde hij het hoofd ter zijde en sloot het oog; iemand kwam binnen; het kon een bezoek zijn van den algemeenen provoost, wiens uitvoerige toespraken van beklag, medelijden en dienstaanbieding, hem boven alles onverdragelijk waren; hij deed, of hij sliep. De binnengetredene stoorde zich niet aan die ruste; stout trad hij nader; nam zelfs de koperen lamp van de tafel, en lichtte over hem heen; het licht drong hem tusschen de geslotene oogleden door; toornig sloeg hij ze op; maar ook op hetzelfde oogenblik zat hij overeind; de oogen wijd en wijder opengesperd, en met een gloed op het voorhoofd; en zonder aarzelen, zonder nadenken, wierp hij zich aan de borst van wie vóór hem stond; en met eene stem, die iets wilds, iets bijna niet menschelijks had, stootte hij de woorden uit:

»Mylord! mijn genadige meester!”

En tranen, vele brandende tranen stroomden hem over het aangezicht; de ijsschors van dien trots was gebroken voor dit bewijs van Leycester’s deelneming.

»Mijn God! Wat dat goed doet!” riep Reingoud, en dacht niet eens aan het wisschen van dat vocht. Plotseling echter voelende, dat de gemeenzaamheid niet passend kon zijn, en dat zij het, minder dan ooit, was in deze ure, wierp hij zich neder aan Leycester’s voeten, het hoofd in het stof, en kon nog niet spreken, dan de afgebroken woorden: »Wil vergeven!” en »de verrassing — de zaligheid — van dit weerzien!” — en een blij, een herhaald, »mijn genadige meester!”

»Mij ook beweegt zonderlinge zeer u weer te zien, u dus weer te zien!” sprak Leycester, die hem eerst niet had afgeweerd; maar die hem nu ook niet oprichtte, en die ook vochtige oogen had. »En bij Gods trouwe, Reingoud! wèl moogt gij mij een genadigen meester noemen; want gij hebt zwaarlijk tegen mij misdreven, en toch ben ik hier! En wèl moogt gij geknield liggen, schoon niet het eerst voor mij; want gij hebt God beleedigd nog meer, dan gij u straffelijk hebt gemaakt voor de menschen!”

»Eene zulke is niet de schuld, daarvan zij mij willen aanklagen, Mylord!' sprak Reingoud, die weer tot zich zelven kwam. »En zekerlijk, doorluchtigste Vorst! ik kniele voor uwe goedheid nog meer, dan om mijne schuld! Ik zie niet, waartoe het mij dienen zou, voor God te knielen. God was tegen mij, en heeft zich van mij afgekeerd; en mijn vijand gesteund, op den eigen tijd, dat ik mij had begeven tot een deugdzamen wandel.”

Leycester fronsde den wenkbrauw.

»Reingoud!” sprak hij streng. »Ik ben hier niet, om blasphemie te hooren, waar ik gewenscht had, een zondaar in boetvaardigheid te vinden.”

»Doorluchtige heer!” hernam Reingoud, met onbeschrijfbare bitterheid in de stem en op de trekken, terwijl hij sprak: »Nu ik verloren heb, heet het schuld; had ik gewonnen, men prees het behendigheid! Barneveld schijnt nu mijn meerdere in goed beleid en beraad!”

»Neen, Reingoud!” viel de Graaf in, met hoogen ernst. »Het is niet van dit, dat ik spreke; andere schuld hebt ge op u geladen tegen mij, en daarmede u gelijkelijk bezondigd tegen die heiligheid Gods.”

»Neen, Mylord! neen!” riep Reingoud, met vuur. »Daar heeft men mij valschelijk beticht. Ik heb geweld en list gebruikt, veel, en meer dan ooit die onnoozele zwakhoofden, mijne haters, zullen weten of kunnen narekenen. Ik heb stoute daden gepleegd, en ik heb vermetele combinatiën onderwonden, die, waar het doel grootsch was, als middelen strafbaar mochten schijnen, voor de rechtbank der gewone menschelijke zedenleer; maar alles, wat ik hier heb gepleegd in Nederland, en wezende in uw dienst, heeft geene andere strekking gehad, dan te uwen dienste, ter vordering van uwe hoogheid, van uwe macht, en waar ik niet schroomde, mij te beladen met schuld…, was het om u daarvan rein te houden, en u toch al het profijt te laten van de uitkomst. Dit zwere ik, Mylord Graaf! bij mijner ziele zaligheid!”

Met eene soort van afschuw trad Leycester terug.

»O, zwijg! sir! zwijg!” riep hij. »Die eed van u geldt niet meer! Dien kostelijken schat hebt gij alreede te pand gezet en niet weer willen inlossen…!”

»Waar, Mylord? en aan wie?” vroeg Reingoud, meer verwonderd dan verschrikt; en hij verzonk in nadenken, als poogde hij zich iets te herinneren.

»In uw eigen huis, aan de arme vrouwe van Laguillaire! En dat is niet van dat verledene, dat wij geacht hebben, als ware het ongebeurd; maar dat hebt gij gedaan nog in dit jaar, nog geene volle drie maanden verleden! Reingoud! Reingoud! Onder alles, wat mij tegen de borst heeft gestuit, of het harte heeft gekwetst, hier in Holland, is daar niets geweest, dat mij dus pijnlijk heeft gegriefd, als deze overtuiging van uwe snoodheid!”

»Ik sta te overpeinzen, hoe ’t wezen mag, dat Uwe lordschap dit kan weten!” sprak Reingoud, altijd meer verwonderd, dan getroffen.

»Het ware u voordeelig, sir! zoo ik de eenige was, die dit wist, en leider! mij ook; want niet enkel, dat de verzekerdheid van uw goddeloozen wandel mij hartzeer geeft, maar ook heeft hij mij beschaamd, en hij geeft mij prijs aan hunne bespotting en aan hunne achterdocht!”

»Heeft de haat hun dan duivelsche bekoringen geleerd,” riep Reingoud, 'dat ze die vrouw verwekt hebben mij te verraden?”

»Denkt ge er aan, sir! dat dit woord eene bekentenis insluit?”

»Ei, nu ja! Mylord Graaf! Wie telt dan ook eeden aan vrouwen? Bij eer en waarheid! ik heb ze nooit medegerekend; en hoe denkt Uwe Doorluchtigheid, dat andere mannen daarin doen?”

Leycester kleurde sterk, en beet zich op de lippen.

»En toch,” ging Reingoud peinzende voort, »toch zie ik nog niet, hoe dit ruchtbaar werd. Eene geschrevene belofte werd verscheurd, en de latere is gepasseerd mondeling, — onder vier oogen, — in mijn geheim vertrek…; en Marguérite Laguillaire zal toch wel niet aan Barneveld zijn gaan zeggen…?”

