Majoor Frans

Jonker Leopold van Zonshoven aan Mr. Wittem Verheyst, advocaat te A.

Beste vriend!

Als gij niet al te diep in ’t een of ander proces zijt verwikkeld, kom dan tot mij op de vleugelen der vriendschap, of meer op zijn negentiende-eeuwsch gesproken, met den eersten sneltrein den besten dien gij uit uw provinciestadje kunt bereiken; want ik zit deerlijk in de engte. Daar is mij iets overkomen, waarover de wereld mirakel zal roepen als zij er van hoort. Maar vooreerst mag zij ’t nog niet hooren, et pour cause; daarom moet ik het aan de borst van een vertrouwd vriend uitstorten, of ik zou er aan stikken. Het is ook zoo iets ongewoons, zoo iets onwaarschijnlijks, zoo iets onmogelijks, zou mevrouw de Séigné zeggen, maar dat toch waar is, toch gebeurd is; ja! mij. gebeurd is, mij, Leopold van Zonshoven, van der jeugd af bestemd om in de wereld de droevige figuur te maken van: een kalen jonker! Ook ben ik er van verbluft, of ik een knodsslag op mijn hoofd had gekregen. Verbeeld je! daar ben ik op eens aangewezen als de universeele erfgenaam van een kolossaal vermogen.

Eene oudtante mijner moeder, waarvan ik nooit gehoord had en die, naar het schijnt, met hare geheele familie gebrouilleerd was, is op het sublieme idé gekomen om bij mij voor toovergodin te spelen, en bij testamentaire dispositie al hare bezittingen aan mij na te laten. Aan mij! die alle macht van overleg en zelfbeheersching noodig heb gehad om van ’t oude jaar in ’t nieuwe te komen zonder schulden te maken, iets wat mij in mijne kwaliteit van arm edelman, niet geheel van zelf-respect misdeeld, absoluut ongeoorloofd is, op zulke wijze, dat ik mij geen enkele folie, geen enkele caprice kon permitteeren, ik zie mij op eens een millioen naar het hoofd geworpen, Is het te verwonderen, dat dit er van duizelt? De waardige overledene had verdiend getuige te zijn van de ontploffing harer Orsini-bom. Eerst sprong ik op en zou de petroleumlamp over het tafelkleed mijner hospita hebben omgeworpen, zoo de goede ziel zelve dat niet door een snellen greep voorkomen had. Toen viel ik op mijn stoel terug, met eene gewaarwording of mij de krachten ontzonken, en ik moet er zoo bleek en ontdaan hebben uitgezien, dat de juffrouw mij later gulweg bekende hoe zij suspicie vatte, dat het eene „explosie” was van deurwaarderszaken. Zeker is het, dat zij wachten bleef op de tachtig cents port, die het pakket kostte, of zij vreesde er een bankroetje aan te lijden. Geprikkeld door dat blijven, door dat zekere indringende en onbescheidene in hare houding, dat zoowel van wantrouwen als van nieuwsgierigheid getuigde, hoewel er eenige meewarigheid in gemengd was, wees ik haar de deur met een gebaar, dat een acteur in eene wanhoopscene zou benijd hebben en dat ik alleen aan de inspiratie van ’t oogenblik dankte; ook bleek dit afdoende. In een wip was ze weg, en ik wierp de deur op slot, zonder recht te weten wat ik deed of waarom, alleen gedreven door een onbestemd verlangen om alleen, om ongestoord te zijn en mij te overtuigen, dat de mededeeling, die mij als een sprookje uit de Duizend-en-eene nacht in de ooren klonk, geen mystificatie was.

En werkelijk, toen ik de stukken met meer bedaardheid overlas, werd het ongeloofelijke mij tot ontwijfelbare zekerheid; maar in plaats dat die zekerheid mij rust en blijdschap gaf, werd ik bestormd door eene warreling van gedachten en gewaarwordingen, die onbeschrijfelijk is. Ik werd heen en weer geslingerd door duizenderlei strijdige plannen en voornemens, die ik als in een oogwenk vatte en weer varen liet; ik wist den draad mijner denkbeelden niet meer te volgen of vast te houden. Mijn hart begon te kloppen of het zou bersten; ik kreeg eene aandoening in de keel of ik geworgd werd, en een duldelooze hoofdpijn was het eerste profijt dat die toekomstige fortuin mij aanbracht! Zóó kon het niet blijven; ik rukte mijn das los, improviseerde een stortbad met behulp van mijn lampetkan, liep de kamer rond met driftige, ongeregelde voetstappen, dronk om de vijf minuten een glas water en begon eindelijk zoo ver te bekomen, dat ik om de thee schelde, die de juffrouw per extra-ordinaire zelve bracht, de zaak van het porto met haar afdeed en haar op de vraag: »of mijnheer nu wat beter was”, geruststelde met de verzekering, dat een plotseling doodsbericht van eene verwante mij wat sterk had aangegrepen, Hoe zij de mededeeling opnam en wat zij er verder bij dacht, laat ik daar; zij vertrok, zichtbaar verlicht en al vast gerustgesteld omtrent de kamerhuur, die met primo April moet worden voldaan. Ik wist, dat ik mijn aplomb tegenover haar had hervat, maar ik vraag u, mijnheer de scepticus, is het geen teeken dat het geld uit den booze is, als het een fatsoenlijk jongmensch, die zijne gezonde hersens heeft en niet aan de kwaal van gouddorst placht te lijden, in zulk eene verwarring brengt, dat hij zich zelf moet afvragen, of hij niet door eene plotselinge razernij werd aangetast? Denkelijk zult gij antwoorden, dat de schuld bij mij ligt en dat een ander gij zelf bij voorbeeld, de zaak vrij wat kalmer zou hebben opgenomen. Ik stem dit vooruit toe; ik ben geen stoïcijn en heb zelfs nooit getracht er de houding van aan te nemen, en, zie je Willem, ik zat juist bij mij zelven te overleggen wat ik toch beginnen zou om de jammerlijke positie die mij in de maatschappij ten deel was gevallen, eenigszins te verbeteren, en ik vond niets — niets dan dit eene: mij met mijn oom den minister te verzoenen om door hem bij ’t een of ander gezantschap als attaché ingeschoven te worden. Schrale uitkomst (zelfs indien zij verkregen werd), en die mij zoo iets als eene laagheid zou kosten, want Zijne Excellentie had mij zijn huis verboden, omdat ik artikels geschreven had in een oppositieblad! Ik zat mij de nagels stomp te bijten van ergernis, dat ik niet zoo lang had kunnen studeeren om dr. of mr. voor mijn naam te zetten, twee letters bij wier gemis alles wat voor anderen open staat, door eene onverzettelijke barrière is afgesloten voor mij! Op mijn leeftijd (ik ben in ’t noodlottige laatste jaar van de twintig) op mijn leeftijd is er geen reetje meer, waar ik door kan sluipen om carrière te maken.. En nù — terwijl ik mij suf zat te peinzen op al die »terug’s” die ik op de vingers kon narekenen, komt daar op eens de tijding, dat ik grondeigenaar ben geworden, dat ik »bosschen en beemden, duinen en heidegronde?” in bezit mag nemen — dan vraag ik u, kloeke, kalme, onwrikbare wetgeleerde, of dat niet meer dan genoeg is om een gewoon sterveling, zooals ik, zijn evenwicht te doen verliezen, en in eene vervoering te brengen waarover gij voorzeker het hoofd schudt. Kom dan maar gauw zelf om mij te beknorren en met mij te praten; dat zal mij zeker tot kalmte brengen, en te eer, daar er een punt is, waarover ik u raadplegen moet, eer ik de erfenis definitief aanvaard; want gij moet weten, er is een maar bij mijne plotselinge fortuin, een maar die als altijd tergend achteraan komt hinken; mogelijk ziet uw juridische blik er geen rechtskwestie in, maar voor mij… ligt er eene gewetensvraag achter, althans eene kwestie van kieschheid, waardoor mijne gouden bergen wel eens tot stuifzand kunnen vervliegen, en dat arme dierbare millioen, dat mij al zoo duchtig in de war heeft gebracht, gereduceerd worden tot niets meer dan eene luchtspiegeling, die mij voor eene wijle de oogen heeft verblind, Om die reden heb ik geen schepsel deelgenoot gemaakt van het mirakel, noch zal dit doen, voor ik uwe opinie heb gehoord. In afwachting van uw advies heb ik den notaris, die eene procuratie verlangde om in mijn naam te handelen, zulk een document toegezonden, maar onder reserve, Fais ce que dois, advienne que pourra is mijn mot d’ordre, al luid het devies mijner familie meer brutaal dan eerlijk: de fortuin is met den stoute. Onder de roofridders der middeleeuwen mocht dat gelden, maar sinds het aanbreken der 18de eeuw zie ik niet dat iemand van de onzen zich meer naar dat devies heeft gericht. Integendeel, al die achtbaar gepruikte hoofden van de laatste serie onzer familieportretten toonen gelaatstrekken, die eer van deftige flauwheid en onnoozele goedrondheid getuigen dan van stoute ondernemingszucht, en naar de uitkomsten te oordeelen; de gene waarin wij sinds drie generatiën verkeeren, getuigt dat de physionomië niet liegen! Nu, het zij zoo. Ik ben er niet rouwig omdat ik ten minste geen schitterenden deugniet in de dichtst nabijzijnde graden heb aan te wijzen!

