Majoor Frans

Huis de Werve (2).

Gij wilt er dus meer van hooren, Willem? Gij zegt dat het u ontspant na uwe drukke werkzaamheid in het afmattend klimaat, en dat het u meer dan ooit behoefte is, als aan mijne zijde te staan om met mij mee te voelen, te hopen en te vreezen. Ik was bezorgd dat mijne uitvoerigheid u langwijlig mocht schijnen, en toch het geldt hier geene wereldgebeurtenissen, die men met enkele groote trekken kan schetsen; het is de analyse van eene vrouwengestalte, die niet als een marmeren beeld uit één stuk gehouwen is, dat men in ettelijke seconden kan laten photographeeren. Het zijn waarnemingen omtrent een karakter dat uit zeer verschillende, bijna tegen elkaar inloopende trekken is samengesteld; het zijn ontdekkingstochten in een vrouwenhart, dat diep en bewegelijk is als zekere onpeilbare waterkolken, en waarvan men alle verschijnselen met oplettendheid moet gadeslaan; fijne schakeeringen en schijnbaar nietige détails mogen niet worden overzien, of wij staan voor onoplosbare raadsels. Heb dus geduld met mij, want terwijl ik ze voor u tracht te ontcijferen, worden zij mij zelf meer en meer helder. Heb er geduld mee, Willem! want ik moet het u nu reeds belijden, al schudt gij mogelijk het hoofd over mijne inconsequentie: mijn levensgeluk, meer nog dan mijne fortuin, hangt af van de uitkomst die ik zoek. Mijn hart heeft gesproken, maar al te luid en levendig voor mij zelven, en het kost mij een voortdurenden strijd om al wat het mij zegt te haren gunste voor haar verborgen te houden. En toch, dat moet zijn. Zoo zij het weten kon dat ik reeds nu haar verwonneling ben, zou zij mijne zwakheid bespotten, mogelijk zelfs mijn karakter verdenken, en ik zou al het overwicht verliezen, dat ik op haar meen verkregen te hebben. Zij is fijn genoeg om iets te raden van ’t geen er in mij omgaat, en ik gun haar die voldoening, waardoor zij zich tot mij voelt aangetrokken; maar zij moet bovenal zien, dat ik er mij niet door laat beheerschen, dat ik meester wil blijven van mij zelf tot op het oogenblik, waarin zij zelve hare zwakheid zal hebben erkend, neen, beter — haar hart voor mij zal hebben geopend. Ik heb allermeest behoefte aan hare achting; want ik ben zeker dat dit de veiligste weg is naar haar hart. Haar hart! roept gij uit, en de virago die gij mij beschreven hebt, die gij gekomen zijt om te temmen! Waar is uw verstand dat gij u dus liet medeslepen? De virago! o zeker, zij tracht zich in die gestalte te hullen; zij hecht er aan dat men dit voor hare wezenlijke gedaante houdt, maar ik weet dat de kern, onder dit ruwe hulsel verborgen, eene teere en echt vrouwelijke is, zoo als de zoete Oostersche vrucht, die gij nu geniet, door eene harde schaal wordt beschermd. Ik weet dat zij een hart heeft, en ’t is met een schrijnend wee, dat zij het vermomt, verloochent, mogelijk juist omdat het door al te pijnlijke kwetsuur nog bloedt. Dit laatste uit te vinden en te weten of die te heelen is neemt nu mijne geheele aandacht in. Ik bestudeer haar als een wondheeler zijn patiënt ter genezing; maar daarom ook kalm en nuchter; zonder dat wordt het oog verduisterd en zou de hand beven als er kwestie moet zijn van eene pijnlijke kunstbewerking.

Op dien gedenkwaardigen dag waarop ik mij, onder zulke dreigende symptomen van des Majoors zijde, voor goed op de Werve installeerde, was het heerlijk lenteweer. Na mijne zaken in de groote leegstaande commode te hebben gearrangeerd, zette ik mij op mijn gemak, wierp mijn das af, deed mijn jas uit, haalde mijn schrijfgereedschap te voorschijn, en na een paar woorden aan Overberg te hebben gericht, die in het logement mijn wegblijven moest verklaren, nam ik mailpapier om mijn hart uit te storten aan u, de beste wijze om mij te retrempeeren, toen er driftig op mijne kamerdeur werd getikt, en ik bij ’t open doen niemand meer of minder voor mij zag staan dan Majoor Frans in hoog eigen persoon.

Zooals zij daar binnenkwam in haar amazonekleed (gelukkig zonder de vareuse), met een inktkoker in de hand dien zij voor mij op tafel zette; terwijl zij den eersten stoel den besten naar zich toe trok om er op neer te vallen, als besloten te blijven, hoewel zij uit het sans gene van mijn toilet wel kon opmaken dat zij mij nogal overviel, was er zeker effort toe noodig om in haar eene jonkvrouw van geboorte te zien; en dit, gevoegd bij den indruk dien de laatste scène bij mij had nagelaten, stemde mij zeer weinig tot hoffelijkheid en voorkomendheid. Ik schoot inderhaast mijn jas aan, en eerst toen mij tot haar wendend, vroeg ik, wat zij hier doen kwam.

»Grootpapa heeft mij gezegd dat gij schrijven wilt, Leo! en ik herinnerde mij, dat er niet voor inkt is gezorgd,” sprak zij, zon der mij aan te zien; want de weinige voorkomendheid, die ik haar toonde, maakte het haar duidelijk, dat de verrassing mij niet bijzonder welkom was.

»Dat is ook niet noodig; ik zorg altijd zelfvoor mijn schrijfgereedschap,” antwoordde ik koeltjes, en zette mij neer of ik met schrijven dacht voort te gaan.

»Ik zie dat ik u stoor; ik had u anders een dienst willen vragen.”

Ik zweeg.

»Hebt gij bijgeval een badientje of zoo iets meegebracht?”

»Wat wilt gij daarmee doen? Hebt gij uwe vazallen nog niet genoeg gestriemd?”

»Ik wilde eene rijzweep improviseeren; ik heb de mijne verloren, en…”

»Ik heb niets dan een liniaal en een penhouder.”

Zij werd bloedrood, beet zich op de lippen, en wendde het hoofd af.

»Ik merk wel,” hervatte zij na eenige seconden zwijgens, »dat gij niet in eene luim zijt om mij den dienst te doen, dien ik had willen vragen.”

»Ik ben altijd tot den dienst eener dame, als zij de privilegië harer sexe wil laten gelden. Waarom hebt gij mij niet laten roepen als gij mij iets te vragen hadt?”

»Ah! zoo!” riep zij op ietwat gerekten toon, »Dat humeur geldt dus mijn manque d éiquette; overzie dat: gij weet immers, ik ben zoo weinig »ene dame”.

»Dat’s maar al te waar, Majoor!”

»Majoor!!” herhaalde zij met ergernis, en zette groote oogen op van verbazing. »Ik meende, Leo! dat die bijnaam u tegen was.”

»Nu niet meer, sinds ik dat soldateske personage en action heb gezien. Alleen zou ik willen weten, welk soort van majoor gij eigenlijk voorsteld: tamboer-majoor? sergeant-majoor? Want de commandant van een bataillon behoort, zoo ik mij niet bedrieg. zekere mate van beschaving te bezitten, zekere vormen te eerbiedigen, zekere waardigheid in toon en manieren aan den dag te leggen, die hem terstond als een fatsoenlijk man doen kennen; en uit alles wat ik van u waarnam bij het tooneel van dezen morgen, moet ik gelooven dat gij aan geen dezer eischen weet te beantwoorden.”

»Leo!” stamelde zij, doodsbleek en met trillende lippen, »Dit is eene bloedige beleediging! Bedoelt gij dit?”

Het verwonderde mij, dat zij niet in woede opstoof en op mij lostrok. Ik had eigenlijk op een forschen aanval gerekend! het tegendeel vond plaats, Zij bleef stokstijf zitten, als aan haar stoel genageld.

»Ik bedoelde alleenlijk de onbehagelijke figuur te treffen, die gij goedvindt voor te stellen; wil freule Mordaunt zich indentifieeren met die persoonlijkheid, en het daarvoor opnemen, mij wel; ik ben geen geoefend duellist, maar ik kan toch een fleuret hanteeren; mij dacht, dat ware wel de beste manier u de zoo genaamde revanche te geven, tenzij gij schieten wilt; gelukkig heb ik pistolen; wij gebruiken los kruit, niet waar? dat’s afgesproken; gij begrijpt toch wel dat men het met een majoor van uwe soort niet in vollen ernst kan opnemen,”

Ik kreeg geen antwoord, en dat ontrustte mij; boos worden en mij ferm riposteeren, had ik van haar gewacht; maar dat zwijgend blijven zitten met strakken blik en doodsbleek, als versteend en verstomd van smartelijke verbazing, stond mij niet aan; de arm, dien zij even driftig had opgeheven, viel slap en als machte loos neer. Ik begon nu zelf verlegen te worden met mijne houding; ik kreeg de gewaarwording van iemand die een kapel wil vangen, maar die te hard heeft toegetast en een, vleugel in de hand houdt. Vooral toen zij eindelijk haar, zwijgen verbrak; want het klonk als eene klacht, meer nog dan verwijt, wat zij mij toe voegde:

»Deze vlijmende ironie gaat dieper dan gij vermoedt, Leo!”

»Ik hoop wel dat zij treffen zal, waar zij nut kan doen, Francis! Want geloof mij, mijne bedoeling was niet om te wonden, maar om te genezen,” hernam ik op gansch veranderden toon, want ik zag dat zij al haar zelfbeheersching noodig had om niet in snikken uit te barsten. Ik stond op, ging naar haar toe en wilde hare hand nemen, maar nu rees zij op, als door een electrieken schok getroffen; er kwam weer kleur op de marmerbleeke wangen, en de oogen vonkelden van toorn terwijl zij sprak:

»Ik wil van u niet gecureerd worden; mij scheelt niets; ik ben wel zóó als ik ben, Verspil uwe nobele kunst niet aan zoo’n avontuurlijk, zoo’n onhebbelijk schepsel als gij in mij meent te zien,”

»Moet ik u dan niet zien, Francis, zooals gij zelve goedvindt u te toonen? Maar gelukkig bedrieg ik mij niet zóó zeer in u, als gij denkt; ik zal uwe genezing beproeven ondanks u zelve; wilt gij, dat ik u de uitlegging zal geven van de ergerlijke scène die gij in mijn bijzijn aan die heeren hebt vertoond?”

Zij haalde even de schouders op en bleef zwijgen.

»Het is deze,” ging ik voort: »gij hebt aan mij willen zeggen: »Gij wilt hier blijven om Majoor Frans te leeren kennen, zoo zal ik hem u toonen in al zijne grofheid en onbehagelijkheid, en dan zullen wij zien, hoelang gij dat uithouden zult;” en daarop, freule Mordaunt, is mijne houding van dit oogenblik. Gij zult het weten dat ik u doorzie, dat ik mij niet laat afschrikken door het ruwe masker dat gij goedvindt voor te doen om… de oorspronkelijke trekken uit te vinden, die… ongetwijfeld liefelijker indruk zullen maken,” wilde ik er bijvoegen. Dan… zij liet mij niet uitspreken; ze stampvoette van ergernis, terwijl zij inviel:

»Een masker! ik een masker! men moet maar uit den Haag komen, waar men zich zeker nogal druk maskeert, om mij zulk een verwijt te doen! Voorwaar, Jonker van Zonshoven! achterdocht die onder alles list wil zoeken is geene scherpzinnigheid; de uwe maakt hier al eene heel droevige figuur. Mij, die voor goed gebroken heb met alle sociale huichelarij, en die daarom als met vingers word nagewezen, mij, wier grootste fout het is, of wellicht wier beste hoedanigheid (ik kan het niet uitwijzen) om er alles maar uit te flappen wat mij invalt, als er iets is wat mij ergert of treft, wie het altijd heeft ontbroken aan datgene wat men in de wereld tenue noemt, mij, mij te betichten van een mom voor te doen! en dat nog wel op een oogenblik, waarin ik, gloeiend van toorn en ergernis, aan die heeren zeg waar het op staat, zonder menagement! Ik geef toe dat ik in uwe tegenwoordigheid geene oorzaak vond om mij in te houden; wij waren immers zoo goed als en familie, en het kwam mij hoog noodig voor, dat gij u niet zoudt vergissen in de gehalte van ons personeel.”

»Ziet gij wel!” viel ik glimlachend in, »dat ik niet zoo erg mis zag, en dat gij uws ondanks ten slot te toch tot de bekentenis komt, dat ik de waarheid tartte, toen ik beweerde dat er opzet lag in de hagelbui van gros mots, en dat gij de kreten uwer ergernis eenige noten hooger stemdet dan absoluut noodig was, om die twee verdeemoedigde mannen de les te lezen, het al met de bedoeling om een derde op de vlucht te drijven of . voor goed te terrifieeren! Wees oprecht, Francis, vindt mijn argwaan uit, of ligt deze opvatting voor de hand?”

Tevergeefs trachtte ik haar aan te zien,; terwijl ik sprak; zij wendde het hoofd af, en toen ik zweeg om haar antwoord te hooren liep zij knorrig, terwijl zij haar stijgend ongeduld op den poot van de tafel wreekte:

»Ik merk het niet voor het eerst,— gij kunt lastig zijn en onaangenaam als gij er u op toelegt”

»Ik geloof het zelf, maar eene uitvlucht is geen antwoord, Francis! ”

»Nu ja, dan, ja! het is waar; ik had u liever zien heengaan, om bestwille; maar geloof niet, Leo! wat gij ook van mij hoort of ziet, dat ik arglistig ben, en eene rol speelde. Ik was wat ik mij toonde toen ik dat standje maakte: woest, boos en gloeiend van verbittering; ik heb mijne luimen, dat weet ik wel; maar ik doe niets om te schijnen wat ik niet ben, dat zou mij slecht afgaan; ik wil in alles mij zelve zijn, in ’t kwade en ook in ’t goede; want ik mag niet erger van mij zelve spreken dan de waarheid is; ik heb ook wel goeds, ik heb dit goeds dat ik niet valsch ben, en toch is er zooveel tegenstrijdigs in mij, dat ik er zelve over verbaasd sta. Zie, Leo! ik heb nooit voor het gulden kalf van het decorum willen knielen (zij sloeg met de vuist op de tafel ter bekrachtiging van hare bewering), maar toch… als de lust mij beving, zou ik mij nog heel wel met uwe Haagsche dames kunnen meten, als het op kennis en ontwikkeling aankwam…”

»Daarvan ben ik overtuigd, Francis, en daarom…”

»Maar vernis en blanketsel zou ik mij nooit laten opleggen,” viel zij in; »evenmin zal ik aannemen, dat juist daarin de ware beschaving bestaat .

»Dat ben ik. geheel met u eens.”

»En ik wist mij toch wel als freule Mordaunt te doen erkennen, toen ik nog in de wereld ging, en zoo mij dat nu weer inviel, zou men mij niet moeten, verwijten, dat het maar eene vertooning was; want ik haat alle aanstelling als de pest; het zou dan alleen zijn: toegeven aan iets onweerstandelijks binnen in mij; zooals ik mij daareven aangedreven voelde door iets dat sterker was dan ik: om eens ferm den Majoor Frans te spelen in uwe tegenwoordigheid.”

»Maar hoe kan freule Mordaunt het dan zoo hoog opnemen, als men haar bij het woord vat, laat ik liever zeggen, als men invalt in den toon, dien zij zelve heeft aangegeven?”

»Dat treft mij niet van anderen, maar van u, en juist op dit oogenblik;— want ik kwam om bij u heul en troost te zoeken; van u, ik wil ’t wel bekennen, trof het mij als een bliksemstraal uit de heldere lucht.”

»Zoo oprechte bekentenis verdient volle absolutie,” sprak ik opgeruimd; »geef mij de hand ter verzoening.”

»Neen, Jonker! neen! daar zijn wij nog niet,” hernam zij fier. »Ik moet eerst weten wat ik aan u heb. Hoe het komt weet ik niet, maar ik heb er behoefte aan, niet door u te worden miskend. Als gij laag op mij neerziet, omdat ik niet ben als de anderen, zeg het dan maar in eens uit, dan weet ik waar ik op rekenen kan; maar, als ik bij u kom aankloppen, in het volle vertrouwen dat ik mijn hart eens kan uitstorten aan een vriend, teruggestooten te worden om… een gebrek in de vormen, dan voel ik mij bitter teleurgesteld, en dan vraag ik mij zelve af: heb ik mij weer vergist? is ook deze niet de betere van de soort? is ook deze een van die fatten, die bang zijn de punten hunner verlakte bottines aan het slijk te wagen, die schermen met groote woorden, maar klein en bekrompen zijn als het op handelen aan komt, die een heiligen afschuw hebben van gemeene woorden, grof linnen en vuile handen. maar er volstrekt niet tegen opzien iets laags en gemeens te doen, en die zelfs niet schromen zouden de blankheid hunner vingeren te besmetten door eene vrouw te soufiletteeren!” Nu was de beurt aan mij om van innerlijke woede te trillen. en het scheelde werkelijk niet veelof ik had aan eene geweldige uitbarsting daarvan toegegeven; maar intijds nog bedacht ik mij, en overwoog dat de bataille voor mij verloren was, zoo ik handgemeen werd met den Majoor op het terrein waar zij mij heenlokte

Na een oogenblik zwijgens viel ik in:

»Pardon, Freule! ’t Is voor mij moeielijk te berekenen wat gij in mij al of niet meent te zien. Ik kan alleen zeggen, dat ik zeer zeker niet behoor tot de specialiteit dáár door u geschetst. Als er kwestie is van eene vrouw die beleedigd wordt, zou ik de eerste zijn om den laaghartige te staan, die zich, op welke wijze ook. aan haar vergreep; dat kan ik u verzekeren. Ik ben de nakomeling van een man, die zich de rechterhand afkapte om de eer zijner dame te redden; iets van dat bloed vloeit nog wel in mijne aderen, en al zijn wij niet meer in de daden der reuzen en gedrochten, ik zou toch de ridderlijke beschermer kunnen zijn der zwakheid die mijne hulp inriep; ik zou de diepste meewarigheid kunnen toonen voor eene vrouw, die mij leed en last wilde klagen; ik zou haar die ik zag wankelen met vaste hand steunen en staande houden; ik ben niet van hen die vernis en blanketsel voor reinheid aanzien, en ik zou de paarle niet minachten om haar ruwe schelp; ik zou zelfs niet schromen mijne hand te besmetten, om deze uit het slijk op te rapen, als het zijn moest; maar, zoo ik mij niet bedrieg, is tusschen ons sprake van MAJOOR FRANS; Majoor Frans, die boos wordt als men hem aan het prerogatief der schoone sekse herinnert, omdat hij niet tot »de dames” wil gerekend worden, en die evenmin gelijkstelling wil met »de soort”, waartoe ik nu eenmaal het ongeluk heb te behooren; Majoor Frans, dat hybridische wezen, dat daar bij mij is komen invallen, nadat hij zoo pas twee beklagenswaardige wezens van »mijn soort” door zijn invectieven had neergeveld; en vraag dan u zelve, of het geen tijd werd dat de derde, die toch mee in de oorlogsverklaring begrepen was, den strijd opnam met eenigszins gelijke wapenen, om de nederlaag van de anderen te wreken en het heldhaftige personage de overtuiging te geven, dat hij… minstens zijn portuur zal vinden, als het er op aankomt, om elkaar zonder menagement de waarheid te zeggen I”

Onder ons gezegd, Willem! de majoor hield zich kras: zij oefende al hare zelfbeheersching om de verschillende indrukken, die zij bij mijn spreken onderging, niet te toonen; maar zij is te impressionabel om er niet alles van gevat te hebben wat ik bedoelde. Zij was opgestaan en scheen met de grootste opmerkzaamheid de gebroken glasruiten te bekijken, om zich eene houding te geven; eensklaps keerde zij zich nu om, met hoogen blos op ’t gelaat; maar er was geen toorn in den blik dien zij op mij vestigde, geene uittarting meer, al trad zij mij kloek en fier onder de oogen terwijl zij sprak:

»Ik moet zeggen, Leo! dat gij ferm afrekening gehouden hebt, en nu, mij dunkt, wij zijn quitte Zijn wij weer vrienden?”

»Ik verlang niet beter, maar dan moet ik ook weten wie ik vóór heb, anders komt er weer misverstand…”

»Lastig mensch! gij schenkt mij ook niets;” en zij stampvoette van ongeduld, terwijl zij het hoofd afwendde.

»Enkel uit voorzorg, geloof mij. Heb ik met Majoor Frans te doen? of… ”

»Nu, nu! Francis Mourdaunt vraagt uwe vriendschap!” en zij stak mij beide handen toe en hare oogen vulden zich met tranen, die niet langer waren te bedwingen.

Hoe gaarne had ik ze weggekust; hoe gaarne had ik haar aan mijn hart gesloten, en alles uitgezegd wat daar reeds voor haar sprak; maar het mocht, het moest niet zijn. Zij was opgeschrikt en ik had haar zien verbleeken, toen ik haar in den ochtend met zekere hartstochtelijkheid de hand kuste; ik mocht mijne aanvankelijke overwinning niet prijsgeven uit gebrek aan zelfbeheersching.

»Is het noodig te zeggen, Francis! dat gij reeds hebt wat gij vraagt? Zou ik het gewaagd hebhen tot u te spreken zooals ik deed, zoo ik niet een oprecht, een trouw vriend voor u had willen zijn?”

»Dat zie ik in, en daar heb ik behoefte aan. En nu, wil mij eens gul uit zeggen, of gij mij, ondanks alles, niet in uw hart gelijk geeft tegen grootpapa en den kapitein; en ziet gij, dat kwam ik u vragen. De wijze waarop gij het tegen mij opnaamt, bracht mij met mij zelve in strijd, en toch… het waren geen verwijten uit de lucht gegrepen, die ik hun deed, en het is werkelijk wat ik zie komen: de kapitein ruïneert zich voor ons, en mijn grootvader laat het zich aanleunen Dat’s ergerlijk, niet waar?”

»Zeer verkeerd, ik stem het toe.”

»Rolf teert van den hoogen boom. ik ben er zeker van; en als de generaal mij ontvalt, blijf ik levenslang met den kapitein opgescheept!”

»Levenslang! dat zou erg zijn.”

»Ja! heel erg, maar het kan toch niet anders, want als de man zich arm gemaakt heeft voor ons, dan spreekt het toch wel van zelf, dat ik hem niet verstooten kan; ik mag hem er eens meedreigen, als hij overmoedig is en meent dat wij hem niet missen kunnen, maar doen zal ik het nooit, al zie ik al het verdriet en bezwaar vooruit van8’ zoo’n blok aan het been. En nu vraag ik u, heb ik bij dat alles zoo groot ongelijk, dat ik eens boos word en uitbarst?”

»In den grond hebt gij gelijk; maar gij hebt groot ongelijk in den vorm.”

»Och kom! altijd met uwe vormen… ”

»Het spijt mij zelf dat ik weer la corde sensible moet aanslaan. »Ik ben niet van de leer que la forme emporte le fond, dat stel ik op den voorgrond; maar toch, eene vrouw die er zich zoo grof tegen vergrijpt, heeft ongelijk, al ware zij overigens nog zoozeer in haar recht.”

»Als ik het den kapitein niet eens duchtig zeg, baat het niets.”

»Ik heb niets tegen duchtig zeggen waar de verontwaardiging tot spreken dwingt. Maar wie ruw uitvaart, overtuigt zeer zeker zijne partij niet en beleedigt allereerst zich zelf; en zoo het eene vrouw is die in hare drift woorden uitflapt, die een fatsoenlijk man zich schamen zou in hare tegenwoordigheid op zijne lippen te nemen, dan heeft zij zich tegen hare eigene waardigheid vergrepen en moet er op rekenen dat zij met dezelfde munt betaald kan worden, die tij uitgeeft. Ik zou geen oprecht vriend zijn, zoo ik u hier niet waarschuwde. Verbeeld u eens wat het geweest zou zijn, zoo de kapitein u geantwoord had in de kazernetaal, die hij zelf zeker nog niet heeft verleerd?”

»Dat had hij eens moeten probeeren!”

»Het zou toch niets meer geweest zijn dan zijn recht. Meent gij dan het privilegie te hebben om tegen iedereen uit te varen zonder dat er la peine du talion op volgt? Dat bewijst minder cordaatheid dan ik in u wachtte; er maar op los te trekken als gij weet dat niemand u aandurft! ”

»Het komt mij voor,” sprak zij glimlachend, »dat gij uw best gedaan hebt om mij dien waan te ontnemen.”

»En daarom zeker hebt gij zooveel haast om mij weg te zenden, niet waar?”

»Neen Leo! ” viel zij gulgauw uit, en een blos overtoog haar gelaat; »dàt is het niet, geloof mij; dat niet; maar ik zie toch niet in, waarom gij u juist behoeft op te werpen als de wreker der verdrukte onnoozelheid van mijne vazallen, zooals gij ze noemt; en ik beken u ronduit dat het mij zeer zou doen, zoo gij alliantie maaktet met hen tegen mij; want in vollen ernst, ik ben hun slachtoffer, al schijnt de verhouding uiterlijk omgekeerd .”

»Dat heb ik reeds begrepen, Francis, en het is juist daarom dat ik nog hier blijf. Het is zeer verre van mij, het met hen eens te zijn. Aan uwe zijde is het recht en de gezonde, verstandige opvatting van het leven, dat men op de Werve behoort te leiden in uwe omstandigheden .”

»Nu, wat gij daar zegt doet mij goed; want ik beken u dat gij mij in strijd had gebracht met mij zelve, door dien blik van min achting dien gij mij hebt toegeworpen.”

»Die gold enkel de wijze waarop gij hier verbetering en hervorming meendet in te voeren; juist dat uitvaren is glad verkeerd.”

»Ik weet heel goed dat het niets helpen zal, wat ik ook doe of zeg. Daarbij, ik beklaag mijn grootvader te veelom hem al te groote ontberingen op te leggen; maar als de verkwisting met den dag stijgt, en waar ik weet dat ik zelve geen offers meer heb te brengen, omdat… andere plichten mij binden, dan is het niet te verwonderen dat ik eens uitval.”

»En toch zou ik u raden het eens op andere wijze te beproeven. Ik heb een vast geloof in de macht der zachte vrouwelijke overredingskracht; oefen die en zie eens wat zij zal uitwerken.”

»Tegen behoeften en hebbelijkheden die tot eene tweede natuur zijn geworden!” viel zij in met schouderophalen.

»Welnu, indien gij er niet veel mee wint bij hen, dan zult gij er toch groote winst van wegdragen voor u zelve, daar ben ik zeker van. Gij hebt mij zelf gezegd dat uwe opvoeding verwaarloosd is, niet zóó zeer toch of gij hebt Schiller gelezen.”

»Die Räuber,” viel zij ondeugend in.

»Dus niet zijne Macht des Weobes; niet het:

„Was die Stille nicht wirkt, wirket die Rauschende nie!”

Zij schudde ontkennend het hoofd.

»Dan is dit punt in uwe vorming althans verwaarloosd.”

»Dat ontken ik niet.”

»Maar c’est à refaire; mag ik er u op wijzen en zult ge naar mij luisteren?”

»Zeker, als gij Schiller reciteert, en vooral, als gij goed voor draagt.”

»Ik zal mijn best doen.”

»Maar nu niet, want ik heb u al veel te lang opgehouden, en… en… gij blijft nu toch hier?”

»Zoolang gij mij houden wilt, Francis!”

»Blijf zoolang gij zelf kunt, als maar hetgeen gij hier waarneemt u niet al te veel tegen de borst stuit.”

»Ik zal de cotte de mailles van mijn voorzaat te baat nemen, om daartegen geharnast te zijn.”

»Goed zoo; dus tot het naaste uurtje rustig samenzijn! Ik ga paard rijden; ik moet frissche lucht en beweging hebben.”

»Apropos! en de dienst dien gij mij te vragen hadt?”

»Och, ik kan er wel buiten: het was maar… de kapitein wilde mij eene rijzweep present doen, en…”

»En die zoudt gij liever willen aannemen van mij, niet waar?” vroeg ik lachend.

»Neen, neen! Zóó is ’t niet gemeend. Ik zou graag tien gulden van u leenen, als gij ze missen kunt; over een paar dagen heb ik zelve weer geld.”

»Is ’t gedecideerd dat ik u geen cadeau mag doen vandaag, bij wijze van souvenir?”

Zij gaf een beslist »neen” ten antwoord. Toen reikte ik haar mijn portemonnaie, en zij nam er uit wat zij goedvond.

Eene kluchtige uitkomst van den geleverden slag, niet waar? Maar het komt mij toch voor dat ik terrein heb gewonnen


Daar ik ook behoefte gevoelde aan frissche lucht, en de lust tot schrijven mij voor ’t oogenblik vergaan was, besloot ik mijn biljet aan Overberg zelf naar de brievenbus te brengen, indien het bleek, dat er zoodanige inrichting op het dorp bestond, Beneden vond ik den generaal ook gereed om uit te gaan, en op mijne vraag. waar men hier de brieven bezorgde, bood hij mij aan met mij op te wandelen. Het ging de rechte, breede laan door, en wij bereikten den straatweg die door het dorp liep. Aan een van de eerste huizen bevond zich de brievenbus van het hulpkantoor, dat door een der functionarissen van de gemeente werd geadministreerd. Von Zwenken moest er zelf heen, want hij had een brief te bezorgen (ook aan den Overberg denk ik) dien hij liefst aan de opmerkzaamheid van Francis onttrok, zooals hij mij zeide. Hij hoopte daarbij een pakket te vinden, dat hij zelf moest afhalen en dat ook werkelijk werd overhandigd; maar het scheen niet aan zijne verwachting te beantwoorden, want toen hij het met zekere zenuwachtige haast had geopend, stak hij het met eene beweging van verdriet en teleurstelling in zijn zak en zuchtte diep. Bij het terugwandelen meende hij zich daarover eenigszins te moeten verklaren en deed mij verstaan, dat het onnoodig was er met Francis over te spreken. »Ik heb zoo mijne eigene zaken, die buiten haar moeten omgaan, want zij zou er toch niets van begrijpen en het denkelijk niet met mij eens zijn, en nu gij haar reeds kent in hare eigenaardigheden, zult gij het natuurlijk vin den dat ik liefst discussies met haar vermijd. Op mijn leeftijd, en als men de rust lief heeft… gij verstaat mij?”

»Heel goed, maar Francis is toch te verstandig om altijd zoo door te draven.”

»Ja, zij heeft gezond verstand, dat is waar, maar als zij eene opvatting heeft en haar grand cheval de bataille bestijgt, dan hebt gij zelf gezien hoe zij er op voortholt door dik en dun, zonder na te denken wien zij er mee kwetst of bespat. ’t Is toch heel natuurlijk dat de kapitein, die zijn heele positie aan mij dankt, eenige attenties voor mij heeft, en gij hebt gehoord hoe averechts zij dat opneemt Zoo is het met alles; in plaats van mij dank te weten dat ik mij om harentwille in deze woestijn heb geretireerd, doet zij niets om mij hier het leven dragelijk te maken. Ik heb nog vrienden genoeg, die hier graag nog eens een dagje wilden komen passeeren, maar freule Mordaunt schrikt ze allen af sinds de kapitein hier is. Zij is zeker bang dat hij zich vergrijpen zal tegen den goeden toon.”

Er was iets pijnlijks in de machtelooze bitterheid van dien grijs aard; maar wekte hij mijn medelijden, mijne achting won hij niet: ik voelde te zeer waar het haperde en hoe zijne voorstelling juistheid miste. Liever dan met zijne klachten over Francis, in te stemmen, beproefde ik eene afleiding te maken.

»De Werve ligt toch in eene heerlijke streek, oom!”

»Dat geef ik u toe, en het is voormaals eene mooie possessie geweest, maar als men niet eigenlijk zin heeft voor het landleven en van alle jachtvermaak moet afzien, zooals ik, den winter en zomer blijven moet en geen rijtuig kan houden, dan is men tot het uiterste isolement gedoemd. Het dorp zelf biedt niet de minste ressources; te voet kan men niet in de stad komen, en de om liggende plaatsen zijn allen veel te verwijderd om er eenige con versatie mee te houden; daarbij met Francis en in mijne veranderde positie zou dat ook niet best gaan.”

»Om de waarheid te zeggen, oom! verwondert het mij eenigszins dat gij u niet van dat oude kasteel ontdoet, sinds gij toch geen smaak vindt in het landleven en de gelegenheid mist om partij te trekken van de gronden.”

»Voor dat laatste, beste jongen, moet men geld hebben, veel geld, waaraan het mij altijd heeft ontbroken en wat het eerste betreft, dat zou ik graag willen, want ik kan beter en goedkooper wonen in de eene of andere kleine stad; maar er zijn voor mij ontzaggelijke bezwaren verbonden aan den verkoop van dit goed; ik zou er eene enorme som voor moeten vragen, omdat het, onder ons gezegd, nogal bezwaard is, en niemand kon er veel voor geven, daar ik door allerlei tegenspoed de bezittingen deerlijk heb moeten verbrokkelen. Iemand die een kasteel koopt. met zijne heerlijke rechten, wil tegelijk bezitter worden van de bosschen, van de omliggende gronden, en ik ben daarvan niet meer de eigenaar.”

»Mogelijk zou iemand die in de nabijheid zijne eigendommen had er nog wel toe komen kunnen om u bijzonder voordeelige condities toe te staan.”

»Hm! gij zegt daar zoo wat. Mijne schoonzuster heeft eenige jaren geleden het groote buitengoed aangekocht de Runenberg genaamd, vlak bij de uiterste grens gelegen van hetgeen eens het mijne was, en zij heeft mij toen een dergelijk voorstel laten doen, dat ik verworpen heb uit familiehaat, uit zucht om haar te contrarieeren, en allermeest omdat ik het denkbeeld niet verdragen kon voor háár, juist voor háár plaats te moeten maken.”

»Dat bezwaar is nu althans uit den weg geruimd.”

»Ja, Goddank! Maar gij weet niet, wat ik van die nabuurschap geleden heb. hoewel zij zelve zich nooit op haar landgoed heeft vertoond; maar zij had hare handlangers, die al ras begonnen met twist te zoeken over de rechte grensscheiding; er ontstond een proces uit om het bezit van een handbreed land, waar wij geen van beiden iets aan hebben, dat mij duizenden heeft gekost. Het: spreekt vanzelf dat zij het won, de slimme feeks; en toen het eens uitgemaakt was, begon zij nieuwe chicanes te maken en betwistte mij het recht van overtocht over een bruggetje dat tot het strookje land in kwestie had behoord tot algemeen nut en gebruik, maar door haar als uitsluitend eigendom van den Runenberg werd gemijnd. Opnieuw moest er met procureurs en advocaten gebesogneerd worden, maar tot een proces kwam het ditmaal niet, daar ik al te zeer geplunderd was om het tegen haar vol te houden; maar weer behield zij het veld, en al wat hier rondom de Werve woont heeft er den last van, want wij moeten nu een verren omweg maken om te bereiken wat vroeger door die brug nabij lag. Zoo is ’t met alles gegaan, en zij heeft in alles gezegevierd. O, dat wijf! dat’s de kanker die mijn leven heeft verteerd.”