»Zij heeft niets gezegd, in ’t allerminst; alleen uwe papieren zijn achterhaald…”

»Een pakket, dat ik Barbara Boots had aanvertrouwd voor Steven Paret?' vroeg Reingoud; en voor het eerst verbleekte hij, schoon hij de vermetelheid had, Leycester aan te zien, om de mate van diens toorn te peilen; maar Leycester zag op hem, nog meer met droefheid dan met toorn, terwijl hij antwoordde:

»Dat is in mijne hand, Reingoud! maar ik spreek van geschriften, door u verborgen in uwe geheimkamer, en daaronder een brief van die arme dame, daarin zij met bitterlijke klachten en ootmoedige smeekingen, al het gepasseerde tusschen u beiden herinnert, en op grond daarvan om recht bidt. Het was aan u, dat zij dit richtte; dus kon zij zich ganschelijk uitspreken. Hoe ook kon zij vermoeden, dat ge een zulk schrijven zoudt laten bestaan?'

»Mijn God! Mijn God!” riep Reingoud. »Ik heb dien brief ongeopend bij mijne andere schriften geworpen.”

Wij herinneren ons, bij welke gelegenheid. Wij herinneren ons ook, dat hij het deed uit vreeze van »tot ontferming verwekt te worden,” en zeker! zoo iets, het roerend schrijven der schuldige en toch zoo beklagenswaardige vrouwe, had het hardste gemoed kunnen bewegen; en zoo wij onze lezers tot tranen wilden roeren voor een lijden, waarvoor wij geene onverdeelde sympathie willen opwekken, dan zouden wij daartoe niets noodig hebben, dan het eenvoudig afschrijven van den oorspronkelijken brief (door Bor authentiek gewaarborgd)! Zulk eene diepe weeklacht van vrouwelijk lijden gaat daaruit op, midden onder de wilde dreigingen van den hartstocht en het trotsche inroepen van het recht, en waar de bitterheid van de verlatene minnares zich zoo pijnlijk afwisselt met den deemoed van de schuldige vrouw; waar de schrille kreten der bedrogene, die haat, zich dus plotseling oplossen in de verteedering der gloeiendste passie, die smeekt! Om te eindigen; men leze dien brief; geschreven, als de schrijfster zelf erkent, onder zulke heftige aandoeningen, »dat een misdadiger, zijne sententie wachtende, niet kan in grootere benauwdheid zijn, dan zij was, wachtende naar zijn antwoord,” om te begrijpen, dat Reingoud wèl had gedaan, niet te lezen, zoo hij verteedering vreesde; of liever, dat hij met niet te lezen, de laatste kans had verworpen, om een onrecht te herstellen, dat hem te eeniger tijd als eene bloedschuld op het geweten zoude branden, al ware het immer voor de menschen onbekend gebleven. Maar het verwerpen van die kans zou hem, niet enkel eene onrust te meer zijn in ’t gemoed, maar ook, hem grootelijks schaden, juist in den geest van hen, bij wie hij, nog na zijn val, op wat deelneming en wat hulpe had kunnen rekenen.

»Nu, zoo onderken daarin ’s Heeren hand, die u zooveel hardheid na zooveel schuld door anderer haat vergeldt!” sprak Leycester. »Want de arme vrouwe, niet onderstellende zulke minachting van haar schrijven, en tegen u opgeruid tot het uiterste door uw stilzwijgen daarop, heeft de aanzoeken uwer vijanden gehoor gegeven, en de haar bekende geheime bergplaatse uwer papieren aangewezen; daardoor veel is aan het licht gekomen, heer van Couwenburch! dat gij wel van God hadt mogen bidden, nimmer te hebben gepleegd, en daarover uwe wederpartijders dus juichen en zich met zulke boosaardigheid verheugen, dat ze dezen brief en veel daar neffens naar Holland hebben gezonden en in druk uitgegeven, en dus bij menigte verspreid, onder heel het volk van al de Geüniëerde Provinciën, zulks dat allen, die vroeger uwe zijde hielden, wezende predikanten en andere stemmige en godzalige luiden, nu zich ganschelijk van u vreemd moeten houden, zulke snoodheid dus klaarlijk bewezen zijnde, en dat, waar gij u een bekeerde hebt geroemd, een geloovige werdt geprezen!'

»Mylord Graaf! zoo waarachtig Uwe Excellentie mij heden groote gunste en zonderlinge goedheid betoont, zoo waarachtig heb ik de oogenblikken gekend, dat ik mij bitterlijk berouwde van de dwalingen mijns wegs, en dat ik afkeering daarvan ernstelijk voornam; en toch heeft de overmacht der voorvallen het telkens anders gewild! Niemand, dan Uwe lordschap, zoude ik dit willen bekennen; doch aanhoor, hoe ik hierin opnieuw ben verwikkeld geworden!” En hij deed den Graaf, op zijne eigene wijze, het verhaal van Marguérite Laguillaire’s komst in zijn huis, en welk einde dat had genomen.

»’t Is klagelijk,” hernam Leycester, »hoe een mensche kan gedreven worden door des Boozen overmacht, tot hetgeen hij zich voornam te vlieden. Doch schoon dit u ontschuldigt voor mij, de anderen, die alleen op uiterlijke daden zien, schelden u hypocriet; sinds gij niet enkel u vermomdet, door stichtelijken wandel, maar u somwijlen waart bedienende van de tale, daaraan de godvruchtigen in den lande elkander onderkennen.”

»Mylord! Die tale heb ik gesproken met sommige lieden, om mij van hen te beter te doen verstaan; gelijk ik in een onderhoud met Uwe Doorluchtigheid gebruik make van de tale der Françoisen of van die der Italiaanschen, en niet van ’t Waalsch of van ’t Duitsch.”

»Die onderscheiding komt mij wat subtiel voor, sir! waar het religie betreft, schoon ik wete, wonder mensch! dat men u niet oordeelen kan naar den gewonen maatstaf; maar dan nog hadt ge niet noodig, daar zelf mede den spot te drijven, als ge deedt in sommige missiven, die gevonden zijn bij Steven Paret!”

»Mylord! mijn genadige heer!” sprak Reingoud. »Van al, wat er in de papieren van Paret, of in die, welke Barbara met zich droeg, mag gevonden worden, dat mij aanklaagt, wil ik slechts voor dit ééne vergiffenis vragen van één enkel mensch, van Uwe lordschap namelijk, voor wat ik, in de onbedachtheid van ’t oogenblik, heb gesproken over uw persoon, niet ter verkleining van uw gezag, dat weet God! maar toch met te veel vrijpostige aanmatiging, schoon ’t waar is en waarachtig, dat nooit kwade intentie de stoutheid heeft verzeld!”

Leycester’s donkere kleur steeg tot purpergloed. Hij antwoordde in ’t eerst niet; hij had zich van Reingoud afgewend, en bleef met driftige voetstappen het vertrek doorkruisen. Reingoud had zich weer op de knieën geworpen, hield zich de handen voor de oogen, en sloeg, door de wijdte der vingeren heen, zijne bewegingen gade. In ’t eind bleef de Graaf voor hem stilstaan. Eene zichtbare huivering gleed Reingoud door de leden. Was zij gemaakt, of was werkelijk Leycester’s toorn het eenige, wat hij vreesde? Zeker is het, dat de onrust van dien trotsenen man Leycester’s gekrenkte ijdelheid juist die genoegdoening gaf, die zij noodig had.

