LEYCESTER IN NEDERLAND

XVII.

REINGOUD’S WORSTELING EN WAT JACOBA’S LOT BESLIST.


Uit een huis, in de Hoogstraat te ’s Hage, klonk op een vooravond, eene zachte, liefelijke muziek, een zuiver snarenspel, begeleidende eene diepe en volle stem, die, in de Latijnsche taal, een vroom kerklied zong, uit de eerste Christentijden. Ook voor de minst geoefende ooren was het zóó kennelijk niet een psalm van Dathenus! Getuigde het nog zóózeer van herinneringen aan de Roomsche kerkmuziek, dat, wellicht nog eerder door die vreemdheid aangetrokken, dan getroffen door de zoete tonen, vele voorgangers staan bleven, en elkander opmerkzaam maakten! Niet bijlang ook duurde het, of twee mannen, die zeer het aanzien hadden van schouts-dienaars, bleven ook staan, wisselden samen eenige woorden, en gingen daarop ieder een anderen weg. Minder bescheiden dan zij, dringen wij het huis in, om het geheim van dat harpspel (want het was eene harp), uit te vinden.

Het is Jacoba, die hare zachte stem begeleidt met zoo liefelijk spel! Het is Jacoba, die wij wedervinden met Reingoud! Reingoud is, als aan hare voeten gezeten, naar de wijze der Spaansche vrouwen; als neergehurkt op een stapel zijden kussens, heeft die trotsche man zich zóó laag geplaatst, als het hem mogelijk is, om naar haar liefelijk gelaat te kunnen opzien; om de zachte bezieling, die schittert in hare oogen, te kunnen gadeslaan; om de zoete tonen, als uit haar mond, in te drinken. Bij het achterwaarts duiken van zijn hoofd, dat hij steunt met de eene hand, hangen zijne lange zwarte lokken laag neder over zijn Spaanschen kraag, en laten zijn voorhoofd en geheel zijn veelbeteekenend gelaat gansch onbedekt. ’t Is vreemd, dat die man niet meer is verouderd, onder al het leed en den last, die hij heeft moeten dragen, al heeft hij ze niemand geklaagd! ’t Is vreemd, dat dit voorhoofd zich niet heeft gerimpeld, onder de spijt van gekrenkten trots, en onder spijt over het verledene, en kommer over het tegenwoordige en voor de toekomst! Maar nog meer zonderling is het, dat dit alles over hem schijnt heengegaan, als ware het niet op hem gevallen; dat hij leeft, in eene zóó zonderlinge gerustheid, als ware niet iedere ure vrijheid en leven, dat hij genoot, eene overwinning op de omstandigheden! Sinds zijn laatste arrest door de Staten was doorgedrongen, was hij toch werkelijk gevangene van den algemeenen provoost; had dezen moeten volgen naar Utrecht, al had hij dáár dan zijn eigen huis tot kerker gehad. Maar zeker! eene vreemdere soort van gevangenschap dan de zijne, is er wel niet uit te denken geweest!

De gevangene gebood zijn kerkermeester; — beschikte over diens dienaren, — zond ze her- en derwaarts; — beheerschte schout en burgermeester, voorzoover het zijne eigene belangen aanging; — uit hetgeen zijn kerker werd genoemd, daar hij zich verschoonde van uit te gaan, ontbood hij ze bij hem; — overlegde, wat hij wenschte; — drong dóór, wat hij wilde; — voegde als van daaruit zijne partij samen, en had nog den triomf van te zien, dat, waar Reingoud van het tooneel was weggebracht achter de coulissen, de Reingoudisten nog zooveel te stouter en vaster op den voorgrond traden, als een vast aanééngesloten lichaam. Zijne armen heetten geboeid; maar zijn geest bleef leven, en werkte door hen zóó machtig, of die arm hen nog bestuurde. Master Gerard, zijn opperste wachter, een van die Engelschen, die zich voor Leycester en diens rechten zouden doodvechten onverschillig in welke zaak, wist, dat hij den Graaf diende, met den geliefden gunsteling zooveel vrijheid te laten, zooveel voorrechten toe te staan, als hij slechts konde, zonder hem gansche vrijheid te verleenen; en hij bracht dus alles en allen tot hem, wat hem wenschelijk konde zijn. En hij handelde volkomen in Leycester’s geest, die dat alles juist zóó verlangde; slechts wilde hij het liefst niet bevelen.

Zoo haast Reingoud zich te Utrecht zag, en hoopte dáár te kunnen blijven, begeerde hij Jacoba bij zich, — tegen den raad van den Kanselier, wiens voorzichtige blik zag, dat zulk stout trotseeren niet van langen duur kon zijn, — tegen de bede van Leoninus, om het meisje, nu ééns van hem gescheiden, niet aan de onzekerheid van zijn lot te verbinden; maar Reingoud geloofde niet aan dat laatste, nu hij eens weer te Utrecht was, in den kring van zijne Reingoudisten; en Jacoba’s bijzijn, nu hij er de vreugden van had gekend, was hem iets onmisbaars geworden, bij de werkeloosheid, die nu toch eenmaal moest gedragen worden.

Gideon, die na Sidney’s dood, zich zeer veel om Reingoud had bekommerd, en die hem zooveel van zijn tijd gaf als wezen kon; Gideon had geoordeeld, dat men zóó nauwe verwanten niet scheiden mocht in dagen, waarin de één troost zou mogen vragen, en de andere met dankbaarheid zou kunnen vergelden. Licht ook hoopte hij van Jacoba’s vroom gestemde ziel, een invloed op dit fier gemoed, waarnaar hij tot hiertoe tevergeefs had getracht. Hij oordeelde, dat men haar met Reingoud’s geheelen toestand moest bekend maken, en haar dan de keuze laten doen, die bij haar karakter wel niet twijfelachtig kon zijn. De Kanselier zelf had zich bemoeid, het haar vóór te stellen, en zij had geen oogenblik geaarzeld, om de zoete gezelligheid van het huis des Kanseliers, — waar men haar eenzaamheid gunde, als zij die verlangde, — waar ze huiselijk samenzijn vond, als zij het behoefde — te verwisselen, voor het bijzijn van den ongezelligen man, die nu eens vlagen had van onstuimige teerheid, dan eens van weekheid voor haar, die tot zwakheid daalde, of dan weer, uit vreeze, van haar door norschheid te kwellen, zich dagen achteréén afsloot, zonder haar te willen zien; dan weer dagenlang zat neergedoken, als verdiept in hare beschouwing. Eene enkele verandering had Reingoud’s wijze van zijn ondergaan, en die meer dit zonderling karakter voltooit, dan dat het dit eert. Zoo haast hij zich overtuigd had, dat zijne openlijke zaak reddeloos verloren was, wierp hij dat kleed van stemmigheid en stijve rechtzinnigheid, waarmee hij zich, voor de oogen der wereld, had omhuld, af, als een kleed, dat nu onbruikbaar was geworden, en hij gebruikte het slechts nog bij wijlen, om de predikanten af te schrikken, die uit het gebeurde aanleiding namen, om hem te komen vermanen, of troosten, of opwekken. Dan sneed hij hun altijd het tweede woord af, door zóó strak een ernst, dat ze niet konden tegenspreken, hoe schril in tegenspraak, met hetgeen nu van zijn leven was bekend geworden, of wel met eene ironie en eene dubbelzinnigheid, die troffen en pijn deden, als de beten eener vergiftige slang. En het waren niet enkel Modet en zijns gelijken, die hij van zich weerde op zulke wijze, maar ook Helmichius was het; maar ook Gideon! Met de laatsten echter hield hij ietwat eene andere maat. Sinds de vormen der vroomheid hem geen nut meer konden brengen, hield hij zich tegen dezen, als vroeger tegen Leycester, of hij ze niet anders had genomen, dan als behoorende tot de zeden van het land, waarnaar hij zich had geschikt. Hij was ten Avondmaal gegaan, omdat in ’t eind een ieder het deed, die zich aan den Graaf had aangesloten. Hij had de kerken trouw bezocht, om te weten, wat de »ministers” preekten, en wat hij uit ieder hunner zou kunnen maken; maar hij loochende iedere behoefte aan godsdienst voor zich zelven, en toch, dat was eene onwaarheid! Zeker was hij te fier, om het zich zelf te bekennen; zóóverre was het er af, dat hij het anderen dacht mede te deelen! In het volle van zijn meesterschap, had het hem niets gekost, aan Leycester bekentenissen te doen, die zelfs waarheid tot grondslag hadden; maar nu, in zijn val, — nu, door de Staten vernederd, nu de zwakheid te hebben, werkelijk dàt te voelen, werkelijk dàt te begeeren, wat hij, met minachting, bij anderen als dwaasheid en bekrompenheid had uitgespot, — waarmede hij, uit verachting voor die anderen, als met een mommentuig had gespeeld, — dàt was, wat hij zich zelf, als eene kleingeestigheid, zou verweten hebben! Zóó kon hij niet over zich zelven blozen; zóó diep niet zinken! Dat gevoel moest, zoo vaak het opkwam, met de snerpendste ironie worden teruggedrongen, en met den onbarmhartigsten trots, voor zich zelf en tegenover anderen, worden ontkend. In tegenstelling van dit doodvonnis, dat hij aan zijn geestelijk leven voltrok, wekte hij zijne zinnelijkheid op, tot een verjongd leven! Hij spilde de fortuin, waarover hij de vrije beschikking schijnt gehouden te hebben, aan alle genietingen, die in zijn toestand mogelijk waren. En de prijs, dien hij daarop bleek te stellen, bewijst, welke offers van zelfverloochening hij had weten te brengen aan zijn grootsten hartstocht, de heerschzucht.

Toen de Graaf zijn besluit, om naar Engeland terug te gaan, werkelijk wilde uitvoeren, en dus, tot regeling en afdoening der gewichtigste zaken, zich naar ’s Hage moest begeven, en hem werd aangezegd, dat er moest worden toegegeven aan der Staten wensch, dat hij den Graaf derwaarts moest volgen, was hem dat niet enkel eene oorzaak tot groote onrust, van in der Staten handen te worden geleverd, maar eene stoornis in zijne eigene vroegere gewoonten, die hem voor eene wijle opschrikte uit zijne indolentie; maar Jacoba bleef met hem, en daarmede was hem weer alles vergoed. Had deze verloren, toen ze Reingoud’s bijzijn ruilde, voor het gezellig verkeer van vrouwe Leoninus en haar gezin? Zij had iets gewonnen, dat ze dáár niet meer vond, en dat haar veel waard was, den hernieuwden omgang met Gideon, die hen zelfs gevolgd was naar den Haag. Hij voegde zich naar alles, liet zich door niets afschrikken, en was met iedere ontvangst van Reingoud tevreden, in de hoop, om den man, wien zóóveel verlaten had, en die daarbij nog zóóveel wegstiet, éénmaal het ééne noodige te reiken, dat hem alles vergoeden zou; en waar Reingoud ook hem had teruggestooten, vond hij in Jacoba het voorwendsel, òf tot blijven, òf tot keeren; en Reingoud had, om Jacoba’s wil, geen moed, om hem dat voorwendsel te ontnemen, en hij zelf bediende zich van haar, als een schild, om zich te dekken tegen alle rechtstreeksche pogingen van Gideon, om hem over zich zelven tot nadenken te brengen. En met merkwaardige schranderheid, als met wijze omzichtigheid, vermeed de jonge man, de kwetsbare plek van den grootvader aan te raken, voor de ooren van de kleindochter, anders dan in algemeene bewoordingen van ernst en waarschuwing. Snel had Reingoud dat doorzien, en nooit liet hij het kind van zich gaan, in de tegenwoordigheid van Gideon, en zóó was het tusschen hen gebleven tot hiertoe. Gideon had niets gedaan en niets kunnen doen, slechts hij bad en hij hoopte.