»Maar indien zich nu iemand opdeed, die hare rechten had verkregen op de aangrenzende bezittingen… ”

»Gij meent op den Runenberg? Dat zou haar erfgenaam moe ten zijn! Hebt gij reden om te denken dat deze lust zou hebben het kasteel met zijn toebehooren, zooveel en zoo weinig als het nog is, onder de hand van mij te koopen?” vroeg de generaal, en er kwam leven en gloed in zijne doffe oogen, toen hij die vraag deed.

»Overberg, die wist dat ik hier heen ging, heeft mij opgedragen u te verwittigen dat er weldra gelegenheid zal zijn om de Werve op het voordeeligst over te doen.”

»Over te doen! Dus onderhands, zooals met de boerderij, dat hij ook voor mij heeft bered! Want om redenen kan er van publieken verkoop geen kwestie zijn.”

»Dat meent Overberg ook; de vraag is maar, of gij tot het eerste zoudt kunnen besluiten.”

»Ik! Wel, van ganscher harte; maar Francis… dat is wat anders! Zij hecht aan dit oude rattennest, aan familie-tradities, aan de Hemel weet wat, tot zelfs aan de heerlijke rechten, die God betere ’t, in niets meer bestaan dan den titel, en waarvan zij zich nog heel wat voorstelt. Zij heeft zich in ’t hoofd gezet eenmaal vrijvrouwe van de Werve te zijn, en ’t is hare illusie die leelijke oude cavalje nog weer eens een goed aanzien te geven.”

»Dat’s toch zoo.n kwaad voornemen niet.”

»Neen! Maar zij heeft nooit goed gevonden het eenige middel aan te grijpen om tot de fortuin te komen waardoor zij dat ideaal zou kunnen verwezenlijken. Zij heeft indertijd maar te kiezen gehad uit menige goede partij, maar zij heeft al die kansen licht zinnig verachteloosd. Nu, bij de afzondering waarin wij leven, zal er wel niets van een huwelijk komen. En toch obstineert zij zich om de toekomstige ruïne met beide handen vast te houden of er een schat in verborgen lag.”

»Maar gij zijt immers zelf heer en meester van ’t kasteel en hebt hare toestemming niet te vragen.”

»Rechtens niet, dat is waar, maar er zou geen huis met haar te houden zijn zoo ik dat deed. Daarbij, zij heeft wel recht om er in gekend te worden. Ziet gij, neef! toen zij meerderjarig was geworden, moest ik er voor uitkomen dat een goed deel van haar moederlijk vermogen nog bij ’t leven van hare ouders als tot niets was gereduceerd. Dat was mijne schuld niet, Sir John Mordaunt hield van eene schitterende leefwijze en had zijn huis ingericht op Engelschen voet, zonder Engelsch geld, want hij was maar een tweede zoon, en zijn pensioen als marine-officier was niet toereikend. Even voor zijn dood echter was er een oud oom gestorven, die aan Francis voor haar naam een niet onaanzienlijk legaat had toegekend; ware zij een zoon geweest. dan zou de geheele schitterende fortuin van den ouden baronet met landgoederen en tot den titel toe haar ten deel zijn gevallen; nu waren eenige honderden ponden sterling al wat zij kreeg. Eer mijn schoonzoon nog tijd had gehad om over dat geld te beschikken, stierf hij aan eene beroerte. Ik werd voogd; maar de toeziende voogd, die er zich op scheen te zetten om het mij lastig te maken, nam een procureur in den arm, die met den code in de hand mij verplichtte om alles wat Francis toe kwam, van haar legaat zoowel als van de niet veel beduidende ouderlijke nalatenschap, op het Grootboek te plaatsen, eene zekere, dat wil ik wel toegeven, maar toch eene zeer schraal renderende plaatsing voor onzen tijd. Ik genoot de renten voor de opvoeding en het onderhoud mijner kleindochter, die meer dan dat kostte, omdat zij de caprice had den geheelen stoet bedienden van het huis haars vaders, zijn stal en equipage aan te houden, en ik, die met haar leven moest, te zwak een voogd was om de zeventienjarige iets te weigeren, wat zij met zulk eene vastheid van wil doorzette. Eindelijk bij hare meerderjarigheid en toen het mij door allerlei tegenspoed zeer slecht gegaan was, reduceerden wij onze huishouding tot het strikt noodige, naar mijn rang en positie, zooals vanzelf spreekt. Maar een aller noodlottigst samentreffen van omstandigheden maakte het noodig dat ik op eens over eene groote som gelds kon beschikken om eene gapende wonde te dekken, die, openlijk blootgelegd, ongeluk in schande zou hebben verkeerd, en mij verplicht zou hebben reeds toen mijn ontslag te nemen. Francis is heftig en eigenzinnig, dat is waar, maar zij heeft een grootmoedig karakter en een liefderijk hart voor lijdenden. Zij zelve bood mij aan, zooveel noodig mocht zijn van haar vermogen los te maken om de dreigende ramp te voorkomen. Ik moest aannemen, ik kon niet anders; maar ik nam aan als een voorschot, als een schuld die ik eenmaal hoopte te voldoen en waarvoor ik haar bij mijn over lijden het bezit van de Werve toekende.”

»Maar… zij is immers uw eenig kleinkind; volgt dat dan niet vanzelf? Of… ik meen gehoord te hebben dat gij een zoon hebt gehad, generaal! Is die gehuwd en heeft die kinderen?”

»Mijn zoon is… dood!” bracht de generaal uit met haperende stem. »Hij is nooit getrouwd geweest daar ik van weet; hij heeft althans nooit mijne toestemming tot een huwelijk gevraagd noch verkregen, en zoo hij kinderen heeft nagelaten, zijn het bastaards niets dan dat!”

» Waarom dan die voorzorg, beste oom? Verschoon mij de vraag, die wellicht onbescheiden is, maar uit be1angstelling in Francis wordt gedaan.”

»Juist om de schuld die ik aan haar heb en waarvoor de Werve haar borg is. Na mijn dood zullen mijne schuldeischers het kasteel niet kunnen verkoopen zonder dat ze met Francis te rekenen hebben.”

Ziedaar waarop tante Sophie zelve zeker niet had gerekend. De straf die zij von Zwenken toedacht, zou dus eigenlijk op Francis worden toegepast.

»Gij begrijpt dus wel,” ging de generaal voort, daar ik zweeg, »dat ik bij mijn leven het kasteel niet verkoopen kan zonder hare toestemming, tenzij ik begon met dat geld terug te geven; en als dat zijn moest zou de geheele verkoop mij niet veel baten.” De jammerlijke egoïst zag er dus niet tegen op zijne klein dochter ganschelijk te berooven, als zij zelve maar in die plundering wilde toestemmen. Welk een man! En dit alles onder fijne vormen en eene bonhomie waarvan de scherpzinnigste dupe moest zijn. Was het wonder dat Francis zoo weinig menagement had voor de vormen, daar zij veel te helder zag om niet te weten wat er onder kon schuilen?

»En draagt Overberg kennis van die overeenkomst tusschen Francis en u?” vroeg ik.

»Neen; er waren redenen waarom ik bij die gelegenheid iemand anders gebruikte. Mijn testament ligt bij een notaris te Arnhem.” »Maar vreest gij niet dat uwe kleindochter bedrogen zal uit komen bij uw overlijden, sinds gij mij mededeeldet dat het kasteel bovendien nogal” bezwaard is?”

»Wat zal ik u zeggen, mon cher! nood breekt wet, en ik heb altijd nog hoop mijne fortuin te redresseeren eer het zoo ver komt.”

Zijne fortuin te redresseeren op zijn leeftijd! Waarmee dacht de man dat te doen? vroeg ik mij zelve af; maar ik herinnerde mij het pakket, ik had even een blik op den inhoud kunnen werpen: het schenen lijsten, loten, vermoedelijk van eene buitenlandsche loterij. Als de ongelukkige daarop zijne hoop bouwde en daarvoor de weinige hulpmiddelen veil had, die hem nog ten dienste stonden, dan was het toch wel ver met hem gekomen, dan was het niet eens meer slim beleid— dan was hij tot idiotisme gezonken.

»Neef!” sprak hij op eenmaal met levendigheid, of hij een lumineusen inval kreeg, »als het waar is dat Overberg met mij over den verkoop van het kasteel wil onderhandelen, zou het niet kwaad zijn zoo gij Francis eens op het chapitre bracht en haar polste hoe zij er over dacht. Het komt mij voor, dat gij wel eenigen invloed hebt op haar. Wij zouden een heel eind gevorderd zijn zoo gij haar wist te bewegen om van dat idée fixe af te zien.”

»Ik beloof het u, oom! dat ik met Francis spreken zal over die zaak!”

»Gij kunt nog als argument aanvoeren, dat het gezelschap van den kapitein mij minder noodzakelijk zou zijn, als ik eens in eene plaats gevestigd was, waar ik wat conversatie had.” Gelukkig behoefde ik niet te antwoorden: wij waren bij het huis; de bel luidde voor het tweede ontbijt, de kapitein zelf kwam ons gulhartig te gemoet. Francis was nog niet terug; wij gebruikten het luncheon zonder haar.

Eerst bij het diner verscheen zij weer. Zij was gekleed in een grijze japon, even eenvoudig van fatsoen als van kleur maar die haar keurig zat; hare elegante taille kwam er goed door uit, en zij droeg een smal linnen boordje; het verkleurde sjaaltje was vervangen door een zwart fluweel lint. Het haar ook was met zekere zorg opgemaakt; het was of zij mij stilzwijgend wilde te kennen geven, dat majoor Frans voor Francis Mordaunt had plaats gemaakt. Al was het maar tijdelijk, mij gaf het eene gewaarwording van triomf of ik den slag van Nieuwpoort had gewonnen, en nooit, Willem, heeft een damestoilet mij met zooveel stille verrukking bezield als het echt vrouwelijk grijze kleedje en dat simpele boordje van Francis! Maar was het in de bewustheid dezer belangrijke concessie of uit eenige andere oorzaak, die ik niet doorgrondde, het scheen of zij nu ook de vrije, luchtige manieren van majoor Frans had afgelegd en iets van hare vroegere onbevangenheid miste, althans tegenover mij. Zij was stil en in zich zelve gekeerd, viel niet uit tegen den kapitein, die haar met hondendeemoed naar de oogen zag, en betoonde zelfs zekere meewarige goedwilligheid jegens den generaal, die echter wat strak en distrait bleef en alleen met zijne gewone verfijnde gulzigheid het enkele fijne schoteltje savoureerde, dat ditmaal op tafel kwam. Het was zeker tusschen Francis en den kapitein tot eene wapenschorsing gekomen, waarbij de preliminairen voor den vrede waren gesteld; aanvankelijk was er aan haar eisch tot vereenvoudiging voldaan; wij teerden heden op de resteerende vleezen van den vorigen dag, met eene voldoende hoeveelheid spinazie en een extraatje voor den generaal, die geen aanmerking maakte toen de fijne wijn achterbleef, maar zich nu op de kwantiteit wreekte en met meesterlijke gemakkelijkheid voor zoo’n bleek en schraal personage een paar flesschen naar binnen sloeg, zonder dat men het hem aanzag. Zoo’n stille, taaie opeter, die niet eens de franchise had van zijne lage ondeugd, zooals de kapitein,— die er gul voor uitkwam dat hij geen hooger genot kende dan het tafelgenot, dat hij voor zijn buik leefde, boezemde mij een afkeer in, die tot walging steeg, als ik dacht aan ons gesprek op de wandeling.

De gelegenheid om een afzonderlijk woordje met Francis te wisselen, werd mij aan tafel niet geschonken en toch had ik behoefte haar iets te zeggen van den indruk, dien haar lief toilet op mij maakte, wat tegenover eene andere vrouw eene impertinentie zou zijn; want een compliment te maken over hare kleeding op een bepaalden dag is immers het bewijs, dat men eene uitzondering constateert; maar tegenover Francis, die zelve hare gewone achteloosheid op dit punt had erkend, kon de courtoisie, kon het welgevallen zich uiten zonder gevaar.

Toen zij opstond, geneerde ik mij ook niet tegenover de oude heeren, weigerde de sigaar en volgde haar onverwijld naar het salon; maar ook de kapitein was gevolgd, en nu, over een stoel leunende vroeg hij ootmoedig:

»Wat zegt mijn majoor nu; heb ik geen pluimpje verdiend?”

»Welzeker,” gaf zij ten antwoord, maar haar gelaat betrok. Ik vatte waarom.

»Eilieve, kapitein!” nam ik de vrijheid halfluid tot dezen te zeggen, »begrijpt gij niet hoezeer het mijne nicht ergert dat gij haar altijd met dien gehaten bijnaam aanspreekt? Ziet gij niet hoezeer zij eene freule Mordaunt is, van hare elegante chaussure af tot de toppen der fijne vingeren toe, als zij zich zelve wil zijn.”

»Och, ik ben ook een domkop om daar niet beter op te letten; maar ’t is waarheid wat gij zegt, jonker! Excuseer, freule! de gewoonte, de ingeroeste gewoonte!”

»Gij en ik moeten met onze gewoonten breken, kapitein!” sprak zij zacht, doch met nadruk; »want wij zijn op den verkeerden weg; is het niet zoo, jonker?”

»Excuseer mij, freule! dat ik u dit niet kan toestemmen; reeds de erkenning daarvan is een stap vooruit;” en naar haar toegaande, fluisterde ik haar in: »Mag ik u gelukwenschen met uwe gracieuse metamorphose?”

»Gelukwenschen? Neen!” hernam zij ras en zacht, »want ik voel mij niet thuis in mij zelve, en in gêne ligt het geluk niet.”

»Mag ik een woordje spreken, eer de freule met den jonker philosopheeren gaat?” viel de kapitein in; »als de generaal er bij is, kunnen wij er niet over praten. Hoe denkt de freule over het vieren van den verjaardag; ik had mij voorgesteld dat het ditmaal eens recht luisterrijk zou zijn; maar als ik hoor van een verkeerden weg en van veranderingen en zulk gesnor, dan word ik haast bang dat mijn plannetje in duigen zal vallen.”

»Een plannetje, een verjaardag! Wie is er dan jarig?” vroeg Francis in verstrooiing.

»Wel, de generaal overmorgen! Hij wordt zes-en-zeventig, en ik dacht zoo, de freule zal dat aardig vinden; maar van ochtend hadden mijne preparatieven al zoo weinig succes, dat…”

»O zoo, dat was het dus?”

»Juist dat, en nu de jonker blijft, hebben wij ten minste één gast meer!”

»Ga nu in ’s Hemels naam uw gang, Rolf! Grootpapa moet gefêteerd worden, daar hebt gij gelijk in, maar nu…”

»Poets ik hem, dat spreekt vanzelf,” zei Rolf opgeruimd, en tot zijne eer zeg ik het, hij bleef ook niet langer aarzelen of om ons heendraaien toen hij eens carte blanche had voor de feestviering; maar schoof zorgvuldig de porte-brisé achter zich toe, als om ons van de eetzaal te isoleeren… Ik trok een lange tabouret naar mij toe, en ging tegenover Francis zitten, die het hoofd op de canapé liet rusten in diepe zwaarmoedigheid.

»Gij wilt niet van geluk hooren, Francis! Gij klaagt van gêne,” sprak ik zacht, »dat grieft mij; het was mij waarlijk niet te doen om u somber en ontstemd te zien; is het u dan in ernst zoo groot een dwang, om u te toon en wat gij inderdaad zijt: eene vrouw, eene beminnelijke vrouw?”

»Ik weet niet wat gij beminnelijks in mij zien kunt, jonker van Zonshoven! want ik voel mij stijf en gedwongen, en dat is zeker niet de conditie om te behagen.”

»Ik merk ook wel dat gij u daar niet op toelegt. Wat misdaad heb ik gepleegd. Francis! dat ik op eens jonker van Zonshoven voor u geworden ben, en het gemeenzame Leo verbeurd heb?”

»Het eene hangt samen met het andere: als ik u gulweg Leo noem, dan verval ik al heel licht tot mijne gewone wijze van zijn, en ik ben niet zeker dat er dan niet eens een uitval volgt, die…”

»Gij zijt in eene plaagzieke luim, Francis! gij wilt het mij doen berouwen, dat wij Majoor Frans op den achtergrond hebben gezet.”

»Neen, dat’s mijne intentie niet, want ik geef toe dat hij daar blijven moet; alleen ben ik niet zeker, dat hij niet telkens weer op den voorgrond zal komen, want ik moet u ronduit zeggen, Leo! kostschoolmanieren heb ik nooit kunnen aannemen!”

»Maar hoe komt het in u op dat ik die van u zou wachten of eischen. Oneindig liever Majoor Frans! in zijne ruwe oorspronke lijkheid!”

»Onder privilegie van hem tweemaal daags zonder menagement de waarheid te zeggen,” viel zij in, maar zonder den glimlach die de scherts temperde.

»Zelfs dat, als ’t niets anders zijn kon, zou nog gezonder zijn voor geest en gemoed van beide partijen, dan de dampkring van aanstelling, namaak, onnatuur en geconfijte huichelarij, van datgene wat men kostschoolmanieren noemt.”

»Dat’s gezegend dat gij dit zoo inziet, Leo!” viel zij in, gelukkig weer in haar ouden gemeenzamen toon; »want al wilde ik het beproeven, ik zou het toch niet kunnen volhouden; het strijdt te zeer met mijne natuur. Ik ben geen poesje, zooals die allerliefste nufjes, die zoo glad en zoo fijn voor den dag komen, niet dan fulpen pootjes toonen, kopjes geven en zoetelijk streelen, maar die boosaardig en valsch zijn, en die de nagels uitslaan als men dat het minst verwacht. Ik ben ook geen slanke hazewind, die zich tot kunstjes laat africhten en voor iedereen opzit; ik ben een eerlijke trouwe wachthond, die luid kan blaffen en ferm de tanden laat zien, maar die… ” Zij zweeg in zekere verwarring, verlegen hoe de phrase te voltooien zonder zich in den strik te werken.

»Die gehecht is aan zijn meester, moet er op volgen, Francis! anders komt de vergelijking niet uit.”

»Nu, goed, als hij een meester gevonden heeft, en… en… daar ben ik gelukkig nog niet.”

»Gelooft gij dat, Francis?” vroeg ik, haar zacht, maar doordringend in de oogen ziende.

»Zeker, zeer zeker; het is zooals ik zeg,” en met fierheid wierp zij het hoofd in den nek, onder een hoogen blos; toch hield zij mijn blik niet uit, toen zij voortging met al de heftigheid die uit innerlijken strijd voortkwam: »Ik wil geen meester erkennen, Leo! nooit, nooit, geloof dat. Ik wil mijne vrijheid, mijne onafhankelijkheid bewaren, ik moet het… als gij meer van mij wist, zoudt gij de eerste zijn om dat toe te stemmen.”

»Laat mij dan van u weten wat er noodig is om dat met u eens te zijn,” drong ik.

»Ja, ja, dat zult gij zeker, maar niet nu, niet hier; ’t is in dit vertrek duf en dompig: ik heb een gevoel van angst en beklemdheid of ik hier stikken zou; ik moet de vrije lucht in,” en met een afwerend gebaar, toen ik haar wilde tegenhouden, was zij in een wip de kamer uit.

Dat was mijn geluk, want ik was op het punt om, weggesleept door mijn gevoel, haar op mijne knieën te smeeken mij tot haar heer en meester te verheffen, en ik zou mogelijk duur geboet hebben voor die voorbarigheid.


Als Francis de lucht in ging, was er voor mij geen reden om thuis te blijven; ik nam mijn hoed en steeg langzaam het perron af, in ’t onzekere welken weg ik zou nemen, toen Frits, die naast een der aloë-vazen stond te droomen, mij met een leuk gezicht vertelde, dat de freule in den tuin was: ik volgde die aanwijzing en trof haar op het punt om door de tuindeur weg te sluipen.

»Mag ik u vragen waar dat heengaat, genadige vrijvrouwe?” sprak ik schertsend.

»Naar de ruïe om de zon te zien ondergaan! ’t Is een heerlijke lente-middag; heeft jonker van Zonshoven lust om mee op te wandelen?”

»Het was, meende ik, de afspraak dat wij die samen zouden gaan zien. Wilt gij mijn arm?”

»Nog niet; wij hebben eerst nog een lastig eind weg en moeten zien heen te komen door struik en heg, door dik en dun, eer wij het mooie effene zandpad krijgen dat er heenleidt; maar dan kunnen wij gezellig praten.”

»Zij had gelijk; in ’t eerst was het geene wandeling, het was slechts eene worsteling met allerlei hindernissen, door de natuur gesteld en waar de hand des menschen zich niet verledigd had iets tegen te doen. Daar was een gemakkelijke weg naar de ruïne als men de voorpoort van ’t kasteel uitging, maar het was een wijde omweg en Francis hield van recht op haar doel af te gaan; zij hield evenzeer van het strijden met bezwaren, als zij van het gladde, gebaande pad ze keren instinctieven afkeer had. Ik plaagde haar met deze neiging, die ze ook in ’t gewone leven toonde, en kon mij niet weerhouden haar te waarschuwen, dat hier zeker de oorzaak lag waarom zij door velen zoo geheel verkeerd werd beoordeeld.

»Daar weet ik alles van,” gaf zij ten antwoord met een minachtend schouderophalen, »maar daar is niets meer aan te verhelpen, dat’s een gevolg van mijn kwajongensnatuur. Ik laat me nooit onder één lijntje brengen met anderen, daar kunt gij staat op maken, tres cher cousin!”

»Dat zou ik ook waarlijk niet verlangen; gedwongenheid waarbij uwe levendigheid, uwe opgeruimdheid moest ondergaan, zou u al heel slecht passen; als gij mij .maar vergunt zeker personage tot de orde te roepen als hij in zijne onbesuisdheid freule Mordaunt te kort zou doen.”

»Gij schijnt er aan te hechten,” sprak zij met een zacht hoofd schudden,— »aan die freule Mordaunt; maar wij zullen zien. Daar hebben wij nu het gemakkelijke zandpad, en wij kunnen rustig voortwandelen…”

Zwijgend bood ik haar nu mijn arm, dien zij nam, terwijl zij aanving:

»Men zegt van mij, dat mijne opvoeding verwaarloosd werd, dat is in eigenlijken zin niet waar. Ik ben gansch niet in ’t wilde opgegroeid. Men heeft zelfs zeer veel werk gemaakt van mijne vorming; maar juist die leiding heeft mij ontbroken, waaraan ik de meeste behoefte had, want ik ben opgevoed als een jongen! Zooals gij reeds gehoord hebt, overleefde mijne moeder slechts weinige dagen mijne geboorte; zij althans heeft geen schuld aan ’t geen men tegen mij heeft gepleegd. De zuster van Rolf, slachtoffer eener lage verleiding, en ongehuwde moeder, maar overigens eene flinke, eerlijke boerendeern, werd mijne min. Haar kindje was gestorven, en al wat er van moederlijke liefde in haar hart school, werd op mij overgebracht. Ik was haar kind. Zij verstond het niet anders. Ook is zij mij bijgebleven tot haar dood, toen ik reeds geen kind meer was. Maar hare liefde was toch eene andere dan zij aan haar eigen kind zou hebben betoond. Onze vrouwen uit den boerenstand plegen geene zwakke moeders te zijn; en zij was dat voor mij. Zij gaf mij in alles mijn zin, en haar argument voor die toegevendheid was altijd dat er geen mensch in de wereld was als zij om mij lief te hebben. Dat was overdrijving; want grootpapa, die destijds met mijn vader hetzelfde huis bewoonde, hield van mij, hoewel het maar al te waar was dat Sir John Mordaunt zich al heel weinig om het kleine meisje bekommerde. Waarheid is, dat hij een zoon gewenscht had, niet alleen ter wille van zijn naam, maar ook omdat daaraan zijne toekomstige fortuin hing. Hij had een zoon gehad, evenals ik Francis gedoopt, op wiens bestaan groote verwachtingen waren gebouwd, doch die slechts een half jaar leefde. Twaalf maanden na dit verlies, waarover mijn vader zich nooit heeft kunnen troosten, werd hem die dochter geboren, die door hem met zoo weinig ingenomenheid werd begroet, dat de moeder zelve er smartelijk door werd getroffen. Na alles wat ik later heb ondervonden, moet ik onderstellen, dat leedwezen over de grievende teleurstelling die zijne koelheid haar veroorzaakte, de laatste levensuren mijner moeder heeft vergald, zoo niet haar dood heeft verhaast. Hoe dat ook zij, Sir John Mordaunt wilde niets van zijn kind weten, totdat op zekeren dag »Nurse”, die deze onverschilligheid niet uitstaan kon, mij eens bij hem binnen bracht, om te laten zien welk een kloek ferm kind ik was, en hoezeer het meisje het in kracht en gezondheid won van het kwijnende jongske, dat geen zeven maanden had kunnen leven. »Waarachtig, dat kon best een jongen zijn!” moet papa toen heb ben uitgeroepen, naar ’t verhaal van Rolf, die tegenwoordig was. En van dien dag af begon Sir John zich met mij bezig te houden, dat wil zeggen aan mijne opvoeding een bijzondere richting te geven, die mij gemaakt heeft wat ik nu ben en die mij mogelijk tot nog veel ergers zou gebracht hebben, zoo niet tusschen tredende personen en omstandigheden de uitwerking zijner ongewone opvoedingsmethode eenigszins gewijzigd hadden. Onder pretext van hygiëne en Engelsch gebruik liet men mij tot mijn zevende jaar een ruim en gemakkelijk kostuum dragen, dat Nurse met minachting »een jongenspak” noemde, maar dat bijzonder geschikt was om mij tot allerlei lichaamsoefeningen in staat te stellen. Toen ik even loopen kon, kreeg ik al een meester in de gymnastiek; ik werd gehard tegen hitte en koude als een jonge Spartaan; Rolf werd gelast mij de excercities te leeren toen ik pas een kindergeweer kon dragen. Hij verzuimde evenmin mij les in het schermen te geven, en het ontbrak mij niet aan gelegenheid om mij in die nobele kunst te oefenen, daar alle jonge officieren die bij ons aan huis kwamen er pleizier in vonden, of dat uit complaisance voor papa voorwendden, om zich met mij te meten. Eene wezenlijke of eene gewaande triomf over hen werd mij door Sir John op het schitterendst beloond. Ik mocht ieder. mijner invallen botvieren, als het maar wilde, brutale, jongensachtige caprices waren. Ik weet niet wanneer men begonnen is mij den bijnaam van den »kleinen majoor” te geven, noch zelfs waarom; ik onderstel dat het Rolf is geweest die dit heeft bedacht, om mij bewijs te geven van zijne diepe vereering en tegelijk om mij te onderscheiden van grootpapa, die toen tot den rang van majoor was geklommen; maar ik weet wel dat papa smaak vond in die benaming en niet naliet haar telkens te gebruiken, en ik herinner mij nog zeer goed, hoe ik verbaasd stond toen een officier, denkelijk een new come, mij als freule Francis aansprak. Ik weet wel, dat ik het heel kwalijk opnam en een Engelschen vloek uitstiet van ergernis, dien ik Sir John meermalen had hooren bezigen. Ik weet ook, dat papa mij toen van den grond tilde en mij al lachende kuste. Het was de eerste maal dat hij mij op die wijze zijne vaderlijke teederheid toonde. Was het mijne schuld dat ik dat grove woord een mooi woord achtte en niet naliet er meer van dien aard te baat te nemen als ik mijn zin wilde hebben of eenige kracht wilde leggen in mijne uitdrukking. Er werd altijd over gelachen, ik werd er voor gekust en toegejuicht… hoe had het anders kunnen zijn!”

»’t Is zelfs te verwonderen dat de kwade gewoonte er u niet van bijgebleven is.”

»Lang genoeg, om u de waarheid te zeggen; en nog ben ik niet zoo heel zeker dat niet in drift… Toch moet ik Nurse de eer geven, dat zij er op hare wijze tegen reageerde door te vertellen, dat vloeken zonde is; want zoodra ik eenigszins de portée van dat woord vatten kon, had zij mij daartegen een heilzamen afschrik ingeboezemd. »Maar mag papa dan zonde doen?” vroeg ik.— »O, voor heeren is dat wat anders.”— »Dan wil ik ook geen meisje zijn!” En dan volgde er doorgaans een gesprek waarbij de eerlijke vrouw op hare wijze moraal predikte. Het eindigde altijd daarmee, dat ik boos was geen heer te wezen. en werkelijk heeft de spijt van maar een meisje te zijn mijne onbezorgde kinderjaren vergald. En de woede waarmee ik witte neteldoeksche jurken en sierlijke hoedjes vernielde, die Nurse mij op zekeren tijd eigenmachtig te dragen gaf, bewees wel dat er al heel weinig een meisjesaard in mij zat.”

»Die school er wel in, Francis! ik ben er zeker van. Maar men heeft de natuur geweld aangedaan en…”

»Dat is zoo waar, dat ik nooit anders dan jongensspeelgoed kreeg: trommels, zweepen, soldaten, en toen grootpapa eens op het idee kwam om mij een pop te geven, werd die terstond met diepe minachting weggesmeten. De plooi had zich gezet; papa kon gerust zijn. Op kinderpartijen liet men mij niet gaan; jonge juffrouwtjes kwamen bij ons niet aan huis; ik groeide op in den kring van groote menschen, officieren, liefhebbers van de jacht en van paardrijden, eene oefening waarvan ik op mijn achtste jaar al kon meepraten, en van vrouwen merkte men bij ons niets dan de dienstboden en Nurse. Toen er kwestie was van leeren, kreeg ik meesters aan huis, en toen Nurse zich niet langer in staat verklaarde het wilde, eigenzinnige, onmanierlijke kind te regeeren, kreeg ik… een gouverneur! Het was een schrander man, die veel kennis bezat, maar een laag karakter; een bruikbaar mensch, zooals men dat noemt, en die zich ook werkelijk heeft laten gebruiken om mij af te richten op de rol, die men mij wilde laten spelen in de mystificatie op groote schaal die men voor had. Het is mij later gebleken, dat Sir John den dood van zijn zoontje in Engeland geheim had gehouden, even als de geboorte van zijne dochter; dat hij de laatste de plaats van den eerste wilde doen innemen aan gene zijde van ’t Kanaal, en dat hij de mogelijkheid voorbereidde mij daarvoor te doen optreden in zekeren bepaalden kring. De afzondering waarin men mij hield, het onderwijs dat men mij gaf, de bijzondere richting die Dr. Darkins en Sir John altijd aan hunne gesprekken gaven, strekten om mij te isoleeren van de personen mijner sekse, om mij een afkeer in te boezemen van hare levenstaak, en zekeren wrevel over de positie die ons in de maatschappij is toebedeeld, terwijl daarentegen mijne zucht tot onafhankelijkheid werd gevoed en gevleid, en men aan mijn geest, aan mijn karakter zekere eigenaardigheden trachtte te geven, die men kloeke, mannelijke vorming noemde, hoewel ik later die hooggeprezen hoedanigheid veel minder bij de meeste mannen dan bij enkele vrouwen heb waargenomen. Ik deed mijne winst met die opvoeding, maar niet op de wijze die het meest gunstig was voor hunne oogmerken, want ik haatte alle bedrog en onwaarheid, en achtte dat laagheid en lafheid, terwijl het mijn lust was mij kloek en open te vertoon en vóór ieder, zooals ik was. Ik houd mij overtuigd, dat grootpapa geen deel heeft genomen in dit komplot, hetzij hij er het gevaarlijke van inzag, of dat het streed tegen zijne principes, een meisje te zien opvoeden zoo geheel à contre sens van hare bestemming; maar hij beging de zwakheid om niet ronduit voor zijn gevoelen uit te komen en zich niet rechtstreeks te verzetten tegen hetgeen hij verkeerd achtte. Alleen zijdelings contrarieerde hij het plan van sir John, schonk mij werkdoosjes en breimandjes, op een tijdstip dat ik naaien noch breien kon, en lag altijd met dr. Darkins overhoop, dien hij volstrekt niet lijden mocht en die het hem uit alle macht vergold. Er vielen dan tusschen hem en sir }ohn discussies voor, waarvan ik iets later de beteekenis begreep, maar die daarmee eindigden, dat groot papa van garnizoen veranderde, denkelijk op eigen verzoek, en dat wij ons niet als gewoonlijk met hem verplaatsten. Rolf trok mee weg, maar de officieren en de andere heeren van de stad (de hoofdstad van de provincie), die ons huis frequenteerden, vonden er een veel te gul onthaal om niet in de gewoonte te blijven, al gebood de plicht het hun niet meer tegenover een hoofdofficier. Want sir John leefde op den voet van een Engelsch baronet die drieduizend pond te verteren heeft. Voor mij echter had er weldra eene groote verandering plaats. Ik was mijn veertiende jaar ingetreden; dr. Darkins kreeg zijn afscheid, en ik werd op eene kostschool geplaatst; een voornaam dames-instituut. Ik moet er dit wel bij zeggen, want na alles wat ik u van mijns vaders handelwijze met mij heb verteld, zoudt gij in de war kunnen raken.”

»Toch niet; hetgeen gij over kostschoolmanieren gezegd hebt moet uit eigen ervaring zijn gegrepen.

»Dat is maar al te waar! Ik rookte al dapper fijne sigaartjes, al had grootpapa mij gewaarschuwd, dat ik mijne tanden zou bederven, en nu werd op eens besloten dat ik onder de jonge meisjes moest, om een goeden toon te krijgen!— Ik dankte dezen plotselingen omkeer aan het bezoek van mijns vaders zuster, aunt Ellinor, eene dame die met een bejaarden graaf was getrouwd en nu met hem het »continent” bezocht. Mylord had voor het badseizoen een appartement te Scheveningen gehuurd en had geen lust the Dutch provinces dieper in te gaan. Mylady echter wilde haar broeder weerzien. Zij overviel sir John zonder waarschuwen, dat bleek uit alles. Zij bleef twee dagen bij ons logeeren met hare kamenier; maar hare eerste ontmoeting met mijn vader, waarbij ik tegenwoordig was, deed mij op eens een licht opgaan over ’t geen mij tot dusver onverklaarbaar was gebleven.

»En Francis moet nu al een flinke jongen zijn; wat zult gij van hem maken?” hoorde ik haar zeggen.

»Van Francis is niets te maken, want zij is maar een meisje, ” antwoordde mijn vader knorrig en verlegen. »Het oudste kind, een zoon, is gestorven. Ik heb niets dan dit.”

»John, John!” riep de lady verwijtend, »en de heele familie verkeert in het denkbeeld dat gij een zoon hebt, en gij hebt niets gedaan om ons uit de dwaling te helpen, en de oude baronet, die u jaarlijks de toelage uitkeert voor zijn erfgenaam, rekent er op dat deze eenmaal naar Engeland zal overkomen om hem te worden voorgesteld. Waar moet dat heen! Is dat gentlemanlike?”

Papa lispelde zoo wat van »absolute necessity” en scheen een beroep te doen op hare medewerking.

De fiere lady barstte los in verontwaardiging.