»Reingoud!” sprak hij ten laatste. »Zoo gij mijns gelijke waart, zou ik u over zulke woorden voor den degen eischen; nu ik uw meester ben, kon ik het zwaard van den beul over uw hoofd laten opheffen, als schuldig aan gekwetste hoogheid; maar als Christen vergeve ik mijn beleediger, en als vorst wil ik niet houden, dat mijne achtbaarheid kan gekrenkt worden door het losse woord van een dienaar, tegen een anderen dienaar in roekeloosheid ontvallen (*). Zoo dan, heer van Couwenburch! vergeve ik u dit, en konde ik, met deze vergiffenis, al het andere openbaarlijk bedrevene vergeven en uitwisschen! God helpe mij zelven, zoo waarlijk ik dit wensche! En nu, Reingoud! gij kunt u oprichten.”

»Niet voor ik u de handen heb gekust, mijn genadige meester!” Gij zijt groot, Mylord Graaf! want gij hebt daar u zelf overwonnen, dat mij van alle ding altijd het moeielijkst is gebleken!”

»Reingoud!” sprak Leycester, terwijl hij zich nederzette. »Nu moet ik u toch zeggen, dat gij wel de stouthartigste schuldige zijt, die mij ooit te voren kwam, sinds gij mij hebt durven herinneren, wat ik had voorgenomen te vergeten, om met goede intentie hier te kunnen zijn.'

»En zoo later de vijanden het u in ’t geheugen hadden gebracht, doorluchtige Heer! en zoo het dan nog niet vergeven ware, als nu?”

»Daar hebt ge recht in, dan kon het u tot groote praejudicie zijn; doch zekerlijk is ’t waar, dat wel nooit mijne grootste misgunners onder de Staten zulke expressiën omtrent mijn persoon zouden gebruikt hebben, als gij u hebt onderstaan, wezende een zoo hoog gefavoriseerd dienaar.”

»Ter contrarie heeft Uwe lordschap kunnen opmerken, dat de uitdrukking hunner reverentie en eerbiedenis in woorden is gestegen, naarmate hunne obediëntie in feiten van rebellische tegenwerking is verkeerd.”

»In trouwe! Nu gij het zegt, onderken ik er de waarheid van. Zijne genade de Graaf is bij hen reeds geklommen tot een Doorluchtigsten Vorst en Heer. Als ’t zoo voortgaat, maken zij mij keizer over hun staat en paus over hunne Kerk! Sinds uw afzijn van de zaken zijn ze fraaitjes op den weg! En nu, als ze deze conversatie hoorden, zouden ze nieuwe stof vinden voor de aantijging, dat gij zoekt kwaad zaad te strooien tusschen hen en mij! Bij God en St. Joris! Oft zij zelve daartoe niet zijn werkende geweest, sinds mijne komst! Van toen af aan hebben zij de kiem gelegd bij mij. Hoe ben ik hier gekomen? — als een vreemdeling! Wie vond ik onder hen, om mij te steunen? — geen; allen veeleer bedacht, mij te belagen en tegen te staan; geene hulp in ’t geheel uit Engeland ontvangende, zelfs niet de lieden, daar ik het hardst om riep; ieder werd te goed geacht, hier te dienen, uitgenomen ik zelf! God vergeve ’t Hare Hoogheid, maar gij weet zelf, wat het is, zonder bekwame werktuigen te werken; daar vond ik u! Ik geloof, bij God! dat hier de Duivel in werkt, dat ik ook van uw bijstand beroofd moet zijn! Voor ’t minst geef mij nog goeden raad!”

»Mylord! daar is maar één middel, om nog te winnen, wat u toekomt, en dat vast te maken: de Koningin moet de absolute souvereiniteit accepteeren, haar door Utrecht en de kleinere provinciën aangeboden.”

»Ik heb het altijd gezegd, maar aan ’t Hof schijnt men tegenwoordig wel blind, of mijn schrijven niet te lezen; doch ik begin nu hoop te krijgen op wat beter inzien, sinds de komst van Wilkes! Maar, hoe Holland en Zeeland daartoe te brengen?'

»Zoolang Barneveld staat, zal dat niet gaan.”

»Als de Koningin aanneemt, zal toch die ééne man de zaak niet hinderen; ik hoop Hare Hoogheid te overreden, zoo haast ik mondeling met haar onderhandelen zal.”

»Mylord Graaf! gij denkt er nog aan, om naar Engeland te gaan?” hernam Reingoud verbleekend.

»Of ik er aan denke? Geen stond van al deze dagen is het mij uit het hoofd geweest, schoon ik het hun nog niet heb aangezegd.”

»Als ’t is om te blijven, Mylord! dan geve ik Uwe lordschap gelijk.”

»Neen! ’t is om te keeren; schoon ik wel moede ben van mijn ambt, en wenschte, dat God er mij van verlossen wilde.”

»Nu dan, Mylord! Ga niet heen, of keer met een leger, driemaal sterker dan dit gansche volk, en met eene schatkist, onuitputtelijk als Fortunatus beurs, en neem van hier mede, om dáár te laten blijven, twee personen!”

»Welke?” vroeg Leycester.

»Barneveld en den jongen Prinse Maurink! Zoo niet, dan is alles hier voor Uwe lordschap verloren, en voor de Koningin daarbij.”

»Dat Maurits mij zoude vergezellen, daarover heb ik alreede gedacht; doch die Barneveld, die uwe nachtmerrie is, zal daartoe niet te bewegen zijn, als hij zich hier noodig weet.”

»Met geweld of list overreed men de hardnekten.”

»Piano, piano, amico! De onrust, dat hij u in dien tijd uw proces zoude maken, doet u dus spreken; doch wees rustig! Niet onbeschermd zullen wij u hier laten!”

»Ik vreeze niets voor mij zelven, Mylord! Voor mij is alles verloren!”

»Toch ben ik hier, om u over u zelven te spreken: Ge weet, ze hebben u in beschuldiging gesteld nevens Paret, en willen, dat ik uwe zaak zal laten brengen voor den openbaren rechter.”

»Mylord! dat moet Uwe lordschap nooit toegeven. Ik zeg dit niet uit eigenbelang; want ik zie niet in, hoe ik de vorige autoriteit zoude herwinnen, en wat zegt mij, zonder deze en zonder de werkzaamheid, de vrijheid? en zonder allen heb ik een walg aan het leven! Doch Uwe Doorluchtigheid is nevens mij verloren, zoo zij mij rechters laat geven; zoo ze mij nevens Paret laat verhooren en tegenover hem, en gansch deze zake door hen doet uitpluizen.'

»Hoe! gij zult u disculpeeren te mijnen praejudice?'