Jacoba is gekleed, als moest zij verschijnen op een feest van Leycester, schoon de kleur, en zelfs de vorm van haar kleed, daar wat opzien zou verwekt hebben. Want zij draagt wit-zilver damast, met de loshangende mouwen van vroegeren tijd; die de fijne armen bloot laten; en zij heeft het hoofd ongedekt, de blond-zijden lokken gescheiden op het voorhoofd, en verder vrij spelende over hals en schouders, en slechts luchtig omhuld met een sluier van fijne Brabandsche kant; eene vorstinnen-dracht, die de tresorier-generaal van Leycester zich had weten te verschaffen voor zijne kleindochter. Dus gekleed, heeft zij eenigszins het aanzien eener St. Cecilia, en de rust op haar voorhoofd, bij de zachte geestdrift van het harte, dat zich opheft onder het gezang, en die weerstraalt uit het oog, en die toch het waas van zwaarmoedigheid niet gansch kon verdrijven, dat sprak van haar gelaat, gaf haar werkelijk het voorkomen van eene dier uitnemende jonkvrouwen uit de middeleeuwen, die de Roomsche Kerk, om haars lijdens en harer vroomheids wille, den rang van heilige heeft toegekend! Dien indruk schijnt Reingoud van haar te willen ontvangen, want het is op diens verzoek, dat zij zich dus kleedt.

»Mijn God! Mijn God! Wat mij die tonen week maken en pijn doen!” roept nu Reingoud, wiens oogen branden, wiens wangen gloeien. ’t Is of daar binnen in mij alles schrijnt en gloeit!”

»O! Laat ik dan eindigen!” roept zij verschrikt.

»Neen!” spreekt hij. »Zeker neen! Eene zulke pijn is wellust en smarte beide; maar den eersten sta ik niet af om de laatste.”

»Ach! Dat gij het dan afstondt, om ietwat anders!” sprak zij zacht.

»Zoo ’t u te zwaar valt…” sprak hij met zorge.

»Nooit iets voor u, heer! maar het mocht gevaar brengen…”

»Gevaar?” en Reingoud stond plotseling op, in zijn volle lengte, en zijne oogen flikkerden. »Meent gij, bijgeval, dat ik vrees heb voor mijne heeren de Staten van Holland?”

Reeds gewoon aan zulke plotselinge uitbarstingen, ontstelde zich Jacoba niet al te veel; slechts zeide zij met hare zachtste stem:

»Sinds wij zóóveel malen van verblijf zijn verwisseld…, hier te ’s Hage zijnde… moet daar eene reden voor wezen, lieve heer grootvader!… en sinds reeds éénmaal mijn avondzang de opmerking heeft getrokken, dat ons dwong van logies te veranderen…”

»lk bevele u, den zang te hervatten!” viel Reingoud in, met stugge hoogheid.

En toen zij weer de snaren trillen deed, schoon nog de stem hare tonen weigerde, ging hij, van haar afgewend en zonder naar haar om te zien, de kamer op en neer. Op eens kwam hij weer tot haar terug, en knielde neder aan hare voeten, het hoofd op zijne eigene wijze neerbukkende aan hare knieën.

»Neen! Ik bevele u niets! Ik smeek slechts! De eerste maal, dat ik u bevele, moogt gij van mij gaan; en, God weet! wat mij dàt wezen zou, zoo gij van mij heengingt! Dan eerst zoude ik het ongeluk kennen, zooals ik dat nooit heb gekend; want dat is te weten, wat de zoete troost der engelen-liefde is, en zich duivel te weten en alléén te zijn! Jacoba! Jacoba! Zoo gij wist, dat uw harpspel mij niet enkel goed doet, maar dat het mij goed maakt, — dat het mij is, als hoorde ik een gebed; — een gebed voor mij, — een zulk gebed, daar ik aan geloof; — zoo ge dàt wist, Jacoba! dan zeker zoudt ge niet om die flauwe beuzeling gebeefd hebben, en niet van ophouden spreken! Gij weet niet, wat mij dat is, eene wijle weg te dommelen, in vergetelheid van alles. Jacoba! Mijne allerzoetste! Wilt gij mij niet helpen vergeten?” En hij zag haar aan, met zulk eene oneindige teederheid en weemoed, dat zij uitriep:

»Heer! Wat gij toch een wonder man zijt, en wat het vreemd is, het leven met u, en toch zoo zoet!”

»Vindt gij?” hernam hij, met een glimlach van voldoening. »Eilieve, mijne St. Cecilia! vervolg uwe hymne!

En zij vervolgde, en Reingoud vergat zich weer van nieuws aan in het luisteren.

Terwijl dit in huis geschiedde, ging er een jong man door de straat, die eerst willens scheen voorbij te gaan, doch die op éénmaal, die tonen hoorende, wat verrast staan bleef, en toen schielijk den klopper hief en werd ingelaten, Gideon trad de kamer in, waar Reingoud met Jacoba samen was. Met eene mengeling van verdriet en waarschuwing, sprak hij schielijk:

»Met gunst, juffer Jacoba! Wat gij een onbedacht kind zijt! Uw harpspel klinkt de halve Hoogstraat dóór! En gij, heer Reingoud! moest haar zulke fantasiën niet toegeven op zulken stond! Men heeft reeds éénmaal uw verblijf onderkend aan zulke tonen, en te veel oevels kan dat brengen, als gij nu werdt ontdekt!”

Het zachte kind liet het antwoord aan Reingoud over; slechts zette zij schielijk de harp ter zijde.

»Heer doctor! gij hebt daarom niet noodig, die zoetzedige engel te berispen! Het was niet hare fantasie, maar eene bede van mij. Meent gij, dat wij elkander hier de verbeelding altijd zitten op te vullen met woorden van vreeze en bevinge?”

»Ik weet van u beter; maar het ware doch van een wijs en bedachtzaam man, een weinig zorge te dragen voor u zelven, waar anderen gedurig bemoeid zijn omtrent u. Hoe meent gij, dat Mylord Leycester het nemen zou, dit trotseeren van de stilzwijgende overéénkomst, waarbij men u in ruste laat, en uitlokken van perikel, voornamelijk op een moment als dit, sinds nieuwe moeiten van velerlei aard, ook hem zelven lichtelijk in de geprojecteerde afreize kunnen verhinderen.”

»De afreize? De afreize? Op wanneer is die beraamd?”

»Van den Kanselier hoorde ik, dat het vertrek uit ’s Hage morgen in de vroegte zoude plaats hebben.”

»En ik ben daarvan niet geadverteerd!” sprak Reingoud, meer met ergernis, dan met schrik. »Ik kan hier toch niet in den Haag blijven, als Leycester heen is!”

»Gij hebt hope, dat de Graaf u met zich zal voeren naar Engeland?”

Reingoud zweeg.

»Certeyn, heer van Couwenburch! Gij, die uw geest te spits roemt, om sommige zaken voor waar aan te nemen, en in simpelen eenvoud te gelooven; gij betrouwt u wèl zeer groot op prinsen!”

»Ik betrouw niet op Mylord Leycester, als prins, maar als mensch.”

»Ei, gij, heer! die zoo groote experiëntie van menschen hebt, hebt nog dus groot geloove in hen?

»Nog altijd in dezulken, wier eigenbelang hen aan mij samen bindt!”

»Machtige heeren weten sterke strengen wonder snel te breken! gij hebt dus geen geloove in ’t geheel aan de menschen, waar zulke banden niet klemmen?”

Sommige nobele harten zonder ik uit.”

»Alle menschen zijn menschen, heer Reingoud! Doch, zoo de Graaf u kon opgeven, wat zoudt gij aanvangen?”

»Ik weet het niet, heer doctor! en ik wil, noch kan daarover narekenen. Alleen, gij weet, ik worde niet gaarne ondervraagd over mijne opiniën en voornemens. Ik heb geene onrust in ’t geheel op dit punt. Ik houd voor zeker, dat Mylord mij iemand van zijnentwege zal zenden, of wel, dat meester Gerard zelf mij zal komen heenleiden, waar het mij goed zal zijn!” En hij liet zich met indolentie neervallen in zijne kussens.

Gideon zuchtte.

»Licht word ik zelf door den Graaf gebruikt, als boodschapper aan u!” sprak hij.

»Hoe nu?” en Reingoud hief zich op, leunende op den elleboog. »Gij zijt toch niet reeds hier als Jobsbode?”

»Ik ben niet!” sprak Gideon, getroffen door de stroeve koelheid, waarmee zoo belangwekkende vraag werd geuit. »Alleen waarheid is, ik ben bij den Graaf ontboden, en ik was heengaande derwaarts. In ’t wederkomen dacht ik u te spreken en te melden, wat ik zou vernomen hebben; doch deze zorgeloosheid van ’t harpspel ontzette mij, en zoo keerde ik tot u in. Tijd heb ik nog te over; want ik weet, dat de predikanten van Zuid-Holland nu samen zijn tot een afscheidsgehoor bij Mylord. Ieder, die nu op ’t hof gaat, gaat er voor ’t laatst; dat voor ’t laatst heeft altijd iets treffends, weemoedigs. Hoe moet dat niet dubbel treffen, als wij, uit het leven scheidende, eens tot elkander zullen zeggen: "Voor ’t laatst!" En hij keerde zich half naar Jacoba en half naar Reingoud.

»Maar er is een weerzien!” sprak Jacoba rustig. »Zoo niet in den tijd, dan in de blijde eeuwigheid!”

»Maar er zijn luiden, die aan zulk weerzien voor zich niet gelooven,” hervatte Gideon, »en dàn moet het smarte geven, te scheiden op zulke wijze, als weerzien onmogelijk maakt.”

»Gij kost wat vroolijker propoosten kiezen, heer doctor! als gij ons eenzamen komt bezoeken!” sprak Reingoud, met een satyrieken glimlach en met beduiding. »Want zulke flitsen treffen gansch niet de luiden, daarop ze gemunt zijn; en anderen, die zulke kwellinge niet van noode hebben, geven ze smerte!” En hij wenkte, dat hij op Jacoba zou zien, die wat bleek was geworden, en die nu vroeg:

»Er zijn dan zulke luiden?”

»Zulke zijn er, en te velen!” hernam Gideon. »Luiden, die den aardschen grond onder hunne voeten zien wegzinken, en die toch niet grijpen willen naar het anker der redding, dat hun uit den Hemel wordt toegereikt.”

»Zulke luiden hebben te weinig fantasie, om zich een denkbeeld te maken van zulke Hemelsche scheepvaart, daarbij te veel nuchter oordeel, om niet dus onjuist gegrepen beelden ietwat belachelijk te vinden!” sprak Reingoud.

»O! Hoe het zulke luiden beter zijn zou, dat nuchter oordeel te gebruiken, in een deemoedig gebed, om het geloove, dan om zich lustig te maken, over wat linksche beeldspraak, gebruikt uit goeder oogmerk, sinds sommige toestanden niet dan verbloemde redenen toelaten.”