»Meent gij, dat ik bij .deze misleiding uwe handlangster zal zijn?” Sir John, die mij nu eerst opmerkte, daar ik in eene vensterbank zat, half verscholen tusschen de zware gordijnen, liet eene krachtige verwensching hooren, die mij gold en die niets bewees dan zijne teleurstelling over het mislukt ontwerp. Hij beval mij, onverwijld de kamer te verlaten, daar hij met lady Ellinor had te spreken. Maar ik was veel te weinig aan volgzaamheid gewoon om zoo onverwijld te gehoorzamen. Ik liep schielijk op Lady Ellinor toe om haar te zeggen dat ik Francis was, en nam mij voor haar te vragen, waarom zij het eene misleiding noemde dat ik maar een meisje was. Doch er lag iets in den blik dien sir John op mij wierp, die mij schrik aanjoeg, iets dreigends, met angst en ontzetting gemengd, dat mij het zwijgen oplegde en mij tot een schielijken aftocht dwong.

Wat er verder tusschen hen voorgevallen is, kon ik alleen opmaken uit hetgeen volgde, daar ik te trotsch was om als laag hartige luisteraarster mij achter de deur te verschuilen. Integen deel, ik wierp die knorrig achter mij toe, hetgeen aunt Ellinor zeker niet onopgemerkt heeft gelaten. Zij was er wel de vrouw toe om mij in die paar dagen opmerkzaam gade te slaan en te leeren kennen, en ik was geen kind om mij te kunnen of te willen verbergen. Ze schonk mij bij het afscheid vijftig pond sterling voor mijn trousseau als ik naar de kostschool zou gaan, en de belofte dit geschenk jaarlijks te herhalen zoo ik mij daar goed gedroeg en de manieren aannam van eene jonge dame, zooals dat in mijn stand behoorde.

Ik antwoordde haar dat ik niets kon beloven, daar ik een hekel had aan meisjeskostscholen na alles wat ik er van had gehoord, en nog meer aan jonge dames, daar ik er nog nooit eene had ontmoet die mij beviel of waar ik op had willen gelijken; dat ik veel meer lust had om met dr. Darkins naar Engeland te reizen, zooals mij beloofd was.

»Van die reis zal nu nooit meer iets komen, my child!” verzekerde zij; daar zal ik voor zorgen.” Meer opheldering kreeg ik van haar niet, en ik begreep, dat ik er sir John niet naar behoefde te vragen.

Het was gelukkig dat ik mijn woord niet gegeven bad aan mylady omtrent mijn goed gedrag op de kostschool, want ik kon het er geen jaar volhouden! In zekeren zin was ik de oudste élèves vooruit, want ik had veel geleerd, waarvan zij nog niets wisten; maar op sommige punten was ik onhandiger en meer onkundig dan de kinderen uit de laagste klasse. Ik maakte alle breiwerk in de war, brak de naalden uit ongeduld, vermorste stoffen en zijde als ik borduren moest en werd woedend als men mij om deze linkschheid uitlachte of bestrafte; om kort te gaan, men kon met mij niet terecht en ik kon niet overweg met de anderen. Ik vocht met de secondante, deelde klappen uit aan de scholieren, die mij al heel gauw Majoor Frans noemden, daar er ook stadgenooten onder waren, die den bijnaam hadden verraden; en juist van die meisjes verkoos ik dit niet te hooren. In één woord: binnen de zes weken liep ik weg, en teruggebracht onder de scherpste bedreigingen van Sir John’s zijde, bracht ik er nog eenige stormachtige maanden door, om ten laatste weggezonden te worden als een onhandelbaar, onverbeterlijk schepsel, als een slecht exempel dat men den overigen moest sparen.”

»Het kon niet anders uitvallen.”

»Maar de aanleiding van die terugzending was toch onrechtvaardig. Ik behoef u niet te zeggen, dat ik al heel weinig leerde; maar toch had ik lust gekregen in muziek, en ik scheen aanleg te hebben zoowel voor zingen als piano spelen. De muziekmeester was de eenige, die niet over mij te klagen had, en die ook werkelijk niet klaagde; integendeel, hij prees mij, hij vleide mij, en op zekeren dag beloonde hij mijne ongemeene vorderingen met… een kus!”

»De ellendeling!”

»Niet waar? Die radelooze onbeschaamdheid; alleen te vergelijken bij de roekeloosheid van een waanzinnige, maakte op eens bij mij wakker wat ik nooit had leeren kennen: het gevoel van jonkvrouwelijke eigenwaarde. Ik wist op dat oogenblik maar één middel om die uit te drukken.”

»Een flinke oorveeg?”

»Geraden!” sprak zij lachend, »vergezeld van een paar hartige woordjes, die niet eigenlijk in het vocabulaire van de pensionaires thuis hoorden. Het een en ander gaf soortgelijke ergernis als de terugkomst van Vert-Vert in zijn klooster. De secondante, de geheele pianoklasse kwam er bij te pas. Madame zelf daagde op om rekenschap te vragen van het alarm. Aan den leermeester werd natuurlijk het eerst het woord gegeven. Hij pleegde de oneerlijkheid mijn heftigen uitval toe te schrijven aan eene te rechtwijzing, die hij noodig had geacht bij eene verkeerde vingerzetting.

Ik begreep wel dat de ongelukkige liegen moest; het gold zijne kostwinning. Madame ondervroeg mij; ik verwaardigde mij niet met eene tegenbeschuldiging te antwoorden; het was voor het eerst van mijn leven, dat ik met logen en laster te doen kreeg; het zou niet voor het laatst zijn.”

»Bij minder edelmoedigheid had zich mogelijk de opinie te uwer gunste gekeerd.”

»Ach, neen’ men zou mij toch niet geloofd hebben. Madame verlangde dat ik mijne excuses zou maken aan den beleedigden musicus. »Dien schoft excuus vragen, dat nooit!” waa mijn antwoord, mijn vast besluit. Er werd gedreigd met alle mogelijke straffen, die in ’t pension voor weerbarstige élèves in gebruik waren. Het spreekt vanzelve dat men niets op mij verkreeg, zelfs niet toen zij in alle gestrengheid werden toegepast.

De laaghartige virtuoos trad niet tusschenbeiden dan om den raad te geven een zoo slecht exempel uit de inrichting te verwijderen; »hij althans zou mij geen onderwijs meer geven; c’ éait Ie bouquet! Weggestuurd worden was voor mij eene verlossing, maar ik had de reden van dien afloop liefst zelve het eerst aan sir John medegedeeld, en dat werd mij belet; ik was opgesloten, ik kon geen schrijfgereedschap machtig worden. De anderen knoeiden bij zulk eene gelegenheid met elkaar, maar Majoor Frans was de algemeene vijand; allen te zamen waren tegen hem verbonden.

Madame had dus de gelegenheid mij vóór te zijn, en onder een stortvloed van klachten over mij werd het sir John aange zegd, dat zijne dochter de eere onwaardig was geworden om in haar gedistingeerd instituut hare opvoeding te voltooien.

Nurse werd gezonden om mij af te halen, en aan haar vertrouwde ik, onder tranen van gekrenkt gevoel, het geleden onrecht en de volle waarheid. Zij wilde met mij terugkeeren, om ten overstaan van de geheele kostschool »die Madam” te zeggen waar het op stond, maar ik weerhield haar: het zou toch niets baten en men zou mij uitlachen op den koop toe. Ik had reden om dat te onderstellen. Een der oudere meisjes, een allerliefst nufje met een paar sprekende zwarte oogen, had mij eenige deernis betoond.

»Chère amie!” sprak zij, toen ze mij alleen vond, »gij zijt dom geweest, aartsdom; gij hadt u niet zoo preutsch moeten aanstellen tegen monsieur Z.; ik ben zeker dat hij u heeft willen kussen!” Ik zweeg. »Dat doet hij mij ook,” ging zij voort, »en al de anderen die er lief uitzien, zooals hij zegt. Wij zijn veel te verstandig om zoo’n drukte te maken over die kleinigheid, en hij loont het , ons met allerlei lieve attenties: hij leent ons mooie Fransche romans, die madame niet zien mag; hij weet invitaties voor ons te improviseeren, als wij uit willen; voor mij heeft hij eens een biljet overgebracht aan een… cher petit cousin; met één woord, hij presteert alle diensten, die geen der domestiques van ’t pension ons zou durven bewijzen; en. u zoo’n man tot vijand te maken!” Ik zag duidelijk, dat ik niet deugde in zoo’n meisjeskring, en ik heb later al de voorrechten van die educatie begrepen, toen ik Leontine in de wereld ontmoette als de vrouw van een kolonel, met een tweeden luitenant tot cavaliere serviente; waarlijk, zij was een model van goeden toon, en eene distinctie! Men zag het in alles, dat zij perfect was opgevoed! Zij was allervriendelijkst jegens mij, maar executeerde mij achter mijn rug en pleine société. Men amuseerde zich zoo met »Majoor Frans,” die zoo grof durfde zondigen tegen de étiquette, dat zij bij groot toilet een kanten pelerine droeg, terwijl het gebruik wilde, dat men, om recht gekleed te zijn, zich zooveel mogelijk decolleteerde.

Het licht zeker aan mijn jongens-opvoeding, maar ik heb nooit recht begrepen, waarom de »dames” zich juist zoo blootgeven, als zij onder de wapenen moeten zijn, bij danspartijen en diners; en sinds ik eens bijgeval de gesprekken heb aangehoord, die de heeren zich onder elkaar veroorloven op dit chapitre, heb ik mij zelve beloofd, dat ik althans. die dwaasheid niet zou meeplegen, tot groote ergernis, zooals gij wel begrijpen kunt, van alle gens comme il faut. Maar genoeg ik zou niet zoo lang blijven stilstaan bij deze herinneringen mijner jeugd, zoo ze niet tegelijk de bron waren geweest waaruit alle mijne latere wederwaardigheden opwelden, en tegelijk als de voorspiegeling van ’t geen mij voortaan in de wereld zou te beurt vallen. Gij hebt mij eens gevraagd hoe ik begonnen ben: gij kunt nu zelf beoordeelen of het mijne schuld is, dat ik de samenleving niet en beau zie. Ik heb er deze ervaring opgedaan, dat werkelijk kwaad en diepe bedorvenheid, mits door den deftigen liefdemantel van het decorum bedekt, niet slechts met verschoonlijkheid bejegend, maar zelfs met wel gevallen worden geaccueuilleerd, terwijl ruwe vormen bij goede intentiën niet dan ergernis verwekken; dat het noemen van de dingen bij hun naam, het aanwijzen van een fielt of eene friponne, tot de onvergefelijkste zonden behoort in het gezellige leven; en dat zijn, Daar het mij voorkomt, ziekelijke verschijnsels, die het pijl der moraliteit altijd dieper zullen doen zinken.”

»Het is waar, daar wordt een valsche maatstaf gebruikt en groot onrecht gepleegd waar men zich zoo aan de vormen hecht dat het wezen er onder verwaarloosd wordt, en gij hebt daar werkelijk wonde plekken aangewezen, die een kloek geneesheer zouden eischen, gewapend met onwrikbaren wil en zedelijken moed en gesteund door een onmetelijken invloed; maar toch, Francis! wat zal ik u zeggen, gij hebt mij eens de discipline genoemd als een der beste middelen om het diep gezonken heeren-personeel een zedelijken steun te geven. Hetzelfde mag men zeggen van het decorum en de vormen in het maatschappelijk leven; gelooft gij dat diezelfde kringen, die u nu reeds tegenstaan om dat gij raadt wat al kwaads er verheeld en verborgen wordt, u beter zouden bevallen, als alles wat er in rondwoelt zich in volle afzichtelijkheid vertoonde?”

»Men zou van schrik en walging de vlucht nemen; dat is zeker.”

»Maar daar toch iedereen niet wegloopen kan, is het gevaarlijk loslating en bandeloosheid te prediken, die het verkeer van menschen met menschen tot eene onmogelijkheid zou maken. Nu bindt men zich ten minste in, tracht zijne beste hoedanigheden te toonen, of den schijn aan te nemen die te bezitten, verbergt de slechtste onder den wijden mantel van het decorum, zooals gij het noemt, en al is niemand er dupe van, het geheel heeft daardoor toch een beter aanzien; waar reeds veel bij gewonnen is.”

»Daarmee is Majoor Frans voor goed veroordeeld.”

»Majoor Frans, dezen nu eenmaal genomen als den vertegenwoordiger van die plompe oprechtheid, kan er als exceptie nog door; maar als een exceptie die de onhoudbaarheid van den regel bewijst.”

»Dan bega ik eigenlijk eene dwaasheid en eene onwelvoegelijkheid, waar ik u zoo ronduit alle mijne verkeerdheden opbiecht en den sluier wegruk die over mijn somber verleden rust; ik kan u niets moois laten zien, ik mag mijne confidenties wel binnen houden.”

»Ik hoop waarlijk van neen! Zoo is het niet gemeend, dat men niet aan een vriend zou mogen uitstorten wat ons ergert of bezwaart, dat men daar zijn leed niet zou mogen klagen en zijne fouten blootleggen, waar men zeker is van deelneming; daarmee, al zou men ook het pijnlijkste hebben uit te spreken, wordt geen maatschappelijke vorm gekwetst, en daarvan kan men opbeuring, ver lichting wachten.”

»De eenige verlichting die ik er voor mij van wensch of verwacht is deze, dat gij mij geheel zult leeren kennen, zien zult zooals ik werkelijk ben, en mij dan mogelijk minder hard zult beoordeelen bij ’t geen er van mij geworden is.”

»Er is nog niets van u geworden, Francis! dan wat met eenigen goeden wil van uwe zijde tot alle goeds en liefelijks zou kunneu leiden.”

»Och, spreek zoo niet,” hernam zij op een toon van moede loosheid en ontstemming, »niet vóór gij alles weet. Maar ik moet adem scheppen; laat ons eerst het oog verkwikken met het heerlijke schouwspel dat ons wacht, als wij ons haasten het hoogste punt van de ruïne te bereiken.”

Werkelijk waren wij aan den voet van den bouwval gekomen, en bij het bestijgen van de afbrokkelende trap hadden wij genoeg te doen om de minst onvaste punten voor onzen voet te zoeken, maar boven gekomen wachtte ons teleurstelling voor al die moeite.

Onder ons druk gesprek hadden wij niet opgemerkt, dat er een sterke mist was opgekomen, die het anders zoo ruime en grootsche uitzicht benevelde. De zon was reeds in die nevelen ondergegaan en teekende alleen hare aanwezigheid in donkere oranje- en schel roode strepen, die daar evenals bliksemflitsen door de dichte dampen heenschoten; maar over geheel het landschap lag niet dan een lange, dichte sluier van vochtige mist!

»Kom Leo!” zei Francis, »het is niet gezond hier in die vochtige damp te gaan zitten, en toch had ik mij voorgesteld hier te rusten; laten wij onder die boog schuilen, die den toegang verschaft tot hetgeen er nog van dien toren overblijft. Er is daar wel een brok steen, waar niet al te verwende lieden, zooals gij en ik, zitten kunnen.” En reeds had zij den weg genomen naar die boog, die, dicht met klimop begroeid, een schilderachtige loofhut vormde. Francis legde eene oude grijze sjaal, die zij medegetorst had en die ik niet had mogen dragen, over een der massieve steenbrokken, en wij hadden werkelijk eene comfortabele zitplaats.

»En nu ga ik mijne historie vol jammer en bedrog voortzet ten,” ving Francis aan. »Kunt gij geene sigaar aansteken? Leo! Dan luistert gij vast en met minder ongeduld; ik heb mij zelve sinds lang die weelde ontzegd, anders gaf ik u het voorbeeld.”

»Ook ik ben geen slaaf van dat genot, Francis! en het zou mij onmogelijk zijn genoegelijk te zitten dampen, terwijl gij uwe smartelijke herinneringen voor mij oproept.”

»Wat zijt gij weinig een man, Leo! in den kouden egoïtischen zin van het woord,” gaf zij mij ten antwoord.

Ik schudde glimlachend het hoofd, en zij ving aan:

»Ondanks den muziekmeester, had ik den lust voor de muziek en den zang behouden, en wenschte dat talent aan te kweeken. Nurse, die voor alles raad wist als het mij gold, schommelde eene Zwitsersche gouvernante op, die buiten betrekking was en die bij nadere kennismaking zich ook vinden liet om mij eenig onderwijs te geven in de vrouwelijke handwerken, waarin ik zoozeer ten achteren was. Sir John liet mij met mij zelve begaan. Nu het plan om mij voor een jongen gentleman uit te geven geen gevolg kon hebben, begreep hij zelf dat er, zoo mogelijk, nog een dragelijk jong meisje van mij moest gemaakt worden, en daar ik te weinig in goeden toon en manieren gevorderd was om in de wereld op te treden, vond hij mijn inval goed om mademoiselle Chelles als gouvernante-externe aan te nemen, te vreden dat het hem niets zou kosten. Sinds ik niet meer geroepen werd jaarlijks die zekere brieven aan den ouden baronet te schrijven, waarin mijn paardrijden en schermen en alle andere mannelijke oefeningen op het voorschrift van sir John telkens op den voorgrond werden gezet, bleven ook de wissels uit Engeland weg, die onze kostbare huishouding hielpen in stand houden, hetgeen een wijs en voorzienig man gewis tot vereenvoudiging zou hebben bewogen; maar deze wijsheid oefende mijn vader niet, en ik houd het er voor, dat hij sinds zijn kapitaal gebruikte of het zijne renten waren.

Ik intusschen had het mijn plicht geacht lady Ellinor mede te deelen hoe het met mij op de kostschool was afgeloopen en hoe weinig ik aan hare intentiën had kunnen beantwoorden. Eerlijkheid drong mij daartoe, schoon ik wel vreesde van nu aan hare gunst verbeurd te hebben. Ditmaal toch werd de oprechtheid beloond. Aunt Ellinor antwoordde met de toezending van opnieuw vijftig pond en de verzekering dat ik die jaarlijks van haar zou ontvangen om er mee te doen wat ik wilde, met nog.menig goed woord daarnevens, dat mij bewees hoezeer lady Ellinor voor mij eene waardige leidsvrouw had kunnen zijn, zoo ik in hare handen ware gevallen. Zij moedigde mij aan om zelve te voorzien in ’t geen mij ontbrak en mij door niets of door niemand tot onoprechtheid te laten verleiden. Zij hoopte mij later bij zich te zien in Londen… en dan had zij mij nog veel mede te deelen. Daar is niets van gekomen. Nog in den loop van dat jaar overleed zij aan eene hart kwaal, en ook de vijftig pond zijn mij daarna niet meer toegezonden. Maar vooreerst had ik papa’s hulp niet in te roepen voor mijne wenschen en behoeften. Mademoiselle Chelles beviel mij; ook had zij er den slag van met mij om te gaan; zij bracht mij wat terug van de forsche onvrouwelijke oefeningen, die mijn lust waren geweest, deed groote wandelingen met mij, en gebruikte die rustige vertrouwelijke uren om mij het leven van zijne ernstige zijde te leeren zien, zooals niemand het mij nog had doen beschouwen. Zij sprak mij van lijdenden, van ongelukkigen, wier lot soms met eenige opoffering zooveel kon verzacht worden; van plichten, die ik alleen uit luim had beoefend, omdat mijn hart niet kwaad was maar zonder eenigen ernst of gevoel van verantwoordelijkheid. Daarbij wist zij mij liefde in te boezemen voor de natuur, wekte in mij hoogere behoeften op, die alle sluimerden, daar niemand er zich nog over had bekommerd. Dr. Darkins had mij moeten voorbereiden om lid te worden van de Anglikaansche kerk, maar eer het zoover kwam was hij al uit zijne betrekking tot mij ontslagen, en ik was op het punt van godsdienst geheel in den steek gebleven. Dat kon de serieuse Zwitsersche niet dulden. Ik moest haar beloven mij tot een protestantsch kerkgenootschap te laten brengen, en daar het sir John niet meer schelen kon, vond zij werkelijk een predikant die zich met die zaak belastte. Daarbij, het behoorde zoo, dat vond grootvader ook; maar als de goede Chelles er zich niet mee bemoeid had, zou niemand er aan gedacht hebben. In één woord, zij zou er in geslaagd zijn mij tot eene jonge dame te fatsoeneeren, daar het. uiterlijke niet al te veel van de overigen verschilde, ofschoon het haar altijd ondoenlijk zou geweest zijn den »kleinen majoor” uit te roeien, die onder alles door met Francis Mordaunt was opgegroeid. Doch wat gebeurde? Nurse begon jaloersch te worden van haar invloed op mij, en tot overmaat van ramp kreeg Rolf, die als tweede luitenant met grootvader was teruggekeerd en nu van de kinderkamer naar het salon was bevorderd, om wat ontbolsterd te worden van zijne kazernemanieren, Rolf, die de eerste had moeten zijn om Chelles te respecteeren, den zotten inval om op haar verliefd te worden, en dat laat ik nog dáár, want zij was allerbeminnelijkst, maar hij gaf zich de luxe het haar te zeggen, en hare hand te vragen! Eene stommiteit zooals alleen Rolf die kon begaan; want behalve dat er voor hen geen uitzicht bestond ooit tot een huwelijk te komen, ontbrak ook het allemoodigste voor zoodanige verbintenis: wederkeerige genegenheid. De dame kon haar adorateur niet uitstaan, dien zij nooit anders noemde dan »le grand soudard”, of wel »l’ogre furieux”. want hij is nu door zijn leeftijd, zijn stijf been en mijne discipline tam geworden, maar destijds was hij een woest, hartstochtelijk personage, die om een haverklap de hand aan den degen sloeg en alleen aan zijn grooten en kleinen majoor de verplichte subordinatie betoonde. In ’t kort, na de onstuimige declaratie wilde Chelles niet bij ons blijven, tenzij men luitenant Rolf het huis ontzegde. Dat vonden allen te sterk en te pretentieus. Grootpapa en Nurse handhaafden Rolf in zijne oude rechten. Papa ook hechtte heel weinig aan »maar een gouverness.” en ik… ik moet het tot mijne schande bekennen, ik wist zelve nog niet genoeg wat ik wilde, om niet met de overigen in te stemmen, te eer, daar ik nog te jong was en te weinig vrouwelijken tact had om de scrupules van Chelles goed te begrijpen. Men noemde het aanmatiging, heerschzucht; en dat laatste was voor mij beslissend. Als ik haar liet heengaan was ik weer geheel vrij! Eerst later heb ik ingezien hoezeer ik mij zelve daar mede benadeeld heb, en het is onder de grieven die ik tegen Rolf heb juist die, welke ik het minst heb kunnen vergeven.”

»Sir John is, dunkt mij, meer te beschuldigen dan hij. Laat men een aankomend meisje vrij om te beslissen wat voor hare vorming dienstig is?”

»Wat zal ik u zeggen: sir John had gewenscht dat ik tot mijn achttiende jaar op de kostschool ware gebleven, om van daar in de wereld op te treden als eene »jeune fille accomplie”, bereid op papa’s commando hare hand te schenken aan de eerste goede partij de beste. Toen dat zoo geheel anders uitviel, trok hij zijn hart geheel van mij af, en sinds de vijftig pond van Lady Ellinor ook vervielen, was de verwijdering van Chelles eene bezuiniging. Deze trok met eene familie naar Frankrijk, en het bleek welhaast dat ik haar niet had behoeven op te offeren, daar grootvader kort daarna in zijn rang naar de residentie werd overgeplaatst om ik weet niet welke oorzaak; het zou maar tijdelijk zijn en Rolf kon hem vergezellen. Nurse zegevierde, en in hare blinde liefde vergat zij welke schade zij mij had toegebracht. Ik voelde het als bij ingeving; ook was mijne oude genegenheid voor haar zeer bekoeld. Toch had ik eene gewaarwording of ik zeker juk had afgeschud, want mijn onafhankelijkheidszin was niet geheel en al ongekwetst gebleven onder de zachte leiding van Chelles. Ik nam weer bezit van mij zelve in den kwaden zin. Ik kon niet meer met Chelles wandelen, ik ging met papa paard rijden, die eenigszins trotsch was op het goede figuur dat ik on horseback maakte en die er niets in vond dat ik hem verzelde op jachtpartijen en rijtoeren met allerlei slag van heeren, jong en oud. Mijne ijdelheid vond hare rekening bij hunne bewondering voor mijne forschheid en vaardigheid. Ik gaf er de piano aan en de dames handwerken en de goede boeken; ik werd.zelfs weer Majoor Frans, en onder die soort van verwildering bereikte ik mijn zestiende jaar, toen er iets voorviel dat eene gansche verandering in mijne wijze van zijn teweegbracht. Nurse, die aan waterzucht leed, ontviel mij plotseling; ik voelde toen hoezeer ik haar had liefgehad en dat zij waarheid had gezegd dat er niemand meer overbleef om mij lief te hebben dan zij. Er was eene leegte in en om mij, die ik niet wist aan te vullen. Ik ontvluchtte het koude doodsche huis, ik doolde troosteloos rond, toen ik plotseling werd opgeroepen om de rol van gastvrouw te spelen en een logeergast te ontvangen Maar… nu ik tot hiertoe gekomen ben, moet ik eens iets van u weten…” Zij zweeg eene wijle en bleef zitten met gebogen hoofd en de handen in den schoot over elkaar gevouwen, als in aarzeling hoe nu voort te gaan. Op eens echter vestigde zij hare oogen op mij met een onderzoekenden blik en vroeg:

»Leo, zeg mij, hebt gij veel met vrouwen omgegaan?”

»Met de vriendinnen mijner moeder nogal, maar sinds…”

»Ik vraag niet naar oude vrouwen; ik meen of gij niet, als de meeste heeren, van tijd tot tijd geleden hebt aan die tusschenpoozende koorts, die zij verliefdheid noemen?”

»Ik heb alles gedaan wat noodig kon zijn om niet aan die kwaal bloot te staan. Het Amerikaansche stelsel van flirtation heb ik nooit kunnen goedkeuren. Coquetteeren met jonge meisjes en vrouwen achtte ik gevaarlijk en immoreel, en daar ik leefde in het vooruitzicht dat ik nooit geld genoeg zou verdienen om al de kant, zijde en fluweel te kunnen betalen, die tegenwoordig tot de noodwendigheden van een damestoilet behooren, heb ik de striktste neutraliteit in acht genomen tegenover allen, om niet verlokt te worden van mijn beginsel af te gaan.”

»En heeft datgene wat men passie noemt u dan nooit overmeesterd?”

»Ik heb niet de gewoonte mij te laten overmeesteren door wie of wat ook. Ik bezit eenige kracht om resistentie te bieden, en ik zou die gebruikt hebben zoo het geval zich had voorgedaan; maar dat is niet gebeurd. Ik had geen ledigen tijd genoeg om mij zulke distracties te geven.”

»Dat wil ik van u wel gelooven, en om uwentwil verheugt het mij; maar toch spijt het mij, want nu kunt gij mij niet zeggen wat ik juist van u had willen weten.”

»Zeg maar wat gij weten wilt; mogelijk kan ik u toch wel voorlichten,”

»Ik wilde weten of gij gelooft dat een degelijk man, die geen ingebeelde fat is, maar ook geen onnoozele hals, en die op menig punt van groote scherpzinnigheid bewijs geeft, niet heel gauw kan merken als een jong meisje…… hoe zal ik dat zeggen… zich met innige teederheid aan hem hecht, zelfs al wordt er geen woord tusschen hen gewisseld, dat op liefde of dergelijke gevoelens doelt?”

Ik begon verlegen te worden met mij zelven. Wat was hare bedoeling? Hier was meer naïveteit dan ik in haar kon onderstellen, of… meer arglist dan waarvan ik haar zonder beter bewijs mocht verdenken.

Ik bedacht mij een oogenblik eer ik antwoordde:

»Om u de waarheid te zeggen, Francis! ik geloof dat mannen en vrouwen beiden al heel gauw raden wat zij voor elkander kunnen zijn, en dat het veeleer uit dubbelhartigheid voortkomt dan uit ingenuïteit, zoo een van beiden verblindheid voorwendt voor hetgeen maar al te klaar uitkomt, al wordt het niet met ronde woorden uitgesproken.”

»Dat is mijne opinie ook — bij later nadenken, verstaat gij; want destijds was ik zoo onervaren op deze punten als een gamin, waarvoor ik nog altijd in mijne naaste omgeving gold. De vrienden van mijn vader zagen in mij niets anders dan een slecht opgevoed meisje, luimig en willekeurig, een woesteling, die zij niet dan ongaarne in aanraking brachten met hunne dochters en waarin ze allerminst eene toekomende bruid voor hunne zonen wilden zien. Enkele jonge officieren probeerden wel eens mij un bout de cour te maken, hetgeen mij zoo laf en belachelijk voorkwam, dat ik ze even impertinent als onbarmhartig voor het hoofd stiet. Met anderen, die zulke pretentie niet hadden, of althans niet toonden, railleerde ik met een sans gêne, die nog van mijne jongensopvoeding getuigde. Niemand vatte mij toen nog au sérieux op als een jonge dame, en ik zelve was de laatste om naar die positie te streven. Toen kwam Lord William bij ons logeeren.” — Zij haalde diep adem, als moest zij zich geweld aandoen, eer zij vervolgde: »Lord William werd mij voor. gesteld als een schoolmakker van mijn vader, die eenige jaren zijn oudere was, en die zijn protector geweest was op de school te Eton. Sir John scheen niet vooruit van zijne komst verwittigd te zijn geweest, want hij had geen de minste aanstalten gemaakt voor zijne ontvangst. Het was eene verrassing, evenals die van lady Eilinor; maar deze beviel mijn vader beter. Mylord was om eene onaangename zaak verplicht een tijdlang Engeland te verlaten. Hij bracht sir John slechts een bezoek en had plan zijn intrek te nemen in een logement; doch mijn vader haalde hem over bij ons in te keeren. Het appartement, dat door grootpapa was bewoond, stond nu toch leeg en was ruim genoeg om hem en zijn kamerdienaar te herbergen; de majoor had er zelfs zijn bureau gehouden, en er was plenty ruimte voor alle koffers en kisten die Mylord meebracht. Alles bewees dat de oorzaak van deze reis naar het vasteland niet lag in geldgebrek, want hij betaalde elken dienst dien men hem deed met vorstelijke mildheid, had eene kostbare garderobe en schatten aan boeken en zeldzaamheden bij zich en huurde eene equipage op eigen gelegenheid. Daarbij geloof ik, schoon sir John het mij nooit heeft gezegd, dat hij met dezen eene overeenkomst had gesloten omtrent zijn verblijf in diens huis, die meer dan genoegzaam was om de vermeerdering van omslag goed te maken, waartoe deze inwoning ons dwong. Al had ik de hulp en voorlichting van juffrouw Milders, onze huishoudster, toch zag ik er zeer tegen op, om als dame du logis te moeten optreden tegenover dien vreemdeling; maar weldra was ik met die taak verzoend.

Lord William (ik heb nooit zijn familienaam vernomen) was een geletterd man, die veel wist en eene uitmuntende gave had van mede te deelen. Hij was vol geestdrift voor kunst en poëzie, las en sprak verscheidene nieuwe talen, had de grootste belangstelling in oudheid, kunst en geschiedenis, en wist, wat ons onbekend was gebleven, dat er juist voor onderzoekingen van dien aard, die hij zich voorstelde te ondernemen, in onze provincie stad eene bibliotheek bestond, waarvan hij druk gebruik dacht te maken. Met één woord, het was iemand dien men geen half uur kon hooren spreken of men begreep dat men met een buitengewoon mensch te doen had; dien indruk althans kreeg ik van hem op den eersten avond van zijne komst, bij de gesprekken die hij met mijn vader hield. Ik had nooit gedacht dat sir John een vriend kon hebben, die hem in alle opzichten zoo ongelijk was, want Lord William hield niet van de jacht en veroordeelde die zelfs als liefhebberij, reed alleen paard voor zijne gezondheid en had een kennelijken afkeer van alles wat ruw, onbeschaafd en onvoegzaam was. Hij erkende, dat hij zich nergens zoo gelukkig gevoelde als op zijne studeerkamer en bij zijne boeken, maar toch was hij ook man van de wereld en wist er zich te doen gelden zoo ras hij er in optrad. Hoe het kwam wist ik zelve niet, maar ik raadde terstond in hem groote zedelijke en verstandelijke meerderheid boven mijn vader en alle andere mannen die ik tot dusver had ontmoet, en ik heb later ondervonden dat hij ook op anderen diergelijken indruk maakte. Daar was dan ook iets in zijn voorkomen dat ontzag inboezemde; al was hij gansch geen Hercules, zooals mijn vader, er was toch iets kloeks en fiers in de slanke, rijzige gestalte. Ik hoorde de heeren zeggen, toen hij in hun kring optrad, dat hij leelijk was; maar wat mij betreft, ik kon dat niet zien, en de dames waarmee wij weI haast in aanraking kwamen waren allen zoo gevleid door de minste opmerkzaamheid die hij haar bewees, dat ik de heeren eer verdenk van afgunst dan van juist oordeel.”

»De leelijkheid van Mirabeau, die alle vrouwen wist te verleiden!” viel ik uit, door eene onbestemde gewaarwording van wrevel overmeesterd.

»Zeg liever de leelijkheid van onzen stadhouder William III; want op diens portretten gelijkt hij meer dan op eenige levende persoon die mij bekend is. Hij had dat hooge, schrandere voorhoofd, wel niet diens ziekelijke bleekheid, maar toch de scherpe, eenigszins harde trekken, hij droeg hier en daar op zijn gelaat de merkteekens der kinderziekte, al was ’t niet zeer in ’t oog vallend; maar het strakke en stroeve van dat gelaat werd verzacht door zijn glimlach, en als bezield door zijne donkere, sprekende oogen, die vonkelen konden van geestdrift, en wier blik men evenmin kon trotseeren als dien van een arend.”

»Had hij er den snavel bij?”

Francis keek mij even aan met zekere verwondering eer zij antwoordde: »Ik heb u gezegd dat hij op Willem den Derde geleek; hij had dien scherp gebogen neus.”

»Ook de allongepruik?”

»Neen, maar het donkerbruine, krullende haar gaf zijn kapper zeker veel werk, zonder dat het baatte; zwaar en stug, scheen het alle pogingen te weerstaan om het onder de tucht van de hedendaagsche mode te brengen, en mylord zelf had de gewoonte het met zeker ongeduld naar achter te werpen zoo vaak het hem hinderde. Dan… ik merk dat mijne uitvoerige schets u verveelt. Laten wij opstaan en naar huis wandelen.”

»Niet voor gij mij verteld hebt welke prouesses hij heeft verricht, die held William IV.”

»Geen prouesses in ’t geheel; of het moest zijn dat hij mij van mijne zucht om den degen te voeren genezen heeft.”

»Dat’s loffelijk. Vertel mij dat eens.”