»Genadige heer! De twijfel grieft mij, en ik had dien niet verdiend; maar ik drage hem als boete. Uwe Excellentie moet mij op het zwartst zien. Wat Paret aangaat, van hem ben ik niet zeker! Ik vreeze zelfs, dat Uwe lordschap alreede door hem gecompromitteerd is! Hij in hunne handen wezende, en eene flauwhartige ziel, als deze, niet wel konnende weerstand bieden aan de verzoeking, om zich wat zachter lot te bereiden door de felonie van verraad! Hoe licht niet ware ’t hem doenlijk geweest eenige papieren weg te maken, zijnde gevangen genomen in zijn logies? Doch dit zwere ik Uwe lordschap, op het eenige, wat mij heilig is, op het hoofd van Jacoba! Ik laat mij liever martelen, als Balthazar Gerards, dan dat ik één woord zou uiten, dat Uwe lordschap tot schade kon zijn! Alleen dit zeg ik, en sta om het te bewijzen! Dat, hun toe te geven, mij voor eene rechtbank te roepen, om de zaken, die zij noemen, is afstaan van uwe autoriteit, en welhaast daarna zullen ze, verder gaande, u zelven daarvoor dagvaarden, — na dien vinger gegrepen te hebben, zullen ze u wel de hand weten af te dwingen! Geloof mij! Geloof mij, Mylord! Ik ben veel gehaat, en ze roepen hard tegen mij; maar ze willen u treffen in mij; ze mikken hier op den raadsheer, maar het is, om den koning schaak-mat te zetten!”

»Leider, Reingoud! Ik heb dit onderkend en gevoeld, als gij het zegt; met deze zake gaat mijn gezag verloren!” sprak Leycester op moedeloozen toon.

»En welke rechters dan zouden zij mij geven?” vervolgde Reingoud. »Die van uwe dienaren waren? Die allen zouden wel onderlaten, zich daarin te moeien; en daarmede zouden zij ook geen vrede hebben. Hadden zij vrijheid, die te kiezen, certeyn…!” Hij glimlachte met de bitterste ironie. »Dan zeker ware ik gecondemneerd, aleer verhoord! Even goed kon Uwe lordschap mij beulen geven, en datzelve zoude mij liever zijn! Den dood vreeze ik niet! Voor hen te recht te staan, den blijden triomf te lezen op hunne aangezichten, zou mij een tiendubbele dood der ziele wezen! Ook ben ik wel gezind, hen nooit voor rechters te erkennen. Ze mogen mij dan handelen, als ze willen; ze kunnen niets, dan moorden; rechten zullen ze mij niet! Indien eene zulke ure dáár mochte zijn, mijn genadige heer! — Sinds gij mij vergiffenis schonkt, durf ik u die weldaad afsmeeken. — Zend mij dan een barmhartigen ponjaard door een vertrouwd vriend, maar geef mij niet dus over aan hen!'

»For shame, Reingoud! Wat onchristelijke inval! doch wees rustig; ik zal wel zorgen, dat het niet daartoe komt! En overzeker is ’t! Waar ze u zouden veroordeelen, oordeelen ze mij! Hebbende gij uwe commissie gehad van mij.”

»En in de publieke zaken niets gedaan hebbende, dan met uwe voorkennis en toestemming, of voor ’t minst, in uw geest.”

»Ik moet dat erkennen, en toch stelt men als beschuldiging, dat gij op uw eigen naam commissiën hebt gegeven en ambtenaren aangesteld!”

»Ik had er van Uwe Excellentie vrijheid toe, als tresorier der financiën, en moest die hebben, zouden de zaken snel en ordelijk op een geregelden voet worden gebracht. Doch orde en snelheid zijn twee zaken, die in ’t staatsbestuur de flauwhartige Hollanderen tegen zijn, omdat ze daardoor hunne traagheid gejaagd zien, en hunne baatzucht nauw bewaakt, en hunne kwade praktijken als voet voor voet nagegaan en gecontroleerd. Dat heb ik trachten te doen, en geloof mij! dat maakt mijne zwaarste schuld. Doch had ik mij van de creaturen der Hollandsche partij bediend, ze zouden ’t wat zachter genomen hebben!”

»Men heeft u beticht, met Paret een verdrag gemaakt te hebben voor de verdeeling van ’s lands gelden.”

»Beticht, Excellentie! maar dat zullen ze in eeuwigheid niet bewijzen! Niemand weet beter dan Uwe lordschap, in welken drang wij doorgaand waren om geld! Hoe ik eene Kamer van financiën heb geraden, omdat daar buiten alles door de handen ging! Hoe ik belang had, de autoriteit van Uwe lordschap te stijven, en geen middel daartoe te verzuimen, en hoe geld het machtigste vehikel is, bij ’t gouverneeren van een land, zonderling in tijden van oorlog! Hoe ik mijn hoofd, nog meer! de eer van mijn vernuft had te pand gesteld, voor ’t ordenen en herstellen van ’t gezond financiewezen, en hoe zottelijk en oliedom — ik zeg niet trouweloos — ik had moeten wezen, met die dus, in den aanvang van mijne komst, en bij ’t waggelen van uw gezag, te verbruiken voor mij zelven; om niet te zeggen, dat al de leden der Financie-kamer al ’t zamen fielten en boeven hadden moeten zijn, zoo ik dit had kunnen doen! Bij mijn trouwe, Mylord! De middelen, die ik aanwendde, waren hard, voor het handelsvolk schier ondragelijk, dit erken ik; maar de uitkomst er van is enkel aangewend tot den dienst van den lande, naar den wil van Uwe lordschap!'

Ik geloove! Ik geloove, Reingoud!” sprak Leycester overtuigd. »Slechts ik wenschte, dat ik hun de overtuiging geven kon. Spreek nu! Uw spitse geest moge ook hierin raden! Wat zal ik doen, voor uw belang en het mijne, in uwe zaak?”

»Uw vertrouwen treft mij, mijn nobele meester! en ik zal spreken als onpartijdige. Tusschen twee handelingen moet ge kiezen: deze gelegenheid waarnemen, om u ganschelijk met hen te verzoenen, en allen argwaan van u af te weren, door Paret en mij volstrektelijk over te laten aan hunne willekeur of recht, zoo ze dat noemen, door ons ganschelijk en geheel te verloochenen. Zweer dat alles, wat u in onze zaak compromitteert, lasterlijke uitdenksels zijn van ons! Toon het, door niet eenmaal gratie te geven, en laat ons door hen rechten of moorden, zoo het uitvalt, en laat toe, dat ze ons als gemeene misdadigers op een schavot brengen!”

»Die raad is u geen ernst!” viel Leycester in.

»Hij is mij zóó zeker ernst, dat, zoo Uwe lordschap niet den anderen kiest, ik hem den veiligsten acht. Ik zal toch zwijgen, en als ik tegenover Paret sta, neme ik aan te zorgen, dat hij niet waagt te spreken.”

»Neen, Reingoud! Zeg het andere! Dit zal niet zijn.”

»Dan toone Uwe lordschap zich Gouverneur-Generaal, wien het opperste beleid in justitie toekomt, en die regeeren wil met der daad, en die het bewijst door een fier betoon van gezag. Gij hebt mij geabsolveerd onder vier oogen. Verklaar mij onschuldig voor hun oog! Stel mij in vrijheid! Vraag van hen alle mijne papieren op en die van Paret, en eisch dan, door den Engelschen ambassadeur, Paret op! Zoo zal Uwe genade toonen, meester te zijn, en dat te willen blijven, en die stoute moed zal hen verschrikken en doen afdeinzen; want, geloof mij! deze kefhondjes zijn nog wel bang voor het bassen van een fieren dog!”