»Zulke redenen worden ganschelijk niet verlangd, heer doctor! en de discretie, tegenover oude en jonge jaren beide, moest u ingeven, geene onderwerpen voor uw onderhoud te kiezen, dan die voor beiden behagelijk konnen zijn en verstaanbaar mogen wezen! Ik wenschte, u dit niet nogmaals, ik wenschte het u niet scherper te moeten zeggen, jonge man!” hernam Reingoud, op zóó kouden en hoogen toon, en met zulk een pijlsnellen blik, even heengeworpen op Gideon, dat deze wel moed moest hebben, om te antwoorden:

»Ik ken nog zwaardere plichten, dan die der discretie, heer van Couwenburch! Ik bidde u, om een onderhoud onder vier oogen, nu op dezen stond!”

»Ik hebbe geene geheimen voor mijne kleindochter!” zeide Reingoud.

»Ik heb te spreken, wat niet der vrouwen gehoor oorbaar is!” hernam Gideon vast.

»Wil blijven, Jacoba!” sprak Reingoud, op een toon en met een blik, aarzelend tusschen bevel en smeeking; want de jonkvrouw was opgestaan bij Gideon’s eerste woord. Maar Gideon, met eene vastheid, die hij hem niet had toegekend, nam hare hand, en leidde haar het vertrek uit, met het woord:

»Ga, me lieve! Laat ons samen!”

»Gij misbruikt uwe influentie op mijn kind!” sprak Reingoud, die, terwijl een onmerkbare glimlach zich plooide om zijn mond, Jacoba met de oogen gevolgd was. »En gij meent nu overwonnen te hebben, sinds het u vrij zal staan, alles te uiten, wat uw ijver u in den mond zal leggen. Ik miskenne de intentie niet, mijn goede jonge doctor! Doch ik beklage den goeden tijd en de goede woorden, die gij spillen gaat, tot zóó ijdel eene uitkomst! Eer gij dus aanvangt, overweeg dit! Wij hebben deze punten in den laatsten tijd dikmaals in de verte, en als op neutraal gebied, overwogen en besproken, en gij kunt u herinneren, dat ik gansch niet onkundig ben van de dingen, die gij bedoelt, daarvan ik het nutte en goede heb toegestemd voor anderen, mij zelfs soms heb onderschikt, naar de gebruiken en begrippen van anderen, zonder daarom voor mij zelf daarvan iets te behoeven.”

»En met de verzekerdheid, dat gij zelf zulks nimmermeer behoeven zult,” sprak Gideon, die hem, met zijn zachten, doch doordringenden blik scherp was blijven gadeslaan, en die, ondanks de overlegde koelheid, den scherpen toon der ironie, in de drift der woorden, waarmee ze werden uitgesproken, en de zenuwachtige trilling der lip wel had opgemerkt, dat er meer gevoel werd vermomd, dan bitterheid getoond.

»Ik ben te wijs geworden, om mij behoeften te scheppen, die toch niet kunnen voldaan worden!” sprak Reingoud.

»Geene enkele zou onvervuld blijven, zoo gij slechts besluiten kost, u over te geven tot geloove!” sprak Gideon snel; want dat woord was een oprechter, dan hij nog van dien man had gehoord op dit punt.

»Luister, jonge man!” sprak Reingoud nu, met diepen ernst. »Ik weet, dat uwe bedoelingen meer zuiver zijn, dan van eenig ander, en ik acht u meer schrander, dan een van hen, zulks ik u een vrijer blik wil toestaan in mijne ziele, dan ik één van hen heb gegund. Gij meent, dat ik niet geloove, Gideon! Maar ik zeg u, dat ik al zoo vast, als iemand, geloove aan dat leerstuk uwer religie, dat de Gereformeerde ministers, als ik mij wel herinner, de leere der uitverkiezing noemen. Ik geloove, dat daar door den God, die alles regeert, — schoon dan niet zoo immediaat en absoluut, als zij goedvinden ons te vertellen; sommige personen zijn voorbestemd, tot eene Hemelsche zaligheid, die hun alle leed en last der aarde éénmaal zal vergoeden, en die wel mag bestaan in het bewustzijn hunner heiligheid, in het verkeer met de heilige engelen, en mogelijk, in ietwes te kennen en te aanschouwen van den onbegrijpelijken Maker en Zijne werken; maar het getal der zulken zal gering zijn, zeer gering, uit den aard der zake zelfs. Al wat ik wete en ondervonden heb van menschen en menschelijke dingen, verzekert mij, dat het gemoedsbestaan der zulken is, van begin af, daarop geformeerd is en als gewijzigd. Ze zijn veelal wat onbruikbaar in ’t wereldsche. ’t Is, of ze alreede ten halve leven in dat andere gewest, en of ze die andere helft nog maar onwillig aan ons geven. Hunne eischen hier zijn niet groot, en ze geven licht op, wat anderen, met alle macht des verstands en der kracht, zullen vasthouden. Onder hen denke ik mij eene Jacoba, — een arme van geest, als Douglas, — een zekeren jongen doctor, die lijf en ziel al samen inspant voor de deugdelijke waarneming van zijn leeraarsambt, en die al zoo weinig aan zijne roeping daartoe twijfelt, als aan zijn eigen bestaan; maar noch onzen nobelen Graaf, — hoeveel hij zich zelf inbeeldt van zijne devotie! — noch een Kanselier, die alle kansen der Hemelsche toekomst, daaraan hij niet gelooft, zoude opgeven voor de enkele kans, om Mylord Leycester en de Staten de handen inéén te leggen, tot bate en oorbaar van den lande; bovenal niet zulke lieden, als uwe predikanten, die gesustineerd worden, geene zorge te hebben, dan omtrent der anderen zieleheil, dat ze ook wel hebben in den mond. Doch… ja! ik versta wel uw smeekenden blik, en geef hun gratie. Slechts voere ik dit bij, om te zeggen, dat, zoo zeker ik deze dingen wete en versta van anderen, ik niet minder mij zelven heb geoordeeld, en wel, dat ik niet hoore tot de "vaten der uitverkiezing"; — vergeef mij, zoo de uitdrukking oneigen is! ik onthoud slecht en hoorde in zoolang Modet niet! — maar wel deugdelijk,” en zijne stem klonk stout en hard, ’tot die veroordeelden van den beginne aan, daartegen de zotte uitvindselen van absolutie en zielmis al zoo weinig kracht hebben, als de sprookjes van genade en verlossing, daarmede onze predikanten ons en zich zelven het verstand aftobben, om ze te doen samenrijmen met de leerstukken van verlossing, en wat er meer zij! De natuur der zielen kan niet veranderd worden! Ik weet op dit punt, wat mij wacht, zoo het geene vernietiging is. Ik verblind mij op niets; maar nu ook, ga mij niet aan met zulke redenen! Gij weet nu meer van mij, dan ik anderen heb gezegd of zeggen zal!”

»Nu bovenal zal het niet gezegd zijn, dat ik u dus troosteloos dáár laat, met zulke gedachten van bange wanhoop!”

»Wanhoop, jonge man! Waaraan onderkent gij wanhoop bij mij? Ik zeg u immers, ik heb dit alles overzien en ik berust! Voormaals, toen ik dit alles nog niet dus had bevat, heb ik weifeling gekend, tusschen onrust en hope, tusschen verlangen en vreeze, tusschen overleggingen van het misschien en wie weet… Nu heeft dat alles opgehouden; ik weet en ik berust!”

»O! Zoo waar ik een lankmoedigen Heer verkondig,” sprak Gideon; »die aarzelingen, die onrust, waren nog wekkende roepstemmen Gods in uw harte! Dat gij die versmoord hebt en u daartegen verhard, was eene werking van den Booze in u! Het is u tot vermeerdering van schuld en zonde, meer dan eenige uiterlijke daad, daarover de menschen wrake roepen en u vervolgen! Gij hebt daarmede den geest Gods bedroefd, die zich aan u wilde openbaren, en u brengen tot erkenning van schuld. O! Dat de genade van Christus u die twijfeling en onrust opnieuw mochte wedergeven! En wedersta gij dan die stemme niet; maar luister, naar wat zij u zal ingeven, en bid, dat gij haar moogt leeren verstaan! Zie! Zij zal u het eerst leeren, u in ootmoed te belijden een schuldig zondaar, en na die belijdenis zult gij zien, wat àndere ruste dat werken zal in uw harte, dan die verstokte verdooving, die is, als de dood van eene levende ziele! Dàt zeker zou een eigenwillig naderen zijn, tot die verwerping, daarvan geen mensche zelf zal oordeelen, noch voor zich, noch voor anderen, en daarin gij u, met zoo stoute en zoo onzinnige berusting neergeeft! Wat zoudt gij u zelven uitsluiten? De Heere sluit u niet uit! De Heere heeft u gegeven een fijnen geest der onderscheidinge. Hij heeft niet opgehouden, tot u te spreken door de uitwendige roepinge van Zijn woord, en, als gij mij nu bekent, ook door inwendige roepinge in uw harte. Dat zijn wel zekere kenteekenen, dat Hij u niet wil voorbijgaan met Zijne genade, — dat Hij u zoekt! O! Geloof mij! Geloof mij! Eene ziele, als de uwe, is te kostelijk om verloren te gaan! Eene ziele, als de uwe, is Christus lief!”

»Wat dwaasheid ijlt gij, mijn goede doctor! in den ijver van uwe geestvervoering? Christus mij liefhebben! Ik ken mij zelven! Genoeg hiervan. Laat ons van zaken spreken! Gij zijt bij den Graaf geroepen; kunt gij gissen, waarom?”

»Ja! Laat ons van zaken spreken!” hernam Gideon, die zich eene wijle had bedacht. »Want, in trouwe! Ik kan mij niet begrijpen, heer Reingoud! dat gij, die een zoo wijs en voorzienig man zijt, in het wereldsche, niet wat voorzorge neemt, om Jacoba’s toekomst te verzekeren!”

»Hoe kan ik zulke voorzorge nemen, of tot een besluit komen, eer ik zelve de uitkomst wete van mijn lot. Zij is met mij, en zal met mij blijven, tot dit beslist is.”

»En dan?”

»Dan zullen wij zien; doch, in trouwe!” hervatte Reingoud, met eenige onrust op hem ziende. »Ik weet niet, heer Gideon! hoe gij daar nu op komt?”

»Mij dunkt, dat is klaar te over. Toen de vrome jonkvrouw uit liefde voor u de keuze deed, met u te blijven, heb ik haar in die keuze gestijfd, schoon het inderdaad een offer was van hare verzekerde ruste aan uw zelfsbelang; doch toen hoopte ik van dit samenzijn eene andere uitkomst: ik hoopte, dat hare vroomheid u mocht bewegen, tot u zelven in te keeren, en zij, u verplegende naar het lijf, tegelijk u de ziele behouden mocht! Daarvoor kon en moest zij hare wereldsche uitzichten wagen, doch de uitkomst heeft ons teleurgesteld; haar bijwezen heeft u niet gewekt tot bekeeringe; nu vreeze ik het omgekeerde: zij zal deelgenoote worden van uwe straf, en lotgenoote in uw val.”