»Ja, maar daar zijn we nog niet aan toe. Zonder dat ik zelve wist hoe het kwam, oefende hij op mij een onbeperkten invloed ten goede. Als bij intuitie raadde ik, dat mijne wijze van zijn, mijn toon en manieren hem zeer weinig moesten bevallen! ook voelde ik mij de eerste dagen tegenover hem stijf en gedwongen. Ik durfde mij zelve niet zijn en ik verwenschte Rolf meer dan ooit die mijne Chelles te vroeg had verjaagd. Alleen om mij eene houding te geven tegenover den fieren, hooghartigen edelman, wiens goede toon, wiens fijne beschaving sprak uit alles wat hij deed of zeide, had ik mijne gouvernante bij mij gewenscht. Papa ging cavalierement met hem om, zooals oude schoolmakkers, al zijn zij elkaar nog zoo ongelijk; maar mij kwam het voor dat hij met laatdunkende verwondering op mij neerzag, zooals een adelaar op eene gemeene kraai. Toch bleek het, dat hij beteren dunk van mij had dan ik zelve meende, en vooral dat de bevreemding over mijne wijze van zijn, die hij niet geheel kon ontveinzen, niet uit minachting voortkwam, maar wel uit zekere meewarigheid. Hij was aangegrepen door mededoogen met het jonge meisje, dat men uit hare natuurlijke sfeer had gerukt, dat men had misvormd en verwrongen tot iets dat zij niet had moeten zijn en dat zich misplaatst voelde juist daar waar zij behoorde. Op zekeren dag dat ik in ’t salon aan de piano zat, eigenlijk maar om wat te tokkelen, terwijl de heeren in de suite voor den haard stonden te rooken, hoorde ik Mylord tot sir John zeggen:

»Waarom ziet gij geen menschen? Waarom gaat gij niet met Francis uit; zij heeft den leeftijd?”

»Zoo wat, maar zij is nog te wild en te brusk!”

»Ik ziet niet dat zij wild en brusk is; zij is alleen linksch en beschroomd, als eene die zich niet weet te houden; ’t is of ze nooit in goed gezelschap heeft verkeerd.”

»Zoo is het; op de kostschool is zij om hare woestheid verjaagd, en… zooals zij nu is, durft men haar niet presenteeren.”

»Nonsense! als gij dus met haar voortgaat, zal zij altijd even stijf en verlegen blijven. Juist als zij onder de menschen komt zal zij dat alles afleggen. Zij heeft geest en gevatheid, dat heb ik al opgemerkt. Zij zal heel spoedig in de wereld thuis zijn.” »Daarbij, de zoogenaamde beau monde hier is niets dan een klein kringetje, ellendig, kleinsteedsch en vervelend; ik geloof niet dat er voor haar onder die lieden eene partij zal te doen zijn; en mij dan daarvoor op te offeren… ”

»Gij hebt niets te verzuimen; gij moet het doen uit beginsel. Zij behoeft er niets anders te vinden dan gelegenheid om zich met gemak in de wereld te leeren bewegen.”

Mijn vader mompelde zoo iets van verliezen en teleurstellingen, kostbare toiletten die er noodig zouden, enz. enz.

Lord William haalde de schouders op en zag hem aan met een doorborenden blik.

»John, John! welk een vader zijt gij? Over die bagatellen spreken wij later… ”

»Daarbij is er geen chaperon; ik ken hier de vrouwen niet.”

»Wij zullen ze leeren kennen. Meent gij misschien dat ik mijne winteravonden zal slijten met u op de sociëteit of bij uw heeren speelpartijen? Daar bedank ik hartelijk voor; en dan the poor child aan de verveling prijs geven? Dat zal niet gebeuren. De chaperon zal IK zijn, als het niet anders kan, en ’t overige zal zich vinden; maar…… the little one luistert, genoeg hiervan!”

Ik had werkelijk de vingeren maar stil op de toetsen laten rusten; mijne nieuwsgierigheid om te weten hoe HIJ over mij sprak en dacht was sterker dan mijne bescheidenheid.

Sir John verliet het vertrek met den driftigen stap van iemand die uit zijn humeur is.

Lord William kwam naar mij toe, ondervroeg mij naar mijne opvoeding, mijne gewoonten, mijne wenschen. Ik ving aan met schuchterheid en aarzeling, maar eindigde met al de openhartigheid en vrijmoedigheid die mij van nature eigen waren. Hij liet mij niet los vóór hij alles wist, en het kwam mij voor dat toen de betoovering geweken was, die mij tegenover hem zoo ongelijk maakte aan mij zelve.

Hij vroeg mij of ik van leven hield.

»Volstrekt niet,” was mijn gulgauw antwoord, »want dan moet men alleen zitten. Ik houd van menschen, van gezelschap, van beweging.”

»Om onder de menschen en in gezelschap een goed figuur te maken, moet men gelezen hebben, en al ware dat niet, zonder geestesbeschaving zinkt eene vrouw tot eene onbeduidendheid, waaruit hare schoonheid zelfs haar niet kan opheffen.”

»Ik wil niet onbeduidend zijn,” sprak ik met beslotenheid, »zeg maar wat ik lezen moet.”

Hij glimlachte. »Dat gaat zoo niet in eens; maar ik zal met u lezen, en dan zullen wij spoedig dit verzuim van u inhalen, zoo gij wilt?”

Gij raadt mijn antwoord, en van dien dag af ondernam hij het mijn geest en mijn smaak te vormen, mijn geestdrift op te wekken voor zijne lievelings-auteurs, ja, hij nam zelfs de moeite mij kennis te doen maken met de meesterstukken der Duitsche en Fransche litteratuur, maakte zelfs zijne geliefde klassieken voor mij genietbaar, en wat ik van Dr. Darkins nooit had willen leeren, nam ik nu met gretigheid aan van hem.

Hij vergezelde mijn vader niet naar diens sociëteit; eene enkele partij billard, een rijtoertje, en zijn gezelschap aan tafel was alles wat sir John aan hem had. De avonduren en zekere bepaalde uren van den voormiddag, die hij niet voor zijne eigene studiën noodig had, wijdde hij aan mij. De liefste waren mij die, welke minachting voortkwam, maar wel uit zekere meewarigheid. Hij was aangegrepen door mededoogen met het jonge meisje, dat men uit hare natuurlijke sfeer had gerukt, dat men had misvormd en verwrongen tot iets dat zij niet had moeten zijn en dat zich misplaatst voelde juist daar waar zij behoorde. Op zekeren dag dat ik in ’t salon aan de piano zat, eigenlijk maar om wat te tokkelen, terwijl de heeren in de suite voor den haard stonden te rooken, hoorde ik Mylord tot sir John zeggen:

»Waarom ziet gij geen menschen? Waarom gaat gij niet met Francis uit; zij heeft den leeftijd?”

»Zoo wat, maar zij is nog te wild en te brusk!”

»Ik ziet niet dat zij wild en brusk is; zij is alleen linksch en beschroomd, als eene die zich niet weet te houden; ’t is of ze nooit in goed gezelschap heeft verkeerd.”

»Zoo is het; op de kostschool is zij om hare woestheid verjaagd, en… . zooals zij nu is, durft men haar niet presenteeren.”

»Nonsense! als gij dus met haar voortgaat, zal zij altijd even stijf en verlegen blijven. Juist als zij onder de menschen komt zal zij dat alles afleggen. Zij heeft geest en gevatheid, dat heb ik al opgemerkt. Zij zal heel spoedig in de wereld thuis zijn.” »Waarbij, de zoogenaamde beau monde hier is niets dan een klein kringetje, ellendig, kleinsteedsch en vervelend; ik geloof niet dat er voor haar onder die lieden eene partij zal te doen zijn; en mij dan daarvoor op te offeren… ”

»Gij hebt niets te verzuimen; gij moet het doen uit beginsel. Zij behoeft er niets anders te vinden dan gelegenheid om zich met gemak in de wereld te leeren bewegen.”

Mijn vader mompelde zoo iets van verliezen en teleurstellingen, kostbare toiletten die er noodig zouden, enz. enz.

Lord William haalde de schouders op en zag hem aan met een doorborenden blik.

»John, John! welk een vader zijt gij? Over die bagatellen spreken wij later… ”

»Daarbij is er geen chaperon; ik ken hier de vrouwen niet.”

»Wij zullen ze leeren kennen. Meent gij misschien dat ik mijne winteravonden zal slijten met u op de sociëteit of bij uw heeren speelpartijen? Daar bedank ik hartelijk voor; en dan the poor child aan de verveling prijs geven? Dat zal niet gebeuren. De chaperon zal IK zrjn, als het niet anders kan, en ’t overige zal zich vinden; maar…… the little one luistert, genoeg hiervan!”

Ik had werkelijk de vingeren maar stil op de toetsen laten rusten; mijne nieuwsgierigheid om te weten hoe HIJ over mij sprak en dacht was sterker dan mijne bescheidenheid.

Sir John verliet het vertrek met den driftigen stap van iemand die uit zijn humeur is.

Lord William kwam naar mij toe, ondervroeg mij naar mijne opvoeding, mijne gewoonten, mijne wenschen. Ik ving aan met schuchterheid en aarzeling, maar eindigde met al de openhartigheid en vrijmoedigheid die mij van nature eigen waren. Hij liet mij niet los vóór hij alles wist, en het kwam mij voor dat toen de betoovering geweken was, die mij tegenover hem zoo ongelijk maakte aan mij zelve.

Hij vroeg mij of ik van leven hield.

»Volstrekt niet,” was mijn gulgauw antwoord, »want dan moet men alleen zitten. Ik houd van menschen, van gezelschap, van beweging.”

»Om onder de menschen en in gezelschap een goed figuur te maken, moet men gelezen hebben, en al ware dat niet, zonder geestesbeschaving zinkt eene vrouw tot eene onbeduidendheid, waaruit hare schoonheid zelfs haar niet kan opheffen.”

»Ik wil niet onbeduidend zijn,” sprak ik met beslotenheid, »zeg maar wat ik lezen moet.”

Hij glimlachte. »Dat gaat zoo niet in eens; maar ik zal met u lezen, en dan zullen wij spoedig dit verzuim van u inhalen, zoo gij wilt?”

Gij raadt mijn antwoord, en van dien dag af ondernam hij het mijn geest en mijn smaak te vormen, mijn geestdrift op te wek ken voor zijne lievelings-auteurs, ja, hij nam zelfs de moeite mij kennis te doen maken met de meesterstukken der Duitsche en Fransche litteratuur, maakte zelfs zijne geliefde klassieken voor mij genietbaar, en wat ik van Dr. Darkins nooit had willen leeren, nam ik nu met gretigheid aan van hem.

Hij vergezelde mijn vader niet naar diens sociëteit; eene enkele partij billard, een rijtoertje, en zijn gezelschap aan tafel was alles wat sir John aan hem had. De avonduren en zekere bepaalde uren van den voormiddag, die hij niet voor zijne eigene studiën noodig had, wijdde hij aan mij. De liefste waren mij die, welke wij doorbrachten met Shakespeare, die hij mij voorlas met eene geestdrift, waarvan hij mij den geest, de kracht, de grootschheid deed opmerken met zulk eene klaarheid en zulk eene gave van mededeeling, met een talent van voorstelling, dat ik als leefde in die wereld en…… ”

»En toen is het gebeurd dat gij op elkander verliefd zijt geworden, evenals Desdemona en Othello,” viel ik in met eene opwelling van wrevel, die ik niet bij machte was te beheerschen.

»Neen, neen! zoo is het juist niet gegaan; maar als gij geen geduld hebt deze herinneringen aan te hooren zooals ik ze nu in mijn geheugen kan terugroepen, moet gij het liever zeggen; want als ik ze niet mag geven zooals ze in mij opkomen, verlies ik den draad; daarbij, gij zegt dat gij mij wilt leeren kennen zooals ik ben; dat zou niet gaan, als gij niet wist hoe ik geworden ben wat gij mij nu ziet. Of wat zou het u baten als ik u alleen mededeelde, dat lord William, in ’t begin van den herfst bij ons gekomen, bij het naderen van de lente ons weer verliet?”

»Zonder met u verloofd te zijn?” vroeg ik gejaagd.

»Zonder met mij verloofd te zijn!” herhaalde zij op koelen. drogen toon en rees op; »maar nu moeten wij gaan, neef; want wij zullen ditmaal den omweg nemen, die de gemakkelijkste is; wij komen toch al te laat voor de thee; nu! de kapitein kan ze zetten, dat’s het minst.

Reeds was zij zonder mijne hulp van de onveilige steenblokken afgesprongen en stond op vasten bodem eer zij had uitgesproken; ik haar na, met hetzelfde goed geluk, al was het niet met dezelfde haast; want ik zag het nut van die waaghalzerij in het half donker niet in.

AI wandelend wikkelde zij zich dicht in de grijze plaid, en er kon geen kwestie zijn van haar mijn arm te bieden; ik wist niet of ik haar moest vragen voort te gaan met hare souvenirs, want ik voelde mij schuldig; ik had met onhoffelijke kregelheid den stroom harer confidentiën gestoord; mogelijk voor goed de behoefte om zich uit te spreken gedoofd, en toch, ik brandde van ongeduld om er alles van te weten; het was zelfs mijne zenuwachtige gejaagdheid, die getergd werd door hare longueurs; het kwam mij voor, dat zij met te veel opzettelijkheid drukte op de voortreffelijkheden van dien vreemdeling, dien ik niet kon uit staan, dien ik nu reeds haatte, zonder nog te weten of ik er reden toe had. En ik had zeker geen recht om misnoegd te zijn op Francis. Wist ik dan reeds niet genoeg van haar om te begrijpen, dat zij haar hart niet had vrijgehouden tot haar zes-en-twintigste jaar? Had zij moeten wachten op een Paladijn, die haar bij testament zou worden toegewezen! Ik voelde dat ik dwaas en onrechtvaardig was, en toch kon ik over die dwaasheid en onbillijkheid niet zoo geheel zegevieren, of zij had er iets van kunnen bemerken.

»Leo!” sprak zij, nadat wij eenige minuten zwijgend naast eIkaar waren voortgegaan. »Ik zie wel dat gij ergernis neemt aan mijne souvenirs, maar ik kan ze u daarom toch niet sparen; er is een deugd, die men Francis Mordaunt zeker niet zal ontzeggen; het is: eerlijkheid, en deze dringt mij, u niet te verhelen wat er in mij is omgegaan, sinds gij mijn vriend wilt zijn en ik, ondanks bittere ervaring, nog hecht aan de beteekenis van dat woord. Als gij van ochtend vertrokken waart, zooals ik dat gewacht had, zou ik u met mijne bekentenissen niet lastig zijn gevallen.”

»Zoo moet gij het niet opnemen, Francis! ik ben immers gebleven om ze van u te hooren. Ik beloof u, dat ik den loop uwer herinneringen niet meer zal stuiten.”

»Nu, goed! zoo zult gij dan hooren dat gij het geraden hebt, dat ik lord William heb liefgehad met al de innigheid van een eersten hartstocht, ik moest zeggen: met al de naïveteit van mijn jeugdig hart; want ik wist zelve niet, dat het liefde was wat hij mij inboezemde. Ik had nooit met jonge meisjes verkeerd, die elkaar op haar dertiende reeds van galants en minnarijen spreken; ik was novice, als geene andere, maar ik voelde welhaast, dat lord William alles voor mij was, dat ik eigenlijk niet meer leefde dan in hem, dat ik onverschillig was voor iedereen en voor alles, dat het mijn hoogste geluk was, zijn wil en wensch te raden en te volgen, dat ik, die men ontembaar achtte, die luimig en willekeurig scheen te zijn, soms alleen uit liefhebberij in den strijd, nu maar ééne vreugd kende: die van hem te gehoorzamen, op zijne wenken te letten, en, zonder dat hij noodig had dit van mij te vergen, het volgde vanzelf; ik raadpleegde hem in alles, zelfs over mijn toilet, toen het er toe kwam dat wij uitgingen; ik maakte een beter figuur in de wereld, dan men van het (zoo men meende) in ’t wild opgegroeide meisje verwacht had; ik kleedde mij met smaak, dat wil zeggen naar zijn smaak, hoewel hij er verre van af was mij dit op te dringen, maar ik raadde den zijnen en volgde dien op mijne eigenaardige wijze; want van slaafsche naäperij van hetgeen de mode voor schreef, had ook hij een afkeer, die geheel in mijn karakter viel. »Somewhat originality” vond hij piquant, en hij achtte het schade zoo de individualiteit verloren ging onder zekere vormen, voor iedereen gelijkelijk afgepast. Als hij zoo sprak, raadde ik dat hij in mij prees, wat anderen in mij afkeurden. Omdat hij het noodig had geacht, ging ik in de wereld; maar mijn hart zette ik er niet op: mijn hart was met hem waar zijn schat was, in zijne boekenkamer, waar ik uren lang met hem samen was, naar hem luisterend, zonder mij te vervelen, zooals mij soms gebeurde op eene drukke danspartij; want HIJ danste niet! Tot in de droge oudheidkundige studiën, waaraan hij zich wijdde, begon ik belang te stellen. Ik vertaalde voor hem, wat hij uit zekere Hollandsche boeken of tijdschriften verlangde te weten. Ik copiëerde voor hem, zonder er aan te denken, dat zitten schrijven vervelend kon zijn; ik vergat dat er een stal was, dat mijn lievelingspaard door den groom moest worden afgereden; ik vergat alles en allen; ik was alleen opmerkzaam als het de behoef ten van lord William gold. Als de meeste heeren hield hij van eene goede tafel en was er aan gewoon. Hij had er daarbij alle recht op in ons huis, zooals ik later heb begrepen. Genoeg, ik vond een lust in de mannelijke studiën, zonder de vrouwelijke plichten te verzuimen. Zelfs de vrouwelijke behaagzucht was in mij wakker geworden. Vroeger had ik zeer weinig om mijn uiterlijk gegeven; nu nam ik er acht op en was zorgvuldig in de minste kleinigheden; want Mylord, al was hij nog zoo’n oudheidkenner, kleedde zich met de uiterste zorgvuldigheid, en zoo modern als een perfect gentleman die geen fat wil zijn.

Mijn eenig verdriet was als ik zag dat Mylord zich met andere dames bezighield, en toch, dat kon wel niet anders, wilde hij mij patronessen bezorgen in zekere kringen. Sir John gaf zich daartoe geen moeite, en daarbij Mylord hield niet van spelen en wilde niet dansen, terwijl ik toch niet als eene matrone tapisserie kon maken. Zoo leerde ik de jammerlijkste passie der vrouwen, den kleinen naijver kennen, maar waagde het toch niet die te toonen; ik wist vooruit dat hij dit ergerlijk kleingeestig zou vinden. Wij gaven nu zelfs diners, en de dames van de stad, die bevonden dat alles bij ons recht quite was, waren zeer verwonderd. Van die bijgenaamde majoor Frans hadden zij zulk eene goede ontvangst niet verwacht; waarheid is dat juffrouw Milders, onze huishoudster, talenten had, die tot hiertoe braak hadden gelegen, en dat Mylord mij wenken gaf, die mij van het uiterste nut waren. Papa zelf had er volle satisfactie van, en ik sleet den gelukkigsten winter van mijn leven; men vond mij in de beau monde wel een weinig zonderling, maar dat werd distinctie geacht en toegeschreven aan de vreemde afkomst van mijn vader en aan den Engelschen toon die in ons huis heerschte. Ik werd zeer gefêteerd, al kon het mij niet schelen, misschien juist daarom; maar de lente naderde en wij begonnen reeds plannen te maken om gezamenlijk de Werve te gaan bezoeken »zoodra het seizoen van uitgaan was afgeloopen” Als grootpapa maar geen spaak in het wiel steekt, dacht ik met zekere bezorgdheid, want deze was nu van zijne zending naar de residentie teruggekeerd, gelukkig voor mij zonder Rolf; eene rilling overliep mij als ik er aan dacht, dat deze mij als »majoor” zoude aanspreken en behandelen in het bijzijn van lord William. Welhaast bleek het mij dat grootvader onze ingenomenheid met onzen gast niet deelde. Ik schreef het toe aan zijne teleurstelling, dat de vreemdeling zijn appartement in ons huis had ingenomen, hetgeen hem noodzaakte voorloopig een afzonderlijk kwartier te betrekken; maar er was zeker nog iets anders; want ik merkte duidelijk, dat de majoor von Zwenken Mylord wel bejegende met de hem eigene beleefdheid, maar geenszins met de joviale voorkomendheid, waarop ik meende dat deze van iedereen recht had. Ik zou maar al te spoedig weten, waaruit dat voortkwam. Op zekeren zonnigen lentedag zat ik de zuivere lucht te genieten op het kleine balkon, waar mijn boudoir op uitkwam, met een ongekend gevoel van weemoed en levenslust de fijne blaadjes en de aankomende knopjes te bespieden, die den tuin welhaast met bloesems en geuren zou sieren. Ik had geen trek tot lezen, hoewel ik een boek in de hand hield, en dacht aan de prettige wandelingen die wij welhaast zouden maken met Mylord, en aan de mogelijkheid van een tochtje naar het kasteel van grootpapa, toen ik diens stem hoorde, in gesprek met sir John.

De heeren waren door de openstaande deur van de tuinkamer gekomen en hadden plaats genomen op de bank vlak onder mijn balkon. Zekere onrustige nieuwsgierigheid beving mij; ik had maar op te letten en ik kon alles verstaan.

»Waar kan hij zijn, uw lord William?” vroeg grootpapa op wreveligen toon .

»Op dit uur is hij altijd in de stads-bibliotheek; er moeten archieven zijn, die hem de grootste belangstelling inboezemen.”

»En Francis?”

»Zij kleedt zich, of zij is in besogne met de huishoudster; weet ik het!”

»’t Is nogal mooi, dat zij ook niet met hem meegaat naar die boekerij, sinds zij zich zóó met hem afficheert.”

»Met hem afficheert! Wat meent gij daarmee, heer majoor?’ Mylord woont bij ons in; hij gaat met ons uit, dat spreekt van zelf; hij is in alle opzichten een respectabel man, een right honorable zelfs. Ik zie niet, hoe miss Francis daardoor geafficheerd zou kunnen worden.”

»Hm! gij ziet het anders dan ik. Maar dat zou nog niet het ergste zijn; zoo hij zich maar niet zoo druk met haar bemoeide.”

»Mij dunkt, dat schaadt haar waarlijk niet. Of moet gij zelf niet erkennen, dat zij zeer tot haar avantage veranderd is, en dat men haar nu overal kan presenteeren?”

»Dat spreek ik niet tegen. Alleen, ik zou dan in uw geval verlangen dat hij het zijne deed om haar als zijne future te presenteeren; dan zou hij zijn plicht doen. ”

Sir John begon hardop te lachen. »Wel, heer majoor, hoe haalt gij u zoo iets in ’t hoofd! William is mijn schoolkameraad en maar een jaar of drie mijn jongere, en Francis moet nog zeven tien worden.”

»Hij heeft het voorkomen van even in de dertig. En daarbij, wat doet de leeftijd er toe?” Francis is op hem verliefd, smoorlijk verliefd, dat zeg ik u, en het verwondert mij, dat gij zelf dit niet al lang hebt bemerkt en de onvoorzichtigheid begaat, dien vertrouwelijken omgang met uwe dochter te dulden zonder dat hij zich declareert.”

»Bless me! daar zou hij zich waarlijk wel voor wachten!” riep mijn vader. »Hij is getrouwd, en daarom steekt er ook niets in, dat hij zoo wat den Mentor speelt over Francis; ik heb er geen slag van, en zij heeft het hoog noodig.”

»Hoog noodig! dat hij haar het hoofd doet draaien!” sprak mijn grootvader met stijgende ergernis.

»Dat heeft geen nood; het hare is veel te degelijk om zoo licht duizelig te worden. Zij is daarenboven eene Mordaunt en niet zoo weekelijk opgevoed om zich met jongemeisjesgrillen in te laten”

»Gij zijt wel wat al te naïef, sir John!” — de stem van den majoor klonk streng en bitter — »of… van eene gerustheid die mij onverklaarbaar is.”

»Dat zou zij niet langer zijn, en gij zoudt deze gerustheid deelen, mijnheer, zoo gij lord William kendet als ik! Every inch a gentleman, sir! en zoo hij ook maar vermoedde dat zulke argwaan in ons kon opkomen, ben ik zeker dat hij geen uur langer hier in huis zou vertoeven. Ik begrijp wel, wat u eenigszins tegen hem inneemt. Hij speelt niet; wij hebben weinig aan zijn gezelschap en hij heeft u hier verdrongen. Dat spijt mij zelf; dan, ik kon niet weten dat gij zoo spoedig uit den Haag zoudt terugkeeren. En, om de waarheid te zeggen, mylord is generous, most generous, en ik ben hem zekere égards schuldig.”

»Dat geloof ik gaarne, maar… moet Francis daaraan worden opgeofferd?”

»Francis wordt niet opgeofferd, dat verzeker ik u. Integendeel, het is voor haar van het grootste belang dat wij als vrienden scheiden. Daarbij, hij zal niet lang meer bij ons blijven. Hij is tot president verkozen van ik weet niet welk archeologisch genootschap en moet de zittingen bijwonen in Londen. Ook kreeg hij dezen ochtend de tijding, dat de onaangename zaak, die hem naar het continent de wijk deed nemen, zoo goed als geschikt is. Hij vreesde een lastig proces, dat hem verdriet en ergernis zou geven. Het blijkt dat de mediateurs het eens zijn geworden. Zijne vrouw, die met hare familie in het Zuiden reist, heeft hem een ootmoedigen brief geschreven en wenscht vergiffenis en verzoening. Hij deelde mij mee, dat hij nog niet besloten is, maar dat hij toch tegen eene scheiding opzag en vermoedelijk…… ”

Sir John zweeg plotseling; de heeren wandelden op! ik zag den kamerdienaar van lord William aankomen en met hem spreken. Had een hunner opgekeken, hij zou mij hebben gezien in ademlooze spanning tegen het balkon geleund, als een steenen beeld, de verpersoonlijking van stomme verslagenheid. Toen zij reeds lang weg waren, bleef ik nog zóó staan, als vastgenageld aan die plek. Ik had de kracht, den moed gehad om ten einde toe te luisteren; de zelfbeheersching om door geen kreet of uitroep een gesprek te storen dat mij zulke verpletterende ophelrleringen gaf. Toen ik eindelijk uit die onbewegelijkheid oprees, was het met een kreet van smart en bitterheid, dien ik niet kon weerhouden. Ik was aan mij zelve ontdekt! Ja! mijn grootvader had goed gezien. Die aanhankelijkheid, die vrijwillige overgave van al mijn willen en denken aan zijn wil en wensch, die gewaarwording van onuitsprekelijke blijdschap in zijne tegenwoordigheid, als hij mij toesprak, zich met mij bezighield, bovenal als hij met zijn sprekenden blik, met zijn betooverenden glimlach mij zijne goedkeuring uitdrukte — dat was liefde! Liefde, die gloed van ijver, dien ik in mij voelde voor alles waarin hij belang stelde; liefde, die zucht voor poëzie en letteren, waarmede hij mij had bezield. Wel is waar eene liefde, die niets had van de zottelijke teederheid waarmee ik andere jongelieden elkander zag omgeven en die niet dan mijn afkeer wekte, maar toch liefde, en die nu op eens tot een verboden, een schuldigen hartstocht werd misvormd; want het licht dat mij opging over den man dien ik lief had was als een fakkel waardoor alles in mij tot vuur en vlam werd, vlamme van haat en verontwaardiging, die helaas den liefdegloed niet verteerde, maar te feller branden deed. Had ik mij zelve bedrogen en onbewust toegegeven aan de aantrekkingskracht, die van dien vreemdeling uitging, hij zelf, hij had zich niet aldus kunnen vergissen en hij had mij bedrogen, hij had mij althans in onwetendheid ge laten over ’t geen mij eerst noodig was te weten. En toch, in later tijd over deze eerste groote smart nader kende, begreep ik, dat het gevaar voor mij nauwelijks minder zou zijn geweest al had ik die kennis gehad, want het was zijn persoon, die zulk een toovermacht over mij oefende, niet zijne positie. Onnadenkend had ik mij overgegeven aan mijn gevoel, zonder te berekenen waar het mij kon heenvoeren, zonder er iets van te wachten voor de toekomst. Maar toch wekte de zekerheid dat ik dien man liefhad en dat hij niets voor mij zou kunnen zijn dan… een Mentor, zooals mijn vader zich uitdrukte, bij mij eene onbeschrijfelijke gewaarwording van teleurstelling en toorn. Hoe koelbloedig en onbarmhartig had hij dan met mij gespeeld, hij de man van leeftijd en ervaring, die zoo scherpzinnig was en zooveel menschenkennis bezat. Had hij, hij er dan niet om gedacht, dat deze omgang voor mij zijne gevaren had; had hij ze niet geteld, omdat hij zelf ze niet vreesde en ze mij alleen raakten! Zelf wist hij zich immers onkwetsbaar; mogelijk had hij die vrouw, die hun verre was, zóó lief, dat hij gepantserd was tegen iedere andere liefde. Waarheid is, dat hij nooit den toon van den hartstocht tegen mij had aangeslagen. Een blik van welgevallen, een glimlach van goedkeuring, een handdruk van vriendschap was alles wat hij mij geschonken had, en dat was mij ook genoeg geweest. Eens slechts, ik herinner het mij maar al te goed, had hij met zekere hartstochtelijkheid mijne hand gekust, toen ik, ik weet niet meer welken zijner wenschen geraden en vervuld had. Dien nacht sliep ik niet van trots en weelde, maar des anderen daags had hij mij met zulk een ijzige strakheid bejegend, of hij mij, als zich zelf, dat oogenblik voor goed wilde doen vergeten, en scheen er niet op te letten, hoezeer ik onder die stugge luim leed.

Nu wilde ik hem dat alles verwijten, alles op eens uitstorten wat in mij omging, en hem daarna doen zien, hoe diep hij in mijne achting was gedaald; want te verbergen wat in mij om ging, dat voor hem te verbergen als ik eens tot spreken kwam, dat was voor mij eene onmogelijkheid. Maar de gelegenheid om hem terstond bij zijne thuiskomst te spreken bood zich niet aan. Wel ging ik in zijne studeerkamer, in de hoop hem weldra te zien binnenkomen, maar ik vond er slechts zijn kamerdienaar, die mij mededeelde, dat Mylord een bezoek had te brengen bij zekeren bankier en niet vóór den eten thuis zoude zijn. Ik moest mij dus inhouden en zooveel mogelijk mijn aplomb hernemen, om aan tafel niets te laten blijken; maar dat ging boven mijne macht. En ook waartoe? hoe eerder hij het nu begreep dat ik hem haatte en minachtte, hoe beter. Ik wist waarmee ik hem kon ergeren, en ik besloot hem geene ergernis te sparen. Ik las de bevreemding op zijn gelaat, afkeuring in zijne blikken, maar de betoovering die hij op mij oefende was gebroken; dat moest hij weten, en ik ging voort hem te tergen en te kwellen. Toen hij begreep dat er opzet in lag, deed hij of hij niets bemerkte, en ik hield vol tot aan het dessert, waarna ik mij niet als gewoonlijk verwijderde om de heeren aan hunne sigaren te laten. Ik herinnerde mij dat ik ook rooken kon, zocht eene lichte sigaar uit en stak die aan. Toen zag ik lord William het voorhoofd fronsen en de zijne wegwerpen; hij stond op, nam mij bij de hand en voerde mij zonder een woord te spreken naar zijn boekvertrek. Ik liet mij wegleiden, want dat was juist wat ik wilde.

»Wat scheelt er aan, miss Francis?” sprak hij, nadat hij mij in een easy chair had doen plaats nemen en tegenover mij staan bleef. »Ik begrijp wel dat gij zeer ontstemd zijt en dat het mij geldt; maar ik kan niet nagaan uit welke oorzaak.”

»Dat is mijne schuld niet. Met een weinig nadenken zou Mylord toch licht die reden kunnen uitvinden. Hij weet, hoezeer ik aan openhartigheid hecht……”

»Dat is prijselijk; en nu verder?”

»En nu vraag ik mij zelve af, wat ik van de uwe denken moet, als ik van anderen hoor, dat gij getrouwd zijt?”

Ik bracht deze laatste woorden met te veel gedwongen kalmte uit om hem niet eenigszins verwonderd te doen opzien; ik zag zelfs dat hij verbleekte, maar hij vroeg koel:

»Heeft sir John u dat eerst nu medegedeeld, en waarom juist heden?”

»Sir John heeft het mij niet medegedeeld; ik heb het bij toeval vernomen — bij toeval; verstaat gij mij, Mylord? En daarom ge loof ik eenig recht te hebben om van u zelven iets meer te hooren van uwe gemalin.”

»Ik had het er wel op toegelegd om hem te prikkelen en te schokken, maar dat deze vraag zulke uitwerking op hem zou hebben, had ik niet kunnen berekenen.

Hij trad driftig drie schreden achteruit; een donkere blos van toorn of schaamte kleurde zijn hoog voorhoofd; zijne oogen gloeiden van verontwaardiging, maar zijne trekken namen zulk eene uitdrukking van lijden aan, dat ik zelve schrikte van de ontroering, die ik had teweeggebracht.

Hij zweeg, keerde zich van mij af, wandelde een paar malen de kamer op en neer, kwam eindelijk weer bij mij terug, bleef vlak voor mij staan, zag mij aan met een mengeling van weemoed en misnoegen, en sprak eindelijk:

»Het spijt mij, miss Francis, dat juist gij mij dit aandoet. De tijd voor zulk vertrouwen voor u acht ik nog niet gekomen. Daar is te veel bitterheid in uwe vraag, dan dat zij uit belangstelling kan voortkomen, en belangstelling alleen heeft hier recht op een antwoord.

»Belangstelling, Mylord! ” barstte ik uit, »dat is wel het zwakste woord, dat er tusschen u en mij kan gesproken worden; gij weet wel, gij moest het ten minste weten, al veinst gij bevreemding, dat het hier voor mij eene levensvraag geldt!”

»Neen! op mijn woord, dat begrijp ik niet,” hernam hij ijs koud, bijna met ironie. »Ik begrijp niet welk belang gij meent te hebben bij de beslissing die ik… ” hij zuchte diep, »die ik nog niet heb kunnen nemen; en daarom heeft men, wie dan ook, eene groote onvoorzichtigheid begaan met u van deze dingen te spreken vóór ik zelf daartoe de vrijheid had gegeven. Het geldt hier eene diepe wonde, waarvan ik voor mij zelven als voor anderen de pijn heb trachten te verbergen, een toestand even smartelijk als vernederend voor wie er in betrokken zijn. Waarom zou ik u, een jong meisje, dat minder dan anderen van haar leeftijd met het gewone leven bekend is, inwijden in de treurige geheimen van een ongelukkig huwelijk; waarom u gesproken heb ben van eene vrouw die hare naaste plichten heeft verzaakt, en van welke ik op het punt stond mij voor het leven te scheiden; toch wenscht zij de hereeniging, waartoe ik nog niet heb kunnen besluiten. Uw vader weet iets van mijn strijd; waartoe zou ik er u in betrokken hebben, eer die voor mij zelven was op gelost?”

»En is het u dan ingevallen, Mylord,” vroeg ik met eene bitterheid waaronder ik mijne ontroering trachtte te verbergen, »dat er gevaar kon liggen voor mij in die onwetendheid?”