»Neen, Reingoud! voor dit is het, minder dan ooit, de tijd. De oorlog gaat wel goed, maar ik heb gebrek aan ammunitie, aan paarden, aan voertuig, aan leeftocht, aan alles, dat mij moet toekomen door Holland. De Koningin, die men alreede ietwat van deze zaken heeft ingefluisterd, — God wete, door welken mond! — zou meenen, dat ik mij onafhankelijk vorst verklaarde met zulke daad. Haar nieuwe gezant, — en men zal niet nalaten, hem de ooren daarvan vol te blazen; — vreemde in deze zaken, zou er het zijne van denken, zonderling daar ’t meest financiën geldt, en men er niet op schijnt te letten, dat ik er mijne fortuin bij inboet, zonder eenige winst in eere, of loon van dankbare harten. In Utrecht ben ik wel meester, maar er heerscht veel spanning; ik moet omzichtig zijn met mijn krediet bij ’t kleine volk, dat uitroept, sinds uw val: "Is dit nu de religie, die men zoekt?" naar men mij aanbrengt. Ik zit ietwat gedrukt, onder den overlast der vroomheid en heerschzucht van sommige predikanten, die groote ergernis hebben genomen uit uwe laatste handelingen, die ik ook zelve met gansch het gemoed afkeure…”

»Mylord!” viel Reingoud in, en zijn oog begon te fonkelen.

»Neen, Reingoud!” sprak Leycester gebiedend. »Zwijg nu, en verdedig ze niet!” Toen zweeg hij zelf eene wijle, en bleef zijn scherp en vurig oog op Reingoud richten; en het was, of er toorn en weemoed in zonderlinge samenmenging sprak uit dien blik. Reingoud sloeg er den zijnen voor neer; iets zeide hem, dat hij dien niet moest trotseeren, en hij boog het hoofd, als wachtte hij een nieuwen storm, na die stilte. Plotseling ook barstte Leycester uit: Reingoud! Reingoud! mijn naam is zonderling zeer in haat geraakt met den uwen! En datgene, wat ik zoo vast meende te houden, het beste wat ik hier te verliezen had, wat ik het meeste noodig heb, tegen die weerbarstige grooten; de volksgunst, — mijne volksgunst hebt gij voor mij roekeloos verspeeld!” En bij iederen volzin, had Leycester zich met klimmenden hartstocht de vuist op de borst gedrukt; en toen hij uitgesproken had, liet hij het hoofd neerzinken, met eene zulke verslagenheid, alsof hij de gevangene ware geweest, en niet Reingoud. Deze kronkelde zich reeds weer; als eene slang, aan zijne voeten; — kronkelde is hier geen onjuist woord, want het was met de snelheid en met de bevallige bewegingen, waarmee een zulk afgrijselijk dier zijne prooi bespringt! — En zeker lag er niet minder van de slang, in de fluweelen zachtheid van zijn oog, en van zijne stem, toen hij sprak:

»Dit woord, mijn genadige heer! treft mij zoo zwaar, als mijne schuld groot kan zijn; want daarmede legt gij mij rouwe op, voor heel mijn verder leven. Ik heb u geschaad! Ik heb u beroofd van datgene, wat u dierbaar was en noodig! Zoo ben ik des levens en des lichts onwaard; want gij waart mij wat anders, dan een meester; ik was u wat anders, dan een gunsteling! Wij waren… vrienden!” eindigde hij, en kuste hartstochtelijk de afhangende hand van Leycester, waarvan hij zich had meester gemaakt. De Graaf liet het toe.

»Gij zegt waarheid, Reingoud! Ik heb u meer bemind, dan eenig man, en beter vertrouwen geschonken en meerder gunst, dan iemand in Nederland! En wat is de uitkomst nu? Gij een gevangene; — ik een meester zonder macht om u uit te helpen.”

»Doe dat ook niet, mijn zeer goede Lord! Doe dat ook niet! Herstel met mij, wat gij door mij zegt verloren te hebben! Neem mijn hoofd! Neem mijn bloed! Neem mijn leven! Win u hunne genegenheid! De mijne offert zich gewillig!”

»Neen!” sprak Leycester. »Dat weet God, dat eene zulke gedachte niet bij mij omgaat. Gij waart wild en rouw, maar gij hadt geen boos opzet. Ik zeg dit enkel, om u te doen inzien, dat ik u niet kan handhaven, als ik wilde, als gij raadt! Denk er bij, wat mij nog meer heeft getroffen in deze dagen! O! de hand des Heeren is zwaar op mij! Daar is mijn neef Sidney, mijn zoon naar de ziele, de hope van mijn geslacht, mijn weergalooze Philip, als een machtelooze gewonde, naar Arnhem heengevoerd! God weet, of niet in deze ure zijn doodbed wordt gespreid! Gedurig smeek ik God om zijn leven; — dat Zijne genade geven moge…! Doch, zoo in dien ondoorgrondelijken raad besloten was, dat dit kruis op mij gelegd moet worden, dan mis ik mijn sterken arm in het veld, en een mijner beste hoofden in den raad! En alsof alles samen komt, daar ligt mij Pelham gekwetst in zijne veldtent; schoon dáárdoor des Heeren goedheid mij bewaard heeft; hij naast mij gaande aan mijne slinke! De kogel, die hem drie vingeren wegnam, had mij even goed in het hart kunnen treffen. Meer nog is er! Die verwenschte twist tusschen Hohenlo en Norrits maakt, dat ik die twee krachten altijd

scheiden moet, in stede van ze vereend te kunnen gebruiken. En ik durf nauw een toer naar Arnhem doen, om mijn Philip te bezoeken (als ik toch gedenke), zonder vreeze van ongeluk! Zoo staande begrijpt gij, Reingoud! dat het nu, minder dan ooit, mijn tijd is, om met veel vertoon van openlijke macht u openlijk te handhaven, gesteld dat mijne consciëntie er mij vrijheid toe liet! Neen, bij God en St. Joris! Het kan niet zijn! Ik kan u niet openlijk, op mijn eigen gezag, vrijstellen als den gansch onschuldige; maar u overgeven in hunne macht, doe ik evenmin! Dat zwere ik, bij Gods marteldood!”

»Wat dan Uwe Doorluchtigheid ook moge besluiten,” sprak Reingoud ernstig, »ik bidde u vurig, in den naam van uwe eer en mijn belang, neem geen maatregel ten halve! Dat komt uwe eere te na; dat zou blijk wezen van zwakheid; dat zou zijn afstand doen van uw recht, zonder het hunne te erkennen; dat zou zijn uwe vrienden te bedroeven, uwe zaak te bederven, zonder de malcontenten te bevredigen…”

»Nu…, nu…, Reingoud!” viel Leycester in. »Ik zal mij daarop beraden met den Kanselier, den eenige, dien ik dit punt durf aanvertrouwen.”

»En die Uwe Doorluchtigheid, uit kwaad opzet voor ’t minst, geen verkeerden raad zal geven; schoon hij mij tegen is geweest in deze laatste zaken, wist ik vooruit, dat hij het moest uit zijn principe, en nu Uwe Excellentie mij moet opgeven, is het zaak, dat de Kanselier u blijve; doch — Mylord!” en zijne stem werd bewogen, en hij verbleekte een weinig. »Nu wij van dezen spreken, ik zoude wel wenschen hem te onderhouden…; mijn kind… is in zijn huis. Van geen ander zoude ik eene gunst vragen, dan van mijn Lord!”