Wat men tot kalmte komt als men zich eens kan uitspreken, al is het maar op het papier! Ik voel mij nu zoo verlicht, dat ik u rustig onze geheele familiegeschiedenis zou kunnen vertellen, en onder dat relaas mijn millioen in spe zou vergeten, alsof er geen kwestie meer van was; maar ’t is nog beter u niet langer op te houden, en te wachten tot we de de coœr à coœr kunnen praten. Stel mij daartoe zoo spoedig mogelijk in de gelegenheid. Ik heb hier kennissen genoeg, maar geen enkel vertrouwd vriend, .aan wien ik alles uit kan leggen, zonder de vrees van misverstaan en uitgelachen te worden, en ’t is eene onuitstaanbare kwelling, een bezwaar als dit, tweemaal vierentwintig uur alleen te moeten dragen.

En nu vaarwel tot ziens. Met of zonder millioen.

Semper idem.

’s Hage, Maart 186.

Uw Leopold v. Z.

Met dezelfde post die hem een brief van Leopold van Zonshoven aanbracht, ontving Mr. Willem Verheyst een biljet van eene hem onbekende hand van den volgenden inhoud:

Mijnheer!

Na een onderzoek, ingesteld omtrent de relatië van Jonker Leopold van Zonshoven, achten wij het waarschijnlijk, dat hij u raadplegen zal in eene zaak, voor hem zelven van groot belang. Uit vriendschap voor hem, help hem heen over alle bezwaren die hij zou kunnen maken tegen de aanvaarding van zekere erfenis, en laat hij geen voorstel, hem gedaan, afwijzen zonder ernstig onderzoek.

Het is onnoodig hem met dit ons schrijven bekend te maken; wij vertrouwen het uwer ervaring en voorzichtigheid toe. Iemand die ten volle bekend is met de intentië der waardige erflaatster en die den Jonker van ganscher harte hare fortuin gunt.

N. N.

»O wee!,” riep de goedhartige Willem, het naamloos geschrift ineenfrommelend, »het begint er, vrees ik, slecht uit te zien voor Leopold. Het zou toch jammer zijn zoo hij ze moest opgeven, die fortuin, die hem daar als een lokaas wordt voorgehouden , met… wie weet welke hinderlijke conditiën. Die voorzorg van onbekenden, om zijn raadsman om te koopen, bevalt mij niet. Zij moeten niet denken, dat ik er in zal loopen; als er eene clause gesteld is, onbestaanbaar met recht en billijkheid of met zijne eer, zullen zij zien, dat ik geen meester in de rechten ben voor niet. En ze vleien mij met mijne ervaring, mijne voorzichligheid. Ja! ja! wees er gerust op, die zal ik gebruiken om hem goeden raad te geven in den besten zin. Als de zaak loensch is, kan zijne keuze niet twijfelachtig zijn; men kan nog wel buiten bosschen en landerijen; maar Leopold is een te ferme jongen om zich iets te laten aanleunen, dat tegen de eer strijdt. Laat hem dan liever nog wat rondsukkelen; mogelijk ben ik zelf in staat hem voort te helpen eer wij een jaar of wat verder zijn. Arme jongen, hij weet niet, hoezeer zijn voorstel mij op dit oogenblik ongelegen komt… ’t Is waar, ik moet toch nog eens naar den Haag vóór mijne afreis; dan maar morgen de diligence genomen van half drie, die correspondeert met den trein naar den Haag; ’t is wel eerst een paar uur rijdens, maar dan ben ik er ook binnen de driekwartier.” Zoo gezegd, zoo gedaan; Willem Verheyst bleek een oprecht vriend en geen sammelaar; hij kwam bijtijds op den trein, en vijf minuten na zijne aankomst zien wij hem op de stoep van het huis, waar Jonker van Zonshoven logies had.

Hij behoefde maar één trap te klimmen. Eene ruime voorbovenkamer met alkoof in een gesloten huis op eene der zijgrachten, ziedaar het rustige en zedige verblijf van den jongen edelman, te schraal door de fortuin bedeeld, om een deftig appartement te kunnen betalen, en te fatsoenlijk om op kosten van lichtgeloovige burgers een staat te voeren boven zijn vermogen.

En toch had zijne kamer een air van séance, dat zoowel voor den smaak getuigde van den jonkman van geboorte en goede opvoeding, als de behoeften kenschetste van iemand die geene gewoonte maakt van uithuizigheid, en die in zijn thuis al de comforts wenscht te vereenigen, waarvoor het vatbaar is. Behalve de onmisbare meubels, die tot de eischen van eene »gemeubileerde kamer” behooren, en die meer proper dan modern waren, zag men er eene kloeke schrijftafel, een gemakkelijken armstoel, eene antieke gebeeldhouwde boekenkast en zekere kleine voorwerpen van kunst en weelde, die in disharmonie waren met het stijf burgerlijk huisraad en met het goedkoop »grijsje” dat voor behangsel was gekozen; maar van dit laatste kwam juist niet veel te zien, daar het rondom bedekt was met familieportretten, sommigen in statig ebbenhout gevat, anderen in die schrale vergulde lijsten, die van een later tijdperk getuigden, waarin het grandiose tot het weeke en laffe was gezonken, zoowel in de kunst zelve als in de wijze van haar voor te doen. Miniatuurportretten in ivoor en photographieën van verschillende grootte hingen overal, waar er maar een plekje te vinden was geweest. De jonker had er kennelijk zijn lust in gevonden, hier zooveel doenlijk zijne geheele familie in beeltenis vertegenwoordigd te zien.

»Het was voor de gezelligheid,” placht hij te antwooraen, als men hem over deze drukke expositie zijner vaderen en voorvaderen onderhield. »Ja, ja!” werd hem wel eens tegengevoerd, »’t is allermeest omdat gij trotsch zijt op al die mooie wapenschilden.”

»Waarom niet, als ik meen te weten, dat zij onbesmet zijn bewaard, en als ik zelf mij heb voorgenomen, er nooit een vlek op te werpen?” antwoordde hij dan vast en met fierheid. Waarheid is, dat hij het »noblesse oblige” , in den besten zin opvatte. Het was nooit in hem opgekomen, als een voorname leeglooper rond te slenteren en op de beurzen zijner aanzienlijke kennissen en verwanten te teren. Hij had talent, al had hij geen academischen graad kunnen verwerven, en hij had niet geschroomd met dat talent te woekeren op iedere voegzame wijze. Hij was vlug, hij had orde; al had hij geene vaste inkomsten, hij wist rond te komen en, zooals hij het zelf noemde, het hoofd boven water te houden, en sinds de nood hem de deugd van zuinigheid oplegde, wist hij haar te oefenen met een gemak, of het simpel uit liefhebberij geschiedde. Zijne opgeruimdheid had tot hiertoe door die leefwijze niet geleden. En wellicht bracht de fortuin, die hem zoo plotseling voor de voeten werd gelegd, hem in grooter bezwaren, dan hij tot hiertoe had behoeven te trotseeren. Eene beproeving van zijn karakter was het zeker .