»Voorwaar! Neen, dat is niet in mij opgekomen, en ik zie zelfs niet hoe dat had kunnen zijn. De toon van verbittering dien gij nu tegen mij voert, dwingt mij u te herinneren, wat ik voor u heb trachten te zijn. Ik kwam herwaarts heen om in studiën en onderzoekingen, die altijd mijn lust waren, afleiding te zoeken voor veel leeds dat anderen mij hadden berokkend. Uw vader bood mij zijn huis tot verblijf aan; het gezellig leven gewoon, nam ik het met dankbaarheid aan. Ik zag u, en ik meende in u te zien een stug en verwilderd kind, dat door Sir John met onverantwoordelijke nalatigheid was verwaarloosd. Ik leerde u nader kennen en ontdekte in u gaven en krachten die mij verrasten en verblijdden en die ik getracht heb te ontwikkelen. Gij hadt maar eenige vorming noodig om met goed gevolg in de wereld op te treden. Mijne hand gaf u die vorming, mijne hand voerde u in dien nieuwen kring, en gij zijt alles geworden wat ik van u kon wenschen of wachten.

Gij hebt mij eene volgzaamheid, eene aanhankelijkheid betoond, die ik gemeend heb u te vergelden, want ik heb met betere zorg en trouw over u gewaakt dan uw vader zelf; maar daaruit volgt immers nog niet, dat ik u had moeten spreken over alles, wat mij persoonlijk betrof, van dien zwaren last des levens dien het niet aan u was met mij te dragen; van dien smaad en die schande die mij uit Engeland wegdreven, om het onbescheiden medelijden mijner vrienden, den spot en het leedvermaak mijner vijanden te ontgaan. Hoe ik bedreigd werd door een opzienbarend proces, waarvan mijn naam (geen naam zonder beteekenis in mijn land, Francis! maar dien uw vader hier alleen kent en kennen zal), voor het groote publiek, dat naar schandalen hunkert, nog het piquante zou hebben verhoogd. Had ik u van dat alles moeten inlichten mijn kind? U, die ik in alles heb willen sparen! Had ik de kwellingen, het hartzeer, dat mij alleen gold en dat ik zorgvuldig voor de gansche wereld verborg, aan u, juist aan u, moeten blootleggen, om de gulden droomen uwer lente te verduisteren door de droeve nevelen van mijn herfst!”

»Wel dicht en droevig moeten die nevelen zijn, Mylord!” riep ik uit, evenzeer verbaasd als geërgerd over den toon van hoog hartige rust, dien hij aannam bij zijne toespraak. » Wel dicht en droevig, want zij hebben uw scherpen blik verhinderd te zien wat voor oogen lag: dat ik in de onwetendheid, waarin men mij hield, uit gebrek aan ervaring, mij al heel licht illusiën zou scheppen, wier verwezenlijking eene onmogelijkheid zou zijn. Welnu! weet dan, Mylord! gij, die met zooveel trouwe zorge over mij hebt gewaakt, dat ik aan dit gevaar niet ben ontkomen, en dat juist nu de gulden droomen mijner lente op het wreedste zijn verstoord!”

Een gebaar van schrik en verwondering ontsnapte hem, maar hij schudde zwijgend het hoofd. Dat ongeloof deed de vlam van mijn toorn en verontwaardiging in vollen gloed uitslaan! Ik barstte los in verwijten en klachten, die mijns ondanks mijn smartelijk geheim verrieden. Uit geheel zijne houding bleek het mij, dat mijne bekentenissen, in den vorm van een scherpe aanklacht tegen hem geuit, hem troffen als eene ontzettende verrassing.

Hij liet zich neervallen op den divan tegenover mij en bedekte het gelaat met beide handen, als van smart en schaamte overmeesterd; maar de gloed, die op zijn voorhoofd brandde, was tot een doodsbleek verschoten. Daar viel het mij plotseling in, dat hij onschuldig was, dat hij het niet had geraden, wat mij zelve nog zoo lang verborgen was gebleven, tot een schrikwekkend licht in mij was opgegaan. En juist dat was het, wat mij ’t pijnlijkst trof. Had hij medegevoel betoond voor de smart die ik hem klaagde, had hij schuld beleden, en mij vergiffenis gevraagd voor ’t geen hij mij onwillens had toegebracht, ik zou mijne voldoening gehad hebben, en, al ware ’t met een verscheurd hart, hebben berust in ’t geen van nu aan eer en plicht ons voorschreef; maar het tegenovergestelde vond plaats.

Hij liet mij uitspreken, ik zou moeten zeggen uitrazen, tot ik in luide snikken uitbarstte, zonder mij met een enkel woord in de rede te vallen. Intusschen had hij zich van de eerste verbazing hersteld, en hij rees op uit zijne verslagen houding, als een veranderd man. Weer liep hij met rassche schreden het vertrek op en neer, zonder een blik van deernis op mij te werpen, en eerst toen ik zweeg, omdat de tranen mijne stem verstikten, kwam hij weer naar mij toe en sprak mij aan op kalmen, zelfs wat strengen toon .

»My child, er is zonderlinge overdrijving in alles wat gij mij daar zegt. Uwe verbeelding is getroffen, en gij laat u door haar medeslepen, om zelve te gelooven wat gij beweert; maar ik verzeker u dat gij u vergist. Gij zijt van eene natuur voor levendige indrukken en heftige opvattingen vatbaar, maar gij zijt nog veel te jong om den hartstocht te kennen. En dat is heel gelukkig, want ik weet niet, wie van ons het gekste figuur zou maken, als men zoo iets van u kon vermoeden. Gij moet tegen die inbeelding strijden, uit alle macht, en ik wil u gaarne daarin behulp zaam zijn. Ziet gij, Francis, op uw leeftijd hebben de meeste jonge meisjes reeds iets als eene amourette gehad met den een of anderen aankomenden jonkman, waarmee ze gedanst hebben; gij gelukkig niet, want die eerste lentebloesems vallen in den regel af zonder dat ze ander spoor achterlaten dan zekere ervaring die voor de vruchten van het rijper seizoen niet schaadt. Gij daarentegen zijt door uwe forsche onvrouwelijke opvoeding beveiligd geweest tegen diergelijke aanvallen van sentimentaliteit, maar daardoor waart ge aan eene andere dwaling blootgesteld, waarop ik niet verdacht was, er die nu eigenlijk voor mijne rekening komt; het is deze, dat gij u hechten zoudt aan den eersten man den besten die zich met meer dan vluchtige belangstelling aan u gelegen liet liggen; het trof zoo, dat ik die man was, en dat ik de onvoorzichtigheid beging (want ik moet er dat nu wel in zien), schoon het met de beste intentiën geschiedde, om u in te wijden in de geheimenissen der poëzie en uw smaak trachtte te vormen voor de hoogere genietingen die zij biedt. Wij lazen Shakespeare! nu is het niet vreemd, dat een jong meisje, ’t welk men de schoon heden van zijne tragediën doet opmerken, zich zelve voor eene Juliet gaat houden; maar daarom is hij die haar de gelieven van Verona leert verstaan, zelf nog geen Romeo! En ik vraag u, Francis, als gij er ernstig over nadenkt, of ik het voor u zou kunnen zijn; zie mij aan en bedenk hoe slecht mij die pretensie zou afgaan. Ik heb den leeftijd van uw vader; mijne haren zijn reeds met zilver vermengt,” en hij lichtte zijne zware, donkere lokken op om mij te toonen, hoe zij aan de slapen reeds grijsden; »zoo ik niet leed aan eene kwaal, die mij met geheele vermagering bedreigt, zou ik de jaren hebben waarin men tot gezetheid komt; dat is alles behalve poëisch, niet waar? Ik meende daarbij in uwe oogen de achtbaarheid te hebben van een getrouwd man, al zag ik er geen nut in, uwe deernis op te wekken voor mijn treurig huwelijkslot. Laat uw verstand spreken, Francis, dat maar een oogenblik door de verbeelding is overstemd, en gij zult de eerste zijn om toe te stemmen dat ik, ik niet de held kan zijn voor een liefdesroman!”

Hij zweeg en scheen een antwoord te wachten, dat ik niet geven kon; want ik had eene gewaarwording of er ijsschotsen rondom mij opgestapeld werden, waaronder ik verstikken zou.

Toen kwam hij naar mij toe, legde beide handen op mijne schouders, zag mij diep in de oogen, met eene mengeling van ernst en weemoed, en sprak op zachten toon:

»Ik ben nog een jaar vroeger gehuwd dan uw vader, ik kon eene dochter hebben van uw leeftijd; ik ben kinderloos! ik heb mij zelven wel eens betrapt op den wensch in u eene dochter te zien, maar gij hebt voor mij de verwezenlijking van die illusie nu onmogelijk gemaakt; voor ’t oogenblik althans, want ik ben er zeker van, gij zult eenmaal terugkomen van den waan waarin gij nu verkeert; Iaat u niet langer door eene hersenschim in de war brengen; het hart, in dien zin als gij dat verstaat, is er buiten, geloof mij daarin, mij die de verwoestende macht der hartstochten heb leeren kennen,” hij zuchtte diep, »tot mijne schade, en die weet, tot welken diepen val zij de vrouw neerrukken die de kracht mist om er tegen te strijden. Gij behoeft mij daarom niet de genegenheid te onttrekken, waarop ik geloof recht te hebben van uwe zijde, en die ik zelf de eerste ben geweest u te betoonen. Had ik een zoon gehad, geloof mij, ik zou niet tot nu toe gewacht hebben om voor hem uwe hand te vragen; maar ik heb niets dan een neef, een neef van uw leeftijd en die mijn erfgenaam moet zijn; zoo gij ’t wilt zal ik Sir John over die verbintenis spreken; gij kunt het sieraad zijn van iederen kring waarin gij optreedt, als gij maar wilt. Op den duur zijt gij hier toch niet op uwe plaats; denk er eens rijpelijk en met kalmte over na, en als gij besloten zijt, laten wij master William uit Engeland overkomen en…”

»Wees gedankt, Mylord!” viel ik uit, »ik heb volstrekt niet uwe tusschenkomst verzocht om mij een echtgenoot te bezorgen, en ik zal nooit kunnen besluiten om in u mijn oom te zien!” En ik barstte uit in een smadelijken lach, de reactie van eene onuitsprekelijke verbittering, en liep in ijlende vaart zijne kamer uit naar de mijne. Toevallig lag daar op tafel een deel van Shakespeares prachteditie, die hij mij eens ten geschenke had gegeven. Zoodra dat mij in ’t oog viel, moest ik mijne woede koelen aan het onschuldige boek, dat in flarden gereten en op den grond werd geworpen. Na die wraakoefening wierp ik mij zelve als eene radelooze daar nevens; ik weet niet hoe lang ik in dien toestand was gebleven, toen de stem van mijne kamenier, die aan de kamerdeur had getikt zonder antwoord te bekomen, mijn gehoor trof; ik sprong op in onbeschrijfelijke verwarring.

»De freule moest toch schellen als zij onwel was,” knorde zij goedhartig. »Ik ben, geloof ik, flauw gevallen, Annette.” — »De freule moet zich kras houden. Ik kom met het nieuwe baltoilet, ’t is tijd om de freule te kleeden.”

Het was waar, ik moest dien avond nog eene partij bijwonen met Lord William. Ik deed het mogelijke om de sporen van de doorgestane smart te verbergen en liet mij werktuigelijk optooien; maar eens onder de wapens, nam ik het kloeke besluit om eene houding aan te nemen, die niemand, zelfs hem niet, het recht zou geven mij te beklagen of eene onbescheidene vraag te doen. Als gewoonlijk reden wij gezamenlijk naar de partij, en ik was vast besloten ditmaal zijn arm te weigeren en mij door Grootvader te laten binnenleiden. Ik kreeg hartklopping, reeds bij de gedachte aan die wraakneming en aan den indruk dien zij op hem zou maken. Dan, de wijze, voorzienige Heer had er anders over besloten.

Wij reden aan bij den Engelschen consul; Mylord stapte daar af en zou wat later komen!

Sir John onderhield zich daarop met Majoor von Zwenken, ik denk wel met zeker opzet, over mijn gast. »Het blijkt dat hij tot een besluit is gekomen, en dat er haast is bij de uitvoering. Hij neemt afscheid van den consul, hij heeft postpaarden besteld voor morgen, om hem naar de havenstad te brengen, waar morgen avond een stoomboot afvaart die rechtstreeks naar Londen gaat.” Dit alles vernam ik, zonder dat het eigenlijk tot mij werd gericht; het viel mij als brandend lood op het hart, en toch was ik dank baar dat ik het zoo vernam, en dat niemand bij machte was in de duisternis van het rijtuig de gemoedsbeweging op mijn gelaat gade te slaan.

Voor het eerst trad ik in de wereld op zonder hem; het was of alles rondom mij ledig was, en of al die opgeschikte mannen en vrouwen, die daar om mij heen woelden, niets voor mij waren dan wassen beelden, in wier midden ik mij bevond, zonder iets met hen gemeen te hebben. Toch moest ik dansen, en ik wilde dat, liever dan praten. Met wie zou ik spreken, en waarover? Daarbij, als hij kwam moest hij mij zien in opgewekte stemming, moest hij mij zien niet als eene treurende verlatene; niets had hij voor mij gevoeld, niets dan mededoogen, dat er hem toe gebracht had mij zijn steun en bescherming te bieden; hij moest het nog weten, dat ik het eerste niet behoefde, en de laatste ontberen kon. Wij waren ten huize van een voornaam bankier, een der gros bonnets van de provincie, wiens vrouw meer dan eenige andere dame uit den kring zich met zekere moederlijke goedhartigheid mijner had aangetrokken. Zij had maar een kind, een zoon, op wien ik juist niet veel had gelet, maar van wien men mij zeide, dat hij het gansche seizoen rondom mij heen geloopen had als smeekeling, om de kruimpjes mijner gunst op te vangen. Ditmaal als zoon van den huize, had hij een recht mij het eerst ten dans te vragen, en ik had mijne redenen om zijn voor komendheid niet af te stooten; ziet gij, Leopold! ik wil mij zelve niet beter voorstellen dan ik ben; ik liet mij niet slechts zijne hulde welgevallen, ik moedigde die aan. Als Lord William binnenkwam, moest hij mij treffen in een coquet, geanimeerd gesprek, of in een wilden, vroolijken galop; zoo viel het werkelijk uit. Maar toen hij eens dáár was, ondanks de tuimeling van den dans moest mijn oog hem toch volgen, alsof een magnetische attractie er mij toe dwong. Hij zelf, kalm en waardig als altijd, ging enkele dames van leeftijd toespreken en nam daarop plaats aan de speel tafel, waar hij, zooals ik later hoorde, eene belangrijke som verloor aan den majoor von Zwenken! Des anderen daags verscheen Mylord niet als gewoonlijk hij het luncheon; hij had nog veel te regelen voor zijne afreis, hoewel zijn kamerdienaar met de koffers later zou volgen. Ik begreep dat de gelegenheid om een vertrouwelijk woord met hem te wisselen mij met opzet zou benomen worden, en in waarheid, wij hadden elkaar niets meer te zeggen; als ik het tegendeel meende en nog eenmaal zijn boekvertrek wilde binnengaan, waar ik toch wist alles in verwarring en hem niet meer alleen te vinden, bleef ik als aan den grond genageld staan; neen, het was zóó beter, hij kon niet blijven, hij kon zelfs geen afscheid nemen. Sir John nam mij na ’t ontbijt ter zijde en kondigde mij aan, dat ik bezoek had te wachten in dienzelfden voormiddag. De bankier had acces gevraagd voor zijn zoon, en Sir John, die het eene goede partij achtte, had dit toegestaan! Gij begrijpt hoe ik dat opnam. Van een Lord William neer te dalen tot een Karel Felters!”

»Karel Felters!” herhaalde ik onwillekeurig.

»Ja! weet gij daar ook al van?” vroeg zij met zekere bitterheid.

» Denkelijk niet het rechte; ik bid u, Francis, ga voort,” sprak ik met eene gejaagdheid, die ik niet wist te verbergen.

»’t Is niet heel mooi, wat er volgt, dat moet ik zelve zeggen. Ik verweet Sir John dat hij zulk eene beslissing had genomen zonder er mij in te kennen.

»Ik meende niet anders of de pretendent stond u wel aan, en de oude heer was dringend.”

»Gij heb u vergist; ik wij hem niet hebben, en ik wil hem zelfs niet ontvangen.”

»Wat dat laatste betreft, Francis! dat moet zijn,” sprak Sir John met gezag, en de enkele maal dat hij dien toon tegenover mij aannam, wist ik dat hij onderwerping eischte. »Gij zoudt mij een gek figuur laten maken; gij hebt dien jonkman aangemoedigd, zie nu zelf hoe gij hem zijne illusie ontneemt, maar ik waarschuw u, dat de wijze waarop men zulk een eerste aanzoek afslaat, licht voor het vervolg decideert. Als gij goed geëtablisseerd wilt worden, zorg dan dat uwe afwijzing in behoorlijken vorm geschiede.”

»Ik wensch niets dan mijne onafhankelijkheid te bewaren voor het leven,” antwoordde ik, terwijl ik juist lord William zag binnentreden. »Ik heb noch dien jonkman, noch iemand anders noodig voor mijn geluk, en ieder die zich over mijne toekomst meent te moeten bekommeren, kan zich daarnaar regelen.”

Gij begrijpt hoe ik dien armen Karel Felters ontving. Alles liep samen, om mij als eene furie te doen verschijnen voor de oogen van den overbluften sukkel, die maar niet begrijpen kont dat zijne coquette danseres van den vorigen avond plotseling in zulk eene woeste mannenhaatster was omgetooverd. Want ik zorgde wel hem te zeggen, dat hij zijn échec niet voor zich zelven alleen behoefde te nemen. Hoe het kwam weet ik niet, maar hij bleef toch ongeloovig aarzelend, en kon maar niet besluiten heen te gaan. Dat prikkelde mijn reeds zoo geschokt zenuwgestel op het heftigst; ik wist niet hoe hem weg te krijgen, en hij moest toch weg, want ieder oogenblik kon lord William binnenkomen om afscheid te nemen, en die beiden daar samen, dat was te veel. Het toeval wilde dat ik Karel had moeten ontvangen in de kamer van sir John, die als zeeofficier nog pronkte met trofeeën van wapenen. In de overspanning van ’t oogenblik, woest van gejaagdheid, nam ik een paar schermdegens van een rek, bood den sidderenden en verbaasden jonkman er een aan, nam den anderen, zette mij in postuur en viel op hem uit; de ongelukkige bloodaard, die in zijn angst niet eens scheen te merken, dat het onschadelijke wapens waren, wierp het zijne weg en vlood in allerijl, terwijl ik hem toeriep:

»Allons donc! wie Majoor Frans vragen durft, moet ten minste den degen weten te hanteeren!”

»Ik heb van dit heldenfeit gehoord,” zei ik lachend; de arme Karel Felters loopt nog, naar men mij heeft verteld.”

»C’ est ainsi qu’on écrit l’ histoire,” hernam Francis, nu met den kalmen glimlach van eene die er reeds boven stond. »Ik heb ook gehoord, dat hij eene reis rondom de wereld zou ondernemen, on mij niet weer tegen te komen. Maar de waarheid is, dat het wittebroodskind maar een uitstapje naar de Rijnprovincië heeft gemaakt, waar hij zich een tijdlang schuil gehouden heeft voor zijne vrienden en bekenden en eene allerliefste pfarrersdochter heeft leeren kennen, die hem tot een gelukkig echtgenoot en huisvader heeft gemaakt, hetgeen niet heeft belet dat de geheele familie en al hare adherenten sinds een wrok behouden heeft tegen Majoor Frans en niet hebben verzuimd deze door allerlei kleingeestige represailles te koelen. En toch, al ware er nooit een lord William voor mij geweest, Zoo’n flauwert had nooit mijn consort kunnen zijn! Maar, gij moet nog hooren hoe het verder met mij afliep op dien onvergetelijken dag. Terwijl ik, met een gelaat gloeiend van ergernis en oogen fonkelend van toorn, en die fleuret nog in de hand, Karel zag vlieden, stond daar plotseling lord William in de geopende deur en staarde mij aan. Ik behoef u niet te beschrijven, Leo, met welk een blik van afkeuring.”

»Mis Francis!” sprak hij, »als sir John mijn raad had ingeroepen, zou men u van dit aanzoek ter kwader ure hebben verschoond en u eene onvoorzichtigheid bespaard hebben. Nu is het geschied, en ik begrijp heel goed dat er iets in u is wat zich lucht moet geven, ook dat het u invallen kon, dat op deze wijze te zoeken; maar het is zeer verkeerd van u, juist op zulk een onschuldig offer los te trekken. For shame, Francis! op een stumpert die mogelijk nooit een fleuret in de hand heeft gehad! Mij dunkt, gij hebt degelijker oefening noodig en een tegenstander die iets meer te beteeken en heeft, om er voldoening van te hebben. Ik meende wel, u een en ander te hebben geleerd, maar ik verzuimde nog uw talent in ’t schermen op de proef te stellen. Sta mij toe u de revanche te geven die de ongelukkige vluchteling in den steek liet.” En zonder mijn antwoord af te wachten, nam hij mij de fleuret uit de hand en bood mij met eene buiging een degen aan, dien hij van het wapenrek had genomen. Hij zelf nam het wapen op dat Karel Felters had weggeworpen. Ik wilde iets antwoorden; de stem stokte mij in de keel. Ik aarzelde, ik wilde tegenstribbelen; het bleek hem ernst. Hij wierp zijn reisjas uit, zag mij aan met een blik, welks beteekenis niet te miskennen was, en riep: »en garde!

Ik was gedwongen het zonderlinge duel werkelijk aan te nemen. Allerlei gedachten en gewaarwordingen kruisten zich bij mij in hoofd en hart; ik wilde nu niet terugtreden; ik wilde niet dat hij met mij spotten zou; ik wilde hem toonen dat hij niet te doen had met eene onhandige. Ik verbeeldde mij, dat hij, een man van studiën en letteren, niet veel werk zou gemaakt hebben van eene kunst, zoo weinig in harmonie met zijne liefste oefeningen; maar ik bemerkte ras, dat ik mij zonderling had vergist. Hij voerde den degen al spelende, doch met even vaste als lichte hand. Hij liet mij aanvallen en pareerde slechts, maar zoo vlug en ferm dat hij mij geen kans liet hem te treffen. Zelf viel hij niet uit dan om mij aan te vuren en af te matten door al die vergeefsche schermutselingen. Dat laatste gelukte hem dan ook zoo goed, dat ik machteloos en bijna verlamd van vermoeienis wel gratie had willen vragen. Maar toch, het nu zóó tegen hem op te geven, dat wilde ik niet.

»’t Is eene mannelijke oefening, miss! Er behoort meer dan vrouwelijke kracht toe,” sprak hij met tergende koelbloedigheid, terwijl hij een mijner aanvallen ontweek, die door mijne hartstochtelijkheid telkens wilder en onhandiger werden; want de wensch om er een einde aan te maken bracht mij buiten mij zelve.

»Geef acht, Mylord! Gij veracht uw partij wat al te veel,” voegde ik hem toe, en mikte op zijn borst, alleen beschermd door het plastron van een batist overhemd. In plaats van mij af te weren, schudde hij glimlachend het hoofd en gaf zich geheel bloot. Het menschelijk hart is arglistig, Leo! maar toch, met de hand op het mijne mag ik betuigen, dat de zucht om hem leed te doen mij niet dreef in dien oogenblik; dat ik er zelfs niet aan dacht, hoe ik gevaarlijker waren voerde dan een gewone schermdegen; maar getergd door dit bewijs dat hij mij niet telde, vervuld door de zucht om hem den strijd te zien opgeven, daar ik het oogenblik voelde naderen waarop ik van vermoeienis den degen zou moeten neerwerpen, drong ik snel en forsch op hem aan. Hij scheen niet op te Ietten, hij pareerde niet, ik trof hem — een dunne straal bloed schoot door het witte linnen heen. Meet was er niet noodig om mij verplet van schrik en berouw aan zijne voeten te doen zinken. Op hetzelfde oogenblik trad sir John binnen, gevolgd door zijn grootvader. De eerste stiet eene verwensching uit, die mij gold, want hij schreef alles toe aan mijne onbeteugelde drift; de laatste wilde den gewonde hulp bieden, die hem afwees.

»Het is niets, mijne heeren, volstrekt niets,” sprak Mylord, terwijl hij mij met de eene hand oprichtte en met de andere zijn zakdoek tegen de borst hield. »’t Is maar een schram die niets te beteekenen heeft: eene kleine satisfactie die ik miss Francis schuldig was, en die haar mogelijk voor goed zal genezen van de zucht om onvrouwelijke wapens te hanteeren.”

»Nooit, nooit weer!” bracht ik uit in de heftigste ontroering, ziende hoe de fijne witte zakdoek in een oogwenk van bloed was doortrokken. En, Leo! zoo hij bedoeld heeft mij zulk een afschrik in te boezemen, is het uitgevallen zooals hij voorzag. Ik heb later nooit weer naar een wapen gegrepen, nooit weer van een duel kunnen hooren zelfs, of dat verschrikkelijk schouwspel van dien bebloeden zakdoek komt mij voor den geest, en mij, mij, Majoor Frans is het meermalen gebeurd, te sidderen en te verbIeeken onder gesprekken, waarbij andere vrouwen, om hare beminnelijke schuchterheid geëerd, gretig bleven toeluisteren, in hare onwetendheid nieuwsgierig en hunkerend naar emoties, waarvan ik meer dan verzadigd was.

En toch, zooals vanzelf spreekt, was mijne reputatie als onverschrokken duelliste van toen af gevestigd; Karel Felters en de zijnen zwegen niet, en de kamerdienaar van Mylord zweeg ook niet; ondanks het verbod van zijn meester. Het was of onze bedienden door het sleutelgat hadden getuurd en of ze door de reten der deuren licht hadden opgevangen over het gebeurde tusschen Mylord en mij. Zij fluisterden het elkander toe, wat zij geraden hadden of meenden te begrijpen, anderen die niets wis ten vonden uit, en zoo kwam het gerucht, vermeerderd en verbeterd, onder de menschen. Ik bemerkte het aan de houding, die men tegenover mij aannam, dat men mij vreesde en schuwde, toen ik weer in het gewone leven optrad. Toen, ik beken het, heb ik het mijne gedaan om de zonderlinge reputatie te handhaven. Ik zag, dat de menschen laag en laf waren, en de zwakheid niet ontzagen. Ik achtte het wijsheid hen te trotseeren en schrik in te boezemen, sinds ze mij toch geen vrouwelijk hart toekenden, en ik voor mij geen reden vond om naar hunne liefde te dingen. Lord William had mij voor iedere deugd kunnen vormen, met alle menschen kunnen verzoenen, als hij maar gewild had. Hij had mij teruggestooten, hij had mij alleen zijne deernis geschonken, die ik niet had gevraagd. Van nu aan was ik voor allen en voor alles onverschillig geworden en luisterde voortaan slechts naar mijne eigene invallen! ”

»Maar de reis van Mylord kon toch niet doorgaan?”

»Hij zelf dacht er anders over. Hij wilde alles vermijden wat opzien kon baren. Hij verkoos niet dat men een heelmeester zou laten roepen; zijn kamerdienaar was handig genoeg om die lichte wonde te verbinden; hij zou maar een uurtje rust nemen en daarmee zou alles in orde zijn, Toch moest hij den arm van sir John nemen om het vertrek te verlaten; en zijn gelaat was vaalbleek toen hij mij toeknikte. Ik week naar mijne kamer met een gevoel van Kainsschuld, om de verwijtende en nieuwsgierige blikken van de omringenden te ontgaan. Ik was vast besloten hem nog eenmaal weer te zien en vergiffenis te vragen. Maar de heftige schokken die ik had doorgestaan en de vreeselijke overspanning waartoe ik mij had opgewonden wreekten zich nu. Overmeesterd door eene zonderlinge loomheid, viel ik op eene canapée neer en sliep in — een onrustige koorstachtige slaap, die door mijne kamenier met bezorgdheid werd gadegeslagen.

Toen ik ontwaakte was lord William vertrokken.”

»En daarna?”

»Daarna werd ik ziek, wat niet te verwonderen was, en mijn grootvader, die ondanks alles van mij hield, voerde mij naar de Werve om in de buitenlucht beter te worden. Toen ik hersteld naar huis keerde, zeide sir John tot mij, dat ik een krassen degen moest voeren, of dat lord William eene zonderlinge goedwilligheid had betoond om zich door mij te laten treffen, want reeds te Eton was hij bekend door zijne vaardigheid in het schermen, en zijn vertrek uit Engeland stond in verband met een duel, waarin hij het ongeluk had gehad zijne tegenpartij, een kapitein van de horse guards, doodelijk te wonden.

»Ik had nooit gedacht dat Mylord een duellist was,” antwoordde ik.

»Dat was hij ook niet; maar zijne eer was er mede gemoeid, dat hij de beleediging van dien kapitein niet ongestraft liet. Het was een vriend van zijne vrouw, en die vriendschap ging wel wat ver. William zou eigenlijk beter gedaan hebbeo, zoo hij de Lady den dood had geleverd. Zij had het verdiend, en geen Engelsche rechtbank zou hem veroordeeld hebben. Nu zijn ze verzoend en vereenigd, voor het uiterlijk althans; maar hij heeft mij geschreven, dat hij reizen gaat, altijd reizen, de vijf werelddeelen door.

Ik dankte God in mijn hart voor deze mededeeling. Mijn geweten was van eene bloedschuld verlost. Maar dat de ernst des levens toch in volle zwaarte op mij bleef drukken, zult gij wel van mij gelooven, Leo!”

»Ja, Francis! dat begrijp ik. En gij hebt zelve nooit meer bericht gehad van dien edelman?”

»Nooit meer. Daarbij, ik kende zijn familienaam niet, zooals ik u gezegd heb, anders hadden de nieuwspapieren mij een of ander kunnen mededeelen. Welhaast volgden allerlei veranderingen en gebeurtenissen elkander op. Mijn vader stierf bijna plotseling; grootvader wed in rang verhoogd en wij trokken naar Z., waar ik mij voornam eens een geheel ander leven te beginnen. Doch men kan met zijne antecedenten breken — ze zijn daarom niet uitgewischt. Maar niet meer hiervan, nu wij zoo dicht bij huis zijn.”

Werkelijk waren wij de brug over en tot het voorplein genaderd. Er was licht in de zijkamer.

»De heeren zitten al bij de thee,” hernam Francis; »en nu eer wij binnengaan, nog een verzoek, Leo! Zoo gij er belang in stelt, zult gij later meer van mij hooren, want het verlicht mij u dat vertrouwen te schenken; maar spreek er mij nooit van uit u zelven, want er zijn oogenblikken waarin ik dat niet verdragen kan, oogenblikken waarin het mij zoo goed is te vergeten!”

»Ik versta u, Francis! wees er gerust op,” sprak ik ernstig, maar somber, en drukte maar even de hand die zij mij reikte. Eigenlijk had zij mij gedaan, wat lord William haar had toegebracht. Zij had mij eene illusie benomen. Het was eerlijk, het was waardig, dat moet ik bekennen maar het viel mij. hard harder dan ik mij had kunnen voorstellen dat zulk een blik in haar verlenen mij treffen kon. Ik was er op verdacht geweest, dat er veel in haar hart was omgegaan. ZeIvr had zij mij terstond bekend dat zij campagnejaren had doorgemaakt,” bittere levenservaringen had opgedaan; het hart was daar niet buitengebleven, dat sprak vanzelf. Had zij mij eene gewone liefdesgeschiedenis verteld met ongunstigen afloop, mij gesproken van teleurstellingen met of zonder hare schuld, van een gebroken engagement, van eene passie waarvan de vlamme nog lichtte, ik had mij kunnen troosten, ik zou de hoop gevoed hebben haar over dit alles heen te zetten en den moed gevat om een smartelijk verleden door een heldere toekomst te helpen uitwisschen. Maar dezen lord William had ik niet kunnen voorzien, en juist deze was het die mij de meeste ergernis gaf. Ik had indruk op haar gemaakt, ik was er zeker van; al kon ik niet wachten dat ik de eerste man zou zijn die haar hartstocht inboezemde, ik meende de eerste te zijn voor wien zij achting gevoelde en aan wien zij hare toekomst zou vertrouwen, omdat zij in hem haar meerdere zag. Ik schrijf het neer, Willem, wat mij door hoofd en hart ging, al zie ik u mogelijk glimlachen over mijne aanmatiging of mijne naïviteit. Welnu, juist die zelfde stelling, die mij de noodigste, de begeerlijkste scheen bij eene verbintenis voor het leven, had de Engelschman reeds bij haar ingenomen. Hij had die niet kunnen en niet mogen behouden, dat is waar, en hij had, zooveel ik uit haar mededeelingen oordeelen kon, a fair play met haar gespeeld, mogelijk ten koste van zwaren, mannelijken strijd; maar dat alles nam niet weg dat hij bezeten had juist datgene waar ik naar stond — een invloed ten goede, waaraan zij met blijdschap gehoor gaf en die haar hart voor liefde had ontsloten: Al had hij uit wijze voorzorg, uit edele zelfverloochening, haar omtrent haar zelve trachten te misleiden, gelukt was het hem niet. Hij had haar slechts van toorn tot bitterheid opgewekt, en sinds hadden tijd en afwezendheid haar wel kalmer gestemd, maar — was er rust gekomen, geene vergetelheid. Zij was hem hare stille vereering blijven wijden, en mogelijk was het dit, juist dit, wat haar voor alle verdere aanzoeken doof had gemaakt, en blind voor alle verdienste die in haar oog de vergelijking met den afgod niet kon doorstaan. Misschien had zij met mij haar ver trouwen te schenken nog iets anders bedoeld dan oprechtheid; had zij bedoeld mij af te schrikken van iedere onderneming op haar hart; had zij bedoeld mij als zonder opzet te zeggen, dat ik er niet op rekenen moest dit beeld uit haar hart te verdringen; juist omdat ik haar een oogenblik had zien wankelen en zij zelve dat gevoelde, had zij zich opnieuw willen vastzetten in dat besluit. Wat er ook van ware, ik had een indruk ontvangen die mij pijnlijker trof dan hare bruske uitspraak bij onze eerste kennismaking: »dat zij mij midden op de hei zou laten staan als zij te vreezen had dat ik met een huwelijksvoorstel aankwam.” Nu ze mij kende, nu ik reeds zoover gevorderd meende te zijn, dat ik maar een gunstig oogenblik had af te wachten om haar te spreken van mijne wenschen en onze vooruitzichten, wierp ze mij haar lord William voor de voeten, en ik voelde mij teleur gesteld niet slechts, maar ontmoedigd. De andere was haar held geweest; wat kon ik nog voor haar zijn? De vertrouwde, aan wien zij haar Iliade uitklaagde, als in het oude treurspel. Ik had eene gewaarwording of ik verminderd moest zijn in hare oogen; ik verloor in mijne houding die kalmte en die vrijmoedigheid, waarin het geheim had gelegen van het overwicht, dat ik aanving op haar te verkrijgen. Dit maakte mij dien ganschen avond stroef en teruggetrokken. Zij moest het mij aanzien dat ik worstelde met hinderlijke bijgedachten, en het kwam mij voor, dat zij zelve ook gedrukt en neerslachtig was; het oproepen van die smartelijke herinneringen had haar zeker veel gekost, en nog bleef zij als onder den slag van dat verleden gebukt, en zat neer onder ons alsof zij niet meer van de onzen was. Ditmaal sloeg zij hare piano niet opent noch verraste mij met een balkostuum, maar hield zich bezig met een dameshandwerkje, dat haar juist niet vlug afging en dat haar geheele aandacht scheen in te nemen; ik plaagde haar een weinig met hare gaucherie; zij zag mij aan met een verwijtenden blik, terwijl zij mij toefluisterde: »Dat moest gij nu niet doen, Leo! nu gij weet waarom ik zoo onhandig ben.” Zij had gelijk: ik was wreed, ik was kwelziek, ik zag altijd lord William voor mij in de gedaante van Willem III, wiens portret ongelukkig en médaillon boven het schoorsteenstuk prijkte, lord William, die tusschen haar en mij in stond en die mij uitlachte omdat ik te laat kwam. Ik wist niet met haar te praten, ik zag niet hoe ik kon blijven zwijgen. Uit verdriet, uit verveling, gaf ik mij ten prooi aan den generaal en zijn compère bij de speeltafel, in stilte dankbaar dat Francis zich er buiten hield, maar zeer onvoldaan over mijn eigen houding, toen ik ten laatste de vrijheid vond om naar mijne kamer te trekken. Ik zal u niet vervelen, Willem, met al de tobberijen waarmee ik toen mijn slapeloozen nacht vervulde. Ik schaamde mij over mij zelven. Waar waren mijn moed, mijne volharding, mijn vaste wil om deze onderneming tot een gelukkig eind te brengen? Helaas! toen ik die vatte, vrij van geest en van haat, nog niet aangetast door de kwalen der liefde, der jaloezie, die mij de helderheid van geest benevelden. Ik zou bij Francis verloren zijn, als zij mij in mijne zwakheid had kunnen zien. Zoo kon het niet blijven. Ik stond op met een kloek besluit. Ik wist nu wie en wat ik tot mededinger had; het bleek uit alles, dat geen ander tot hiertoe dien lord William had verdrongen. Geen ander wellicht was ook zijn weg met haar gegaan; ik had dien uit mij zelven ingeslagen; het was in elk geval geen dwaalspoor, al was het pijnlijk een ander na te treden; het was de weg naar haar hart; hij had het gewonnen, maar hij had het onbevredigd gelaten, hij was terug getreden, en hij moest het, waar ik vrij en moedig kon voortgaan. Hij was het ideaal geweest dat niet kon verwezenlijkt worden, ik was de werkelijkheid, die de vervulling van al hare wenschen kon bieden. Het was tien jaar geleden; die schim kon wel op den achtergrond worden gedrongen; zij was nu geen d wepend kind meer, dat de hand van den Mentor kuste en dat een Romeo meende te zien in een veertiger; zij was nu in vollen jonkvrouwelijken bloei; zij was nu de schalke, weerbarstige Katharina, die haar Petruccio met blijdschap in de armen zou vallen als zij eens in hem haar overwinnaar had erkend. Hoe kon ik mij toch zoo verontrusten over den Engeschman! Wat had men niet al gelasterd dat mij niet had teruggeschrikt, en deze, juist deze, had mogelijk juist mijne zegepraal voorbereid. Was het niet mogelijk dat ik op de eene of andere wijze zijne herinnering bij haar verlevendigd had en dat de vergelijking mij niet schaadde?