»Gij zegt eene zotheid, doctor! Meent gij, dat ik haar zal aangaan met woorden, die mijn ongeloof haar in de ziele kunnen prenten? Ik ken dat lijden; zou ik er haar aan wagen?”

»Ook vreeze ik geenerlei schade voor hare ziele, sinds zij Christus is toegeëigend; doch ik vreeze zeer voor haar, dat zij, wat het aardsche deel betreft, met u en door u, in veel last en lijden zal komen; gij, die niet gelooven kunt aan de liefde van Christus; gij zult wel moeten gelooven aan de rechtvaardigheid Gods, en ik vreeze van deze, nog hier op aarde, over u eenig groot en schrikkelijk oordeel; en wie zegt u, dat niet Jacoba…?”

»Zwijg!” riep Reingoud, wild en verbleekend. »Mij zelve, dat zij! maar haar…!”

»Zij getroffen door u, gij getroffen in haar, zou dat een zóó gansch ongezien exempel wezen van den toorn eens Heeren, die gezegd heeft, "dat Hij de misdaden der vaderen verhaalt op de kinderen, tot in ’t derde geslacht?"”

»Jacoba getroffen door mij! Neen! neen! Ik zeg u, dat kan niet zijn!” riep Reingoud met eene drift, die bewees, hoezeer de angst hem de kalmte tot nadenken benam. »Ik zeg u, dat zal niet zijn!”

»En waarom niet? Waarom zou zij niet zoowel lijden door en om u, als de anderen, die rampzalig werden door uwe aanraking? Waarom niet zoowel, als hare moeder, gehuwd met een man, dien gij niet eenmaal schijnt te durven noemen, die haar kind in een klooster bracht, en uit wanhoop, over uwe vervolging tegen haar en de haren, zich het leven bekortte? Niet zoowel, als uwe ongelukkige vrouw, heer Reingoud! die stierf van zielesmart, haar door u toegebracht? Waarom niet zoowel, als de deerniswaardige vrouwe Laguillaire, die men nu pas heeft weergevonden, gesmoord in de golven; daarvan God alléén weet, of niet ook de vertwijfeldheid er haar heeft ingedreven?”

»Heeft Marguérite dus geëindigd?” sprak Reingoud, met eene zekere verslagenheid.

»Ja! Zij heeft dus geëindigd; en wie zegt u, dat alle die slachtoffers uwer booze passiën niet gewroken zullen worden, in uwe éénige zuivere geneigdheid?”

»Neen! neen!” riep Reingoud, met klimmende onrust. »Dat is wat anders, gansch wat anders. Deze allen hadden ook hare schuld; maar Jacoba is een reine engel…, en zij zal gespaard worden.”

»Jacoba is geen engel. Jacoba is eene zondares, als ik, als gij zondaren zijn, en zondaren kunnen wel door Christus verlost worden van het eeuwig verderf, maar dat beschermt hen in niets, tegen het onheil en het leed van eene aarde, sinds Adam vervloekt; en die armhartige engelen-reinheid, daarvan gij roemt en die niet is, beveiligt haar geenszins tegen de verzoekingen en ellenden, daarin God haar kan brengen, tot beproeving van haar geloove, tot meerdere heiliging van haar gemoed, tot ontwikkeling van hare kracht, en tot een oordeel over u, die haar lijden zult aanzien met tranen, en zonder geloove!”

»Ongelukkige! wat heb ik u gedaan?” riep Reingoud, en zijne oogen puilden uit van angst. »Wat heb ik u gedaan, dat gij mij met die onrust de ziele belaadt?”

»Ik zegge u dat, opdat gij verschrikt zoudt zijn, over de verfoeiinge uwer zonden, die tot de onschuldigen toe bevlekken en beladen, en opdat gij daarvan dien doodelijken angst en afkeer zoudt opvatten, die u nog in deze ure kunnen heenvoeren, om behoud aan de voeten van den éénigen Redder.”

»Red mij eeniglijk dien angst van de ziele, dat Jacoba ietwes zoude treffen!” bad hij, met saamgevouwen handen, en trekken, die zich verwrongen van smart. »O, mijn God! Neen! Gij kunt dat niet meer!” riep hij op eenmaal. »Nu dit eens op mij gekomen is, voele ik het aan mijn hart, het kan iets overkomen en het zal haar treffen, gansch gewis en zeker! O, gij, Gideon! Men zeide mij, dat gij een zacht, dat gij een goedaardig, dat gij een edel mensch waart; maar een wreeder beul en een harder rechter stond nooit vóór mij. Wees gevloekt, dat gij mij die gedachte hebt ingegeven!”

»Ik heb dezen vloek niet van u verdiend!” zeide Gideon kalm; »maar ook, ik kan deze vreeze niet van u wegnemen.”

»Neen, wees gezegend!” hervatte Reingoud op éénmaal, »lk kan nu nog bedacht zijn op middelen, om het kwaad van haar te weren.”

»Gij kunt en vermoogt niets te weren, niets van haar, trotsche man!” sprak Gideon, die werkelijk in deze oogenblikken een gansch ander mensch scheen, met eenige hardheid. »Is uwe rampzalige onmacht u nog niet genoeg gebleken? Reeds hebt gij het gezegd: gij kunt niets voor u zelven; wat zoudt ge kunnen voor haar?”

»Ja, ik kan nog wat voor haar! Ik kan nog veel voor haar!” riep Reingoud, met wilde zegepraal. »Ik kan mij van haar scheiden; dat de vloek alléén mij treffe!”

»Heeft dat ééne van de anderen behouden, dat zij niet met u waren?”

»Ik kan hare toekomst verzekeren, door nu terstond, zoo haast hij hier komt, haar te verbinden aan den edelaardigen Leoninus.”

»Zoo kunt gij haar voeren, in de armen van een man, dien zij niet kan liefhebben als gemaal. En weet gij, kortzichtige! of gij niet juist daarmede de hand legt aan het verderf, dat over haar kan beschikt zijn?”

»O, mijn God! O, mijn God! Barmhartigheid! Ik vertwijfel!” riep Reingoud. »Neen! neen!” riep hij, opspringende. »Gij zijt hier. Gij moet haar beschermen! Gij zult haar niet verlaten! Barmhartigheid voor Jacoba! »U heeft zij lief, Gideon! Met u, die een Hemelsch mensch, een heilige zijt, bewerkt zij haar zieleheil! Verlaat gij haar niet!” En de fiere man wrong zich aan zijne knieën, en omhelsde die.

»Gij kunt veel voor Jacoba: haar opdragen aan God, zooals gij haar opdraagt aan mij, met erkenning van uwe afhankelijkheid. Gij tracht u nu vast te klemmen aan een mensch; waarom keert gij u af van God?” En Gideon wendde zich naar de deur.

»Gij gaat, Gideon? Gij gaat,” riep Reingoud, »voordat gij mij gezworen hebt, dat gij haar beschermen zult! Gij moet het! Luister slechts! Gij zult zien, dat gij het moet…!”

»Gij betrouwt u op menschen! Ik ben niet dan een mensch, en een van de zwaksten. Ik moet mijn eigen weg gaan! Ik kan niet voor haar zijn, wat gij hoopt! God zij u en haar genadig! want uwe verhardheid is groot en brengt zekerlijk onheil!”

»O, mijn God! Hij is heengegaan!” gilde Reingoud, toen hij het hoofd ophief. »En ik had hem zóóveel willen zeggen!”

Werkelijk ging Gideon, en waar hij in het portaal Jacoba trof, in gespannenheid wachtende naar de uitkomst van een gesprek, waarvan zij was uitgesloten, dat zoo wichtig scheen, en waar zij hem toespreken wilde en eene vraag doen, daar wees hij haar af met de hand, en verliet snel het huis. En toch moest hij eene wijle rusten, op de steenen stoepbank, en tot zich zelven komen, eer hij verder ging, en in zich zelven sprak hij:

»Ik moet het wagen! U zij het aanbevolen, o, mijn God!”

Toen hij op het Hof aankwam, werd hij terstond bij Leycester binnengelaten. Zijn oponthoud bij Reingoud had gemaakt, dat er reeds naar hem was gevraagd. Hij vond bij den Graaf den Middelburgschen predikant, Jacobus Kimedoncius, en den Haagschen, Libertus Fraxinus, die de Graaf nog met zich had gehouden, waar hij hunne ambtgenooten van de Zeeuwsche en Hollandsche kerken had van zich gezonden.

De Graaf zat dicht bij een flikkerend vuur, dat hem noodig was; waar zijn gestel leed onder de guurheid van het seizoen, en waar hij te klagen had, dàn eens van koortsrillingen, dàn eens van pijnlijke krampen. Dicht gehuld in zijn zwart satijnen pels, met vossebont gevoerd en omzoomd, was de schitterende gunsteling van Elisabeth ditmaal, in kleeding, weinig onderscheiden van zijne eenvoudige bezoekers, die ook hun zwart overkleed met pelswerk hadden geboord; en kennelijk scheen ook des Graven goedwillige gemeenzaamheid, de klove, die hen scheidde, niet weinig te hebben verengd; want ze schenen blijkbaar op hun gemak met hem, en stonden op kleinen afstand van hem, sprekende als met een geëerbiedigden, doch gemeenzamen vriend.

Zeker hadden zij nog eenige wichtige staats- en kerkbelangen met hem verhandeld, en nog eene laatste, schoon vruchtelooze poging gewaagd, op des Graven onwrikbaar besluit, om te vertrekken; want de jonge godgeleerde hoorde, bij het binnenkomen, Fraxinus zeggen:

»Doorluchtigste heer! wil u toch, omtrent de oorzaken van zoo haastelijke resolutie, klaarlijk mededeelen, aan de dienaren der Kerke, die ook uwe trouwe dienaren zijn, dewelke Uwe Excellentie ook hierin alle diensten zouden willen doen die in hun vermogen zijn; schoon ’t hun doorgaand meer aan krachten faalt, dan aan ijver. Wil u toch verklaren, Mylord! Is het niet uit ongenoegen tegen de Staten, dat Uwe lordschap vertrekt?”

Leycester zweeg, en staarde in het vuur.

»Mylord Graaf! Ik bidde nederigst, om eene verklaring deswege. ’t Is van de hoogste aangelegenheid voor de Kerke, hoe Uwe lordschap heengaat, hoe wij dit verlaten moeten uitleggen aan de bedrukte gemeente. Is het niet uit ongenoegen tegen de Staten?”

»De heeren Staten van Holland hebben mij dus ernstelijk aangehouden en gedrongen, om het tegendeel te verklaren, dat ik met eeden beloofd heb, hierop geen "ja" te zeggen; en zelfs dit schriftelijk te verklaren aan sommige autoriteiten en particuliere personen.”

»De consciëntie schijnt mijne heeren de Staten, op dit punt, niet veel gerustheid te geven, dat zij daarop zóóvele uiterlijke verzekeringen van Uwe Doorluchtigheid noodig hebben. Geen van ons, hoe ook bedroefd over dit heengaan, heeft zich zulk een getuigenis noodig geacht.”

Leycester glimlachte even.

»Ik heb het hun niet geweigerd,” hernam hij; ’schoon daarmede niet onwaar gemaakt wordt van hetgeen is, maar, omdat ik dit goede volk, dat mij zóó blijde welkomste gaf, niet wilde verlaten, onder zoodanige wanordre en diffusie, als de heeren Staten bekend hebben daarvan zonder dat te wachten, daarmede noch de religie, noch de dienst van Hare Majesteit eenigszins zoude gevorderd zijn.”