Hij zat voor zijne schrijftafel en was druk aan den arbeid, toen Willem Verheyst zijne kamer binnentrad. Onder een luid gejubel vloog hij op, vatte Willems beide handen in de zijne en riep uit:

»Braaf gedaan! Maar dat had ik ook wel van je verwacht, dat je komen zoudt op mijn eersten alarmkreet. Wat een dwazen brief heb ik je geschreven, niet waar? Later ben ik weer gansch mij zelf geworden, en weet je hoe?” Hij keerde zich weer naar de schrijftafel en liet Verheyst een handvol papieren zien, deerlijk met inkt bemorst. »Dezelfde beweging waarmee ik op dien gedenkwaardigen avond mijne lamp zou hebben omgeworpen, zoo niet de reddende hand van juffrouw Joosting tusschenbeide ware gekomen, was tegelijk van de noodlottigste uitwerking geweest op mijn inktkoker; de goede ziel had maar op het noodigste gelet, maar die inktkoker, helaas! was hare opmerkzaamheid ontsnapt. Eerst moest ik wat bekomen, toen mijn hart uitstorten aan u, den brief zelf op de post brengen en rondloopen tot ik als een gewoon mensch naar bed kon gaan; ziedaar alles waartoe ik bekwaam was, en eerst den volgenden morgen ontdekte ik, welke verwoesting er was aangericht. Drie stukken, die al in ’t net waren overgeschreven en genummerd klaar lagen om afgeleverd te worden, waren reddeloos verloren en moesten overgeschreven worden. Een lief werkje voor een millionair, niet waar? Maar al ware men het twintigmaal, men moet zijn woord houden, en ik was zoo goed niet, of ik moest aan den arbeid, en nu ben ik er bijna door. Het is mij tot heilzame afleiding geweest. Ziedaar al den eersten last, dien mijne versche fortuin mij aanbrengt, en ’t zal denkelijk wel niet de eenige, niet de zwaarste zijn. Maar hoe het ook zij, ik heb nu mijn avond vrij en we kunnen praten.”

»Ja, dat zal noodig zijn, althans als gij nog niet van de zaak hebt afgezien.”

»Afgezien! Waarom zou ik daar zoo in eens toe gekomen zijn? En ik heb je uitdrukkelijk geschreven, dat ik mij tot niets decideeren zou, voordat ik uw advies had ingewonnen.”

»Het gebeurt meer dat men raad vraagt zonder het antwoord af te wachten.”

»Ja, maar zóó inconsequent handel ik niet; en mij dunkt, eene fortuin als deze is wel eenigen tijd van kalm beraad waardig. Ziehier de akten: de kennisgeving van den notaris, de copie op zegel van het testament, den inventaris van de roerende en onroerende goederen; de laatsten zijn nogal wat uiteen gelegen, in drie verschillende provinciën, maar ’t geheel vormt eene uitgebreide bezitting, en met ’t geen er aan effecten in portefeuille is, wordt de fortuin op meer dan een millioen geschat. Zoo ver ik zien kan zijn de stukken in orde.”

»De stukken zijn in orde,” antwoordde Verheyst, nadat hij een tijd lang zwijgend de akten een voor een had ingezien, »en als deze copie van het testament juist is, waaraan ik niet twijfel, dan zal de meest teleurgestelde onder de nabestaanden der erflaatster nog moeite hebben om chicane te maken op hare beschikking. Mejonkvrouw Roselaer tot de Werve benoemt u, jonker Leopold van Zonshoven, tot haar universeelen erfgenaam, behoudens eenige legaten, onbeteekenend in verhouding tot hare fortuin en waarvan de uitkeering aan de zorg van haar executeur is opgedragen, in overleg met haar erfgenaam. De zaak is gezond en zoo helder als glas, maar ik zie niets van die noodlottige clause, waarvan, zooals gij mij schreeft, de aanvaarding van de erfenis afhangt.”

»Zulk eene clause bestaat niet. Er is van ’t geen door mijne oud-tante begeerd wordt volstrekt geene conditie gemaakt, en zoo ik u iets dergelijks heb geschreven, moet gij het alleen wijten aan den roes, die mij was aangezet. Maar, ziet gij, dat wat ik bedoel en waarover ik u wilde spreken, is eenvoudig een verzoek aan mij, een wensch van de erflaatster, in dezen brief vervat, dien gij doorlezen moet eer gij mij uwe opinie zegt. Mij komt het voor, dat ik de geheele erfenis moet opgeven, als ik niet aan haar verlangen kan voldoen.”

»Rechtens zeker niet; maar het kan een cas de conscience zijn voor u, dat wil ik wel gelooven. En is hetgeen van u gevergd wordt dan zoo moeilijk om in te willigen?” vroeg Verheyst, nog zonder den brief te openen.

»Ça dépend! Het zou een zeer aangename plicht kunnen zijn. Mijn. oud-tante wil, dat ik trouwen zal.”

»Dat’s zoo’n onredelijke wensch niet, sinds zij u in staat stelt eene huishouding te bekostigen.”

»Neen; maar zij vindt goed, mij voor te schrijven wie ik tot vrouw moet nemen.”

»Of wee! dat’s nogal erg.”

»Ja! al heel erg, want zij schijnt het meisje zelve niet te kennen. Het moet eene kleindochter zijn van zekeren Generaal von Zwenken, die indertijd met hare oudste zuster is getrouwd geweest; de jonkvrouw in kwestie woont bij haar grootvader, en het schijnt bovenal uit rancune tegen dezen, dat de slimme oudtante deze vondst heeft bedacht, om aan die nicht het genot harer fortuin te verzekeren zonder eenig ander lid van hare familie daarin te doen deelen. Daarvoor word IK gebruikt en daartoe wordt die fortuin in mijne hand gegeven, opdat ik die zal leggen in de hand van de schoone… Niets schijnt meer gemakkeIijk en natuurlijk; maar onderstel nu eens dat die schoone eene leelijke is, of eene gebochelde, of eene ondeugende heks, of eene lastige coquette, of op eenige andere wijze onmogelijk is, althans voor mij, die nog al zoo mijne eigene begrippen heb over vrouwen en huwelijk; wat moet ik dan beginnen; van de erfenis afzien?”

»Afzien… afzien… op zijn ergst zoudt gij een voorstel kunnen doen om te deelen.”

»Ziedaar wat precies tegen den uitdrukkelijken wil van de erfIaatster zou zijn. Lees toch den brief, en gij zult er u van overtuigen.”

Dit schrijven, dat Verheyst nu met gezetheid doorlas, was van den volgenden inhoud.

Zeer waarde Neef!