Ik moest er de zekerheid van hebben; ik kon niet lang dus wankeIen tusschen hoop en vreeze; op gevaar af van eene onvoorzichtigheid te begaan wilde ik haar vragen, of zij het spoorloos verdwijnen van lord William een volstrekt onvergoedbaar verlies achtte. Maar dien dag had iedereen op de Werve het druk met het feest van den volgenden. Francis was onophoudelijk in besogne met den kapitein en zoo goed als ongenaakbaar voor mij; het kwam mij zelfs voor, dat ik zoo wat als facheux troisème werd beschouwd, en om niet in den weg te loopen wilde ik naar mijne kamer gaan, toen Francis mij ter zijde riep en een biljet in de hand duwde, waarmee ik van het hulppostkantoor een aangeteekenden brief voor haar moest afhalen. »Het was beter dat de generaal daar niets van merkte, en zelve had zij vandaag geen tijd,” sprak zij, niet zonder eenige verlegenheid over den dienst dien zij mij vergen moest.

»Dat is bet minste, Francis, maar waarom maakt gij nu ook zooveel drukte van dat verjaarfeest?”

»Wat zal ik u zeggen! Die lieden hier zijn dat altijd gewoon geweest, en als wij nu niets doen is het een al te sprekend bewijs van verval… De schoolmeester komt zijn feestgroet brengen met een keurbende uit de dorpsjeugd, die verzen opsnijen; de Pauwelsen komen feliciteeren; de notabiliteiten, waarmee we niet in openbaren oorlog zijn, zooals de ontvanger en dominé komen hier eten; de mogelijkheid bestaat, dat er nog de een of andere oude kennis van grootpapa komt opdagen die den dag onthouden heeft; dat alles moet een weinigje geregaleerd worden, en dat is niet af te weren tenzij we gezamenlijk de vlucht nemen, en dat gaat ook niet. Rolf was er op verdacht, en ik heb hem moeten danken voor zijne voorzienige wijsheid, want het is morgen Zondag, en dan kan men hier niets gedaan krijgen. Gelukkig ben ik nu zelve weer in bonis als gij met dien brief terugkeert. Het ergste is, dat wij voor een paar dagen onze vrijheid missen en dat ik u zoo wat links moet laten liggen. Maar neem wat geduld; daarna heb ik weer rust en tijd tot uwe beschikking.”

Zoo scheidden wij, zonder te vermoeden wat er al niet tusschen zou komen eer ons die rust en vrije tijd werden gegeven voor zulk een vertrouwelijk onderhoud als ik mij voorstelde. Och, al hebben wij nog zoo’n vasten wil, en de omstandigheden zijn ons tegen, dan zijn zij de sterksten, daar is niet aan te doen; ik althans heb dat tot mijne schade ondervonden, al verzekert Potgieter ons:

ENIE blijkt toch de OMSTANDIGHEÊN te groot.

Al twijfel ik niet of hij spreekt uit ervaring, ik weet maar al te goed dat ik zoo’n Hercules niet ben, en zelfs, ik had hem in mijn geval wijlen zien, om te weten hoe hij over die verlammende kwelgeesten zou gezegevierd hebben!


Wij aten laat en vrij eenvoudig dien dag; de kapitein was naar de stad geweest met het wagentje van Pauwels, en wij hadden naar zijne terugkomst gewacht met het diner, tot groote ergernis van den generaal, terwijl Francis besliste, dat het billijk was en zoo zijn moest.

Aan tafel kreeg von Zwenken twee brieven; den eersten verscheurde hij met eene uitdrukking van wrevel en teleurstelling, na dien even te hebben ingezien, den anderen reikte hij open aan Francis toe, terwijl hij zeide:

»Wilibald wil hier morgen komen dejeuneeren; kan dat?”

»Het moet kunnen! al zou het veel aardiger zijn zoo het op een stiller dag trof!” repliceerde Francis; »maar de brave jongen zou raar opkijken, als we zeiden, dat hij niet welkom was:’ Wilibald! mij schoot in eens te binnen bij welke aanleiding ik dien naam voor het eerst had gehoord.

»Is dat een Luitenant Wilibald?” vroeg ik, Francis aanziende.

»Hij is nu kapitein; is hij u bekend?”

»Als een vermaard leider van den côtillon… ” antwoordde ik onvoorzichtig.

»’t Is waar, hij is een goed danser, maar hoe weet gij dat?”

»Herinner u, dat ik een ganschen avond in de Z-sche gezellige wereld heb doorgebracht vóór ik hier kwam.”

»En dat was genoeg om u vertrouwd te maken met alle cancans van voorheen en thans… en gij zult wijs en wel doen daar behoorlijk notitie van te nemen en de lieden te houden voor ’t geen ze dáár gelden!” sprak zij, mij aanziende met haar klaren, scherpen blik, en een ironieke glimlach speelde om haar mond. ’t Was of zij raadde hoe zij toen les frais de la conversation had geleverd, en mij doorzien wilde om te weten wat er daarbij in mij was omgegaan.

Ik wist mij niet onschuldig, maar ik moest mij goed houden.

»Ik heb dezen naam opgevangen en onthouden, ziedaar alles; maar mijn bezoek op de Werve bewijst u immers hoe ik de médisances sociales op haar prijs weet te schatten.”

»Als gij u daar ook niet boven hadt gesteld, zou ik niet weten wat van u te denken,” fluisterde zij mij toe, want dit aparte, op halfluiden toon gesproken, ging buiten den generaal om. »Nu, gij zult kapitein Wilibald leeren kenuen, en ik twijfel er niet aan of zult gij bevinden dat hij nog wel iets anders is dan een beau danseur!”

Ik boog mij, als vooruit overtuigd, en hierbij bleef het. Rolf en Francis hadden samen weer conferenties, Ik ging alleen wandelen; bij de thee ging alles zoo vluchtig toe, dat ik, wel ziende hoe er van een gezellig avondje niets komen zou. en zonder lust om den generaal gezelschap te houden, die ons allen boudeerde, omdat Rolf hem niet als gewoonlijk ten dienste stond, naar mijne kamer trok, en meende nu eens dapper met mijn journaal voort te gaan… maar ik had pas een paar pagina’s geschreven, of mijn oog viel, bij ’t verschuiven van een papier, op een paketje dat aan mijn adres was. Bij ’t openen vond ik eene kleine portefeuille en cuir de Russie, waarop met gouddraad mijn naamcijfer geborduurd was, en het woord souvenir met F. M. daaronder. Het was hetzelfde handwerkje dat ik den vorigen dag in aanvang had gezien. Het had haar moeite gekost; zij had er mogelijk een deel van den nacht voor opgezeten, en ik ondankbare had zoo onbarmhartig gespot met haar gemis van vaardigheid. Het bleek ten minste dat het haar niet aan geduld en volharding haperde. Bij het doorsnuffelen vond ik een muntbiljet in couvert, waarop geschreven stond: In dank terug, haar naam en de datum, een staaltje van hare ferme en kloeke hand, dat mij zeer begeerig maakte naar meer; maar ik vond niets. Het was eigenlijk eene damesportefeuille, en niet eens geheel nieuw. Het arme eerlijke schepsel had de eerste gelegenheid de beste waargenomen om hare schuld af te doen en mij hare dankbaarheid te toonen, en ik was in eene kwade luim geraakt en had haar gekweld! Hier was al de teerheid en fijnheid van een echt vrouwelijk hart, dat men kan wonden en krenken, en dat bloeden zal, maar dat zich toch niet sluit voor wie er eens in is doorgedrongen. En dat was ik, het scheen mij eene zekerheid; de pijl, die zij in ’t wilde had geschoten over het hechten aan praatjes was mij door merg en been gegaan. Ja! zij had gelijk, ik was zwak en laf met mijne aarzelingen, met mijn achterdocht, die de volle uiting mijner gevoelens telkens terugdrong; dat temporiseeren ben ik moede; Ik zal haar nu in ditzelfde ougenblik opzoeken, en zeggen wat er in mij omgaat; ik heb mijn pretext om haar te storen, al stoot ze mij af, ik zal mij niet laten verdrijven vóór zij het noodigste heeft gehoord; dat’s in vijf minuten gezegd, en wij verrassen den generaal op zijn verjaardag met onze verloving! Reeds was ik opgesprongen en had de kruk van de deur al in mijne hand, toen ik een zonderling gerucht aan een der ramen waarnam; de blinden waren niet gesloten, hoewel er licht brandde; het kwam mij voor of men aan de ruiten tikte. Ik moest terugkeeren om te zien wat het was, ik hoorde eene schorre stem »Francis! Francis!” roepen, en ik zag eene hand die zich aan het hout vastklemde.

»Francis! kom mij te hulp of ik zal die vermolmde roeden breken,” riep de stem.

Ik antwoordde niet en kwam ook niet te hulp; ik wilde zien hoe de binnendringer zich over het bezwaar heenhielp. Dat ging vlug genoeg; het oude houtwerk kraakte als riet; een hoofd kwam ras door de opening; de beide handen leunden op het houten kozijn; er kraakte nog wat hout en wat glas, en de persoon, die niet tegen inbraak scheen op te zien, was met een forschen en vluggen sprong binnen.

»Wat wilt ge van de freule Mordaunt?” vroeg ik, den stouten indringer tegentredende met een wantrouwen, dat nu niet ongerechtigd was.

»Een vreemdeling hier!” riep hij uit, in plaats van antwoord te geven; »dat verwondert mij; ik dacht niet dat ze meer aan logeergasten deden.”

»Mij dunkt ik heb nog meer reden om verwonderd te zijn over de wijze waarop gij hier binnenkomt…:”

»Ja! die is somewhat irregular, dat erken ik; maar ik ben daarom toch geen dief, geen inbreker; ik kom eenvoudig zoo binnen, omdat ik in huis geene opschudding wilde maken en zeker meende te zijn Francis hier te zullen vinden daar ik licht zag, en niet raden kon dat er iemand vreemds was. Maar nu ik er eenmaal ben, moet gij mij toestaan wat te rusten, en te over leggen hoe ik Francis te spreken kan krijgen;” en hij liet zich neervallen op de groote ouderwetsche sofa.

»Br! dit ding is ook al weer wrakker geworden,” gromde hij, toen het meubel onder zijne zwaarte dreunde, en rondziende, sprak hij halfluid: »hé dat staat kaal! de oude familieportretten zijn weg! Zeker door de mot en de rotten opgegeten met huid en haar.”

Alles bewees dat de man hier geen vreemdeling was. Zijne manieren waren vrij en sans gêne, maar niet eigenlijk gemeen; zijne kleeding ook had niets van een haveloozen vagebond, al was zij eenigszins fantastisch en opzichtig, een kort zwart fluweelen jasje met metalen knoopen, een kleurige foulard losjes om den hals geknoopt, een pantalon collant van paarlgrijs laken en verlakte rijlaarzen met sporen, zware gemsleeren handschoenen, en de chapeau croqué die op den grond gevallen was bij zijn woesten sprong, stelden een elegant rijgewaad daar, zooals een vreemdeling of een student het zich ten onzent zou veroorloven.

»Hebt gij hier niet wat voor mij te drinken?” vroeg hij, nadat hij mij den tijd had gegund hem eens goed op te nemen; al is het maar een glas water? Ik heb goed drie uur te paard gezeten, om de wandeling naar de Werve niet mee te rekenen, en ik ben heesch van het stof.” Hij sprak zijn Hollandsch met zeker vreemd accent; hij had het voorkomen van een vijftiger, hoewel hij mogelijk jonger kon zijn; zijne levendige, bewegelijke trekken, die nooit in rust waren, de menigte fijne rimpels op zijn verbrand voorhoofd, en de matte bleekheid van zijn gelaat getuigden van sterke hartstochten en van: »campagnejaren”, zooals Francis zou zeggen. Een oogenblik viel het mij in of ik hier met lord William te doen had; maar hij geleek niets op Willem III; integendeel, hij had veeleer eene physionomie à la Rabelais, kort ineengedrongen met een wipneus, dikke sensueele lippen met een rosachtigen knevel en grijsachtig groene oogen, die schalk en vermetel rond keken.

Hoe ongepast zijn optreden ook zijn mocht, ik vond geen reden om hem een glas water te weigeren; toen ik het hem aanbood kon ik mij niet onthouden te zeggen:

»Gij schijnt hier met de localiteit bekend te wezen…”

”Ja! nogal, en dat’s geen wonder: ik heb hier menig guitenstuk uitgevoerd in mijne jeugd; maar gij, mijnheer, wie zijt gij eigenlijk; een adjudant van den kolonel of een protégé van Francis, dat gij hier zoo logeert!”

»Mij dunkt, ik zou veeleer recht hebben u te vragen wie gij zijt, dat gij hier zoo binnendringt?”

»Dat is waar, en ik zou het u met pleizier zeggen, maar het is een geheim dat niet alleen het mijne is, en ik heb mijn reden om het niet zoo aan den eerste den beste over te leveren; noem mij master Smithson; dat is mijn pseudoniem voor dit oogen blik.”

»Heel goed; maar wat wilt gij dan eigenlijk, master Smithson?”

»Allereerst dat gij hier de blinden sluit, want daar komt verschrikkelijk veel tocht binnen.”

»Het idée is niet slecht; had ik daar eerder voor gezorgd, mogelijk zou ik de eer van uw gezelschap gemist hebben… ”

»Hm! dat is nog zoo zeker niet, lieden als ik weten voor alles raad.”

»Als dat zoo is zult gij mij verplichten met mij te zeggen, hoe gij het denkt aan te leggen om de freule Mordaunt te spreken.”

»Ik zal u verzoeken haar even te waarschuwen dat ik hier ben…”

»Gelooft gij dat die tijding haar genoegen zal doen?”

»Pristie!… dat mag ik niet verzekeren, maar… zij zal toch komen. Zij heeft wel wat voor mij over.”

»Hier komen, op mijne kamer!”

»Bah! zij is geen prude, onze Majoor Frans… ”

»Master Smithson! ik waarschuw u; als gij u ongepast uitlaat over de freule Mordaunt, zal ik u dwingen denzelfden weg terug te nemen dien gij gekomen zijt!”

»Oh! Ia! Ia! mijnheer N. N.; wij zouden dan toch eerst moeten zien wie van ons de sterkste is, en ik ben nogal een goed bokser; maar het zal zoo ver niet komen; ik ben wel de laatste om iets te zeggen of zelfs maar te denken, dat Francis Mordaunt beleedigen kan; maar dit zult gij mij toch toestemmen, gij die haar ook schijnt te kennen, dat zij de laatste is om uit zotte preutschheid terug te blijven als er kwestie is om iemand te helpen.”

»Dat stem ik toe, maar zoo gij hare hulp noodig hebt, kunt gij mij dan niet zeggen wat gij van haar verlangt?”

»Dat zou te omslachtig zijn. Enfin! zoo gij mijne boodschap niet verkiest te doen, zal ik Frits den huisknecht moeten opzoeken, die er vast nog wel is; maar de oude zal zich niet goed weten te houden en een verwenscht misbaar maken; dat mij terstond zou verraden aar… den kolonel.”

»Gij meent den generaal.”

»Generaal! zoo, en denkelijk gepensioneerd? Ik ben eenige jaren buitenslands geweest…”

»Nu dan! ik zal de freule Mordaunt opzoeken en haar vragen waar zij master Smithson een onderhoud wil toestaan…”

»Goed! maar zeg dan liever niet, master Smithson, want onder dien naam kent zij mij toch niet.”

»Zeg mij dan kort en goed dien uwer namen, waaronder zij u wel kent.”

»Vraag haar of zij iemand van hare familie die zich Rudolf noemt een oogenblik wil te woord staan.”

»Ik zal dat verzoek overbrengen, mits gij mij belooft er in te berusten als zij het afslaat.”

»Hm! gij maakt zooveel omstandigheden; men zou haast zeggen dat gij zoo iets waart als… haar verloofde, of… haar pretendent, als het niet al te onwaarschijnlijk ware.”

»Waarom zou dat zoo onwaarschijnlijk zijn?” vroeg ik gespannen, want ik was altijd bezield door zekere onrust dat er in het verleden van Francis eenige geheimzinnige hindernis school, die mijn geluk in den weg stond; en het viel mij in, dat deze man daar iets van weten kon.

»Wel, ik heb altijd gehoord, dat Francis Mordaunt meer roeping had om een bataillon te commandeeren, dan om haar fieren nek te krommen onder ’t huwelijksjuk.”

»Was het anders niet!” dacht ik, en hernam:

»Moet zij zich dan onveranderlijk gelijk blijven?”

»Wat dat betreft, het: souvent femme varie is de regel; zij zou eene exceptie kunnen zijn. Maar a/ter all is zij eene vrouw… Dus zijt GIJ de gelukkige ”, hervatte hij op eens in veranderden toon, en mij aanziende met een spotachtigen glimlach, terwijl zijne ondeugende oogen van schalkheid tintelden.

»Ik zou het werkelijk tot een groot geluk rekenen, zoo freule Mordaunt om mijnentwille zulke inconsequentie kon begaan,” viel ik in, op een toon van strakken ernst, die zijn spotlust eenigszins matigde; »maar… tot hiertoe ben ik voor haar niets dan een neef. Ik ben Leopold van Zonshoven, geparenteerd aan haar grootvader.”

»Nu, op mijn woord! gij zijt een paladijn, die met ijver over de eer der familie waakt. Zoo zijn wij denkelijk neven, want ik… ben ook geparenteerd aan haar grootvader,” eindigde hij, na eenige aarzeling; »en nu gij dit weet, zult gij zeker niet langer twijfelen of Francis zal mij willen te woord staan; misschien kan het geen kwaad als gij haar vooruit verzekert, dat ik geen geld noodig heb, Integendeel, ik kom wat brengen… zie maar!” en hij haalde eene portefeuille te voorschijn, die hij openmaakte om een aantal fijne, groenachtig, gekleurde papiertjes te laten zien… Vertel haar dat, het zal haar zeker eenigszins geruststellen, en u denkelijk ook, die mij nog altijd zoo wat half en half voor een, hihwayman aanziet.”

»Ik zie u aan voor een zonderling, die er pleizier in vindt de lieden te mystificeeren.”

»ls Francis hier komt, zult gij wel hooren wat er van is.”

Ik kon niet langer weifelen; maar toen ik hem verliet, nam ik de voorzorg mijne kamer van buiten af te sluiten, uit vrees dat hij mij volgen en Francis overvallen zou eer zij gewaarschuwd was. Ik wist, dat haar appartement gelegen was in den tegenovergestelden vleugel van ’t kasteel, den eenige die nog in redelijken, bewoonbaren staat was, waar ook de generaal en Rolf hunne. kamers hadden. Ik vermoedde dat ik haar vinden zoude in haar boudoir, waarvan zij mij eens had verteld, doch waar ik mij nog niet verstout had den voet te zetten. Ik waagde het er op, tikte en noemde mijn naam. Ik werd verrast door een opgeruimd: »Kom maar binnen, Leo!” Zij had er mogelijk op gerekend, dat ik haal voor hare attentie zou komen bedanken. Hoe jammer dat ik nu, tot haar kwam met eene onaangename tijding, die mij de gelegenheid benam om voor mij zelven te spreken.

»Het spijt mij dat ik u stoor,” begon ik, ziende dat zij een, cahier ter zijde schoof.

»Volstrekt niet; ik bladerde maar zoo wat in een oud dagboek, waarin ik sinds lang niets had op te teekenen. Hier op de Werve valt zoo zelden iets bijzonders voor .”

»Nu toch valt er iets voor, Francis, dat al heel ongewoon is,” bracht ik uit op een toon die mijne bezorgdheid verried.

»Wat dan? Gij ziet er ontdaan uit, Leo!” riep zij, naar mij toekomende. »Er is toch geen ongeluk gebeurd?”

»Neen; hoewel het bezoek dat er voor u gekomen is, u mogelijk niet heel welkom zal zijn.”

»Een bezoek op dit uur? Wie kan er zijn?”

»Iemand, die zegt familie van u te wezen en die geen anderen naam opgeven wil dan dien van Rudolf.”

Zij werd bleek en fronsde het voorhoofd.

»Mijn hemel! hoe komt die ongeluksvogel nu hier?”

Ik deelde haar mede, op welke zonderlinge wijze die man was binnengedrongen.

»Ja, dat’s er wel een van hem,” sprak ze, eer wrevelig dan getroffen. »En gij zegt dat hij mij spreken wil?”

»Maar als gij ’t verlangt, zal ik hem den weg uitzenden dien hij gekomen is.”

»Neen, neen! dat moet niet zijn; geen geweld, geene opschudding. Wij moeten zien hem weg te krijgen zonder dat de generaal er iets van merkt, dat is het voornaamste. Ik ga met u mee, Leo! Gij moet ditmaal maar eens niet naar de vormen zien; ik heb u gewaarschuwd dat het hier wat vreemd toegaat. Hoe ziet hij er uit? Armelijk, slordig?” vroeg zij onder ’t voortgaan.

»Hij is fatsoenlijk gekleed; hij heeft wel iets vreemds en stelt zich wat vrijpostig aan, maar hij heeft gansch niet het voorkomen, noch de manieren van een vagebond.”

»Dat is hij ook niet, maar… hij is er niet beter om. Integendeel, iemand zonder geboorte en zonder opvoedIng zou men kunnen vergeven wat in hem onvergefelijk is.”

»Gij zegt dat gij veel voor hem over hebt.”

»Ik heb ten minste voor hem gedaan al wat ik kon, meer dan ik mocht wellicht. En toch, hoe beloont hij het nu weer! Met mij opnieuw te komen plagen, wie weet voor welke onaangename zaak!” Kennelijk was zij eer door verdriet en ergernis getroffen dan door eenige zachtere gemoedsbeweging. Die man was haar niets dan een lastpost, zooals men ze aantreft in bijna iedere familie , die het budget van de huiselijke zorgen verhoogen en de som van ’t huiselijk geluk vreeselijk bekorten. Dit bedenkende, meen de ik haar gerust te stellen met te zeggen:

»Ik moet u verzekeren dat hij geen geld komt vragen.”

»Ik ken dat! Maar zeker is het, dat ik niets meer voor hem doen kan op dat punt. Och, Leo! ik heb een voorgevoel dat die man hier onheil komt aanrichten. Blijf bij mij, ik zal het noodig hebben.”

Wij stonden bij de deur van mijne kamer. Zij greep mijn arm, als had zij behoefte aan steun. Ik drukte hare hand met een zwijgende belofte en wij traden binnen.

Master Smithson, of mijnheer Rudolf, had geen onbescheiden gebruik gemaakt van mijne afwezendheid, dat was blijkbaar. Hij had zich uitgestrekt op de sofa en was zoo ingedommeld. Francis stond voor hem eer hij er op verdacht kon zijn. Hij sprong verrast op en scheen willens haar te omhelzen; maar zij trad koel en waardig achteruit en voorkwam die begroeting door hem de hand toe te steken. Hij scheen er niet over gekrenkt. Integendeel, hij liet den lossen, overmoedigen toon, dien hij tegen mij gevoerd had, varen toen hij tegen Francis sprak; hij was kennelijk wat verlegen met zijne houding; zijne stem klonk dof en hij scheen geen moed te hebben haar aan te zien.

»Ik kon mij wel voorstellen, Francis! dat mijne terugkomst u geene blijde verrassing zou zijn, maar toch…”

»Het is tegen de afspraak, dat zult gij mij toestemmen. Gij hadt beloofd, op uw woord beloofd, mijnheer! dat gij in Amerika zoudt blijven, of het u daar meeliep al of niet. Ik meende de zekerheid te hebben, dat gij althans de grenzen van uw vaderland niet weer zoudt overschrijden, en toch… ”

»Sta ik hier weer voor u, dat moet u tegenvallen. Ik begrijp het; maar toch, veroordeel mij niet onverhoord. Mogelijk vindt gij mij minder schuldig dan gij nu meent.”

»Onvoorzichtig althans zijt gij in hooge mate. Hier heen te komen, hier naar de Werve, waar gij zoo licht herkend kunt worden!”

»Wat dat betreft, my dear! laat die zorgen varen; daar tegen weet ik mijne maatregelen te nemen. Maar dat ik mijn woord brak, mijn woord aan U, dat is eene ondankbaarheid waarvoor ik u in alle ootmoedigheid vergiffenis wil vragen! En hij nam de houding aan of hij de knie voor haar zou buigen.

»Wat ik u bidden mag, speel geen comedie,” sprak zij koel en met kennelijken weerzin, nog meer terugwijkend.

»De Hemel beware mij! Comediespelen! Om het lieve brood en op de planken, dat is wat anders, daar heb ik er het mijne aan gedaan; maar in ’t werkelijk leven, tegenover hen die ik acht en liefheb, tegenover u, Francis, bovenal, mag ik zeggen dat ik waar en eerlijk ben, zoo goed als gij zelve, en als gij mij uwe vergiffenis nu nog niet schenken wilt, zult gij het toch doen als ik mijne verantwoording heb afgelegd… Ik had het vaste voornemen u de jammerlijke personage die ik ben niet meer onder de oogen te brengen; maar een mensch wordt gedreven door zijn noodlot, precies in tegenovergestelde richting van die hij zelf wil; ik heb niet tegen den stroom kunnen oproeien, ziedaar alles; ik heb allerlei wonderlijke avonturen gehad.”

»Ja, van avonturen houdt gij, dat is bekend.”

»Ik heb ze ditmaal niet gezocht, dit verzeker ik u op mijn woord. Dan, eer ik ze u vertel, moet ik weten of ik mij veilig kan uitlaten in tegenwoordigheid van een derde. Ik had, om de waarheid te zeggen, op een tête-à-tête gerekend.”

AI sprekende zag hij naar mij om. Ik had mij teruggetrokken aan de andere zijde van ’t vertrek, bij den schoorsteen, en bleef daar staan, tegen de rijke marmeren ornamenten geleund; ik wilde niet heengaan voordat ik de zekerheid had dat Francis niet door hem beleedigd zou worden en dat zij zelve verlangde met hem alleen te zijn; maar zijn woord was nu zoo rechtstreeks aan mij, dat ik, verlegen over mijne indiscretie, de houding aannam van het vertrek te willen verlaten.

»Blijf Leo!” riep Francis mij toe.

»Maar Francis!” sprak Rudolf gekrenkt en met tranen in de oogen. »Gij weet toch wel dat gij tegen mij geen beschermer behoeft. Op uw wenk buig ik mij neer met het voorhoofd ter aarde; wat zoudt gij van mij te duchten hebben?”

»Geen geweld, dat weet ik wel; maar ik wil niet altijd om uwentwil verdacht en gelasterd worden. Ik hecht er aan, Leo, dat gij getuige zult zijn bij ’t geen er voorvalt tusschen mijnheer en mij. Ik wil niet dat er schijn van geheimzinnigheid zal rusten op hetgeen, wat mij aangaat, het volle licht kan velen; en wat uwe veiligheid betreft, Rudolf, ik sta in voor mijn neef, jonker van Zonshoven. Gij kunt hier gerust zeggen wie gij zijt. HIJ zal WOORD houden als hij stilzwijgendheid belooft.”

Ik boog mij tot eenig antwoord en schoof een armstoel voor haar aan, daar mijnheer Rudolf de vrijheid had genomen weer op de sofa plaats te nemen.

»C’est qu’il y va de la vie!” zei hij, even de schouders ophalende. »Willens of onwillens eene indiscretie, en ’t is met mij gedaan. Maar het zegt ook niet zooveel; ik waag mijn hals tegenwoordig toch iederen dag! Nu dan, mijnheer!” ging hij voort, opstaande en zich tegen mij buigende met een theatrale houding. Ik zou met Ravenswood kunnen zingen, als mijn stem niet zoo versleten was:

»Sachez donc qu’en ce domaine
»D’ oû me chasse encore ta haine
»En seigneur j’ai commandé”

dat wil zeggen, altijd in absentie van den vrijheer en titre; ik was maar de vermoedelijke erfgenaam, een vermoeden, dat, helaas! wel nimmer tot zekerheid zal komen”

Het begon mij te schemeren, toen Francis, verontwaardigd over zijn lossen, schertsenden toon, in zoo schril contrast met de treurige werkelijkheid, inviel met de klare waarheid: »Mijnheer is… Rudolf von Zwenken, de zoon van mijn grootvader.”

»Oom te zeggen valt mijne allerliefste nicht altijd wat zwaar, en dat is mijne schuld. Vous voilà en pays de connaissance, neef van Zonshoven!” ging Rudolf voort, nu op zijn vroegeren luchthartigen toon; »maar zij moest mij toestaan hare presentatie eenigszins te rectificeeren. Er bestaat geen Rudolf von Zwenken meer; hij is burgerlijk dood.”

»En zedelijk!” verzuchtte Francis halfluid.

»En zoo hij onder dezen naam wilde ressusciteeren,” hervatte hij, zonder zich aan de soufilet van Francis te storen, »zou hij zoo iets begaan als een zelfmoord; want hij zou het grootste gevaar loop en om gevangen genomen en gefusilleerd te worden, zonder pardon.”

»En dit wetende, en na alles wat er gedaan is om u aan dit gevaar te onttrekken, u nog weer hier te vertoonen, dat is onverantwoordelijk,” viel Francis in.

»My dear! wie of wat zegt ù dan, dat ik mij hier vertoonen kom? Representaties geven wij hier in de provincie, dat is waar; maar wie zich dáár bij den volke vertoont is master Richard Smithson, en wel zóó goed gegrimeerd, dat kolonel von Zwenken zelf vóór hem zou staan zonder zijn zoon te herkennen.”

»Dat’s heel gelukkig, want zulk eene herkenning zou hem den dood aandoen, daar ben ik zeker van,” sprak Francis met hardheid.

»O! Ià! dearest Francis! gij overdrijft. Mijn heer vader is nooit zoo bijzonder teergevoelig geweest als het mij gold; maar dat doet er niet toe. Hij zal nooit weten wie master Smithson is, en, deze zal hem nooit onder de oogen komen. Maar ’t is een ander geval met Rudolf van Zwenken, die hier is om in alle eerbiedigheid een onderhoud met zijn vader te hebben en die daartoe uwe tusschenkomst inroept, Francis!”

»Tevergeefs, mijnheer! Gij kunt uw vader niet spreken en zult hem niet weerzien ,” zei Francis met beslistheid.

»Hoe nu! gij zoudt mij daartoe uwe medewerking weigeren? Dat zou geene hardheid zijn, dat zou onmenschelijk wezen.”

»Als ik menschelijkheid heb te betoonen, is het allereerst aan uw vader, en dezen moet ik beschermen tegen ’t geen gij hem nu opnieuw wilt aandoen.”

»Maar lieve, beste kind! versta mij dan toch. Ik wil hem niets aandoen dan zijne hand kussen en hem vergiffenis vragen. Daartoe heb ik mij overallerlei bezwaren en vermoeienissen heen gesteld; ik heb drie uren aaneen te paard gezeten, omdat ik de diligence niet durfde gebruiken; ik heb twee uur geloopen; ik heb mij tot de schemering in de ruïne verscholen; ik ben den bekenden tuin muur overgeklommen met gevaar van armen of beenen te breken; ik berekende hoe ik hier ongemerkt binnen kon sluipen; ik zag licht op de logeerkamer en dacht aan niets dan aan mijn vader en aan uwe goedheid; ik vergat hoe groot een zondaar ik zijn moest in uwe oogen en, ik waagde mijne entrée de chambre hier, die niet van de makkelijkste was, dank zij de weinige voorkomendheid van Jonker Leopold; en dat alles zou nu tevergeefs zijn doorgeworsteld? Neen, Francis! my darling! dat gaat niet. Gij zult u beter beraden, gij zult mij dien eenen droppel lafenis op mijn hobbelig pad niet onthouden; gij zult mij de gelegenheid schenken mijn vader weer te zien, hem te verrassen!”

»Dat zal ik zeker NIET doen, en gij weet dat ik een vasten wil heb, als mijn besluit is genomen.”

»Maar gij hebt toch een menschelijk hart, al is ’t geen heel week, vrouwelijk. Dan begrijp ik wel wat uwe bijgedachte is en waarom gij weigert. Gij meent dat ik kom als de verloren zoon, platzak thuis, na van den zwijnendraf te walgen. ’t Is juist omgekeerd.”

»Profaneer niet, Rudolf.” vermaande Francis streng.