»Leider! Wat we voor die hooge belangen betere hope hadden, van uw afgebeden komst…!” waagde Fraxinus.

»En ik dan!” riep de Graaf, met wat heftigheid; doch zich matigende, vervolgde hij: »Een ieder vergete de krenking, en drage bedroefdheid en teleurstelling op waardige wijze, die hooge belangen overgevende aan den Heer, en Hem die opdragende in den gebede! In mijn afzijn zult gij hierin handelen, als gij tot den welstand en den troost der gemeenten vorderlijk zult vinden! En nu, ga, Fraxinus! wees welgemoed! en geloof, dat ik de goede zaak en hare trouwe dienaren in ernstelijke recommandatie zal houden en in goede geheugenis, zoowel in Engeland, als verkeerende onder u!”

En met dit woord, reikte hij Fraxinus de hand, om te kussen, en gaf hem zijn afscheid; toch ging deze niet, zonder zich een weinig de misdeelde te voelen, want Kimedoncius bleef en Gideon kwam! Wij ook nemen afscheid van Fraxinus, om hem niet weer te vinden in dit tijdperk, en met de overtuiging, dat wij hem verlaten, zooals wij hem het eerst hebben ontmoet; slechts wat rijker aan ondervinding en wat armer in hope, zonder dat de winst van de ééne, en het verlies van de andere, hem de ijdelheid zijner bejagingen hebben doen inzien.

»Onze jonge doctor staat daar zóó vreemd te kijken, of wij Arabisch spraken!” zeide Leycester, Gideon wenkende, nader te komen.

Werkelijk stond de jonge doctor, met wat verdriet, aan te hooren, hoe Leycester, ondanks zijne eeden, onvoorzichtiglijk juist die ontevredenheid liet doorschemeren, die hij beloofd had, te verkroppen; want, dat zij bestond, werd door beide partijen stilzwijgend ondersteld, en dat hij die onvoorzichtigheid pleegde, tegenover een Fraxinus, kon juist dàt kwade werken, wat men wenschte te verhoeden. Ook was Gideon’s antwoord een weinig strak:

»Ik achte de politiek niet van mijne compententie, Doorluchtigheid!”

Zonder hierop te antwoorden, sprak de Graaf:

»Ik wachtte, dat gij, nevens de ander predikanten, zoudt gekomen zijn, tot een afscheidsgehoor…”

»Mylord! Nog geen vaste dienaar zijnde, had ik daartoe niet het recht.”

»De welwaarde Kimedoncius heeft mij dat geobserveerd, en daarom heb ik u ontboden door den Kanselier wetende, dat gij in ’s Hage waart. Ik wilde u recommandeeren aan den achtbaren welwaarden man hier, wetende, dat sommigen uwer toekomstige ambtgenooten wel wat kitteloorig zijn, en u moeite mogen maken, in mijn afzijn, over kleine zaken! Hij zal u vriend en raadsman strekken, waar gij zulks mocht behoeven!”

Gideon, die op zulke bescherming niet bijzonder gesteld was, vond echter die van Kimedoncius eene der minst ongevallige. Deze Middelburgsche predikant Kimedoncius is een der bewijzen, dat wetenschappelijke kennis en grondige geleerdheid hand aan hand kunnen gaan met sterk sprekende Gereformeerde orthodoxie; want, zoo de laatste niet erkend ware, men had hem niet tot praeses gekozen op de Leycestersche Synode, en zoo de roep van de eerste zich niet verre had uitgestrekt, men had later den Nederlandschen kerkleeraar niet, uit het diepste van Zeeland, opgeroepen, om hoogleeraar der godgeleerdheid te zijn aan de Heidelbergsche school. Ook wisselden de beide mannen een hartelijken handdruk, en Kimedoncius zeide:

»Uit Génève heb ik berichten van u, jonge broeder! en gij waart mij reeds aanbevolen, door den heer van Aldegonde!”

»En nog wilde ik u berichten vragen, omtrent den heer van Couwenburch!” hernam Leycester. »Men heeft mij gezegd, dat gij hem trouw bezoekt; en daar wij, voor zijn aardschen welstand, niet al kunnen doen, wat wij wenschen, zoo wenschten wij wel wat ruste te hebben op den staat zijner ziele, schoon de heer Fraxinus, die hem lestmaal bezocht, daarvan een deerlijk tafereel ophing, en hem harder vonnist, dan de heeren Staten, die hem alleen voor den tijd veroordeelen, terwijl Fraxinus er de eeuwige verdoemenis bij uitspreekt.”

»Daarin gaat mijn welwaarde broeder verder, dan het eenig Christen, laat staan een dienaar van ’t Evangelie, betaamt!” begon Kimedoncius. »Het oordeel komt niemand toe, en de liefde mag niet verflauwen in ijver, zelfs niet, waar ze stuit op de verhardheid der harten. Waarheid is, dat die ongelukkige man ergernis gegeven heeft aan alle vromen in den lande, en velen onzer broederen tot eene belaching heeft gesteld, zich aanstellende en bij hen doorgaande voor een godzalig man, en gevende toch zulke openlijke ergernisse, daar nu al ’t land af gewaagt. Dat is wel deerlijk, maar de bittere smaak daaraf mag niemand afschrikken, zich omtrent hem te bemoeien. Ik heb wel het schavot betreden, om Ymbize in den dood bij te staan, en ik dank er God voor, dat tot zijn heil mij de sterkte niet ontbroken heeft!”

»Zoover zal het, geve de Hemel! met heer Reingoud niet komen!” sprak Leycester, een weinig verbleekend. »Ik, die hem beter gekend heb dan anderen, kan getuigen, dat hij een wonder mengsel was van veel goeds, met veel kwaads; en dat de haat, die hem vervolgt, meer is het gevolg van den strijd zijner begrippen en overleggingen met de beginselen en de belangen van dezen landaard, dan wel een booze toeleg ter praejudice van ’t land; wat zijne zonden aangaat, gij beiden weet, wat de menschelijke zwakheid is! Hij heeft de zijne…”

»Zwakheid, Mylord! lacy!” antwoordde Gideon. »Het is juist zijne sterkte, die zijne grootste ramp is, als zijne grootste schuld, of liever, zijne allergrootste zwakheid! Iedere gedachte aan deemoed, zelfs voor God, is hem een gruwel; en schoon ik toestem, dat hij niet kan gemeten worden met gewone mate, zoo vrees ik, dat juist dit zijne veroordeeling zal zijn; sinds hij dit alles heeft geweten en gekend, ook niet onkundig is gebleven van den wil des Heeren, en slechts onnoodig heeft geacht, dien te doen! God wete, hoezeer ik schuwe en af keure liefdeloos handelen met gevallenen, doch ik heb de allerlaatste proeve met hem gewaagd, hebbende uitgevonden de eenige kwetsbare plek zijner ziele, en daarop ingehouwen met het dreigende zwaard van Gods toorn!”

»De Heere geve Zijn zegen daartoe!” sprak Leycester; »doch ik wilde u beiden juist voorstellen, mij behulpzaam te zijn, in ’t veiligen van den ongelukkige tegen zijne vijanden, terwijl gij hem redt van zich zelven.”

En terwijl de Graaf hun dat plan mededeelt, moeten wij even naar het huis in de Hoogstraat, omzien.

Het duurde nog eene wijle, eer Reingoud tot Jacoba terugkeerde; maar toen ook zag hij er uit, »als een veranderd mensch,” vertelde zij later. Hij was doodsbleek, zijn hoofd was gebogen, zijn gang waggelend; en eer hij tot haar sprak, bleef hij eene wijle zitten in eene doffe verslagenheid. Er lagen papieren om hem heen, en hij hield een klein pakketje in de hand.

»Jacoba!” sprak hij. »Ik heb mij besloten tot een offer, dat ik nooit had gemeend te kunnen brengen! Het is wel het zwaarste, moeizaamste, dat mij nog in het leven is voorgekomen; doch het moet zijn. Zweer gij mij, dat gij het van uwe zijde niet zult verzwaren door tegenstand! Zoo straks heb ik gezegd: "De eerste maal, als ik u iets beveel, moogt gij van mij gaan!" nu zeg ik u, beloof mij, het eerste bevel, dat ik geven zal, te gehoorzamen, zonder woord of wederwoord, zelfs al kwam doctor Gideon u het tegendeel als plicht opleggen!”

»Gideon is heengegaan,” sprak Jacoba smartelijk, »op eene wijze, als zou hij nooit keeren!”

»Het kan ook wel zijn, dat hij niet keert! Het kan ook wel zijn, dat Leoninus voortaan vergeet, naar ons om te zien! ’t Kan ook wel zijn, dat de Graaf van hier trekt, zonder zich in ietwes over mij te bekommeren! Dit overwogen hebbende, moest ik daarin voorzien, en heb dat gedaan, zooveel een mensch, in zoo iets te voorzien, mogelijk is. En gij, Jacoba! bidt gij God, dat Hij dit ondernemen zegene, om uwentwil! Dit papier, Jacoba! is mijn testament. Bewaar dit met zorge! Het geeft u al mijn goed, waarover hun recht of onrecht mij de beschikking zal laten. Dezen brief brengt gij aan Mylord Leycester, aan den Graaf zelf, in zijne eigene handen, en in geene andere, hoort gij!”

»Wanneer, grootvader! sinds de Graaf morgen vertrekt?”

»Nog heden gaat gij naar ’t Hof.”

»Heden?”

»Op dezen eigen stond. Sla alleenlijk eene huik om! — als jonkvrouwen doen, die uitgaan; — en ga naar…!”

»Wie zal mij leiden, te avond, in de vreemde stad?”

»Ik verzel u!”

»Gij uitgaan, heer?”

»Ja!” hernam hij, met een diep smartelijken glimlach. »Licht voor ’t laatst!”

»En uwe vijanden?”

»Ditmaal zullen zij over mij tevreden wezen. Kom, lieve! vraag niet meer.”

En toen zij even wegging, om hare huik om te slaan, barstte hij uit, pijnlijk de hand op het hart gedrukt:

»O! Mijn God! Neen! Ik kan haar niets zeggen! Ik zou te week worden, zoo ik een traan zag. Mij gansch van haar scheidende, en mij overgevende, aan hetgeen zij noemen "hun recht," zal ik licht de ellende afweren, die dit onschuldig hoofd zou treffen, om mij en met mij. Niet, omdat hij het heeft gezegd; maar, — omdat ik het voele, dat het zoo zijn kan, — omdat die vreeze nu eenmaal op mij vat heeft gekregen, — doe ik dit; en zekerlijk, ik doe wel!”

Zoo was Reingoud. Hij had wel de kracht, om een offer te brengen, dat zijn hart brak, maar niet de kracht, om het offer van een gebroken hart op te dragen aan den Heer, — als Gideon het had gehoopt; — en de eenige daad, die alle zijne wonden had kunnen genezen, en alle zijne zonden bedekken, was hem te zwaar.