Ofschoon ik eene onbekende ben voor u, zijt gij het geenszins voor mij. Persoonlijk ken ik u niet, maar ik ben vrij goed onderricht van hetgeen gij zijt en niet zijt. Door allerlei brouilleries in onze familie en de inconsequente handelwijze van mijne oudste zuster, ben ik verplicht geweest in geheele vervreemding te leven (en zal ook desgelijks sterven) van al mijne verwanten; die mij de naaste waren, zijn trouwens sinds jaren overleden, en de overigen zijn hier en daar verspreid; en zelfs al woonden zij in dezelfde stad waar ik hoop te verscheiden, toch zouden zij zich nauwelijks herinneren, dat zij aan mij geparenteerd zijn, daar hunne grootouders, na al het mogelijke gedaan te hebben om mij het leven te verbitteren, het aan hunne kinderen en kleinkinderen hebben overgelaten, mij te vergeten en zich zoo weinig om de oude tante Roselaer te bekommeren, of zij nooit had bestaan, die zelve, dit wil zij erkennen, van hare zijde niets heeft willen doen, om hun geheugen op te frisschen en een rapprochement te weeg te brengen. Maar een mensch moet op zijn einde letten; ik ben nu in mijn vijf-en-zeventigste jaar en heb reeds eene attaque van beroerte gehad, die mij eene waarschuwing is geweest om zoodanige order op mijne zaken te stellen, dat er geene twist kan rijzen omtrent mijne nalatenschap, en bovenal dat deze niet zou kunnen vallen in handen van dezulken, die mijn leven verbitterd hebben; evenmin wil ik dat een heirleger van verre neven en nichten als haaien op mijne fortuin zullen aanvallen om die onder elkaar te verdeelen en alles te verbrokkelen, wat mijne ouders en ik zelve door orde, zuinigheid en wijs overleg hebben bijeenverzameld. Zoo heb ik dan besloten, een hunner tot mijn universeelen erfgenaam te benoemen, en die eenige moet GIJ zijn. Eerstens omdat uw moeders moeder degene mijner zusters is geweest, die mij het minste verdriet heeft aangedaan. Zij huwde een man van haar stand in goede positie, met volle toestemming harer ouders, en zij kon het niet helpen dat haar echtgenoot het slachtoffer is geworden van die afschuwelijke Belgische revolutie, waarbij hij leven en welvaart inboette, nalatende zeven dochters, van welke een uwe moeder is geworden, die zich evenmin als de andere nichten ooit om tante Sophie Roselaer heeft bekommerd, ’t geen echter verschoonlijk is, daar bij hare terugkomst in ’t vaderland de noodlottige familie-gebeurtenissen reeds hadden plaats gevonden, die mij besluiten deden met al de mijnen voor goed de gemeenschap af te breken. En de tweede reden — de voornaamste, waarom ik juist U onder al de anderen onderscheid, is deze: dat ik een goed gevoelen heb gekregen omtrent uw karakter en zelfstandigheid van geest. Ik heb op verschillende wijzen en tijden, bij vrienden zoowel als vreemden, naar u geïnformeerd, en de narichten zijn altijd van dien aard geweest, dat ik u den meest geschikte dacht om uit te voeren wat mijn eenigste wensch is, dien ik u dringend verzoek te vervullen, indien het u eenigszins mogelijk is, namelijk: het eenig nagelaten kleinkind mijner oudste zuster tot vrouw te nemen en haar op die wijze dat aandeel te geven aan mijne nalatenschap, dat ik haar, uit aanzien van de treurige verdeeldheid in onze familie, nu moet onthouden. Ik had dat meisje in hare vroege jeugd tot mij willen nemen; om haar eene goede opvoeding te geven en aan dien jammerlijken soldatenboel te ontrukken, waarin zij nu is opgegroeid; maar het is mij bot af geweigerd, en de generaal von Zwenken, haar grootvader, heeft daarmee de toekomstige fortuin zijner kleindochter roekeloos verspeeld, om zijn ouden wrok tegen mij satisfactie te geven. Ook heb ik mijn testament gemaakt met het vaste voornemen om hem, noch iemand der zijnen, ooit een penning van mijn vermogen te laten genieten; maar bij later inzien wil ik het kleinkind niet straffen om de misdragingen harer grootouders. Ik wensch integendeel haar na mijn dood tot de erkentenis te brengen, dat die oude tante, wier naam zij zeker nooit dan met toorn en minachting heeft hooren noemen, nog zoo kwaad niet was en het althans met haar niet slecht heeft gemeend, ja, zelfs na den dood nog het mogelijke heeft willen doen om haar te leiden door de hand van een edeldenkend man, die haar gelukkig zal maken, als zij het verdient. Aan haar zelve een deel van mijne fortuin toe te kennen, zou gelijk staan met het den grootvader in handen te spelen, die het voorzeker zou doorbrengen op dezelfde wijze als hij het vermogen mijner zuster heeft verspild en doorgebracht. Zoo kwam ik op het denkbeeld om U, neef Leopold, dien ik uit al de mijnen bij mijne jongste beschikkingen heb uitverkoren om de onafhankelijke bezitter te zijn van al mijn wereldsch goed, U die ik weet een jongmensch te zijn van karakter en goede beginselen, U dit eene verzoek te doen, waarmee gij een onrecht dat ik genoodzaakt ben te plegen, zult goedmaken. De vraag is nu maar of gij in deze schikking genoegen zult nemen, en of het u mogelijk zal zijn aan mijne begeerte te voldoen. De bezwaren zouden kunnen voortkomen van de zijde die er het grootste belang in heeft, dit redmiddel, dat ik heb uitgedacht, aan te grijpen. In dat geval smeek ik u, de zaak niet dan op het uiterste op te geven. In ’t andere geval, uw eigen tegenzin om u door eene lastige bemoeial als uwe oudtante blijkt te zijn, eene vrouw te laten opdringen, die u om de eene of andere reden niet convenieert, onthef ik u bij voorbaat van dien dwang, want ik wil dat er ten minste één lid van mijne familie zal zijn, die mijne nagedachtenis niet in afschuw houdt; maar als het daartoe komt kent de notaris van Beek mijne intentië, waarnaar gij u zult te schikken hebben, zoo gij u niet van de gansche nalatenschap wilt verstoken zien,. waardoor deze, zeer tegen mijn wil en wensch, voor al mijne nabestaanden zou verloren gaan om aan industrieele ondernemingen te worden besteed. Dan, ik wacht wat beters van uw goed oordeel en wijs overleg, om niet te zeggen dat ik reken op uw goed hart, dat zich ontfermen zal over een jong meisje, reeds als kind door de kwaadwilligheid harer verwamen verstoken van de voorrechten die een deftig. en gegoed geslacht haar scheen te waarborgen, en die haar volgaarne waren gegund door hare en uwe

liefhebbende oud-Tante Sophie Roselaer tot de Werve.

P. S. Dat ik mij simpellijk Roselaer tot de Werve moet schrijven en niet van de Werve, is de schuld van den generaal; maar zijne koppigheid en dwarsdrijverij zal hem duur te staan komen.

»Nu, wat zegt gij?” vroeg Leopold, toen Verheyst na volbrachte lectuur het geschrift langzaam toevouwde met een bedenkelijk gezicht.

»Wat ik zeg? wel, dat het een echte vrouwenbrief is: het punt dat bij haar het zwaarste weegt ligt in ’t postscriptum.”

»Hm! dat kan waar zijn; hoe is ’t mogelijk dat een christenmensch, dat eene vrouw, reeds met den eenen voet in ’t graf, nog met zoo’n bitteren familiewrok is bezield geweest, en mogelijk om een bagatel!”

»Wat zal men zeggen… uit de wissewasjes komen de felste processen voort, als men den wortel der bitterheid niet bij het eerste opschieten uitroeit. Maar ik had voor u wel gewenscht, dat deze dame met andere gevoelens ware bezield geweest jegens hare verwanten; de zaak ware dan zoo licht gevonden. Convenieerde u de jonge dame, dan: het huwelijk; viel het anders uit, dan: de verdeeling; gij bleeft beiden vrij, en met een half millioentje zoudt gij het ook wel kunnen doen.”

»Och! dat het haar behaagd had mij een dertig duizend guldens te maken zonder conditie,” verzuchtte Leopold, »dan ware ik van al dat geharrewar af.”

»Dat zou zeker wel het makkelijkste zijn geweest voor u!” hernam Verheyst, even glimlachend; »maar ziet gij, men heeft niets voor niet, en als nu de wraakzuchtige oude dame u heeft uitgekozen om het instrument harer wraakzucht te zijn, dan kunt gij niet anders dan dien lastpost aanvaarden.”

»Dat zie ik nog niet in…”

»Ik ben er zeker van dat zij zich nog op haar sterfbed heeft verkneukeld bij de gedachte, dat zij een kampioen voor hare grieven heeft achtergelaten.”

»Heel goed, maar als zij zich verbeeldt dat ik, ter wille van haar geld, de laagheid zal plegen, zoo maar blindweg hare kwade intentië te dienen, dan heeft zij zich zonderling in mij vergist, of men heeft haar al zeer verkeerde berichten omtrent mijn karakter aangebracht.”

»Vooreerst weet gij immers niet of er werkelijk iets van u ver1angd wordt, dat met uw karakter in strijd is. Voorts moet ik u zeggen, dat de beschikkingen eener overledene niet bediscussieerd mogen worden, en dat men er zich zooveel doenlijk naar voegen moet. Blijkt u dat inderdaad onmogelijk bij nader onderzoek, welnu, dan is het nog niet te laat om terug te treden.”

»Voorloopig heb ik in dien zin aan den notaris geschreven. Ik voel wel dat ik beproeven moet of er iets van dat huwelijk kan komen; ik ben het in de eerste plaats aan het jonge meisje verplicht, maar om de waarheid te zeggen: ik zou zoo graag willen dat een ander dan ik, gij bij voorbeeld, de eenige wien ik op dat punt volkomen vertrouwen kan, eens een kijkje kon nemen van de familie von Zwenken, van de jonge dame allermeest, eer ik zelf optrad, ’t geen zoo heel decisief zou zijn…” .

»Hoe gij u nu reeds de airs geeft van een millionair!” viel Verheyst in. »De preliminairen van zijn huwelijk te laten openen per ambassadeur! Jammer, waarde patroon, dat ik volstrekt niet in de gelegenheid ben uwe opdracht te aanvaarden. Wie weet hoe ver de serviliteit voor uw aanstaanden rijkdom mij anders nog vervoerd zoude hebben!” Er was eene mengeling van spot en gekrenktheid in den toon van dit antwoord, die Leopold deed opschrikken.