»Ik profaneer niet, ik gaf alleen de tegenstelling. Ik kom terug, niet uit behoefte, maar omdat het mij beter gaat; ik kom ruim zeshonderd gulden brengen als begin van restitutie. Wat dunk u! als papa deze portefeuille, met die mooie greenbacks gevuld, morgenochtend bij het ontwaken Op zijne kussens vond, zou hij dan zijn verloren zoon, die onder zulke gunstige omstandigheden terugkeert, niet met blijdschap de armen openen?”

»Neen Rudolf! zeker niet! hij zou vreeselijk schrikken, en al de vroegere jammer en ellende, de vrees voor schande zou op nieuw over hem komen; daar is meer verloren gegaan dan geld alleen, dat weet gij wel! De eer is verbeurd, en ziedaar wat uw vader u nooit kan vergeven. En sprtek niet van teruggave; die kleine som, onbeteekenend in vergelijking van de zware offers die er voor u gebracht zijn, kan niet opwegen tegen hetgeen wij voor u gedaan, door u geleden hebben, en waarmede wij meenden voor ’t minst rust en vergetelheid gekocht te hebben”.

Rudolf boog het hoofd, zuchtte en bleef zwijgen in diepe verslagenbeid.

Ik was met hem bewogen; ik had eene merkwaardige verandering opgemerkt in zijn gelaat, toen Francis hem zoo alle hoop ontnam; zijn verbleeken, de gespannen trekken, iets vochtigs dat de guitige oogen plotseling verduisterde, wekten mijn medegevoel in hooge mate. Hoe kon men zoo hard zijn voor een medemensch die gevallen was, als Francis bleek dit te zijn voor dezen ongelukkigen bloedverwant! Van die zijde had ik haar nog niet leeren kennen, al wist ik hoe Majoor Frans in drift kan uitvallen; hare trekken zelfs namen dien strakken, kouden ernst aan, die haar meer dan ooit op eene Romeinsche matrone deed gelijken, die deugd geene deugd acht, als zij niet boven het menschelijke gaat. Juist ditmaal viel zij niet uit in ruwe woorden; zij bleef kalm en waardig, maar er was eene uitdrukking van minachting in haar oog, die hem wien het gold verpletteren moest. Als Francis mij ooit zoo kon aanzien, zou het uit wezen tusschen mij en haar. Al griefde het mij, ik kon niet tusschen beiden treden. Er moest eene reden zijn voor hare onverbiddelijke strengheid, die ik niet kon doorgronden; tot zoolang moest ik mij onzijdig houden, te eer daar zij mij als met voordacht tot haar getuige had begeerd bij dit tooneel.

Eindelijk hief Rudolf zich op uit zijne gebogene houding, schonk zich een glas water in, dat hij in één teug ledigde, trad toen naar Francis toe, en de armen over elkaar kruisende, sprak hij haar aan op gansch veranderden toon:

»Luister eens, freule Mordaunt! het komt mij voor dat gij, onder pretext van over ons huis te waken, mijn vader in zonderlinge voogdij houdt, en dat gij, zonder nog zijn wil te kennen, u met ongemeene hardheid verzet tegen eene verzoening tusschen hem en mij; en het is wel vreemd, dat eene nicht, maar eene nicht, hier de rol speelt van een oudsten broeder, wangunstig op het goed onthaal van den verloren zoon!”

»Och! met uw verloren zoon!” riep Francis toornig; »Gij zijt de verloren zoon niet, gij geeft alleen toe aan eene opwelling van sensiblerie, die voldoening eischt, zooals gij altijd toegegeven hebt aan uwe lusten en hartstochten, ze mochten kosten wat het wilde.”

»Wees ten minste niet bang, dat de schade ditmaal aan uwe zijde zal zijn!” viel hij in met zekere bitterheid. »Gij weet immers wel dat ik, verzoend of niet, geene aanspraak zal maken op de nalatenschap van mijn vader, die u sans conteste zal toevallen, daar ik noch den wil, noch de gelegenheid heb om mijn recht in dezen te laten gelden!”

»Dat mankeert er nog maar aan, dat gij mij van baatzucht verdenkt!” viel Francis in met sprekende verontwaardiging.

»Ik verdenk u niet; integendeel, ik ga gebukt onder het wicht van uwe edelmoedigheid en mijne verplichtingen, ik zeg het al leen om u gerust te stellen omtrent de mogelijke gevolgen van mijne verzoening met uw grootvader. Voor de wereld ben ik Richard Smithson, die te New-York burgerrecht heeft verkregen, laat mij nu een oogenblik Rudolf von Zwenken zijn, die zijn vader nog eenmaal wenscht weer te zien om hem vaarwel te zeggen voor eeuwig! Waarom zoudt gij u hiertegen verzetten?”

»Omdat uw vaarwel voor eeuwig niets verzekert voor de toekomst; gij komt altijd weer.”

»Maar als ik nu eenmaal niet berusten wil in uwe weigering, als ik mij niet stoor aan uw verzet; als ik uit den eigen mond van mijn vader wij hooren, dat hij mij haat en verstoot! Wat belet mij hem op te zoeken? Ik weet nog heel goed den weg hier in huis; denkelijk zal ik hem nu in de groote goudleeren kamer vinden. De oude Frits, zoo hij mij tegenkomt, zal schrikken, maar mij niet afwijzen; de andere bedienden…”

»Zullen u evenmin terughouden: uw vader is zoo arm, dat wij het met dien eenen oppasser moeten doen! Als gij het er dus op toelegt om den zwakken ouden man te overvallen, kunt gij uw gang gaan; niemand zal u weerhouden. Maar dit eene moet ik u waarschuwen: gij zult Rolf bij hem vinden! Rolf, die u vanouds kent, en die het consigne van zijn overste zal gehoorzamen, wat het hem ook kosten moge. Voorziet gij niet, als ik, het tooneel dat dan volgen zal?”

»De drommel hale dien Rolf; wat doet die oude roffiaan nu ook hier!” riep Rudolf verdrietelijk, en hij liet zich als verslagen op de sofa neervallen.

»Die oude roffiaan doet alles wat hij kan, meer dan hij moest, om het lot te verzachten van uw vader, dien gij ongelukkig hebt gemaakt! Is het misschien daarom dat gij hem verwenscht?” sprak Francis onbarmhartig, hoewel zij zag, dat de ongelukkige vernederde man de handen voor de oogen bracht om de tranen te verbergen, die hij niet langer kon terughouden.

»Mijne ellende zou niet volkomen zijn zoo uwe minachting haar niet voltooide,” riep Rudolf onder snikken, »en ik, die zoo welgemoed en opgewekt herwaarts heen was gekomen!…”

Ik kon mij niet begrijpen hoe Francis, die zorg had voor een gekwetsten hond, bijtende loog kon storten in de wonde van een lijdend mensch, hoe schuldig hij ook zijn mocht. Ik voelde bitterheid tegen haar in mij opwellen, en ik voelde mij geroepen den patiënt te bemoedigen, tegen hare bedoeling in.

»Mijnheer Rudolf!” sprak ik, »sta mij toe de tusschenpersoon te zijn om uwe samenkomst met den generaal voor te bereiden, sinds freule Mordaunt daartegen opziet!…”

»Geef u geene moeite, Jonker van Zonshoven!” hernam Francis stroef en met hoogheid. »Ik zie er niet tegen op, maar ik weet, dat het vruchteloos zal zijn; en daarom is het beter hierin niets te doen. Mijnheer Rudolf zal zich herinneren, dat ik, ik zelve, eenmaal onder tranen mijn grootvader te voet ben gevallen om hem te verbidden zijn zoon niet onverzoend in de ballingschap te zenden, en dat het tot niets heeft geleid dan tot heftiger smart en toorn.”

»Dan zal ik moeten berusten,” sprak Rudolf verbleekend en in de houding der diepste moedeloosheid. Blijkbaar ontbrak het den forschgebouwden, luchthartigen man aan wilskracht, aan energie tot weerstand.

»Ja! gij moet berusten, als gij den grijsaard werkelijk nog eenige liefde toedraagt,” hervatte Francis. »Ik wil u niet hard vallen om die eerste beweging die u hierheen dreef; ik wil gelooven, dat zij uit het hart voortkwam zonder bijoogmerk; maar bedenk het wel, gij zelf hebt het gerucht van uw dood hier doen verspreiden en waar schijnlijk gemaakt.”

»Ik was dit verplicht om mijne veiligheid en ter geruststelling van mijn vader, die mij altijd in gevaar waande van opnieuw gevangen genomen en geëxecuteerd te worden!”

»Welnu dan, dat gevaar is niet verminderd, zelfs niet na al de jaren van vrijwillige ballingschap; de krijgswet is onverbiddelijk, gij erkent het zelf, evenals het eergevoel van uw vader! Het gerucht van uw dood is tot hem gekomen; hij gelooft er aan, hij heeft er zich over getroost.”

»AI heel gemakkelijk, zooals ik nu inzie.”

»Neen! het heeft hem smart en strijd gekost, dat kan ik getuigen; maar toch, nu is er kalmte gekomen, gevoel van veiligheid en onbezorgdheid op dit punt; de wonde is tot een litteeken geworden, dat maar bij enkele oogenblikken nog van pijn trilt. Waartoe dit nu weer op te rijten; waartoe, zelfs bij de mogelijkheid (en die stel ik niet) dat hem het weerzien niet smartelijk schokken of vertoonen zou, hem die rust, die zwaar bekampte rust, te verstoren? Hij vreest nu geene rampen, hij vreest nu geene schande meer voor u; die zekerheid houdt op zoo ras hij weet, dat gij leeft en den overmoed hebt gehad in het vaderland terug te keeren. Alle angsten en zorgen, die zijne grijsheid vervroegd hebben, zullen hem dan opnieuw overvallen; hij zal rust noch duur heb ben eer hij u weer veilig over de grenzen weet, en het zal u nog wel heugen hoeveel moeite en bezwaren dat ons herhaaldelijk heeft gekost.”

»Het is waar, maar al te waar! Ik ben een ondankbare loshoofd, aan dat alles niet te denken. Ik zal mij dan maar getroosten, weer heen te gaan zooals ik gekomen ben,” verzuchtte Rudolf, en hief zich op met de matheid van iemand die zonder lust of kracht een zwaren tocht meent te moeten aanvaarden…

»Maar gij zult niet gaan zonder u wat verkwikt en verfrischt te hebben,” sprak Francis met goedheid, nu zij zeker was van hare overwinning. Ik verblijdde mij dat zij er uit zich zelve toe kwam; want het stond bij mij vast, dat ik Rudolf von Zwenken niet vermoeid en aemechtig uit zijns vaders huis zou laten heentrekken…

»Ik zal u wat brood en v!eesch bezorgen; neef Leopold zal wel toestaan dat gij hier nog wat uitrust.”

»En als het zijn kan, een glas wijn; want sinds mijn luncheon te twee ure, en nog wel in een boerenherberg, heb ik niets gebruikt.”

»Ik zal voor u zorgen.”

»En als Frits komt klaarzetten, zal ik mij achter het ledikant verschuilen,” zei Rudolf.

»Het is niet noodig; het is veel eenvoudiger dat ik u zelf kom bedienen,” antwoordde Francis, terwijl zij het vertrek ver liet.

”Br! geen katje om zonder handschoenen aan te tasten, onze majoor!” riep Rudolf uit, zoodra hij hare voetstappen niet meer hoorde. »t Is me waarachtig, of ik in ’t schimmenrijk ben aan geland en voor de vierschaar van Minos sta, als zij mij met haar koelen, doorborenden blik aankijkt. Maar toch een goed en trouw hart; op mijn woord van eer, een hart uit duizende”

»Ik had van dat goede hart wel wat minder strafheid gewenscht jegens een bloedverwant die in ’t ongeluk is,” liet ik mij ontvallen.

»Wat zal ik u zeggen; zij kent mij eigenlijk niet dan uit de mededeelingen van mijn vader, bijgevolg van de ongunstigste zijde; den enkelen keer waarin het toeval, laat ik liever zeg gen mijn ongeluk en mijne schuld, haar met mij in aanraking bracht, was het altijd onder omstandigheden die volstrekt niet geschikt waren om haar gunstig voor mij te stemmen. Het kostte haar moeite, zorg en geld. Ja! ik vrees zelfs dat ik hare reputatie schade heb gedaan zonder het te willen. Destijds was zij nog diep begaan met mijne rampspoeden en overwoog zij, in hare zucht om mij te hulp te komen, evenmin het qu’en dira ton ik, die onbedacht genoeg was om dat niet te berekenen. Zeker, ik had niet te Z. moeten komen, zonder te we ten hoe ik ontvangen zou worden; maar toen ik er eens was. bleek het dat ik mij verschuilen moest in een armzalig herbergje om niet zelfs onder mijne vermomming herkend te worden. In mijns vaders huis durfde ik niet weer binnendringen, nadat deze zelf mij door zijn adjudant als een onbekenden landlooper aan de deur had laten afwijzen. Toch wilde ik Francis nog zien en spreken, en ik had haar een belangrijken dienst te vragen. Zoo. gaf zij mij rendez-vous op zekere afgelegene wandelplaats, waar in den regel geen sterveling den voet zet dan op zon- en feestdagen; maar zooals het altijd gaat, ditmaal werden wij er betrapt en bespied, door den een of anderen leeglooper die er zijn fort van maakte nieuwtjes te verzamelen; en schoon ons onderhoud dood onschuldig was, ja, tot strengheid toe ernstig van hare zijde, was het toch een canavas waarop de ploerten en ploertinnen van ’t kleine stadje allerlei moois en leelijks borduurden tot hare schade! De klare, zuivere waarheid had haar geen nadeel kunnen berokkenen en zou slechts hare hulpvaardigheid in ’t ware licht hebben gesteld, daar zij tot hare diamanten toe had opgeofferd om mij armen zwerver voort te helpen buiten haar grootvader om; maar de fabeltjes die men daarop bouwde en elkaar in de ooren fluisterde, moesten haar declineeren in de publieke opinie. Ik heb dat later van anderen gehoord, toen ik buiten staat was er iets tegen te doen, al had ik mij zelven willen prijs geven om haar te verdedigen, Het is waar, men verzekerde mij tegelijk dat Francis zich er volstrekt niet aan stoorde en veel te fier was om zich daar niet over heen te zetten; maar toch, als er zoo iets in de lucht hangt tegen eene vrouw, dan wordt het haar voelbaar gemaakt of zij ’t erkennen wil of niet, en deze vergeeft het nooit aan hem die er de oorzaak van is.”

»Dat zou wel kunnen zijn, en nu begrijp ik de uitdrukking van bitterheid, waarmee zij mij eens in de rede viel toen ik haar van hare parure sprak! Het is zeer verklaarbaar; en toch, ik zou haar nog hooger achten om hare edelmoedigheid, zoo zij u daarover geene rancune hield.”

»Pouâh! dan zou zij volmaakt zijn; en de volmaakte vrouw die is, passez-moi Ia comparaison, evenmin te vinden als een paard dat alle goede kwaliteiten in zich vereenigt, zonder een enkel gebrek! Daarom mag my dear Francis met mij leven zooals zij goedvindt; al wil zij mij schoppen en bijten als eene weerbarstige merrie, ik zal het hoofd er onder buigen: ik ben weerloos tegen haar en…

Hij zweeg. Francis kwam terug, hare provisie in een mand aan den arm dragende.

Zij dekte voor ons op de groote marmeren tafel; zij had rijkeIijk voor brood en vleesch gezorgd, en zette een flesch wijn met twee glazen neer, terwijl zij mij zeide:

»Leo! doe mij het genoegen en soupeer met mijnheer Rudolf; ik zal een pretext zoeken voor uwe absentie daar beneden.”

»Het zou mij waarlijk moeielijk vallen den generaal nu te zien en te spreken zonder iets te laten merken.”

»Dat zou heel verkeerd zijn; als gij deernis hebt met den grijsaard, moet gij mij helpen om de onweerswolk van zijn hoofd te laten afdrijven zonder dat hij er iets van heeft bemerkt.”

De »onweerswolk” had zich intusschen te goed gedaan aan het brood en vleesch, dat hij met verbazende gretigheid en gulzigheid verslond, dronk een paar glazen wijn achtereen uit en scheen nu genoeg bij kracht, om nog eens een aanval op de schikkelijkheid van Francis te wagen.

»Francis! my darling, zou ik den nacht hier niet mogen door brengen? in alle geheimzinnigheid, dat spreekt vanzelf,” voegde hij er bij, ziende dat zij het voorhoofd fronsde.

»Ik zou het wel willen voor u, Rudolf! maar ik zou niet weten waar.”

»Och kom! er zijn zooveel Logeerkamers in mijns vaders huis.”

»Kamers genoeg; maar in den vleugel waar de generaal en Rolf logeeren kan ik u niet huisvesten, dat spreekt vanzelf; en hier in dezen is geen ander vertrek meer gemeubeld dan de logeerkamer van Jonker Leopold alleen.”

»Maar ik vraag niet naar meubels; ik zou in den stal op het stroo kunnen slapen, als het niet gevaarlijk was tegenover den koetsier.”

»Er is hier geen koetsier meer,” zei Francis eenigszins verbleekend.

»Hoe nu, hebt gij over u kunnen verkrijgen om Harry Blount te ontslaan?”

»Harry Blount is dood!” antwoordde Francis zonder op te zien, met eene doffe stem.

»Harry Blount dood! hoe heeft de flinke jongen die malligheid kunnen begaan! Hij zou even dertig zijn, zoo ik mij niet bedrieg. Ik heb hem zelf nog leeren rijden, toen hij mij als groom werd toegevoegd op zijn dertiende jaar; zijn vader was een juweel van een piqueur; dien dank ik het nog dat ik nu mijn brood kan verdienen! Wel! wel! zoo is de stal hier opgeruimd. Maar Francis! mijn engel, gij ziet er zoo ontdaan uit, daar moet meer aan vast zijn; hebt ge uw mooie rijpaardje ook al van de hand moeten doen?”

»Neen! neen! dat niet. Tancred wordt verzorgd bij de PauweIsen; maar ’t herdenken aan Harry Blount is mij zoo schrikkeliik: ik — ik ben de oorzaak van zijn dood!”

»Kom, gekheid, daar geloof ik niets van; weer vrouwelijke overdrijving! Ge moogt hem zoo eens eventjes, in een oogenblik van vivaciteit…” hij maakte eene geste of hij een karwats in de hand hield, »maar dat heeft hij van mij ook gehad, dat zou hem den dood niet doen, en gij zult hem toch niet vermoord hebben?”

»Neen! God weet wat ik er voor had willen doen en dragen om den armen trouwen man in het leven te behouden; maar toch ligt de schuld aan mij. Het was op een rijtoer; wij hadden de mooie blauwgrijze schimmels moeten wegdoen.”

»Surely I am to be damned!” riep Rudolf; »dat prachtige span, mijn arme vader!”

»Ja Rudolf, het was er toe gekomen; maar dat was nu juist uwe schuld niet: hij had, ik weet niet meer welk verlies geleden; wij hadden nu een nieuweling dien wij met het eene paard, dat wij nog behouden hadden, te zamen in het tuig zouden wennen, en Harry meende het alleen te doen; maar gij weet, ik val wat koppig als ik mij eens iets in ’t hoofd heb gezet; ik begreep dat ik er bij moest zijn; ik wilde de teugels voeren, schoon Harry het ernstig afraadde! Afraden was twijfel aan mijne behendigheid, aan mijne vaste hand; ik kon dat niet dragen een zware afrijwagen, — ik naast Harry op den bok, ik nam de leidsels; het ging den rechten breeden straatweg op, die van Z. naar het dorp voert, en al ging het met inspanning, met over spanning zelfs! Rudolf! het ging goed! ik kreeg ze toch tot gedweeheid.”

»Bravo! dat dacht ik weI!”

»Och, juich niet om dien jammerlijken triomf, die nu mijn leven vergalt; toen juichte ik ook, en in mijn overmoed lachte ik Harry uit, die het hoofd schudde en voorzichtigheid preekte. Ja, Leo! gij moogt, gij moet het wel hooren welk een schepsel ik ben, als mijn zelfgevoel, mijn trots wordt geprikkeld. Ik vond het noodig de paarden eens ferm te laten loopen, om de zegepraal op hun onwil te verzekeren; Harry was het met mij eens, maar wilde dat ik nu verder het bestier aan hem zoude overlaten; hij zag mij hijgen van vermoeienis en wees naar de lucht, waar men een onweer zag opkomen.

»Wij moeten terugkeeren, Freule! of er gebeurt een ongeluk,” sprak hij, »tenzij ge mij de leidsels overgeeft, want hier is een mannenhand noodig.” En reeds omklemde hij de mijne, om zich daarvan meester te maken.

Ik kon die aanmatiging niet dulden; de wereldorde scheen mij omgekeerd, dat hij mij wilde dwingen, een koetsier, een wezen dat ik als kind reeds als mijn lijfeigene had beschouwd.

Ik wees hem terug, met drift, met gekrenktheid, en wilde ’t niet opgeven. Op hetzelfde oogenblik, als had de Hemel mij willen waarschuwen of mijn overmoed straffen, schoot er een felle bliksemstraal neer; de donder rolde, de paarden schrikte, werden schichtig, steigerden. Blount sprong van den bok, denkeIijk met het kloeke besluit om zich voor de paarden te werpen en ze te doen stilstaan, of met geweld om te wenden, hetzij uit zucht tot zelfbehoud en om te ontkomen aan het gevaar dat hij voorzag. Van schrik verlamd over zijn radeloos beginnen, liet ik de leidsels schieten… en… de verwilderde dieren gingen door! gingen door over het lichaam van Blount, die zijn sprong had gemist. In ontzetting, in wilde wanhoop waagde ik zelve den sprong, die mij het leven had kunnen kosten, doch die door de stoutheid zelve mij redde; de dreuning van den schok had mij alleen duizelig gemaakt. Toen ik weer tot mij zelve kwam was het om te zien wat er gebeurd was, wat mij levenslang als eene bloedschuld zal drukken. Harry Blount lag verpletterd ter aarde en heeft geen uur meer geleefd!”

Bleek als ware zij zelve een lijk, zonk Francis op de sofa en eindigde onder snikken:

»Ziedaar, Rudolf, waarom ik nooit meer van dien ongelukkige kan hooren zonder dat dit afgrijselijk tooneel mij weer levendig voor de oogen staat.”

-Het is almachtig jammer, Francis!” sprak Rudolf, ook bewogen, ten ik zou voor u wenschen dat ik in plaats van Blount dat ongeluk had gehad; dat was een lastpost minder voor u geweest, en die ferme jongen had nog pleizier kunnen hebben van zijn leven. Maar nu het anders is uitgevallen, moet gij het u maar niet te veel aantrekken; er gebeuren zoo dikwijls zulke ongelukken, zonder dat men daarom zich beschuldigt; gij hadt er immers ook mee om koud kunnen zijn, kindlief! Ik heb er zelf ook al wat van beleefd, dat kan ik zeggen; ik heb er menigeen van ’t paard zien vallen die niet weer opstond. Doch wat zal men daar tegen doen: wachten tot je beurt komt en er maar niet te veel aan denken, dat is het beste.”

»Maar zoo luchtig kan ik het niet opnemen,” viel Francis in met gesmoorde stem. »Ik kan er mij wel somtijds over heen zetten, en mij zelve wijs maken dat hetgeen gebeurd is zoomin door mij bedoeld was als ik het heb kunnen voorkomen, maar toch… het zelfverwijt komt altijd weer boven. ’t Is de knagende worm, die men wel verdooven, maar niet dooden kan. Ik ben zeker dat neef Leopold niet van uw gevoelen is,” hervatte zij meer levendig, en mij aanziende als om mijn antwoord uit te lokken.

»Neen, Francis! luchtig opnemen zou ik het zeker niet, maar evenmin vertwijfelen om de rust der consiëtie terug te vinden als zulke wroeging mij pijnigde.”

Zij zag mij aan met diep zwaarmoedigen blik en haalde moedeIoos de schouders op.

Ik kon haar zoo niet zien, zonder haar iets te zeggen van ’t geen mij sinds lang op het hart lag. Ik ging naar haar toe, legde met eene onwillekeurige beweging mijne hand op haar schouder en fluisterde haar toe:

»Francis! gij hebt geen vrede met de menschen, gij hebt geen vrede met u zelve, — waarom zoekt gij geen vrede met God?”

»Wie zegt u dat ik die niet zoek, Leo? Maar” — zij zuchtte »die laat zich niet vinden, zelfs niet in zwaren strijd en boete.”

»Omdat gij niet op de rechte wijze zoekt, geloof mij daarin. Ik weet er ook iets van.”

»Gij, Leo?” sprak zij met een ongeloovig hoofdschudden; »zoo gij in mijn geval waart, gij zoudt er onder gedrukt blijven als ik!”

»Neen! Ik zou mij oprichten, want ik zou met een ootmoedig hart het »onze Vader” bidden, en in praktijk brengen.”

»Hoe meent gij dat?” Zij zette groote verwonderde oogen op.

»Ik zou geene vrijheid vinden het: »Vergeef ons onze schulden” uit te spreken. Ik zou niet durven rekenen op de verhooring, zoo ik er niet zelf in volle oprechtheid kon bijvoegen: »gelijk wij vergeven onzen schuldenaren.” Dit, Francis! ontbreekt u; vergun mij het u te zeggen; gij zijt hard voor dien man dáár , die onze medebroeder is in de schuld; vergeef hem van harte Wat hij tegen u misdeed, en…”

»Maar dit is hem sinds lang vergeven, Leo! geloof mij daarin,” zeide zij halfluid; »hetgeen ik tegen hem heb, is niet wat hij mij heeft toegebracht, maar allermeest dat, dat men niet op hem aan kan; hij geeft driemaal in een uur zijn »eerewoord” en toch…”

»Ik geloof waarachtig, dat neef Leopold een sermoen tegen u houdt, arm kind!” sprak nu Rudolf, die intusschen aan de tafel was gaan zitten en in alle genoegelijkheid zijn souper had afgemaakt; dat moest hij niet doen, hij moest u niet moeielijk vallen, althans niet om mijnentwil, en te eer omdat het ons afbrengt van het punt in kwestie, dat voor mij hoofdzaak is, namelijk of gij mij hier onder dak wilt houden, dan wel of ik mijn fortuin moet zoeken in de ruïne; een kil nachtverblijf, als men geen mantel bij zich heeft, en dat nog killer , wordt als men denkt aan het vaderlijk kasteel, dat zoo dicht bij en zoo ruim is.”

»Het zou hard zijn, ik erken het, u hier huisvesting te weigeren; en toch ik weet er geen raad op,” zei Francis; »deze vleugel, de eenige waar ik u veilig toelaten kan, is zoo schrikkelijk verarmd en verwaarloosd; er zijn kamers genoeg, maar niet één meer gemeubeld.”

»Och, wat geef ik daarom! Is er nergens een matras te vinden die ik op de planken kan neerleggen?”

»Die is er juist niet; sinds jaren is er alles leeg en overgelaten aan ratten en muizen, om van de spinnen niet te spreken. In dit oogen blik is daar waarlijk niets aan te veranderen.”

Rudolf zuchtte en hernam:

~Ik geef anders niet om een weinigje stof, en voor ratten en muizen ben ik niet bang; ik heb in mijne omzwervingen soms in een tent geslapen en mij met de decoraties toegedekt.”

»Kamers waar in geen jaren iemand een voet heeft gezet… neen, het gaat niet, het is al te akelig; er is geene mogelijkheid daar nu iets aan te doen zonder dat het in huis opschudding geeft,” sprak Francis nu zelve met leedwezen; »och weet; ik er wel iets op, maar… ”

»En waarom kan mijnheer Rudolf niet in deze kamer logeeren?” viel ik in, hare aarzeling ziende.

»Dat zou u mogelijk geneeren, Leo!”

»Maar ik wil wel gêne lijden voor den zoon van den huize, wiens recht mij te sterker aanspreekt, naarmate hij een uitgestootene is; ik zal mijnheer Rudolf mijn ledikant afstaan.”

»Neen! neen!” riep deze met levendigheid, »’t zou al heel mooi zijn, zoo gij mij toestond den nacht op deze sofa door te brengen, als Francis dit goedvindt.”

»Dat is afgesproken,” zei Francis; »maar Rudolf, dan belooft gij mij vast in den vroegen morgen stil weg te trekken… het is de verjaardag van grootvader en…”

»Juist daarom was ik gekomen!”

»Hebt gij daar nog aan gedacht?”

»Zeker! en daarom meende ik… is het dan volstrekt onmogelijk, Francis?”

»’t Is de ergste dag dien gij uitkiezen kondt: er komen allerlei menschen van het dorp; Willibald komt ook!”

»Hm! ’t is of alles hier tegen mij samenzweert. Nu! in ’s Hemels naam, ik zal heengaan; mijne hand daarop, Francis.”

»Ik zal u nog eens op het woord vertrouwen, Rudolf! ” sprak zij, hem de hand reikende. »En nu vaarwel, het wordt tijd dat ik ga: ik heb de oude heeren al veel te lang alleen gelaten.”

»Ga! maar neem toch de portefeuille aan als restitutie voor u zelve, als eene zwakke poging om iets te vergoeden voor alles wat ik u schuldig ben; het spijt mij alleen dat het niet meer is. Ik kom wel uit Amerika, maar een echte oncle d’ Amérique, die met millioenen dollars speelt, ben ik helaas niet, en ik zal het wel nooit worden; maar toch, neem wat ik geven kan; mij dunkt, die mooie greenbacks moeten u aanlachen.” Hij deed de portefeuille open en toonde haar het fijne bankpapier.

»Zijn ze echt, Rudolf?” vroeg zij, hem diep en scherp in de oogen ziende.

»Maar Francis! bij God! wat beteekent die achterdocht; waar ziet gij mij voor aan!” riep hij, terwijl een donkere gloed zijn voorhoofd overtoog. »Het is waar, ik heb dwaasheden begaan, fouten, misslagen, die mij voor misdrijven worden aangerekend. Ik ben een onverbeterlijk loshoofd die niet rusten kan in de ruste; ik heb zwaar en herhaaldelijk tegen de discipline gezondigd, een onvergefelijk vergrijp in de oogen van mijn vader, dat is zoo; ik heb veel geld verkwist, veel te veel, helaas! want ik heb geteerd op het ouderlijk erfdeel dat nog niet het mijne was, ik heb mijn vader meer gekost dan het blijkt dat hij geven kon; ik ontken mijne schuld niet, ik weet dat ik veel gedaan heb wat strafbaar is in de oogen der menschen, en als ik hard word be jegend, zeg ik tegen mij zelf: »Rudolf, mor nu maar niet, je hebt het verdiend;” maar dat alles belet met, dat ik mij nog herinner, dat ik van afkomst een patriciër ben, de zoon van een eervol hoofdofficier, en dat ik ook nog mijn vonkje eergevoel heb, al meent gij dat het heelemaal is uitgedoofd; en daarom zeg ik u: met bedriegelijke handelingen van zulken aard als gij dáár onderstelt, Francis, heb ik mij nooit ingelaten; ik zou nog eerder in een verlegen oogenblik een dief of een moordenaar kunnen worden, dan opzettelijk bedrog plegen, en ik heb nooit iets gedaan dat iemand het recht kan geven mij als falsaris aan te zien, en gij, Francis! gij die wel mijne schuld maar ook mijne rampspoeden kent, gij die, begaan met mijn ongeluk, zoo dikmaals voor mij gesproken hebt, hoe komt zulke schrikkelijke verdenking tegen mij bij u op?” »ik wenschte dat het niet dan eene verdenking ware, Rudolf,” hernam Francis, die strak en onbewogen had geluisterd; »maar helaas! wij hebben de bewijzen en… ”

»De bewijzen, dat ik een falsaris ben?” vroeg hij levendig en kennelijk in de smartelijkste verbazing.

»Valsche wissels door u uitgegeven; de namaak van uws vaders hand… ja! die zijn in ons bezit; ’t is mogelijk dat ik er geen verstand van heb, maar ik meende dat zoo iets met het bedrijf van een falsaris gelijk staat.”

»Dat doet het ook! Maar gij zult toch niet staande houden, dat IK daaraan schuldig ben?”

»Zooals ik zeg, de bewijzen van uwe schuld zijn in mijne hand en zij kosten mij duur genoeg om gelijk te hebben tegen u. Ik wil het vergeven, Rudolf! met al het andere, want Leo heeft mij niet tevergeefs herinnerd, dat wij geene schuldvergiffenis hebben te hopen, waar wij zelven zonder verschooning zijn; maar… de waarheid is waarheid, en de feiten zijn het die tegen u getuigen!”

»Dat kan niet zijn, Francis! hier moet een misverstand plaat hebben, een schrikkelijk misverstand, dat ik u om Godswil bidde mij op te helderen; want als mijn vader en gij dat van mij gelooven, dan verwondert het mij niet meer dat hij mij liever dood waant dan te wenschen mij levend voor zich te zien, en evenmin dat gij, gij die vroeger zooveel deernis met mij hadt, nu met zoo diepe verachting op mij neerziet!”

»Maar er valt niet anders te verklaren dan dat de wissels kolonel von Zwenken gepresenteerd zijn en dat wij ze gehonoreerd hebben, omdat er bij protest, bij verklaring van valschheid, een ergerlijk proces uit gevolgd zou zijn, dat u niet had kunnen treffen, omdat gij toen reeds lang aan de andere zijde van den Oceaan waart, maar dat uw vader gedwongen zou hebben reeds toen zijn ontslag te nemen uit den dienst, daar zijn naam, zijn eer er bij in ’t spel was!”

»Maar Francis, gebruik toch uw verstand! Al wilt gij het ergste van mij gelooven, overweeg of dit misdrijf door mij gepleegd kan zijn. Ik ben een zwak mensch, een jammerlijke panier percé ik erken het, maar ik ben toch geen monster; en een monster zou ik moeten zijn om zoo iets tegen mijn vader te doen. En dat zou ik gedaan hebben juist in den onrustigen tijd van mijn kortstondig en gejaagd verblijf te Z—? Juist in dien tijd, dat gij bezig waart het uiterste voor mij te doen om mij op fatsoenlijke wijze voor eene nieuwe onderneming naar Amerika uit te rusten. Juist in dien tijd toen ik tot op het laatste toe hoopte, verzoend van mijn vader te scheiden?”

»Juist daarom acht ik uwe handelwijs nog te meer misdadig.”

»Maar zij houdt het nog vol! Maar het is om razend te worden! Wat zegt gij er van, jonker Leopold?”

»Het feit moet bestaan, anders zou freule Mordaunt er niet zoo vast aan gelooven…”

»Mijn hemel, Leo! daar heb ik wel mijne redenen voor; toen die akelige papieren ons aangrimden, was ik maar pas meerderjarig geworden, en daar grootvader mij bekende dat hij niets had te missen om ze te voldoen, heb ik er het grootste deel van mijn toch al niet schitterend vermogen voor opgeofferd! Mij dunkt, j’ ai payé pour savoir! Ongelukkig heeft grootpapa de voldane wissels in zijne bewaring gehouden; ik kan ze dus Rudolf niet laten zien om hem te overtuigen.”