»Te eerder kan ik u dit toestaan, daar de Hollandsche zendelingen uit het leger vertrokken zijn, en ik wil, dat gij, hoewel mijn gevangene, hier van nu aan verkeeren zult en u bewegen, als een vrije, zulks gij den Kanselier zult kunnen opzoeken, als ’t u lust! Meer nog! Gij zult mij te volgen hebben naar Arnhem, als ik my dear nephew ga bezoeken; sir Philip heeft naar u gevraagd.”

»Ik rade, waarom!” sprak Reingoud, met een glimlach.

Alles, wat eene stoutheid kon heeten, trok Reingoud aan, en schoon hij begreep, dat, bij Leycester’s zwakken wil en zwakke macht, die toestand niet zou kunnen duren, gaf het hem de vreugd van een korten triomf op zijne vijanden. Ook schitterde zijn oog, toen hij antwoordde:

»Uwe lordschap is meester; en zij kan zeker zijn van mijne trouw, sinds ik dan nog meer uw gevangene zal blijven door het hart, dan naar het lichaam.”

»Goed, my friend! maar nu moet gij mij nog uwe opinie geven, nopens zekere kwestiën.”

En hij droeg ze hem voor. Hun onderhoud duurde tot diep in den nacht, en Reingoud had de voldoening van te zien, dat hij nog heerschen kon door zijn geest, waar zijn arm voor handelen was geboeid. Maar trotscher nog in zijne vernedering, dan in zijne volste glorie, stak Reingoud, in die korte vlaag van vrijheid, het vaandel zijner zegepraal dus hoog op, dat hij uit enkelen lust om de Staten te trotseeren, hen eigenhandig aanschreef, om een dubbelen voorraad van leeftocht voor het leger, als te voren was aangevraagd. De Graaf schudde het hoofd over de onvoorzichtigheid, maar liet hem begaan. Alhoewel de Staten hier, »om verschillende redenen zwarigheid maakten,” — als men denken kan! - »is nochtans goedgevonden, dat men dit niet zoude afslaan, maar nakomen; want zij wel verstonden, dat, so daar eenig inconvenient mochte vallen, dat alsdan den landen zulks zouden geweten werden, dat ze haar devoire niet hadden gedaan.” Schoon ’t waar is, »dat men den Graaf daarover niet hoort klagen, in dezen veldtocht,” als ze zeiden. Maar tegelijk deden ze den eisch, »dat Reingoud toch in hechtenis mochte blijven.”

Deze glimlachte, toen Leycester hem dit aanzeide: »Voor ’t minst heeft Uwe Doorluchtigheid, wat zij benoodigd is.” Toch moest er nu aan der Staten eisch worden toegegeven, en onder geleide van master Gerard, den provoost, werd Reingoud naar Utrecht gevoerd, en was daar gevangene in zijn eigen huis.

Vijf-en-twintig dagen lang, duurde voor sir Philip Sidney de worsteling, tusschen leven en dood! Vijf-en-twintig dagen van afwisselende hoop en vreeze, voor wie hem lief hadden, en wier eigen leven als hing aan zijn ademtocht: zijne belangwekkende gade, die nog tot hem had kunnen komen, en die bijna bezweek onder de onverpoosde zorge zijner verpleging, die ze toch aan niemand had willen afstaan en nog eene andere vrouw, die wel verre was met het lichaam, maar niet verre met het hart, en die zelfs niet luid kon klagen, al klaagde heel het land; maar waar deze de klachte ontzegd was, het gebed was het haar niet. Ze bad veel en ze bad vurig; — of liever, haar nieuw leven was een aanhoudend gebed geworden. — En toen ten laatste de lange worsteling was beslist; toen Sidney’s verpleegster als weduwe nederzonk, verpletterd onder haar wee en in hartstochtelijke kreten het land en het volk verwenschte, dat haar zulk een offer had gekost; — toen hief zij het oog met zachte blijmoedigheid ten Hemel op, en dankte, dat die strijd was afgestreden; — dat die Christen-held, reeds zoo jong, ontslagen was van het zware leven, en dat die schoone ziele vereenigd was met God; en vroolijker nog glansde haar oog, bij de gedachte aan zich zelve, bij de zekerheid, dat, waar ze van den doode was gescheiden voor het leven, als eens van den levenden door het leven, daar een tijd zoude zijn, dat niets de vereeniging zou weerhouden van hare ziel met de zijne, niet voor een tijd, maar voor eene eeuwigheid… eene eeuwigheid! Hetgeen die hope in haar welhaast versterkte, was een gesprek, dat zij had met Gideon, die terstond na Sidney’s dood haar te Utrecht kwam bezoeken. Hij bracht haar zijne jongste groete, en een brief voor de Markiezin van Pembroke, zijne geliefde zuster, als eenige erfenis, of liever die erfenis was Gideon zelf! Diens vriendschap, diens voorlichting was de nalatenschap, die de jonge ridder zijne treurende vriendin had toegedacht.

Gideon was de man geweest, dien hij haar vroeger had willen zenden, en werkelijk meende gezonden te hebben; want ook Sidney had den vromen jongen doctor leeren schatten, in zijne menschkundige behandeling van Roger’s zieke-kwaal; en toen hij met haast scheidde van het St. Jorisfeest, was zijn eerste gang geweest naar Douglas slaapvertrek, om Gideon dáár van Martina te spreken. Wij weten, door welke omstandigheid de trouwe oppasser zich toen juist niet dáár bevond; en de ridder had haast; hij had bevel gegeven tot den aftocht; zijne officieren, zijne gentlemen wachtten hem in de voorzaal; zijn strijdros stond gezadeld aan de voorpoort; zijne compagnie Engelsch voetvolk was saamgetrokken op de Marieplaats. Essex’s drift zou welhaast de ruiterij verzameld hebben, en na zóóveel spoed, als de ridder had aanbevolen, zou eigen toeven onvergefelijk zijn en redeloos. Sidney moest gaan, zonder Gideon gezien te hebben; maar uit zijne eerste rustplaats in Vlaanderen schreef hij hem en schreef ook Martina, en zond den Italiaan, Caesar, met het pakket naar Utrecht. Daar had Leycester ongelukkig een bericht ontvangen uit Londen, dat een Italiaan, Caesar, van gevaarlijke aanslagen betichtte. Sidney’s bode was niet zoo haast in ’t Duitsche Huisaangekomen, of hij was een gevangene van North, en bij afwezendheid van Leycester, bleef hij onverhoord, en zijne zaak raakte in vergetelheid, en bij zijne vluchtige verschijning in Utrecht had de ridder, als éénige uitkomst van zijn welmeenend pogen, Martina verward gezien in de strikken van Reingoud! Hij moest zoo denken, en het had hem dus gegriefd, dat hij haar naam en herinnering trachtte uit te wisschen uit zijne ziel. De moeielijkheden, waarin hij Leycester te Utrecht verwikkeld vond, de overleggingen voor den nieuwen veldtocht, de krijgsbewegingen zelfs, alles hielp er toe mede; en eerst in de werkelooze ruste, waartoe zijne wonde hem veroordeelde, bij de toenemende waarschijnlijkheid, dat zij de voorbode kon zijn van de ruste des doods, doorliep hij de laatste jaren van zijn jeugdig leven één voor één, en stond ook Martina’s bleeke en droeve gestalte weer voor hem, en het was met eene klachte en met een verwijt.