»Dit verwijt is immers geen meenens?” vroeg hij getroffen. »Gij weet wel dat ik niets kon bedoelen dan een vriendendienst vragen aan den eenige, wiens scherpzinnigheid en helder oordeel ik beter vertrouwen zou dan mijn eigen blik, door allerlei strijdige aandoeningen licht beneveld!”

»Wees gerust, zóó heb ik het ook opgenomen; ik wilde u slechts een weinig plagen, maar ongelukkig is het beletsel dat ik aanvoerde geen scherts, maar strenge ernst. Ik moet morgen hier in den Haag blijven voor mijne eigene zaken, en daarna heb ik geen dag, geen uur meer te verliezen, om de laatste aanstalten te maken voor mijne groote reis.”

»Van welke groote reis spreekt gij?”

»’t Is waar ook, wij hadden het zoo druk met uwe zaken, dat ik vergat u van de mijne te vertellen. Als gij mij niet uitgenoodigd hadt bij u te komen, zou ik u toch morgen in den loop van den dag eens opgezocht hebben om u mede te deelen wat mij is overkomen…”

»Toch geen kwaad?” vroeg Leopold, hem ernstig aanziende.

»Neen, neen! ontstel maar niet. Gij zijt niet de eenige wien de fortuin toelacht. Mij is het aanbod gedaan door den nieuwbenoemden Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-lndië om hem als particulier secretaris te vergezellen. Behalve het aanzienlijk jaargeld dat hij mij biedt en de uitnemende gelegenheid om op de meest comfortable wijze den overtocht naar Java te doen, dat ik altijd verlangd heb te leeren kennen, zijn de vooruitzichten, die dáár voor mijne toekomst geopend worden, zoo verlokkend, dat ik aan de verzoeking geen weerstand heb kunnen bieden, en veel liever dan in mijne provinciestad te blijven wachten op schrale processen, of naar de eene of andere rechterlijke betrekking, — mij voor een jaar of wat expatrieer, om eenmaal terug te keeren in al de wichtigheid van een Oosterschen nabob,” eindigde hij mei eene poging tot scherts, die blijkbaar niet van harte ging, want geen vroolijke glimlach verhelderde zijn gelaat bij die schoone voorstelling.

»Ik kan u geen ongelijk geven,” hernam Leopold, die ook zijn best deed om zich goed te houden, schoon het hem even slecht gelukte, want zijn verbleeken reeds verried hem, »maar toch, het spijt mij; ik kan u niet zeggen hoe het mij ook spijt, dat gij heengaat, juist nu ik in de gelegenheid zou zijn, uw leven als het mijne te veraangenamen. Denk toch eens, Willem! Ik krijg bosschen en heidegronden in mijn bezit, en gij, die zooveel van jagen houdt…”

»Ik zal nu maar wachten tot ik de groote tijgerjachten op Insulinde bijwoon…”

»En hebt ge waarlijk nog maar zóó weinig tijd voor u, eer we voor goed afscheid nemen?” viel Leopold in, met eene zachte stem, waaruit zijne voldoening sprak.

»Wat zal ik je zeggen! Zijne Excellentie heeft besloten met den eersten mail te gaan, die half April vertrekt. Wij moeten dus zorgen tijdig te Marseille te zijn, en met alles wat er nog te schikken en te regelen valt, ziet gij wel dat er niet veel tijd voor vriendschapsdiensten meer overblijft.”

»Hoe komt die Gouverneur-Generaal er toch toe, om juist u voor dat baantje uittekippen?” vroeg Leopold verdrietelijk.

»Dat is licht te verklaren. Hij is wat aan mijne familie geparenteerd, daarbij uit onze provincie herkomstig. Hij kende mij reeds vóór hij in de Kamer optrad; hij had mij sinds lang zijn invloed toegezegd als er sprake was van mijne bevordering, en nu hij zoo’n hooge betrekking kreeg, was het juist niet vreemd, dat hij aan mij dacht. Hij kon niet weten, dat ik voor mijn Leopold zóó onmisbaar zou zijn.”

»Sla den nagel maar niet dieper in, Willem! Ik voel wel, dat ik mij den schijn geef van een grof egoisme; maar geloof mij, uw besluit om ’t vaderland te verlaten treft mij niet het meest om mijns zelfs wil, al wordt ik daardoor verstoken van uw vriendenraad en hulp; maar bij de voorstellingen, die ik mij maakte van de toekomst, bij de plannen, die ik bouwde op mijne toekomende fortuin, waart gij zoozeer mede begrepen, dat ik mij niet zoo op eens gewennen kan aan het denkbeeld, dat gij u nu juist voor goed van mij gaat losmaken, om ’t geluk te gaan zoeken in den vreemde, dat ik als ’t ware in de hand had u te bieden. Gij verlangt te reizen… Wij hadden het Immers samen kunnen doen?”

»En uwe vrouw!”

»Mijne eerste conditie zou geweest zijn, dat zij zich aan mijn vriend had te gewennen.”

»’t Is nog beter, dat gij zulke conditie niet behoeft te stellen. Mogelijk zijn er bezwaren genoeg te overwinnen zonder dat. En begrijpt gij dan niet, gij, die liever in bekrompenheid hebt willen leven dan uwe onafhankelijkheid prijs te geven, dat ik op mijne beurt ook eene onafhankelijke positie verkies boven de meest welgemeende aanbiedingen van een vriend? Hoe zou het mij zijn, zoo ik op uwe fortuin zou gaan teren?”

»Eene onafhankelijke positie! de dienstman te wezen van een satraap!”

»Satraap zooveel gij wilt, hoewel mijn chef nog niets gedaan heeft om hem in die categorie te rangschikken. Maar om alleen op mij zelven te komen. Ik zal niet altijd in die ondergeschikte positie blijven. Mijn beschermer, die een man van zijn woord is, zal mij spoedig genoeg voorthelpen, als hij mijne geschiktheid heeft beproefd, en dan… het is nog niet gezegd, Leo! wie van ons beiden den zwaarsten kamp zal moeten voeren, om de fortuin te veroveren…”

»Wel zeker! Naar de Oost trekken, maken dat men er gauw rijk wordt, en dan naar Holland weerkeeren om in den Haag eene villa in ’t Willemspark of een Geldersch landgoed te gaan bewonen, dat is in een ommezientje geklaard; maar ik kan juist niet zeggen, dat ik het prijselijk vind, en ik zou het waardiger en dankbaarder achten, dat men zijne schatten ten minste ging verteren waar men ze heeft opgezameld.”

»Het is waar, Leopold; van de tien handelen minstens zeven op die wijze; maar waarom verdenkt gij mij, dat ik juist tot de zeven zou behooren? Waarom ben ik zoo plotseling in uwe schatting gedaald?”

»Waarom!, waarom!” riep Leopold, opstaande en zijn stoel met drift ter zijde schuivende, »omdat het mij is, of ik zelf gedaald ben in de uwe; dat kwelt mij en maakt mij wrevelig. Luister, Willem! Ik neem een kort en goed besluit: ik ga aan dien van Beek schrijven, dat ik van zijn verwenscht millioen afzie, en dan ga ik met u mee naar Indiën daar zal voor mij toch ook nog wel plaats zijn.”

»Ik had er werkelijk aan gedacht, u iets dergelijks voor te stellen eer ik uw brief had ontvangen, maar nu zou dat dwaasheid zijn.”

»Eene dwaasheid; want ik voel dat de demonische macht van dat geld mij al gaat beheerschen en dat ik er hoe langer hoe meer onder zal raken als ik er mij niet met één forsche daad aan ontworstel. Ik ben al zoo ver, dat ik anderen voor mij zelven vergeet, en aan niets weet te denken dan aan mijne eigene bezwaren, en dat om dit ellendige geld.”

»Dat blijkt; want gij vergeet, dat het niet enkel eene geldkwestie is. Gij vergeet dat jonge meisje, dat gij daar zoo bot weg in den steek zoudt laten, zonder te onderzoeken, of zij ook waardig is, dat gij haar uw steun biedt en of gij haar niet willekeurig versteken gaat van ’t geen haar is toegedacht.”