Toen Jacoba keerde, gedekt met hare huik, sloeg Reingoud haastig een mantel om, nam zijn hoed, en, hare hand vattende, ging hij met haar de gang door. Onder hunne laatste belangvolle samenspreking, hadden zij intusschen niet gehoord, of, wel hoorende, er niet op gelet, dat de klopper van de huisdeur veelmalen was geheven; en met verrassing voor Reingoud, met schrik voor Jacoba, vonden ze dus aan de huisdeur hun bediende, Samuël, in heftig geschil met eenige mannen, die begeerden binnen te komen, en die het nu werkelijk deden, zoo haast ze den heer des huizes opmerkten. Het waren boden van mijne heeren de Staten van Holland. Een van hen, vergezeld van den procureur-generaal, toonde Reingoud een schriftelijk bevel van de Staten van Holland, dat deze vier mannen aanstelde als zijne bewakers; en Reingoud, die anders de man was geweest, om hun, met trots en met dreigingen, zijn huis te verbieden, trad terug en liet hen binnengaan. Hij zeide alleen:

»Zij komen tot mij; het zij! Ik was op het punt, om tot hen te gaan! Alleen, gij mannen! uw bevel luidt tegen mijn persoon alléén; laat deze jonkvrouw haars weegs gaan, zonder verhindering!”

»Mij scheiden van u, grootvader?” riep Jacoba verschrikt. »Op zulken stond?”

»Gij hebt eed gezworen, mij te gehoorzamen, zonder wederspraak!” hernam Reingoud vast. »Ik zeg u niet, omdat het voor uw heil is; want dat zou u nietmetal wezen; maar ik zeg u, dat ik het wil, en dat moet u genoeg zijn!” en hare hand vattende: »Ga, kind!” en even liet hij haar los; toen weer haar het voorhoofd kussende, sprak hij nog: »Ga, Jacoba! gij toch zijt een engel, en God zal met u zijn! Samuël! vergezel mejonkvrouw!”

En schoon het arme kind hier niet denken kon aan eene scheiding voor altijd, sneed het haar door de ziele, die laatste blik, dien Reingoud op haar sloeg; zoo vol vastheid, en zoo vol oneindige smart. Samuël, op een wenk van zijn meester, bood haar den arm, en leidde haar voort. Reingoud bleef alleen, met zijne gehate wacht. Om te weten, hoe deze tot hem kwam, moeten wij het oog van hem wenden en weer naar het Hof, schoon niet Jacoba’s weg gaande.

In de galerij en in de kamers, tot voorzaal strekkende, of tot verblijf van Leycester’s hofgenooten, heerschte reeds de woeling, de drukte en de wanorde, die met een aanstaand vertrek van zulk een stoet moest gepaard gaan. Sommige meubelen zijn verzet of ontruimd; eenige beambten zijn reeds met de jonge edellieden weggetrokken naar Middelburg, of nu vooruitgereisd naar Delft en Dordrecht, om er ’s Graven logies te gaan ordenen; de hofdienst wordt niet meer geregeld verricht; sommigen nemen dubbele plichten waar, anderen verzuimen juist die, welke hun zijn opgelegd, om dezulken waar te nemen, die zij door anderen verzuimd zien. Onder dit alles wordt er dus nauwelijks gelet, op wie inkomt en uitgaat, en in eigenlijken zin mocht de Graaf gezegd worden, open hof te houden.

Tusschen de algemeene onrust in, zat de provoost-generaal des Graven, master Gerard, met eenige officieren der Engelsche lijfwacht, en omringd van sommigen zijner manschappen, in vroolijke gezelligheid, rondom den haard in zijne wachtkamer. Daar komt op eens de statige persoon binnen van meester Florisz., procureur-generaal van den hove van Holland, en laat zich, bij master Gerard, aandienen door twee Engelsche boden van hetzelfde hof. Deze staat op, en zich wat haastig begevende buiten den kring om het vuur, vraagt hij, »wat er van des procureurs begeerte kan zijn?”

»Eeniglijk dit, te weten,” hernam deze, »of de bewaring van den persoon van Jacques Reingault, heer Couwenburch, is te uwen laste?”

Master Gerard antwoordde met een kort en strak »ja!”

»Dan begeerde ik, uit naam mijner meesters, te weten, waarom Uwe Edelheid dien persoon zonder eenig opzicht laat? Hij is sinds vele dagen geheel zonder wacht, en is ieder ommezien van logies veranderende; zulks men daarop niet het oog zou kunnen houden, en zijn huidig verblijf is alleen bij toeval ontdekt, door een zonderling spel en maatgeluid, vóórgisteren en heden uit hetzelfde huis gehoord, en gebleken dezelfde half-papistische muziek te zijn, daarmede zijne kleindochter, reeds tot veler groote ergernis, in eene andere wijk en huizinge, zich was verlustigende!” En toen de spreker zag, dat zijn hoorder telkens van kleur wisselde, en dat hij hem, met fiere en toornige blikken, bleef aanzien, zonder te antwoorden, herhaalde hij nog eens: »Spreek toch, mijnheer! Waarom laat gij dien gearresteerde zonder wacht?”

»Dat gaat u niet aan!” antwoordde toen master Gerard. »Mij is zijne bewaking toevertrouwd, en ik zal daarvoor zorgen, op de wijze, die ik goed en oorbaar acht.”

»Mijne heeren de Staten hebben meenen te onderkennen, dat dit gebrek aan opzicht van uwe zijde, was voortspruitende uit de meening van Mylord Leycester, die hem aan Hunne Edelmogenden ter justitie hebbende overgegeven, ook van hunne zijde voorziening daarin kon wachtende zijn.”

»Neen, mijnheer! Neen! Eene zulke bedenking ligt niet in de intentie des Graven, noch heeft dit konnen zijn; en uwe heeren meesters hebben hier, als elders, zich fijntjes verstaan… op een verkeerd verstaan. Laten zij slechts zorgen, niet in even verkeerden zin te handelen.

»Mijne meesters hebben reeds naar deze intentie gehandeld, hebbende provisioneel mij geautoriseerd tot zijne bewaring, daartoe ik gesteld heb in zijn logies vier boden, u hiervan aandienende, als mij discretelijk dunkt.”

»Wat aandienen? Wat discretie?” riep master Gerard heftig, die niet enkel Reingoud diende om Leycester, maar die hem zelf lief had gekregen door dien zonderlingen invloed, dien deze wist te oefenen op al de hem omringenden. »Ik kenne niemand zóó vroom, zóó vroed en zóó machtig, dien ik de bewaking aanvertrouwe van den minsten gevangene mijner zorge bevolen, laat staan van een persoon van het aanzien en de qualiteit des heeren van Couwenburch; en daarom, sir! zal ik haastelijk u en uwe insolente boden van die zorge ontslaan. En zoo ze niet gewilliglijk gehoorzamen, be sure, sir! ik zal de rascals in stukken houwen, en de hoofden u naar den voet werpen.”

En op een wenk, deed master Gerard zich volgen, van zestien of zeventien zijner lieden, en toog daarmede het Hof uit; maar meester Florisz. en zijne boden volgden hem, onder allerlei woorden en bedreigingen, die voor de gelegenheid pasten, en door master Gerard op het heftigst beantwoord werden; terwijl hij zijn toorn, in Engelsche en Hollandsche vloeken en dreigingen, lucht gaf. De procereur-generaal volgde hem, diens ondanks, den korten afstand, naar de Hoogstraat, om te zien, hoever hij zijne dreigingen zou durven uitvoeren, zonder den Graaf daarin te kennen, of wel, om te verhinderen, wat hij voornam. Maar master Gerard, die zich in zijn recht wist, zag er weinig op, hoe hij dat recht handhaafde, hierin zijn hoogen meester niet ongelijk; en nauwelijks in het huis van Reingoud gekomen en verwonderd, dat hij dezen vond, in zóó rustige gelatenheid, zich verdragende met zijne opgedrongen kerkermeesters, riep hij hem haastig toe:

»Wees goedsmoeds, sir! Ik ga u haastelijk ontslaan van die schelmen!” En de daad bij het woord voegende, deed hij, met behulp van eenigen zijner manschap, de boden vluchten, dat intusschen niet toeging, zonder verwering van dier zijde, en dus ook niet zonder geweld van de zijde der Engelschen, die hunne vuisten geene te slechte wapenen achtten, waar de scherpere klingslagen wel wat al te moorddadig mochten geacht worden.

De procureur-generaal, op het allerhoogst verontwaardigd en verbitterd, dat hij zijne lieden had zien uitdrijven, wilde deze ergernis en dit vergrijp, dat hij een vergrijp tegen de justitieachtte, terstond aan zijne heeren meesters, de Staten van Holland, gaan aandienen, die op het stadhuis, in de nabijheid der Hoogstraat, nog vergaderd waren, en den uitslag van hunne poging wachtten; doch, hetzij master Gerard dat ontwerp raadde, hetzij hij, het aftrekken van meester Florisz. en de zijnen, hield voor eene laffe vlucht en bewijs van zijne onwettige handelwijze; hij liep hem na, met eenigen der zijnen, en beleedigde hem, door het grove woord: »Gij vlucht, schelm! gij vlucht!” En toen dat werd teruggegeven, door een uitdagend antwoord, of een tergenden blik, viel master Gerard, in de dronkenschap zijner woede, als een razende op den procureur-generaal aan, greep hem bij de borst, sleurde hem met zich, en het kwam tusschen die beiden tot een akelig worstelen, waarbij meester Florisz. wel de lijdende partij had kunnen worden; — want de groote menigte nieuwsgierigen uit het volk, en de Hollandsche en Engelsche soldaten, die de twistenden omringden, waren veeleer dààr als begeerige toeschouwers, en desnoods tot aanhitsing van een zulken twist, dan om die te scheiden; zoo niet van tweeërlei zijden ontzet ware opgedaagd, en twee mannen zich naast hen hadden gesteld, en gelijkelijk een nieuwen aanval hadden afgeweerd. De één was de fijne hand van Douglas, die zich eenvoudig legde, met een gebiedend gebaar, op den arm van den forsch gespierden Gerard; de ander, de forsche vuist van Elias le Lion, die nu Florisz. afhield van nieuwe verdediging, terwijl hij zich zijn schild stelde tegen nieuwen aanval.

Ieder van hen, door een heer van zijne eigene natie, en van genoegzaam gezag, dus weerhouden, week in haast terug, en terstond daarop zeide Douglas eenige driftige woorden in ’t Engelsch tot master Gerard, en Leoninus deed een luid vermaan tot ruste aan zijne tegenpartij; de gewapenden van weerszijden deden het volk uitééngaan, en meester Florisz., met een blik van woede, doch zonder nieuwe bewijzen daarvan, trok af met zijne vier boden, om zijn beklag te doen aan de heeren Staten van Holland.

»I may be damned, sir! Zoo ik iets van eene juffer of edelvrouw gezien heb, zelfs niet de slip van haar kleed!” sprak master Gerard, als antwoord op Roger’s vraag.

»Maar, master Gerard! gij wist doch, dat heer Reingoud’s kleindochter met hem was! Gij hadt moeten toezien, op hare ruste en veiligheid het eerst! Gij wist doch, dat de intentiën van Mylord waren…”

»Het is wel wat moeielijk, my young master! intentiën te raden, die ons niet zijn medegedeeld!” hernam master Gerard, wel met eerbied, maar toch met die zekere hardheid in den toon, die bewees, dat zijn bloed nog wat warm was, door de hitte van zijn twist.