Hij had eene zwakke vrouw wel hard veroordeeld op een eerste vermoeden, om eene enkele fout; en hij wist, hoe dat oordeel haar moest getroffen hebben… Ook toen Leycester hem zijn eerste bezoek bracht te Arnhem, vroeg hij naar des Burggraafs vrouw, en verlangde daarop een onderhoud met Reingoud, van wien wij weten, dat hij de man niet was, om het verlangen van een stervende te weerstaan, waar het als bede werd geuit, en waar hij geen belang meer had bij geheimhouding. De jonge ridder vernam van hem, op welke wijze de regelen aan Buis, van de bevende vingeren der jonge vrouw, waren afgedwongen; en hij vernam ook, dat Martina, naar Reingoud’s gevoelen, »gansch van de religie was afgekeerd”; voor ’t minst geenerlei gemeenschap hield met eenigen predikant (dat toen synoniem was); en in den laatsten tijd te Utrecht in volstrekte afzondering leefde. Daar had Sidney geene ruste, vóórdat die duisternis was opgehelderd. Want dat iemand, als Gideon, zijn wensch niet had willen voldoen, scheen hem ondenkbaar. Hij schreef dezen opnieuw. Thomas Cecill, die, aan koortsen lijdende, door Leycester uit het leger verwijderd werd, en verlof kreeg naar Engeland terug te keeren, belastte zich met dit schrijven, en met een onderzoek te Utrecht naar den vorigen bode. De uitkomst leerde, dat er twee Caesars waren, en dat de bedoelde, een giftmenger, nog in Engeland was, wachtende op eene gelegenheid voor den overtocht! Een onschuldige meer of minder ingekerkerd, scheen in die dagen niemand ergernis te geven, dan de lijdende partij alleen. Wanneer deze opheldering tot Gideon kwam, en hoe hij den wensch van Sidney gehoor gaf, die hem tot zich riep, hebben wij gezien. Lady Sidney had beloofd, eene nachtwake verpoozing te nemen en ruste voor zich zelve, als die gewenschte leeraar zou gekomen zijn. En in dien nacht met Sidney doorgewaakt, vernam Gideon alles, wat hij weten moest, om Martina nuttig te kunnen zijn, en alles ook, wat hij haar moest overbrengen, en hij zou terstond den volgenden dag zijn afgereisd, zoo niet eene zonderlinge keer in des Ridders toestand, aller verwondering en belangstelling had gespannen gehouden, en niet het minst de zijne.

Na eene korte rust in den morgen, was sir Philip ontwaakt, met een gevoel van beterschap en van welvaren, waarin zijne geneesheeren en wondartsen een aanvang van herstel meenden te zien. Hij had eetlust; het was, of de trek tot leven in hem terugkwam, met de hoop daarop. Zijne levendigheid achtte nu, minder dan ooit, het vermaan der ruste, dat men hem gaf. Als hij reeds meer had gedaan, liet hij zich kleeden, en verraste zijne beminnelijke Lady dus bij hare morgengroete.

»Sir Philip Sidney betert! Sir Philip Sidney is ons weergegeven!” klonk het van tent tot tent. »Daar is nu geene vreeze meer voor uw zoon en den mijnen!” schreef Leycester in blijde haast aan Walsingham.

Gideon wilde wat bevestiging van die hoop, eer hij vertrok, voor zich zelven en om der wille van eene andere. Daar kwam Hohenlo’s lijfarts in Arnhem, door dien Hollandschen heer afgestaan tot Sidney’s dienst, schoon hij zelf gewond lag. — Een trek van diens goedhartigen aard, dien wij niet vergeten mogen. — Maar de lijfarts van Hohenlo was een bedachtzame Nederlander van zeldzame kunde voor zijn tijd; en zeer schielijk verklaarde hij de hoop der Engelsche kunstbroeders eene overijlde en ongegronde, en het schijnbare welzijn van den jongen lijder voor eene overspanning, die men had moeten dempen, in plaats van haar te prikkelen; die niets was geweest, dan de overwinning van eene sterke ziel op een uitgeput lichaam, en die, welhaast zinkende, vernielend zoude werken op het laatste. De onheilsprofeet bleek geen logenaar. Uit weerzin tegen het zieken-leger, hield Sidney zich den ganschen dag zittende voor zijne schrijftafel, maakte de laatste schikkingen in zijne wel wat verwarde zaken, verscheurde sommige zijner »poëterijen,” maar zonk ten laatste in bezwijming neer, onder een nieuwen aanval van pijn aan zijne wonde, die van heftige ontsteking brandde, en onder de rillingen van eene boosaardige koorts. Het leger, waarop men hem toen neerlegde, was werkelijk zijn doodsleger. Gideon was onder hen, die het omringden; en schoon er meer predikanten tegenwoordig waren, hij was er niet te veel; want waar de stervende zijn troostwoord niet noodig had, bij die pijnlijke scheuring van lichaam en ziel, de levenden wel hadden er behoefte aan, en hij kon van hem getuigen, dat hij gestorven was, als een Christen. »Hij stierf zóó godzalig,” zegt één zijner tijdgenooten, »dat ieder er van was opgetogen, en daar God voor prees met groote dankzegging.”

Men begrijpt, wat deze mededeelingen van Gideon voor Martina zijn moesten. Men begrijpt, dat hij haar altijd welkom moest zijn als vriend, als leeraar; maar men weet, dat zij hem niet meer noodig had »voor haar gemoedsbezwaar,” als sir Philip dat had genoemd; — daar had de Heer in voorzien!

Wij weten niet te melden, of het gemoedelijkheid was, of zedigheid, die sir Philip den wensch deed uiten aan zijne gade, dat zijne Arcadia niet aan de drukpers mocht worden prijsgegeven; maar wel, dat die wensch niet opgevolgd is. Men kan zich nog met zijne verzen vermaken; men kan zich nog stichten of ergeren, aan zijne verdediging der poëzie, die wel een tintje heeft van de pedanterie zijner eeuw; doch niemand ontduikt ooit geheel den invloed van zijn tijd, zelfs niet, al is hij sir Philip Sidney. — Gansch Europa door, betreurde men den dichterlijken krijgsheld; velen hadden hem bemind; sommigen hadden hem benijd, maar allen hadden hem geacht. Elisabeth had hem eigenhandige troostbrieven geschreven, bij de eerste tijding van zijn ongeval; maar ze kwamen niet meer tot hem, bij zijn leven. Koning Philips II zond Elisabeth zijn rouwbeklag over dit verlies. De Staten van Holland wilden Sidney eeren, door eene prachtige begrafenis op hunne kosten, maar de Koningin sloeg het af, en toch heeft Walsingham later geklaagd aan Leycester, dat hij niet wist, hoe de som bijéén te krijgen, die er tot eene plechtige uitvaart van zijn schoonzoon noodig zou zijn; toch heeft ze toegelaten, dat men zijn uitersten wil heeft betwist, waarin hij, over zekere landerijen, beschikte ter voldoening zijner schuldeischers, want zij zelve had er aanspraken op. De Universiteit van Oxford liet een bundel lacrymae uitgeven, maar eerst veel later schonk hem zijn vaderland de hulde van eene graftombe.