»Gij hebt goed praten, maar… als gij in mijne plaats waart…”

»Zou ik handelen en mij zelf overwinnen, om te zien wat er in dezen te doen viel. Gij ziet op tegen den strijd, die u wacht, tegen de bezwaren, die uwe rust gaan verstoren, ziedaar alles; en nu meent gij eene grootsche daad te doen met het hoofd af te wenden en uw gewonen weg te gaan, of er u geen nieuwe plichten waren opgelegd. Mis, vriendje! Met mijne toestemming zult gij zulke ongerechtigheid niet plegen. Gij moet den strijd aanvaarden; niet tegen den berg opzien, waarachter het onbekende ligt, en als een echt paladijn den kruistocht ondernemen tegen de reuzen en draken, die uwe dame in gevangenschap houden.”

»Gij hebt, op mijn woord, gelijk. Ik mag dat meisje niet zoo willekeurig op zij schuiven, al zou ik ook vrijheid hebben om zelf arm te blijven uit gemakzucht. Het blijft er bij, Willem! Ik zal niet lafhartig teruggaan in dezen kamp, al moet het er een zijn tegen mij zelven. Ik ben gelukkig geen vreemdeling in zulken strijd; maar ziet gij, een vriend als gij, die bijtijds waarschuwt, zou mij zoo noodig zijn. Maar het zij zoo; ik sta u af, al is ’t noode. Ik weet, waar ik mijne sterkte zal zoeken. Ja! glimlach maar… gij, die zoo vast in uwe schoenen staat, dat gij nooit behoefte gevoelt aan hooger hulp.”

»Dat heb ik nooit gezegd, Leopold. Ik glimlachte, het is waar, over de levendigheid en de snelle wisseling uwer aandoeningen; maar ik ben er verre af, in u te bespotten wat ik hoogacht, al kan ik uwe religieuse opinies niet deelen.”

»Waarom niet? Is het dan zoo moeielijk, te gelooven aan krachten en machten, die men niet zien, niet ontleden kan; wordt het leven niet een jammerlijk terre à terre, als men bet opvat zonder iets aan ’t bovenzinnelijke te hechten; in één woord: hebt gij, gij, die een ernstig en zedelijk mensch zijt, gansch geene behoefte aan geestelijk leven, aan godsdienst?”

»Wat zal ik je zeggen, Leopold! Wij leven in een tijd van spoorwegen en stoommachines, waarin iedereen op zijn eigen terrein zoo wordt voortgejaagd en gedreven, dat men waarlijk lust noch tijd overhoudt om veel, om diep na te denken. En de theologie is een akelige doolhof, vol doornstruiken en wespennesten, waarin ik niet graag zou ronddolen. Ik weet wel, er is een gemakkelijke weg om voor religieus door te gaan en zich zelf wijs te maken, dat men het werkelijk is. Men heeft alleen maar binnen ’t cirkeltje te treden, dat eens en voor goed is afgebakend. Maar… dat is mijne zaak niet, al weet ik que c’est tres bien porté in zekere côteriën…”

»Gij weet van mij, dat ik mijne overtuiging niet van côteriegeest heb afhankelijk gemaakt,” viel Leopold in, vast, maar zonder gekrenktheid.

»Als ik dit niet van u wist, zou mijn uitval eene opzettelijke krenking zijn, Leo! En al houd ik er van, u eens een weinigje te plagen, ik zou u nooit willen grieven in ’t geen ik weet dat u zeer na aan ’t harte ligt. Wat ik zeide, was voor mij zelven, omdat men mij juist in dezen tijd wel eens lastig is gevallen op zeker punt. Wat u betreft, gij hebt u nu eenmaal vastgezet in eene overtuiging, die ik niet zal bestrijden, te minder, daar gij er uw leven naar hebt gericht. Maar juist daarom, Leopold, kan ik niet inzien, dat ik U zoo onontbeerlijk zou zijn dat ik mijne vermoedelijke fortuin aan de eischen uwer vriendschap zou moeten opofferen.”

»Bij dieper nadenken zou ik dat ook niet gevergd hebben, Willem; alleen… gij hebt daarin gelijk… ik ben wat snel, wat levendig in mijne opvatting, en mijne eerste opwelling was die van teleurstelling. Gij weet, ik ben er nu overheen, en gij zult zien dat ik niet meer weifelen zal in mijn voornemen om de aangeboden fortuin te aanvaarden met al hare baten en schaden, al drukt mij nu reeds de groote verantwoordelijkheid die zij zal opleggen.”

»Maar vergeet dan ook niet de groote voorrechten, welke zij geeft; ware ’t maar alleen de gelegenheid om veel goed te doen. Komaan, schep moed! Uwe schouders zijn krachtig genoeg om den last van een millioentje te dragen; uw hoofd is niet te zwak om groote bezittingen te beheeren. Gij hebt eene reine, werkzame jeugd achter u. Het tijdperk, dat gij nu intreedt, is dat van mannelijke kracht. Uw vastheid van wil is reeds gerijpt in menige beproeving, die gij zegevierend hebt doorgestaan. Is er dan vrees dat gij versagen zoudt voor het te veel, gij, die het zoo vorstelijk met het te weinig hebt weten op te nemen?”

»Nu nog mooier! Gij gaat mij vleien,”sprak Leopold lachend. »Gij wilt eens zien, hoe ik dat opnemen zal; maar wees gerust. Tegen vleierij heb ik een ferm waterproefje aan; ik ken mij zelf een weinig…

»Nog niet genoeg, als gij twijfelt of ik hier in vollen ernst spreek. Ik ben acht jaar ouder dan gij, Leopold! en sinds wij elkaar leerden kennen, heb ik uwe worsteling met het leven en de omstandigheden met belangstelling gadegeslagen, en zoo mag ik. zeggen: gij zijt voor die moeielijke taak opgewassen. Gij hebt het »adeldom verplicht” Zóó goed weten op te vatten, dat gij het »rijkdom verplicht” ook in de beste beteekenis zult toepassen.”

»Het moeten sterke beenen zijn, die de weelde dragen. Mijn hoofd heeft reeds geduizeld bij de voorspiegeling van een millioen. Wie zegt u, dat bij ’t werkelijk bezit mijn voet niet zal wankelen, niet zal uitglijden…’

»Reeds uwe eigen bezorgdheid op dit punt is mij de beste waarborg. Indien ik er anders over dacht, geloof mij, dan nam ik u liever mee als mijn adjunct naar Indië Maar nu… luister. Ik ben er in zekeren zin bij geïnteresseerd, dat gij het er goed afbrengt met die erfenis. Toen ik de hand van dien notaris zag, kreeg ik een vermoeden, en toen ik in den brief van uwe oudtante las, dat zij op iedere wijze naar u had geïnformeerd, ging mij het volle licht op. Ik herkende de hand als die van iemand, die in ’t voorgaande jaar mij geschreven had, om informaties te nemen naar u. Er was bijgevoegd, dat de navraag geschiedde met geene andere dan goede intentië en dat mijn antwoord voor den persoon in kwestie geheim zou blijven. Ik behoef u niet te zeggen, hoe mijn antwoord was ingericht, en ik heb grond om te gelooven, dat mijne getuigenis heefl medegewerkt tot het besluit van jonkvrouwe Roselaer tot de Werve. Stel mij dus niet ten toon als een valschen berichtgever, door uit overdreven nauwgezetheid te eeniger tijd de zaak te laten varen. Had nadere kennis van de eischen der testatrice mij doen zien, dat men bedoelde u een valstrik te spannen of tot eene laagheid te bewegen, dan zeker zou ik mij geene moeite gegeven hebben uwe bezwaren te bekampen en het eenvoudig op uw instinct van eerlijkheid laten aankomen. Nu blijkt dit niet het geval, en ik zeg u: zet door; wie weet, welk een parel van eene vrouw u, dus in ’t goud gezet, wordt aangeboden. Apropos, weet gij al hoe uwe aanstaande heet en waar zij gezocht moet worden?”

»Ik heb van ochtend juist een briefje gekregen van den notaris, met verzoek om zoo spoedig mogelijk bij hem te Utrecht te komen, daar hij in de gelegenheid is, mij inlichtingen te geven omtrent den generaal von Zwenken en zijne kleindochter Francis Mordaunt.”

»Mordaunt! Heet zij Francis Mordaunt?” riep Verheyst, kennelijk onaangenaam verrast.

»Ja! Hebt gij wat tegen den naam? Hebt gij dien meer ge. hoord?” vroeg Leopold als in één adem; want de strakke, verdrietelijke plooi op het gelaat van zijn vriend stond hem niet aan.