»Ei, Roger!” riep Leoninus. »Veel beter ware het, bij heer Reingoud te gaan, en te zien, wat er van is, dan den heer provoost te berispen, die in deze dingen, vreeze ik, zich al meer moeite gegeven heeft, dan wel noodig was, en die wel wat haast mag maken, met deze lieden af te trekken, en zich over dit tumult te verantwoorden bij Mylord.”

»Voor mijne verantwoording heb ik gansch geene zorge!” sprak de provoost, die nu zijns weegs ging, nadat hij eenigen zijner lieden had gesteld voor Reingoud’s huis, meerder ter bescherming van dezen, dan tot zijne bewaking.

De beide jongelieden gingen bij Reingoud binnen. Zij vonden hem in zijne fiere en kalme houding, en met den glimlach der ironie op het gelaat. Dat gevecht, om zijnentwil, had alle bittere en booze tochten in zijne ziel wakker gemaakt.

»Het blijkt nu toch, dal de Graaf mijn offer niet aanneemt, of dat hij het onnut acht!” sprak hij tot de jongelieden.

»Welk offer?” vroegen zij.

»Dat ik hem door Jacoba liet aanbieden! Ik zou hem van mijne zorge ontslaan! Ik zou mij stellen, als zoenoffer zijner bevrediging met de Staten! Hij zou mijn verloochenen! Ik zou mij laten oordeelen, mits hij mij Jacoba beschermde, tot voogd en vader strekte, en op zulke wijze verzorgde, als ik hem bad.”

»Wij komen van ’t Hof, en de juffer is daar niet aangekomen!” sprak Leoninus. »De twist, tusschen master Gerard en meester Florisz., dien wij hadden opgemerkt, gaf ons zorg voor uwe en hare ruste, en daarom komen wij herwaarts!”

En de kreet, dien Reingoud toen uitstiet, was een kreet van vertwijfeling.

»O, mijn God! Gideon’s profetie…!”

Of hij, alléén gebleven, dien kreet verwisselde met den toon van rouw, van boete, van bede, kunnen wij niet zeggen; want wij volgen de jongelieden, die niet vele woorden wisselden, om hem te troosten, maar schielijk weg ijlden, om Jacoba op te zoeken. Zij vonden haar niet, in eene der straten of wegen, in den omtrek van ’t Hof, en zij keerden derwaarts terug, in eene stemming van onrust en droefheid, die, gewijzigd naar ieders karakter en naar de mate van belangstelling voor de verlorene, bij Elias zich openbaarde, in een ernstig en koelbloedig overwegen van mogelijkheden; en bij Douglas in eene mismoedigheid, die tot verbijstering steeg, toen ook op het Hof geene Jacoba was gezien.

Leycester, die nu nevens Kimedoncius en Gideon, ook nog Meetkerke en den Kanselier, met zich had, was niet weinig verrast en ontstemd, toen hij dit verhaal der jongelieden hoorde, of liever van Elias; want Douglas was neergestort op zijne knieën, naast zijn zetel, de handen voor de oogen, en in eene zulke spanning, dat Gideon zacht tot Leycester zeide:

»Mylord! zoo er nu keuze moet gedaan worden, in deze laatste ure, tusschen het voldoen of het weigeren, zal dan de hooggeboren heer hem richten, of de vader?”

»Bij God, sir! laat eerst de jonkvrouw gevonden zijn!” sprak de Graaf. »Doch dit moet ik zeggen: zoo ik, als staatsman, mij te beklagen heb, hier gekomen te zijn, zoo klage ik als mensch, dat ik tot hun groot onheil zoovele leden van mijn geslacht heb met mij genomen. Mijn stiefzoon richt verwarringen aan, die mijne taak verzwaren. Mijn nobele neef laat het leven in den strijd; zijn verlies kost zijne vrouwe de gezondheid, zijn huis een erfgenaam; het kost mijn eigen zoon het verstand! Voorwaar! De Heer straft mij veelvuldig, voor de vermetelheid, dat ik zulke taak op mij nam, en nog dwaas genoeg meende, winst te doen! Maar, eilieve! wij krijgen bezoek, en op vrij onstuimige wijze; men opent de deur, zonder aanmelding der deurwachters! Niemand is op zijn post te dezer dagen. Nadert, in Gods naam! dat we in ’t eind weten, wat dit beduidt.”

Drie personen vertoonden zich. Twee daarvan hielden zich bescheiden staande aan den ingang van de deur, dat waren doctor Julio en Barbara Boots. De derde kwam langzaam het vertrek in, en deze ziende, sprak Leycester:

»Bij den Hemel! dat is heer Reingoud’s kleindochter; maar het gelijkt wel hare geestverschijning!” In waarheid! In het blinkend witte gewaad, met den nevelachtigen sluier, met den langzamen, weifelenden gang en de doodelijke bleekheid harer trekken, had zij iets van dat uiterlijk, waaronder het bijgeloof zich verschijningen voorstelt.

Zij trad de zaal dóór, met gebogen hoofd, tot bij den Graaf. Dààr knielde zij neder, en reikte hem Reingoud’s pakket.

De Graaf hief haar op, met wat drift.

»Eilieve jonkvrouw!” sprak hij. »Gij hebt ons wel zorge gemaakt over uwe welvaart; toch zijn wij allen verheugd, u in welstand hier te zien. Neem eene wijle uwe ruste, tot wij dit inzien, om te weten, wat uw heer grootvader van ons wenscht!” En na gelezen te hebben, sprak hij: »Het ééne nemen wij aan, het andere niet. Eilieve, Kanselier!” en hij reikte Leoninus een ander papier. »Dit is aan u gericht.”

»Ik weet, wat het inhoudt, Mylord!” hernam deze. »Deze oorspronkelijke akte alléén ontbrak mij.”

Gideon had intusschen Roger Douglas zachtkens opgericht, en sprak hem toe:

»En nu, Roger! deze ure zal u de eindbeslissing brengen. Wat die zij, belooft gij mij bedaarheid en berusting? Zekerheid in het lot is reeds zooveel voor onze kalmte!”

Roger legde de hand op het hart, als bij eene belofte; maar hij kon niet spreken, en zag alléén op den Graaf, met een smeekenden blik.

»Roger!” zeide deze zacht. »Ik zal niet meer hinderen, wat gij uw geluk noemt.” Toen stond Leycester op van zijn zetel, en Jacoba bij de hand nemende, sprak hij: »Jonkvrouw! uw grootvader heeft u onze zorge aanbevolen, en geeft ons over u vaderlijke rechten! Wij zullen er van gebruik maken, om nu terstond uwe toekomst te verzekeren, naar uw eigen meesten wensch en welbehagen!” Toen haar iets verder voerende, plaatste hij haar recht over Elias Leoninus en Roger Douglas. »De één van deze jonge mannen heet uw bruidegom, maar hij heeft mij bericht, dat hij het niet is met uwe volle keuze, en dat hij u zal afstaan, waar uw hart anders kiest. De andere is mijn zoon, die u alléén eene middelbare fortuin zal aanbrengen, maar een hart vol vurige liefde. Kies nu tusschen die twee! Wien begeert gij tot echtgenoot?”

Een doffe zucht en eene siddering doortrilde de borst van Douglas. Elias was kalm, en zijn helder oog staarde vast en rustig op Jacoba. En die jonkvrouw, die zoo schuchter was, scheen nu moed te vatten, om te spreken, daar zij het moest, en hoewel hare stem wel wat gedempt was van toon, zeide zij met eene zekere vastheid:

»Mylord Graaf! ik moet waarheid zeggen: ik begeer geen man in ’t geheel; ik bidde van Uwe genade, te mogen leven met mijn grootvader!”

»Nu, dat is dwaasheid, kind!” hernam Leycester. »Bij heer Reingoud zult gij geenszins meer kunnen verblijven, hoe ’t hem ook nog vergaan moge, en wij hebben gezworen, u te verzorgen! Kloosters hebben wij hier niet meer, en wij kunnen u ook niet medenemen naar Engeland. God vergeve u, dat gij ons deze ure nog met zulke weifeling verzwaart! Daarom ook, maak er een einde aan, en verklaar, aan wien van de jonge mannen, hier aanwezig, of anders, aan welken afwezende, gij uw lot en leven wilt toebetrouwen, sinds ge van minne niet schijnt te weten?”

Toen zweeg Jacoba, en haar blik alléén sprak, en hief zich aarzelend op naar Gideon. Hij had haar begrepen; snel trad hij naar haar toe, en sprak zacht:

»Wees gedankt voor uw vertrouwen, zuster!” Daarop luider tot Leycester: »Mylord Graaf! Voor u, als voor onze eerste overheid, en voor den eerwaarden heer Kimedoncius, en voor alle deze heeren als getuigen, verklare ik, deze jonkvrouw te nemen tot mijne bruid en aanstaande vrouwe!”

»Nu, God zij lof! neem mijn zegen tot dit besluit!” riep Leycester; »en morgen, vóór ons vertrek, ordonneeren wij den wettelijken ondertrouw voor kerk en magistraat. Voor de bruidsschat zorge ik!”

»En ook een weinig Jacoba’s oudoom, Livarez!” sprak de Kanselier glimlachend; ’sinds het mij, uit heer Reingoud’s bekentenissen en getuigschriften, gebleken is, dat des aarts-dekens oudste zuster zijne vrouw is geweest en Jacoba’s grootmoeder. Jacoba’s vader, Herrera de Diaz, met heer Reingoud’s dochter gehuwd, is die gehate neef van uw oudoom, Gideon!”

»Dus diezelfde Diego Herrera de Diaz, wiens brief mij zoo groote moeite heeft gemaakt met Modet?” vroeg Gideon, »en waarin werkelijk gesproken wordt van den afstand eener erfenis, ten behoeve eener dochter, waarvan hij wenschte, dat ik ze zou huwen; doch dit geenszins voornemens zijnde, en heer Reingoud den brief in bewaring gehouden hebbende, heb ik er niet verder op geacht. Alleen die jonkvrouw heette Clare, als ik mij wel herinner.”

»Clare was mijn kloosternaam!” sprak Jacoba zacht.

»En de grootvader noemde mijn neef Nicase van der Clijde!” hernam Gideon.

»Dat is de naam, waaronder de heer Reingoud de donkerste tooneelen van zijn leven heeft uitgespeeld,” sprak de Kanselier, »als nu, lacen! gebleken is uit Paret’s papieren. Licht heeft Diaz hem onder geen anderen gekend, en daarom was het, dat heer Reingoud u dien brief dus handig heeft ontfutseld. Hij wilde niet, dat gij vooreerst nasporingen zoudt doen. Mij heeft hij, in ’t leger voor Doesburg, van dat alles onderricht, en,” voegde hij er zachtkens bij, »dat is ééne van de redenen, waarom ik u mijne dochter daarna heb geweigerd.”

Gideon bracht de hand aan het voorhoofd, en de Kanselier voer hierna voort:

»Dus, mijn jonge doctor! brengt een Brabandsch klooster u terug, wat u door Génève was ontgaan en onteigend.”

»Mijne vrouw is Protestantsch!” antwoordde Gideon snel en zacht.