Lady Sidney had een onverwinnelijken afkeer opgevat tegen Nederland en de Nederlanders. Zoo spoedig hare krachten het toelieten, is zij naar Engeland gereisd, met hare vrouwen; en begeleid door Cecill en andere edellieden, die, als zij zelve, naar het vaderland smachtten.

Omstreeks dezen tijd, zond ook Leycester den Burggraaf naar Londen, om de Koningin zekere geheime mededeelingen te doen. Hij herinnerde zich, dat zijn neef dezen daartoe weleens had aanbevolen. De Graaf van Leycester was diep geschokt door zijn onherstelbaar verlies. Zijne gezondheid leed er onder; maar schoon hij somtijds klaagde over een kruis, dat nu met iederen voetstap zwaarder werd, hij droeg het met Christelijken moed. »Gods wil moet geschieden! Ik verdiende meer kruis, zoo mijne zwakheid het dragen kon!” zijn uitdrukkingen van berusting en ootmoed, die wij doorgaand uit zijn mond hooren, of door zijne pen neergeschreven vinden, zoo vaak hij aan deze ramp gedenkt. En hij had een roekeloos huichelaar moeten zijn, — dat hij niet was, — zoo zulke woorden niet tegelijk de stemming van zijne ziel hadden uitgedrukt, al bleven dan ook vele zijner handelingen tegenstellingen van een waarachtig Christelijken zin. Juist die strijdigheid van weten, willen en werken, maakte den Graaf van Leycester uit, zooals hij zich vertoond heeft in Holland; maakte hem tot een mensch, als ik meene…, dat er meer gevonden worden in Nederland en daarbuiten.


De maarschalk Pelham was gewond, als wij weten, en schoon herstellende, buiten staat zijn dienst te doen. De Graaf van Hohenlo was gekwetst geworden in het aangezicht, en was die kwetsure geene doodelijke te achten, men vreesde voor zijn leven; men vreesde het koudvuur, aan welks verwoestingen zijn verwaarloosd lichaamsgestel eene lichte prooi strekte; — en Philip Sidney was niet meer! Drie zulke mannen minder in de rij zijner krijgsoversten, zouden alléén reeds een veldheer gerechtigd hebben tot het eindigen van een veldtocht, die nogal vrij goede uitkomsten had gebracht, en die menigen jongen krijgsman, Nederlander of Engelschman, gelegenheid had gegeven, zich te onderscheiden, waarvan onder meerderen de jonge edelman Kloet en master Stanley hadden gebruik gemaakt. Beiden werden door Leycester beloond, en de laatste, om het betoon zijner dapperheid, door den Graaf met den ridderslag vereerd, en met zijne eigen ridderketen omhangen. Leycester zelf had zich in dien veldtocht aan persoonlijk gevaar blootgesteld, en wij hadden hem gaarne gevolgd in die oogenblikken, waarin hij tevreden toejuicht, bij het vuur zijner jeugdige gentlemen, en één van hen glimlachend waarschuwt, voor het gevaar, dat er in lag, »getooid met zóó blinkend vergulden helm en zóó schitterende kleuren,” zich te wagen in de loopgraven, daar zij ten mikpunt dienen voor des vijands kogels, en nadat de waarschuwing is verachteloosd en de onbezonnen held aan zijne zijde neerstort, hem met vaderlijke goedheid te zien bijstaan en in zorgende hand overgeven! Van dat alles, van meer nog, hadden wij gaarne uitvoerig willen spreken; doch sinds het hier oorlog betreft, zeggen wij alléén: om genoemde oorzaken, om het vergevorderd seizoen, en omdat de landszaken hem naar Holland riepen, verklaarde de Graaf den veldtocht geëindigd voor dit jaar, versterkte de vestingen en steden, die hij herwonnen had of behouden, stelde bevelhebbers aan in die steden, die zijne zijde behouden hadden; voorzag die met zooveel krijgsvolk, als hij te missen had, en trok zich toen naar Utrecht terug; maar hoe keerde hij er weder? Het gebalsemd lijk medevoerende van zijn geliefden bloedverwant, een van de steunpijlers zijner macht, en om er den man in boeien te vinden, dien hij den vurigste zijner dienaren achtte; die de geliefdste was, en zeker die, welke, hoe dan ook naar eigen willekeur, met de meeste stoutheid en kracht voor zijn meesterschap had geijverd. Zijne ontvangst te Utrecht was verslagen, moedeloos, als hij. Wie hem getrouw waren en toegedaan, waren bedroefd, vernederd en in onrustige spanning, als hij zelf. Wie hem tegen waren, durfden niet zegepralen; maar toch, ze durfden fluisteren, en dat was reeds veel! En zelfs de luidruchtigste en aanmatigendste zijner vereerders, de burger-hoplieden, hadden de behoedzaamheid, geene vonken te werpen van uitspattende daden in dit smeulende tonder van het misnoegen. De Graaf bleef er ook niet langer, dan de noodzakelijkheid het eischte, verklaarde dáár voor het eerst openlijk zijn besluit, om naar Engeland terug te reizen, en schoon het reeds dáár, door zijne vrienden als door zijne tegenstanders zelf, werd bekampt, noemde hij het onverzettelijk, en zette klem bij aan dat woord, door het de Algemeene Staten en de Staten van Holland aan te dienen. Zijn heengaan uit Utrecht was dus tegelijk een afscheid, en schoon hij er zich persoonlijk had bemind gemaakt, — welk een onderscheid reeds dáár, tusschen dit afscheid en zijne hoopvolle inkomste. De zekere hoop, dat hij keeren zoude, gaf alleen zijnen vrienden nog wat moed, en deed zijne vijanden stille zijn. De politieke predikanten ijverden van hunne kansels in Leycester’s geest, en zelfs nog daarboven, en brachten de warreling van staats- en kerkvragen in den schoot der huisgezinnen over. Openlijk beschuldigden zij de Staten, dat het uit misnoegen was tegen hen, dat de beschermer der religie het land zijne hulpe en tegenwoordigheid onttrok, en al, wat daar voor heftige aanklachten meer konden zijn, die zelfs, waar ze niet ongegrond waren, toch nog liever dienden gesmoord te zijn, om der wille des vredes door de gezanten des vredes! Doch het is nu nog de tijd niet, hierop door te spreken; later zullen zij zich scherper op den voorgrond stellen, en dan zullen wij betere gelegenheid hebben, hunne daguerrotype te laten maken, door de zonnestralen der historie en der fantasie.

Genoeg, de Graaf van Leycester vertrok naar ’s Hage, gevolgd, als altijd, van zijn Staatsraad. De Staten-Generaal waren er vergaderd, en de nieuwe ambassadeur was er uit Engeland aangekomen.


Ingezonden op: 19 July 2001