»Meer gehoord, nu ja… veel gehoord zelfs, als die van een Engelsch officier op retraite, die jaren geleden ergens in mijne provincie heeft gewoond; een man, waar, zoover ik weet, niets op te zeggen viel…”

»Nu ja! Maar de persoon waar ’t hier op aankomt is de dame in kwestie. Kent gij haar?”

»Niet persoonlijk, en op praatjes en geruchten kan men toch eigenlijk niet afgaan; en hetgeen mij van haar is ter oore gekomen, kan… onjuist zijn. Maar als dit niet zoo is, zou het weinig geruststellend wezen voor u, dat mag ik je niet verbergen. Daarom, onderzoek, onderzoek streng en vertrouw niets dan uwe eigene oogen en bevindingen.”

»Heeft zij een lichaamsgebrek, is zij afzichtelijk?” vroeg Leopold met onrust.

»Neen, dat niet; ik geloof zelfs, dat zij er niet kwaad uitziet; althans goed genoeg om pretendenten te lokken; maar…”

»Welnu, wat aarzelt gij! Geef mij den genadeslag. Is ’t eene coquette?”

Verheyst haalde de schouders op. »Daarover heb ik niet hooren klagen; het zou ten minste eene coquetterie moeten zijn van eene vreemde soort.”

»Martel mij niet; zeg in eens uit wat kwaad gij van haar weet.”

»Niets eigenlijk wat men kwaad kan noemen; althans in uwe oogen zal het geen misdaad schijnen. Ik weet alleen, dat een mijner bekenden, een vriend van mijn jongsten broer, die smoorlijk op haar verliefd is geweest en bot af een blauwtje heeft geloopen, mij eene voorstelling heeft gegeven van haar, die… enfin, niet heel aanmoedigend is voor u. Zij moet eene brutale heks zijn, die niet wil trouwen, omdat zij geen heer of meester over zich willen erkennen. Ze heeft dien armen Karel Felters, den goedhartigsten sukkel die er op twee beenen loopen kan, zoo gerudoyeerd, dat hij van schrik het hazenpad heeftgekozen, en nota bene naar Afrika is vertrokken, om zeker te zijn, dat hij haar nooit weer zou ontmoeten; overigens niet slechts in alle opzichten een goede jongen, maar in vollen zin dàt, wat men eene goede partij noemt. Ik zeg ’t niet om u af te schrikken,maar…”

»Wel, dat schrikt mij in ’t geheel niet af,” sprak Leopold rustig. »Dat zij geen sukkel wil hebben, die voor eene vrouw wegloopt, bewijst voor haar karakter; ik vind het piquant dat zij geene flauwe onbeduidendheid is.”

»Ja! piquant moet ze zijn in de hoogste mate.”

»Zooveel te beter. Een weerloos slachtoffer vellen trekt mij in ’t geheel niet aan.”

»Ik ben blij dat gij er zoo over denkt. ik voor mij zou geen lust hebben in zulken kamp; maar gij, die zedelijk verplicht zijt! den aanval te wagen…”

»Al ware die verplichting er niet, ik zou er mij nu toch toe opgewekt gevoelen:’

»Om een helleveeg te trouwen?” vroeg Verheyst, zelf gerustgesteld door de luchtigheid, waarmee Leopold zijne slechte berichten opnam. »Een prettig baantje voorwaar!”

»Het doet er niet toe; dat is juist een kolfje naar mijne hand. Ik zal er Shakspeare’s Taming of the shrew nog eens op nalezen.”

»As Jou like it! maar bedenk dat zijne middelen geantiqueerd zijn.”

»Ik ben geen gentleman uit den ruwen tijd van old merry England; ik ben een edelman van de 19de eeuw…”

»Dat bewijst niet veel. Of vindt gij dat onze moderne jongelui zoozeer uitblinken in wellevendheid en galanterie?”

»Nu, om je gerust te stellen, die ridderlijkheid van de preux chevaliers die ik onder mijne voorvaderen tel, is… meer dan wellicht voor deze occasie noodig zal zijn, in mijn bloed overgegaan. Mijn moeder placht te zeggen, dat ik geleek op dien ridder van Zonshoven, ook een Leopold, die, om de eer zijner dame op te houden, zich de linkerhand heeft laten afkappen. Zie, deze hier is het; de legende is te lang om nu te vertellen, maar de verminkte arm wijst het uit, dat er iets waars aan is en dat het portret moet gemaakt zijn na de catastrophe;” en Leopold wees met hand en blik naar eene der oudste beeltenissen, in zwart ebbenhouten lijst. Verheyst zag beurteling naar de oude in harnas gehulde gestalte, en naar het jeugdige frissche gelaat van Leopold, en sprak eindelijk, met een glimlach het hoofd schuddend:

»Uwe goede moeder heeft haar eenigen zoon dan toch niet geflatteerd: ’t is waar, er is eenige gelijkenis in dat hooge voorhoofd met het uwe, en uit dit donker blauwe oog spreekt stoutheid en zachtheid tevens, zelfs zou men in den vorm van ’t gelaat, en in de wat laatdunkend vooruitstekende onderlip, desnoods den familietrek kunnen ontdekken, maar toch, de meester schilder, die deze beeltenis vermoedelijk in ’t begin van de vijftiende eeuw heeft geconterfeit, is zeker geen groot man in zijn vak geweest; ’t is alles zoo hard en stijf, die ridder poseert zoo brutaal met zijn verminkt lid, dat ik mij wel verklaren kan waarom gij het juist in dien hoek hebt gehangen.”

»Toch het meest omdat het vuil en hier en daar gebarsten is,” sprak Leopold; »maar als ik het eens laat opknappen, en het werk tot zijn recht komt, zal het zich zeker gunstiger voordoen, en wie weet, aan welk groot schilder het dan niet zal worden toegeschreven; de naam staat er wel niet op, en het jaartal evenmin, maar toch…”

»Wie weet of ’t nog niet uitkomt, dat het een Memling is,” spotte Verheyst, er nog dichter vóór tredende.

»En mijnheer de ridder draagt het kruis der Tempeliers,” ging hij voort; »zoo heeft hij zijne schoone dan niet eens gewonnen door zijn offer.”

»Neen! zijn roman had een treurigen afloop.”

»Ik wensch dan van harte dat de gelijkenis van het leven niet sterker moge doorgaan, dan die ik waarneem in de physionomie. Want zonder je te vleien, de jonker van de 19de eeuw bevalt mij vrij wat beter dan die van de 15de. Al hebt gij niet de forsche gestalte van dien pourfendeur, gij zijt toch slank en rap genoeg, en in uwe fijne blanke hand zit kracht genoeg, al zou die zwarte gantelet haar al zeer slecht ganteeren, en dan die akelige strakke trekken, die ijzige glimlach; terwijl bij u alles leven en bewegelijkheid is. Neen! neen! de uitdrukking van die tronie bevalt mij volstrekt niet, al stellen wij nog zooveel van dat kille en fletsche op rekening van den conterfeiter, en voorwaar, die man met zijn hoog opgetrokken wenkbrauwen ziet op ons neer met zoo’n trotschen, laatdunkenden blik, of hij zich boos maakt dat wij niet aan zijne voeten vallen, la face contre terre. Foei! ik word er kregelig om, en wel het meest op uwe moeder, die, zeker uit adeltrots, juist den vinnigsten en fiersten van al deze hooge en machtige heeren uitkipte, om er u mee te vergelijken.”

Leopold lachte luid en ongedwongen.

»Wat sta je door te slaan, Willem; en om je te beschamen, moet ik je zeggen, dat mijne moeder, die wel stille huiselijke deugden, maar geen greintje geboortetrots heeft bezeten, juist in de uitdrukking van de oogen, in den feilen hooghartigen blik, de gelijkenis meende te hebben gevonden.”

»Il ne s’ agit que de bien voir la chose, maar als gij mij zóó stondt aan te kijken, zou ik je vierkant den rug toedraaien, om je nooit weer op te zoeken.”