»Zij is nog niet Gereformeerd,” sprak de Kanselier op denzelfden toon, »en daarbij, in haars vaders plaatse tredende, betreft haar de clause niet. Uwe edelmoedigheid kan hier geene uitvlucht vinden, mijn zoon! Ik ben uitvoerder van Livarez’s uitersten wil, en mij dunkt, hier zien wij eene groote en goede leidinge van de Opperste Gerechtigheid. Doch Mylord moge ons wel vergeven, zooveel van onze zaken te spreken, in zijne tegenwoordigheid!” Met dit woord wilde hij zich eerbiedig tot Leycester wenden; maar de verschooning was zoo onnoodig als de toespraak; want de Graaf had Roger doodsbleek zien worden, had opgemerkt, dat Elias Leoninus hem moest steunen, en hij meende hem iets tot troost te moeten toespreken.

»Heb er niet te veel spijt van, mijn beste Roger! Ik had u nooit kunnen wettigen, zoo dit huwelijk ware doorgegaan; en zekerlijk, gij hadt met uwe vrouw in vergetelheid moeten leven, op één mijner goederen in Leycestershire…”

»Met haar! O! mijn vader!” hernam Douglas pijnlijk; daarop zich hervattende. »Het is Gods wil, sinds Hij de harten leidt, niet minder der vrouwen, dan die der koningen; en nu, heer! hetgeen ge mij toedacht in mijn geluk, wil mij dat schenken, als soelaas in mijn ongeluk!”

»Vergetelheid op een landgoed? Dat is u toegestaan, my poor child!” sprak de Graaf, hem de hand op den schouder leggende. »Uwe proeve als hoveling en ridder zoudt ge toch wel niet kunnen doorstaan; en gij, mijn goede kapitein Elias le Lion! gij hebt, als velen geschied is, hier in Holland u te beklagen, over slechte kans en teleurgestelde hope; wilt gij het, voor eene wijle, verlaten en mij volgen naar Engeland? Aan ’t hof te Greenwich belove ik u betere fortuin.”

»Wel, Mylord!” hernam Elias. Dat ’s een prinselijke inval van Uwe Excellentie. Schoon ik wel besloten had, geene aanspraken vast te houden op eene hand, waar ’t hart niet volgde, zoo had ik toch wat geheime verwachting gebouwd, op de uitwerking mijner liberaliteit, en bij deze deceptie, bekenne ik, is de afleiding van zulke reize mij welkom. Met den oorlog tegen Spanje, zal het toch niet hard gaan in uw afwezen, en met binnenlandschen krijg moeie ik mij liefst niet. Zoo blijve ik met u, Roger!”

Douglas drukte hem de hand; en de Graaf, Elias toewenkende, hernam:

»Mij dunkt, jongelieden! gij kunt dan nu te zamen al vast vooruitreizen naar Dordrecht, uit mijn naam u te Delft informeeren, naar den welstand des Graven van Hohenlo, en hem mijne intentie aandienen, om hem te bezoeken.”

De jongelieden bogen zich, en Elias Roger’s arm nemende, verliet met hem de zaal.

Barbara Boots, noch altijd nevens de deur staande, scheen willens hen toe te spreken; maar doctor Julio hield haar terug, terwijl hij waarschuwend den vinger ophief. Leycester echter had haar opgemerkt.

»Ei zoo! Gij hier, vrouwken?” hernam hij, met wat gefronsd voorhoofd. »Ik meende, gij waart zoo iets als gevangene te Middelburg?”

»Bij mijne trouwe, Mylord Graaf! Men is nooit zóó gevangen, of de goede vrienden kunnen u uithelpen. De admiraal is nu eens mijne voorspraak geweest, maar zonder de tusschenkomst van mijnheere van Hohenlo, had hij het toch niet geklaard…”

»Eens uitgeholpen zijnde, door wien dan ook, ware het u nut geweest, niet hierheen te komen!” sprak Leycester, met verduisterden blik.

»Niet zoo gansch nutteloos voor Uwe Excellentie, als ik hope; maar om dit te verklaren, zou ik wel bidden om een gehoor voor wat minder getuigen!”

Glimlachend over hare stoutheid, wenkte Leycester doctor Julio, dat hij de groote zaaldeur zou toeslaan, zoodat de Graaf nu werkelijk, gescheiden van de overigen, in het kleine vertrek alléén was, met dezen en Barbara. Schielijk bracht Barbara toen een pakketje uit hare tasch te voorschijn, en gaf het den Lord, die, het opschrift ziende, uitriep:

»Het laatste van Mylady Vrouwe! Ik ben u veel dank schuldig.”

»Dat geloof ik ook, Graaf!” sprak zij, met naïeve toestemming harer verdienste; »want, toen ik bij Steven Paret was, om orders van hem te ontvangen, God betere ’t! — iets, dat ik heer Reingoud nooit vergeef! — lag dit op zijne tafel, en hij zeide mij: "Barbara!, heer Reingoud en ik spelen samen een gewaagd spel; maar ik houd nog ééne kans over; want bij verlies, is mij dit zeker een vrijbrief bij de heeren Staten." Toen dacht ik zoo in mij zelf: "Man! dien dienst kan het mij ook doen, bij ongelegenheid, en aan een fielt als u, is toch nietmetal verbeurd!" Zoo futselde ik het pakske weg, wijl hij mij wat anders zocht, en ik houd het nog voor de reden, dat ik zoo spoedig ben achterhaald geworden; want dat is zijn bedrijf, hebbende hij mij verklaagd, toen hij gevangen was.”

»De fielt!” riep Leycester. »Wel zeker verdient hij de galg!”

»Dat heb ik altijd gezegd, mijn Graaf! en Uwe Hoogheid zal wèl doen, hem die te geven!” zei Barbara. »Maar ik, ziende dat dit opschrift aan heer Douglas luidde, meende, dat het een guitenstuk zoude zijn, dit in der Staten handen te geven, al kost mij dit vrijheid brengen; zoo verborg ik het tusschen mijne keurs; en, Graaf! het heeft op een trouw hart gerust, vanwaar niemand het weggekregen had, dan met mijn dood! Vrij zijnde en hoorende, dat Uwe lordschap nu zoo dicht op ’t vertrek was, zocht ik occasie, dit heere Douglas te behandigen. Verkapt te ’s Hage gekomen, wachtte ik den avond af, en doolde op ’t Binnenhof rond, om de Hofpoort in te slippen, vreezende wel, op klaarlichten dag niet toegelaten te zullen worden. Daar vind ik mijn kleine engel, Jacoba, in een tumult gescheiden van haar dienaar, te schuchter om door luiden en volk te durven heendringen, en heer Reingoud te gehoorzaam om terug te keeren. Haar in verlegenheid te zien en moed te grijpen voor twee, is mij al één! Samen dringen wij dóór, tot onder de galerij; wij vinden er doctor Julio, die zich begeven wil naar één der torens, om, geloove ik, uit de sterren…”

Leycester maakte eene beweging van ongeduld, en zag donker op Julio.

»De doctor dan, mijn oude kennis, uit heer Reingoud’s gouden tijd, bracht ons eerst in de kasteleinij. Daar verhaalden wij hem onze zake, en hij oordeelde noodig, ons voor Uwe lordschap te brengen, zeggende, "dat heer Douglas en Uwe Excellentie, wat brieven aanging, al één waren."”

»Doctor Julio heeft recht geoordeeld in dit geval,” sprak Leycester; »die edelman heeft geene geheimen voor mij. Maar gij, doctor! sinds gij toch u tot den beschermer van deze goede vrouw hebt opgeworpen, en sinds wij haar grooten dank schuldig zijn, voor hare trouw, leid ze vooreerst naar uwe torenkamer, en verzel ze vorders tot naar Vlissingen, waar wij haar recommandatie zullen geven aan sir William Russell, den nieuwen gouverneur!”

»God zegene Uwe lordschap!” riep Barbara; »alleen zoo ze nog daartoe bevelen wilde, dat mijn echte man, Anton Pointz, zich bij mij mocht voegen!”

»Dat kan ik niet bevelen, poor soul!” sprak Leycester, en ging haastig van haar, de andere kamer in. De Graaf kon dat werkelijk niet. Na den val van Reingoud, hadden Modet en de burgerhoplieden, in zijn afwezen, Pointz als verspieder omgebracht.

Door deze tusschenspraak dan, die Leycester’s schijnbaar afwezen had veroorzaakt, was des Kanseliers verontschuldiging onnoodig geworden; maar des te beter luisterde deze nu naar Jacoba, welke met eene vrijmoedigheid, die zij alléén vond, als het een plicht betrof, of haar hart tot hem sprak:

»Niet waar, Doorluchtige heer! Uwe genade is niet van de prinsen, daar ik de historiën van gelezen heb, die trouwe dienaren verlaten, als ze in nood zijn!”

»Be sure! Neen, kind!” glimlachte Leycester; »doch, wat beduidt die vraag hier?”

»Sinds ik mijn goeden heer grootvader gevangen zie, is die vraag in mijn harte opgekomen. Uwer lordschap was hij trouw!

»Wat er aan ontbrak, heb ik hem vergeven, mijne jonkvrouw! en ik heb gezworen, hem niet te verlaten te geener tijd; doch de verklaring daaraf, spreke ik liefst niet openlijk, dus gij allen,

die zijne vrienden zijt, en aan mij verbonden, brengt dit woord niet buiten deze zaal, en laat het mij in daden toonen!”

»Toch mogen wij ’t hem zeggen!” sprak Jacoba. »O, Gideon! hij was dus verslagen van uw heengaan, dat hij zekerlijk God met tranen zal danken voor onze wederkomst!”

»Met gunst, neen, jonkvrouw! Noch gij, noch de doctor, noch één van hen, die hier in zoo lange samenspreking geweest zijn met mij, zullen nu tot heer Reingoud gaan, dat verbieden wij! De wijze, waarop wij hem gedenken te beschermen, is ons geheim!”

»En de bedachtzaamheid prijst het!” sprak de Kanselier.

»Welwaarde Kimedoncius! ga gij morgen den plicht volbrengen, daarvoor ik u heden tot mij heb geroepen!”

»Met Gods hulp zal ik dien volbrengen, Mylord!”

»Nog vertrouwen wij u toe de inzegening van dit paar!” sprak de Graaf, op Jacoba ziende, die nu van hem terugtrad naar Gideon. »En nu, mijne jongelieden! gaat! Ik kan het onzen staatswijzen Kanselier aanzien, dat hem deze ure eene half verspilde toeschijnt, terwijl mij nog eene raadpleging wacht, over hetgeen ik morgen de Staten voor ’t laatst zal toespreken; doch hij vergeet, dat het not gentlemanlike is, dier lieden belangen, als triffles te beschouwen, die ons, of de onzen, aan zich verplicht hebben, door trouw en genegenheid, en wel had ik gewenscht, meerdere uren te hebben, waarin het loonen en beschermen aan mij stond, en wat mindere, waarin ik mijn recht tot beide aan achterdocht of aanmatiging heb moeten betwisten; doch sinds die strijd zal aanhouden tot mijn jongste oogenblik toevens hier, gaat, my children! gaat, en gedenkt somwijlen den Graaf van Leycester in uwe harten en in uw gebed. Wij zullen voor u bidden, als voor ons zelven! Wij bevelen u Gode almachtig, te allen tijde! En nu, Kanselier! doe Wilkes en doctor Clerk komen, en begeven wij ons naar de vergaderzaal van den Staatsraad!”


Ingezonden op: 19 July 2001