»Ik ben u de toelichting schuldig,” hervatte Leopold, goelijk lachend. »Moeder maakte mij wijs, dat ik op den ridder geleek als ik mijn booze, weerbarstige buien had en de — onbeschaamdheid pleegde… (lieve, arme moeder, wat hebt gij mij veel te vergeven gehad, hoe kondet gij mij liefhebben),” viel Leopold zich zelf met weemoed in de rede, »haar zoo fier en uittartend aan te zien; dan was ’t altijd: »foei Leo! de oogen van den Tempelier,” en ik werd bij de hand voor ’t portret gebracht te mijner beschaming, en dan, ja, ik belijde het, dan was er waarheid in de gelijkenis.”

»O ho! is ’t er zóó mee gelegen, dan kunt gij ’t mij toch niet kwalijk nemen, dat ik niet gecharmeerd was van uw hoog-adellijk evenbeeld!”

»Te minder daar ik, om billijk te zijn jegens mij zelven, u mag verzekeren, dat er na mijne vlegeljaren geene aanleiding meer heeft bestaan tot zulke boetpredicatie en action; het lot heeft mij zoo wel ootmoed als ernst geleerd. En ik betreur dat niet: ijdele hoogmoed brengt ons zeker ten val, en het is ijdelheid, als men, zelf arm aan verdiensten, op de voorvaderlijke grootheid stoft; nog ééns, zoo ik mij wel herinner, heeft het symptoom der booze gelijkenis zich weer voorgedaan, en wel bij gelegenheid van eene woordenwisseling, die ik had met mijn oom den minister. Maar ik was toen in mijn recht, want hij beschimpte mijn vader nog in zijn graf, omdat deze eene arme freule had getrouwd, die hem niets had aangebracht dan familiebezwaren, terwijl hij, naar zijn voorbeeld, zijn jonkheers titel had moeten gebruiken als het lokaas voor eene schatrijke burgerlijke bruid. Toen voelde ik het bloed van den Tempelier nog weer eens in mijne aderen bruisen, en de gloed oer verontwaardiging moet uit mijne oogen gelicht hebben, zooals die daar ginds schitteren, want Zijne Excellentie was kennelijk niet zeer op zijn gemak; hij verbleekte en tastte naar zijne schel, of hij hulp wilde roepen en vreesde, dat ik andere wapens zou gebruiken tegen hem dan die van mijn blik; toch bedacht hij zich, toen hij mij zag glimlachen over zijne onrust, en van toon veranderend, bracht hij mij met eene hoffelijke wending van ’t gevaarlijke chapître af, mompelde eenige onbestemde betuigingen van belangstelling enz. enz. en geleidde mij al pratende tot in zijne antichambre, waar wij reeds niet meer alleen waren. Maar ik wist, dat ik voor goed aan zijn kamerdienaar geconsigneerd was, en mij de moeite om bij hem aan te schellen voortaan kon sparen. En nu genoeg riddergeschiedenis voor heden; vertel mij nog liever wat van mijne aanstaande vrouw…”

»Ik wensch voor u en voor haar dat zij uw ridderlijk bloed niet in al te groote beweging zal brengen, en daarom moet ik u vooruit waarschuwen, dat zij ruw is en… slechte manieren heeft.”

»Tantes brief deed mij reeds onderstellen, dat het haar aan eene goede opvoeding heeft ontbroken. Maar dat is immers hare schuld niet. Het arme kind! Welnu, ik zal daarin dan wat te verhelpen hebben, en ik zal tegelijk de eclhgenoot en de gouverneur mijner vrouw moeten zijn; mogelijk, wie weet het, nog wel voor muziek- en dansmeester moeten spelen!”

»Niet voor schermmeester althans, want zij kan handig genoeg met den degen omgaan, altijd volgens de getuigenis van Karel!”

»Drommels!” riep Leopold lachend, »dat’s om bang van te worden…”

»Karel is werkelijk bang geworden, en, om u ’t al te zeggen: zij was destijds nog maar een aankomend meisje, en toch werd haar in de kleine garnizoensplaats, waar zij woonde, algemeen de niet zeer vleiende bijnaam gegeven van: MAJOOR FRANS.”

»Dat klinkt niet aantrekkelijk! daar hebt gij gelijk in, maar toch… ik zal zien dien majoor onder mijn vaandel te enroleeren, en ben ik eens zoo ver, dan zal hij in die kwaliteit zijn ontslag moeten nemen om in ’t civiele over te gaan.”

»’t Is goed dat gij het zoo luchtig opneemt, want in trouwe, er zit voor u niets op dan het te beproeven…”

»Faire contre fortune bon coeur, is altijd mijne leus geweest en mijn lot,” hernam Leopold met eene mengeling van zwaarmoedigheid en scherts.

»Maar, mijnheer! doe dan asjeblieft open, ik heb al driemaal geklopt met het theewater.”

’t Was de snibbige stem van Kaatje de dienstmeid, wier bescheiden tikken onder het levendige gesprek niet was gehoord geworden.

Leopold deed open en Kaatje zette het theeblad klaar met »z’n toebehooren”, maar Verheyst trok een gezicht dat comische wanhoop uitdrukte bij die aanstalten, en toen het meisje was afgetrokken, sprak hij: »Zet maar geen thee voor mij, want om de waarheid te zeggen, ik ben veel te flauw om uw lauw water te drinken; ik heb maar zoo wat geluncht met een stuk brood en vleesch; mijn diner is bij de reis ingeschoten.”

»Ondankbare egoïst die ik ben, u zóó aan de praat te houden en daar niet op te denken; wacht, ik geloof dat mijn kok vandaag ook wat slapjes was met zijn soep. Ik zal mij eens een extraatje permitteeren; ’t is half acht, de tafels in de hotels zijn afgeloopen; maar wij gaan een apart dineetje nemen bij Pijl. ”

»Waarom niet in de Witte? Daar moet het nogal goed zijn, en mogelijk ontmoet ik daar nog dezen of genen, dien ik spreken moet, ware ’t maar alleen om afspraak te maken tegen morgen: dat zou mij tijd uitwinnen.”

»Zoo gij daar wezen wilt, mij goed, dan zal ik iemand opzoeken om u te introduceeren; maar laten wij dan eerst elders gaan eten, want dáár kan ik uw gastheer niet zijn. Ik ben geen lid meer.”

»Dat’s kras, Leo!”

»Wat zal ik je zeggen. Toen mijn vader stierf, en mijne moeder, schoon ze van een schraal pensioentje moest leven, niet besluiten kon den Haag te verlaten, begreep ik voor mij, dat ik het snoeimes flink ter hand moest nemen, om al wat naar luxe geleek, ferm uit te snijden. De contributie moest op mijn budget geschrapt worden, en hoewel ik vrienden genoeg had die mij begrijpen lieten, dat ik daarover niet denken moest, wees ik die aanbiedingen ruiterlijk af. Geen valsche schaamte weerhield mij om te zeggen waar het op stond, dat de kleine geldzaak hier niet eens het grootste bezwaar was, maar dat men het Haagsche leven niet ten halve kon meedoen; dat ik er den lust zoowel als de gelegenheid voor verloren had, dat ik voortaan dacht thuis te blijven en mij niet in den omgang met vroegere vrienden tot soupeetjes en avondpartijtjes wou laten verlokken. Daarbij onder ons gezegd, onder drinkers en spelers heb ik mij nooit recht thuis gevoeld, zelfs niet dien korten tijd, dat ik student mocht zijn, en ik berekende, dat als men mij nergens meer zag, invitaties voor diners en partijen vanzelven zouden ophouden, die tot allerlei extraatjes leiden van fijne handschoenen, verlakte bottines, en in de verplichting brengen om er een éléganten rok op na te houden; mijne abdicatie, zooals men dat noemde, werd begrepen, mogelijk hier en daar bepraat en afgekeurd; maar ik had er spoedig geen last meer van. Jongen! men wordt zoo makkeIijk vergeten, als men vergeten wil zijn! Toch moet ik ter eere van mijne Haagsche kennissen zeggen, dat ik bij toevallige ontmoetingen nooit anders dan achting en welwillendheid heb gevonden. Ze hebben het mij heusch niet kwalijk genomen dat ik kluizenaar ben geworden, en het niet eens een onvergefelijke dwaasheid geacht, dat ik, arm zijnde, niet om den bluf, den schijn heb willen bewaren en toch meedoen, ware het ten koste van anderen, om ’t geen sommigen noemen: hunne eer op te houden! En nu, laten we gaan zien dat we wat te eten krijgen.” Al sprekende had Leopold zijn overjas aangetrokken, zijn hoed en handschoenen genomen, en beiden stormden nu met gezwinden pas de trap af.


Ingezonden op: 19 July 2001