»Maar als ik ze zag, zou ik u kunnen overtuigen. Ik ben voorwaar zoo’n vaardig scribent niet om eens anders hand te kunnen nadoen; en dan nog de hand van vader, zulk fijn, keurig, geregeld schrift! AI kon ik er millionnair mee worden, ik zou er geen kans toe zien.”

»Ik geloof u,” sprak ik, hem de hand drukkend.

»Dat doet mij goed;” en tranen sprongen den ongelukkige uit de oogen. Maar dat zij mij niet gelooft, zij, dat smart mij. Als er een schelmstuk gepleegd is, waarom moet ik het dan juist gedaan hebben? Kan de kolonel, die zijn verloftijd gewoonlijk aan de badplaatsen placht door te brengen, niet in aanraking zijn gekomen met zulk slag van lieden, die wel degelijk tot zoo iets in staat zijn?”

»Grootvader heeft in de laatste vier jaar zijn huis niet verlaten. Alleen toen wij ons naar de Werve retireerden heeft hij het winterseizoen doorgebracht bij vrienden te Arnhem. ”

»Dus… geneest men van zekere passie?” vroeg Rudolf, even de schouders ophalende met eene mengeling van snaaksheid en ironie.

»Faute d’occasion; wij hebben hier niets meer dan Rolf om zijn partijtje te maken.”

»Welnu, kan die Rolf hem die poets niet hebben gespeeld?”

»Rolf! het trouwste en eerlijkste schepsel dat er is! Rolf, die zijne oogen zou uitgraven om zijn generaal een verdriet te besparen! Rolf, die op zijn best goed genoeg schrijven kan om een rapport op te maken! Rolf? Neen, Rudolf! zoekt den schuldige elders. Rolf is tot zoo iets niet in staat.”

»Nu, ik ben er ook niet toe in staat,” sprak hij nu met drift, terwijl hij zoo heftig op den grond stampte, dat zijn sporen kletterden. Daarop de portefeuille aan Francis toereikende, zei hij:

»De greenbacks zijn echt; gij kunt er bij den eersten bankier den besten Hollandsche rijksdaalders voor krijgen. Neem ze, ten bewijze dat gij mij gelooft…”

»Ik wil het gelooven, Rudolf! Maar mij dunkt, dan kunt gij ze zelf ook wel gebruiken.”

»O, wat dat betreft! Maar gij kunt ze gerust aannemen: er kleeft niets aan dan mijn eigen zweet en bloed. Zij zijn zuur verdiend, maar eerlijk; althans als mijn beroep in uwe ooren geen al te harden klank heeft.”

»Ik weet niet welk beroep gij uitoefent; gij ziet er uit als een piqueur.”

»Ik ben kunstrijder! Ik ben premier sujet de voltige bij het Great Equestrian circus van master Stonehorse uit Baltimore, met tweehonderd dollars appointement ’s maands… Gij zwijgt, Francis! Gij vindt dat zeker wel wat heel erg, niet waar? Kunstenmaker!”.

»Neen! Mij dunkt, gij hebt al erger bij de hand gehad; dat is ten minste een mannelijk beroep, waarbij moed en behendigheid te pas komen, en ik kan mij begrijpen dat een man in uw geval het aangrijpt. Daarbij,” voegde zij er bij met een melancholiek glimlachje, »gij zijt net als ik: gij hebt altijd van paarden gehouden.”

»Wel wat te veel, want die liefhebberij heeft mij duizenden gekost. Maar dat is l’histoire ancienne! voor ’t oogenblik ben ik te paard geholpen en op den weg der fortuin. Dus, my dear, kunt gij gerust deze kleinigheid van mij aannemen op afrekening.”

»Neen, Rudolf! dat doe ik zeker niet. Ik ken u veel te goed om niet te weten dat gij vandaag weggeeft wat gij overmorgen noodig kunt hebben. U met geld helpen kan ik niet meer; maar wat ik gegeven heb neem ik niet terug. Ons helpt dat toch niet, en uw beroep heeft zijne hachelijke zijde.”

»Aan wien zegt gij het! Van ’t paard vallen en den nek breken is nog het ergste niet; maar zooals ’t gisteren nog gebeurde, dat er een een schop van een paard kreeg, een kreng van een hengst, die hem op de borst raakte, zoodat hij eene bloedspuwing kreeg daar hij voor zijn leven de rente van zal genieten. En de arme drommel heeft vrouwen kind.”

»WeI!” zei Francis, »mij dunkt dan hebt gij al eene goede plaatsing voor dat geld.”

»Hm ja! ’t idée is zoo kwaad niet; met master Brown deelen; poor soul! En dat nogal een clown, zoo tragisch eindigen.”

»Nu zijn we het eens,” zei Francis, tevreden dat zij hem van zijn inval had afgebracht. »Rust goed uit en laat mij nu gaan! morgen in de vroegte zien wij elkander nog.”

»Hoe zoo?”

»Wel, om u uit te laten. ’t Is onnoodig dat gij weer langs het balkon naar beneden en over den tuinmuur klimt.”

»Ah Bah! dat komt er niet op aan: Premier sujet de voltige, parbleu! Maar als gij mij absoluut uitlaten wilt, om zeker te zijn van mijne verwijdering, dan is het wat anders…”

»Ik heb gezegd, dat ik u nog ééns vertrouwen zou; ik neem mijn woord niet terug. Goedennacht! Leo, vergeet u souper niet geheel!”

Weg was zij; maar ik voelde geene behoefte haar raad op te volgen, en na het goede voorbeeld dat Rudolf op dit punt gegeven had, bleef er voor mij eigenlijk ook niet veel meer te doen. Toch noodigde hij mij een glas wijn met hem te drinken, en het zijne aanstootende sprak hij: »Ik weet niet recht of ik u feliciteeren mag, jonker, maar ik geloof waarachtig, dat onze allerliefste majoor haar kolonel heeft gevonden.”

Ik haalde de schouders op: ik had geen lust om met iemand van zijn slag over Francis te spreken.

»Meent gij misschien, dat ik geen oogen heb om dat te zien? Ik ken de vrouwen, dat verzeker ik u. Ze hebben mij genoeg gekost om met waarheid te zeggen: ik ken ze. In mijne omzwervingen heb ik ze ontmoet van alle kleuren en gestalten; en mijne nicht, al is ze duizendmaal Majoor Frans, is toch eene vrouw eene vrouw met een mannengemoed — zooals Queen Bess van zich zelve placht te zeggen; maar die heeft toch haar Leycester gevonden. Zoo ook Francis. Ik weet niet wat gij in uw schild voert, maar mij dunkt, gij hebt slechts te willen…

Et bientôt on verra l’infante
Au bras de son heureux vainqueur!

Zij ziet u naar de oogen, dat is zeker! ’t Is met haar als met een paard van edel ras: men moet er mee weten om te gaan — veel geduld, veel attentie, eene krachtige, vaste hand, maar die zacht weet te zijn, en men komt er mee terecht. Ik voor mij heb er nooit den slag van gehad, ik meen van de vrouwen! Ik ben te hartstochtelijk, te ongedurig, en ik heb geen vasten wil! These. gracious devils merken dat heel gauw, en als ze ’t eens weten, dan, dat begrijpt gij, dan ben je er onder, daar is geen helpen aan. Wat Francis betreft, al ware ik haar eigen vader en zij kende mij zooals zij mij kent, ze zou mij niet ontzien, U, dat’s wat anders — maar… mogelijk hecht gij niet aan de conquête?” ging hij voort, daar ik strak bleef zwijgen; »anders zou ik zeggen, ’t is te hopen dat gij fortuin bezit; ik zou het wenschen , voor Francis, die het verdient — ware haar grootvader niet geruïneerd.”

»Door wien geruïneerd?” viel ik uit, vrij onbarmhartig; maar hij had mij zoo geprikkeld door telkens weer de corde sensible aan te slaan, dat ik er à tout prix een eind aan maken wilde.

That’s the question! hernam hij, slim genoeg om een onderwerp te laten varen dat zoo blijkbaar mishaagde. »Ik heb er schuld aan, dat is ongelukkig maar al te waar; doch ik niet alleen, I may be damned als ik lieg. Ik heb hem geld gekost, veel geld, doch geen grooter deel van de kolossale fortuin, die mijne moeder heeft aa gebracht, dan mij als eenig zoon toekwam. Waar ’t andere gebleven is, John Mordaunt zou er ook wel wat van te vertellen weten als hij nog leefde; maar toen die met mijne zuster trouwde, kreeg ze ten minste haar bruidsschat mee; die zou Francis nu moeten hebben — als ze ’t niet opgemaakt hadden; want ze leefden, ze leefden… Ik werd altijd maar op de Werve gelaten met mijn gouverneur; want de dertienjarige knaap keek al goed rond in de wereld, en hij moest niet zien wat er daar ginds omging. Na den dood mijner zuster ben ik ook niet veel bij de Mordaunts aan huis geweest. Ik heb Francis voor ’t eerst gezien toen zij tien jaar oud was en de kleine Majoor heette en alles in huis drilde dat het een lost was. Ik viel toen in ongenade bij mijn vader, omdat… Maar ik babbel zoo voort, ik weet niet of ik u verveel; mogelijk wilt gij gaan slapen?”

»Nog niet; ga gerust voort. Ik stel er belang in een en ander van uwe lotgevallen te hooren, als het u niet pijnlijk valt daarvan te spreken.”

” O, wat dat betreft in ’t minst niet; ik ben er lang over heen. Maar wat zal ik u zeggen, mijne geschiedenis is die van menig ander jongmensch van goede afkomst die in de diepte raakt. Ik heb twaalf ambachten gehad en de traditioneele dertien ongelukken zijn mij evenmin ontgaan; ja, ik geloof zelfs, als ik goed telde, dat er nog wel een half dozijntje boven dat getal bij gekomen zijn. Mogelijk klinkt het wat apocrief uit mijn mond als ik het zelf zeg; maar mijn vader is de eerste oorzaak van alles. Gecontrarieerd in de keuze van een beroep, gecontrarieerd in eene jeugdige liefde waarin ik mijn geluk had kunnen vinden, was de fine fleur van mijn levenslust er al af, toen ik naar Leiden ging om daar in de rechten te studeeren. Ik had den vurigsten wensch om officier te worden en had mij met ijver voor het examen aan de militaire academie voorbereid; maar mijn vader hield rancune tegen die instelling, hetzij hij gepasseerd was toen deze werd opgericht, hetzij om de reden die hij opgaf: dat hij zelfs als cadet in werkelijken dienst was getreden en van gevoelen was dat men alleen op die wijze jonge officieren moest vormen. Zijn zoon althans zou hij niet naar Breda zenden; die moest studeeren, die moest carrière maken! Hm ja! ik heb ook carrière gemaakt,” herhaalde hij met een bitteren glimlach: »J’ai fait du chemin zooals de Franschen,

zeggen, wijd en wild. Ik studeerde voor ’t pleizier van papa, ik wilde er mijn pleizier ook van hebben; bij gebrek aan geluk, aan zelf voldoening, zoekt men genot. Papa wilde dat ik een goed figuur zou maken op de academie, en schonk er mij ruim de middelen voor. Ik had mijn rijpaard en mijn tilbury; ik wierp mij in den wildsten en woeligsten studentenkring; ik maakte enorm veel schulden en zeer weinig dictaten; toch bezocht ik enkele colleges; er waren vakken die mij aantrokken, en ik was niet zonder aanleg; ik zou er nog wel toe gekomen zijn om te promoveeren op theses, maar papa had intusschen processen gevoerd tegen tante Roselaer en verloren; hij kon of wilde mij althans niet toestaan het kostbaar leven aan de academie voort te zetten. Van een gesjeesden student is niet veel te maken; toch wist de majoor von Zwenken door zijne relaties mij een post te bezorgen, en nota bene nog wel een comptable! onder belofte intusschen dat ik eene riche héritière zou trouwen, die mij werd aangewezen; maar het was eene overrijpe freule met een rooden neus, en ik liet haar links liggen, tot groote ergernis van mijn heer vader, die verklaarde van toen aan niets meer met mij te doen te willen hebben. Ik had niet het minste hart voor mijn post; geregeld werken, geregeld uren lang op het bureau blijven convenieerde mij niet na het woelige leven dat ik geleid had. Ik vond een geschikten klerk, een ouden bureaucraat, die al twintig jaren op dezelfde plek had gezeten zonder zich dood te zitten; ik meende alles gerust aan hem te kunnen overlaten en ik vond vrienden en kennissen genoeg, om mij wat afleiding te bezorgen. Ieder hield ons voor rijk, de post was maar een eerste stap om en-train te komen, dacht men, en zoo ging het à grandes guides zonder opzien of omzien; toen op zekeren dag, dat wij een pick-nick hadden ergens buiten, mijn waardige plaatsvervanger zich met de kas uit de voeten maakte. Het geval maakte veel opschudding en was inderdaad erg genoeg: het was notoir dat ik geen deel had aan den diefstal, maar ik was toch de verantwoordelijke persoon, en majoor von Zwenken, in de verwachting dat ik de erfgename zou trouwen, had mijne borgstelling gestort. Er volgde een rechtszaak uit die opnieuw wat geld kostte, dat ik niet betalen kon, dat de majoor niet betalen wilde, en waar, zoo ik mij niet bedrieg, het moederlijke erfdeel van Francis voor aangesproken werd; het ging mij genoeg ter harte, maar een von Zwenken tot gevangenschap veroordeeld, dat scheen iedereen in de familie te hard. Van haar wist ik dat ik niets meer van mijn vader te wachten had; ik beproefde zoo wat van alles, maar niet met goed geluk; mijne antecedenten waren mij in den weg, en, ik zal de waarheid bekennen, mijn karakter was mij ook tegen. Ik vloog van den hak op den tak, had nergens rust bij en had maar één verlangen, waaraan ik mij om de wille mijner familie niet kon overgeven. Ik had eene goede stem, altijd lust gehad in muziek, eene zekere gave van voorstelling, ik wilde een tijdlang buitenslands gaan om mij op een conservatorium te oefenen en dan als operazanger op te treden. Had men mij maar laten begaan, maar men wilde mij niet behulpzaam zijn tot dat doel; mijn vader wilde mij niets meer geven en liet mij de keuze om soldaat te worden of te bedelen. Ik verkoos het eerste, in de hoop dat majoor von Zwenken en zijne vrienden wel voor mij zouden zorgen als ik eens in dienst was, en dat ik toch nog eenmaal officier zou kunnen worden; maar op mijn leeftijd, na een weelderig en verwend leven als het mijne, valt het hard zich aan de discipline te gewennen; en, was het opzettelijke hardheid en een parti-pris om mij zwaar te doen boeten, eer men mij uit de diepte ophief? ik kan het niet uitmaken; maar men schonk mij zelfs niet den laagsten graad; mij werd geene corvée gespaard, geen vergrijp door de vingers gezien. Ik was niet bij het regiment mijns vaders geplaatst, maar in een afgelegen vestingstadje; toch was de kapitein van mijne compagnie een der vroegere tafelvrienden van mijn vader. Ik kon niet anders denken dan dat het op diens verlangen was dat men mij zoo behandelde, En hij had zijn lieveling Rolf wel tot luitenant gemaakt, de Hemel weet hoe! Ik werd verloochend, en bijgevolg vertrapt; ongelukkig had ik geen geduld om dien schrikkeIijken proeftijd door te staan; ik had voor vijf jaar geteekend, ik hield het geen vijf maanden uit; en op zekeren dag de kans schoon ziende, wierp ik geweer en wapen weg en wilde mij uit de voeten maken; maar mijne vlucht werd opgemerkt en ik achterhaald eer ik over de grenzen was; ik wist wat er op stond als men mij vatte, ik verweerde mij tot het uiterste, ik kwetste een onderofficier; ik behoef u niet te zeggen welk een lot mij wachtte toen ik voor den krijgsraad kwam; het vonnis werd geveld, maar niet uitgevoerd: dit maal ontkwam ik, ontkwam ik uit de gevangenis, ik zal niet zeggen als door een wonder, maar door oogluiking; ik vond zelfs een pak burgerkleeren en geld tot mijne beschikking. Mijn vader had het toch niet over zich kunnen verkrijgen om zijn zoon als wederspannige, als deserteur te laten executeeren. Later vernam ik dat Francis, die toen al heel wat had mee te praten, het hare had gedaan om deze uitkomst voor mij te verkrijgen. Ik: was nu vrij en in den vreemde, maar vogelvrij: ik moest zien het noodige voer op te loopen en mij hier of daar een nest maken. Ik heb Duitsche boerenjongens Latijn en Fransch, Duitsche burgermeisjes zang- en pianoles gegeven; ik ben kamerzanger geweest van een Oostenrijksche gravin, die doof was en zich verbeeldde dat mijne stem op die van Roger geleek; ik heb omgezworven met een troep reizende operazangers en heb mij schor geschreeuwd op de theaters in de open lucht. Ik ben koetsier geweest van een Duitschen baron, reisbediende voor een huis in wijnen; maar dit moest ik opgeven omdat ze mij naar Holland wilden zenden. Toen werd ik eerst koffiehuisknecht en biljardjongen, maakte door mijne geoefendheid in dat spel de kennis van een Poolschen graaf, die mij als kamerdienaar en secretaris met zich nam naar Warschau, en mij welhaast in vertrouwen mededeelde, dat hij een middel had uitgevonden om Polen onafhankelijk te maken! Zooals vanzelf spreekt, mislukte de toeleg, maar de onvoorzichtige edelman miste Siberië niet. Ik raakte mee in de klem, omdat ik niet tegen hem getuigen wilde; maar ik hield me zoo dom, dat ik er met een weinig tortures van honger en dorst lijden en eenige weken carcero duro afkwam. Toen stond ik weer op straat zonder een penning in den zak en greep naar het eerste het beste, dat ik maar vatten kon; enfin, ik wil u en mij zelven niet vermoeien met de optelling van alles wat ik doorgemaakt heb om in leven te blijven. Het ware veel korter geweest hier of daar in ’t water te springen, dat is waar; dan, ik heb altijd zeker vooroordeel gehad tegen den zelfmoord. Daarbij, ik bleef onder alles gezond en sterk en leed niet aan melancholie; ik rolde door het leven zooals het het best kon. Jarenlang heb ik zoo omgezworven, heb alle groote steden, alle badplaatsen van Noord- en Zuid-Duitschland bezocht, alle landstreken van midden-Europa doorkruist, van de Rijnoevers af tot die van de Spree en Moldau toe, en ik stond op het punt om naar Bucharest te trekken met een zeer voornaam, maar zeer bizar personage, toen deze gevangen werd genomen, als betrokken in eene zeer geheimzinnige moordgeschiedenis, waarbij het geld en de vrouwen als gewoonlijk hunne rol hadden ge speeld. Gelukkig kon ik bewijzen, dat ik eerst met vorst X in aanraking was gekomen nadat de misdaad gepleegd was, en ik kwam er weer af met eenige weken van enge opsluiting na lange en lastige verhooren. Hoe vaak ik onder dat alles van naam veranderd ben, weet ik zelf niet meer. Alleen den eenigen waarop ik recht had, hield ik standvastig buiten het spel. Ik had gezorgd dat het gerucht van mijn dood in Holland was verspreid; ik had alles gedaan om er waarschijnlijkheid aan te geven. Na die laatste historie waagde ik mij niet weer in ’t gedrang met voor name avonturiers of dubbelzinnige vrouwen, maar zocht rust in het landleven, in de vergetelheid van den boerenstand. Ik had in mijne jeugd op de Werve wel eenige notie gekregen van het boerenbedrijf; ik kon best met paarden omgaan; ik verhuurde mij als knecht bij een welvarenden pachter, die eene mooie hoeve te beheeren had. Hij vatte spoedig dat er op meer dan eene wijze partij was te trekken van zijn huurling, en dat handenarbeid juist niet mijn fort was. Ik werd welhaast meer zijn raadsman dan zijn knecht; ik kon hem een en ander van mijne lotgevallen vertellen zonder gevaar; ik was onder een goed slag van lieden gevallen, die mij als een lid hunner familie behandelden, en er bestond uitzicht dat ik daar werkelijk toe zou behooren. Ik merkte, dat de eenige dochter, eene allerliefste blondine met vergeet-mij-niet-oogen, zoowat op mij verliefd raakte. Ik vond deze gelegenheid om pater familïas te worden zoo onaardig niet! De ouders hadden er niets tegen; maar ik moest er voor uitkomen dat het mij moeielijk zou vallen de noodige documenten te verkrijgen om een wettig huwelijk aan tegaan. Dit bezwaar, en de berichten van een lid der familie, die met goed gevolg naar Amerika was uitgeweken en de zijnen opwekte om tot hem over te komen en gezamenlijk in die landstreek eene kolonie te vestigen met andere dorpsgenooten die daartoe waren over te halen, deed ons besluiten dien tocht te ondernemen. Maar de gemüthliche Bauernleute begrepen, dat ik ten minste de toestemming van mijn vader moest zien te verkrijgen, al voorzag ik dat het vruchteloos zou zijn; daarbij er moest geld wezen voor mijne uitrusting en ik moest mijn aandeel leveren tot de onderneming, wilde ik niet eene al te jammerlijke figuur maken onder de tochtgenooten. Ik berekende dat ik nu zoo ongeveer tien jaren buitensland had doorgebracht en. dat men mijn gezicht wel vergeten zou zijn; ik hoopte zelfs, dat na die langdurige vrijwillige ballingschap de spons zou gehaald zijn over mijne vroegere misstappen. Ik schreef aan Francis, dat ik voor korten tijd naar Holland dacht terug te keeren, en onder welke omstandigheden. Mijn aanstaande hare familie en de verdere tochtgenooten hadden zich te Hamburg ingescheept naar Engeland, waar ik mij uit Holland bij hen zou voegen, zoo ras ik geslaagd was in mijne wenschen. Maar het antwoord dat ik kreeg was op dat punt alles behalve geruststellend. Mijn vader, die kolonel was geworden en het bevel voerde in de kleine vestingstad Z., was zoo weinig ingenomen met mijne plannen, bovenal zoo weinig verheugd met de tijding, dat ik nog leefde en dacht weer te keeren, dat Francis mij dit laatste ernstig ontraadde. Zij wees op de gevaren die ik kon loopen en die de kolonel niet voornemens was af te wenden; met andere woorden: mijn eigen vader zou mij laten vatten en aan een krijgsraad over leveren, als ik het waagde hem onder de oogen te komen. Dat vond ik wreed, onmenschelijk, onmogelijk, en ik geloofde het niet! Ik verbeeldde mij dat Francis maar dreigde om mij af te schrikken; ik waagde het er op, kwam vermomd en door valsch haar en knevels onkenbaar gemaakt te Z. en trachtte toegang te verkrijgen tot het huis van den kolonel. Zijn adjudant, die er zeker op afgericht was, ontving mij en deelde mij de verkwikkende tijding mee, dat ik den commandant der vesting niet zou zien; dat er geen kwestie kon zijn van een weergekeerden zoon, daar de dood van den jongen Rudolf von Zwenken was geconstateerd, en dat iemand die er zich voor uitgaf niets kon zijn dan een indringer en bedrieger, over wien men kort en goed recht zou doen als hij lastig werd en zijn bedrog volhield. Daarop was ik niet verdacht geweest. Ik was dood, ik moest dood blijven, en zoo ik mijne identiteit wilde bewijzen, was dat zoo goed als mijn eigen doodvonnis onderschrijven. Ik herhaalde de poging niet; maar Francis ontfermde zich toch over mij. Zij zocht mij op, zij hielp mij voort. Zij lenigde de bitterheid van dit verstooten. Gij weet het overige, gij weet wat er voor haar uit volgde.”

»En gij gelooft dat het daarom is, dat zij u ditmaal zoo hard bejegende?”

»Vooreerst omdat ik nu weer teruggekomen ben tegen belofte, dat is waar; maar allermeest, ik zie dat nu in, om die ongelukkige zaak van de wissels — om datgene waaraan ik niet schuldig ben, zooals ’t meer gaat. Doch ik zal mij die schuld nu maar laten aanleunen: een schreef je meer op mijn kerfstok is zoo erg niet, terwijl Francis al te ongelukkig zou zijn, als ik haar te kennen gaf, welk vermoeden ik heb gevat.”

»Hebt gij werkelijk een vermoeden?”

»Ja, er is mij een licht opgegaan. Hebt gij nog wat geduld om naar mij te luisteren? Ziet gij, ik heb zwakheden, maar niet eigenlijk datgene wat men hartstochten noemt. »Le vin, Ie jeu, les belles” hebben mij beurtelings veel geld, tijd en rust gekost; en nog ben ik op zekere punten een groot kind; maar eene passie, eene passie die niets ontziet om hare voldoening te hebben, en waar men een groot misdadiger of een groot man door wordt, zulke passie houd ik er niet op na; dat ligt zeker aan de wuftheid mijner natuur. Maar er is iemand in mijne familie, die er wel door bezeten is… In mijne jeugd heb ik daar zoo niet op gelet, niet over nagedacht althans. Later was ik niet veel in de gelegenheid hem te observeeren; maar eens, eens heb ik hem waargenomen, terwijl ik duizend redenen had om mijn incognito te bewaren. Gij zijt een van de menschen die zwijgen kunnen niet waar? anders had Francis niet voor u ingestaan. Zoo bewaar datgene wat ik u nu ga zeggen als een diep geheim voor haar; want het zou haar bitter verdriet doen, en zij heeft toch al zoo’n onpleizierig leven.”

»Gij kunt er staat op maken. Om Francis leed of last te sparen, zou ik veel doen of laten.”

»Ook blijf ik gelooven, al houdt gij u nog zoo leuk, dat gij nog wel eens nader aan de familie geparenteerd zult worden; daarom is het ook goed dat gij alles weet. Mogelijk wordt gij eens geroepen om heel wat linge sale uit te wasschen. Luister! Maar neen! wacht even tot ik dit laatste glas heb gedronken; mijne keel is droog van het praten.” Eerst na eenige seconden rusten gin hij voort:

»Onder al de métiers die ik heb waargenomen, staande mijne omzwervingen in Duitschland, is er ook een, dat niet precies tot de achtingswaardigste behoort, maar dat de nood mij dwong aan te nemen. Ik ben croupier geweest bij eene speelbank. Ik heb er mijn vader, mijn eigen ongelukkigen vader, zien spelen met een acharnement, dat mij de oogen opende voor het diep verval waarin hij met de zijnen is geraakt. Ik heb er schuld aan, dat weet ik; maar toch, zonder die passie, die alles verslindt en toch onverzadelijk is, zou zijne groote fortuin en ’t geen Francis had moeten bezitten niet zoo reddeloos verloren zijn gegaan.”

»En mijnheer von Zwenken herkende u niet?”

»Wat zal ik u zeggen? Ik geleek niet meer op mij zelven. Haar en baard geverfd, de kleur van ’t gelaat verbruind en verouderd, en daarbij croupier! Let men op de machine die het spel in beweging brengt, als men zóó vervuld is met winst en verlies? Ik — dat is wat anders —, ik herkende mijn vader, al was hij in politiek, al was hij zeer verouderd, aan zijne fijne, bewegelijke trekken, aan zijne rechte houding, aan alles in één woord wat mij onvergetelijk was. Daarbij, er waren Hollandsche heeren met hem in gezelschap; zij spraken onder elkaar hunne moedertaal; zij noemden kolonel von Zwenken bij den naam. Ik heb hem op één dag eene fortuin zien winnen, eene fortuin zien verliezen. Ik had moeite mij te weerhouden om mij aan zijne voeten te werpen en hem te smeeken zijn reddeloozen onder gang niet te bewerken. Ik weet wel het zou niemand minder gepast hebben dan juist mij, en toch, ik die bij ondervinding wist wat gebrek en ellende zijn, kon er met alle recht tegen waar schuwen. Alleen de overtuiging dat het toch niet baten zou, en dat ik mij zeker daarmede verraden zou hebben, hield mij terug. Maar dat ik op hem bleef letten, behoef ik u niet te zeggen; en zoo werd het mij zekerheid dat hij geld heeft opgenomen van een Hollandsch bankier, dat hij daarvoor wissels heeft geteekend…”

»Hoe lang kan dat geleden zijn?”

»O, dat’s nu al vele jaren geleden.”

»Maar het schijnt toch dat hetgeen de ergernis van Francis wekte eerst kort na uw vertrek heeft plaats gehad, en zoolang zal die bankier geen respijt hebben gegeven?”

»Neen! en sinds schijnt hem de gelegendheid niet meer gegeven te zijn om op die wijze aan zijn hartstocht bot te vieren; maar die is daarom nog niet uitgeroeid. Ferme lui Ia porte au nez, il reviendra par Ia fenêtre; Francis omsingelt haar grootvader en houdt hem nu kort, ik wil dat gelooven; hij is daarbij bang voor haar! maar is het zeker, dat hij niet achter haar om en op andere wijze zijne revanche neemt of genomen heeft? er zijn menigerlei wijzen om wat men noemt zijne fortuin te beproeven, al is het niet met de roulette.”

»Gij hebt gelijk; ik vrees maar al te zeer, dat de generaal nog in ’t geheim verkeerde speculaties doet…”

»En is het dan zoo onmogelijk, dat hij, om aan geld te komen, opnieuw zijne toevlucht heeft genomen tot den bankier; zijne eer voor Francis willende redden, en toch in de noodzakelijkheid zijn de haar offers te vragen, de schuld maar op mij heeft geworpen, den afwezige, die zich niet kon verantwoorden, wiens rug heel breed, wiens naam reeds bevlekt was?”

»Zijn eigen zoon dus te belasteren…”

»Wel bezien was ik er de naaste toe; hij moest zich redden, en het kwam er voor mij niet op aan. Ik neem het hem zoo heel kwalijk niet! alleen zou ik er heel wat voor willen wagen om de zekerheid te hebben dat mijne gissing juist is; en toch, al had ik die, hoe dan nóg Francis de overtuiging te geven van mijne onschuld, zonder mijn vader te betichten, iets wat niet zijn mag?”

Ik beloofde hem dat ik daartoe het mijne zou doen; maar ik kon niet nalaten mijne verwondering uit te drukken, dat hij, na al de ondervinding die hij had opgedaan, nog lust gevoelde om naar het vaderland, naar de zijnen terug te keeren, waar hem niets dan vernedering en terugwijzing wachtte.

»Wat zal ik u zeggen, Jonker! het blijkt wel, dat gij niet weet wat ballingschap is, en hoe de trek naar het vaderland, het vaderlijk huis onweerstandelijk wordt, juist door de bezwaren die er zich tegen verzetten. Had ik, arme zwerver, in Amerika mijn geluk, mijn gezin gevonden, zooals ik eens had gehoopt, dan had ik er mij mogelijk een tweede Heimath van gemaakt, waarvoor ik de andere kon vergeten; maar, verwenschte Jonas die ik ben, eerst door allerlei tegenspoed veel te lang in Holland opgehouden, kwam ik pas in Engeland toen mijne reisgenooten reeds den tocht naar Amerika hadden aanvaard. Ik zocht en vond gelegenheid hen te volgen op een ander schip; maar wij leden schipbreuk, reeds met de kust van het beloofde land in ’t gezicht; de Zee nimf, las men later in de nieuwsberichten, was met man en muis vergaan. Dat was de waarheid, maar één ongelukkige schipbreukeling, die zwemmen kon en zijns ondanks als bij instinct van dat talent gebruik maakte, werd gered. Ik bereikte eene rotsachtige kust, werd door arme visschers ontdekt, die mij uitgeput en bewusteloos vonden liggen, liefderijk opgenomen, dat moet ik zeggen ter eere der menschheid, en van alles verzorgd zoolang ik er behoefte aan had; maar van alles beroofd, en, zooals ik later vernam, op honderden mijlen afstands van de plek, waar vermoedelijk mijne Duitsche vrienden zich hadden neergezet, schoot mij niets over dan bij die herbergzame kustbewoners te blijven tot er voor mij eene gelegenheid opdaagde om verder te komen. Die gelegenheid deed zich voor in de gedaante van een koopman uit Chicago, die handel dreef in kreeften en oesters, en die met deze lieden prijs kwam maken voor leverantiën op groote schaal. Ik maakte kennis met hem, vertelde een en ander van mijne rampspoeden, en toen hij vernam dat ik kennis had van paarden en daarmee wist om te gaan, sloeg hij mij voor hem te vergezellen op zijne handelsreis, daar hij uren ver langs ongebaande wegen met een zeer primitief voertuig moest reizen en de voerlieden van die karren meest onverbeterlijke dronkaards of brutale afzetters waren, waarvan hij reeds allerlei onaangename ervaringen had. Hij had dan ten minste iemand bij zich die hen staan en terechtwijzen kon. Zoo geschiedde het, en deze overeenkomst bracht mij ten laatste naar Chicago, waar ik weer in een doolhof van avonturen raakte, die mij voor goed afbrachten van het voor nemen om de Duitsche landverhuizers op te zoeken, en eindelijk in aanraking brachten met den heer Stonehorse, ondernemer van een Equestrian Cirque, waarmee deze voornemens was Europa te bezoeken.

Well! Ik had nu al ruim drie jaren het oude continent verlaten, ik kende Engeland en Frankrijk niet, ik was, al zeg ik het zelf. een goed piqueur, geen slecht rijder; forsche lichaamsoefeningen stonden mij aan, ik engageerde mij bij zijn gezelschap. Eens in Frankrijk, kwam de trek naar ’t vaderland bij mij op, en ik haalde master Stonehorse over, die er geene groote verwachtingen van had, om zijne reis naar Duitschland over Holland te nemen en zich in enkele groote steden op te houden. Het succes in de hoofdstad gaf hem vertrouwen op mijne voorlichting; hij liet de reisroute die hij volgen zou aan mij over; ik waagde het er op, Arnhem aan te wij zen; ik behoefde niet meer voor ontdekking te vreezen. Ik reis onder Amerikaansche vlag; niemand mijner confrères weet iets van mijne antecedenten.

Eens in de provincie, bekroop mij met onweerstaanbaar geweld de lust naar de Werve; vooral toen eene toevallige ontmoeting met iemand uit Z., die mij niet kende, maar dien ik op ’t chapitre bracht, mij zoo een en ander van de von Zwenkens vertelde, en den grootvader het slachtoffer noemde van de inconsequenties zijner kleindochter. Arme Francis! gelasterd, zoo gelasterd, en om mij! Ik moest haar zien en spreken; ik moest op mijne knieën, met het hoofd in ’t stof gebogen, hare vergiffenis vragen; gij hebt gezien hoe zij het opnam en hoe mijne terugkomst wordt beschouwd als de grootste zonde die ik tegen haar plegen kon! Het is ook ergerlijk: onkruid dat niet vergaat, eene schipbreuk die niet afdoende blijkt!” sprak hij met bitterheid, waarin zich weemoed mengde. »u, ’t is geschied, die gekke streek is weer begaan; maar ik zal haar geene ergernis meer geven; ik heb het haar beloofd! dat is zoo goed als een eed. Ik hoop maar dat ik dien houden kan,” eindigde hij met een zucht, terwijl zijne stem altijd doffer en matter werd. Hij liet het hoofd vallen tegen het weeke kussen van de sofa; als door den slaap overmand strekte hij de leden daarop welhaast uit, en hoorde ik de ontwijfelbare bewijzen dat hij rustig sliep. Ik had er nu ook het mijne van en ging zelf de rust zoeken die ik hem van harte gunde.

Toen ik juist niet heel vroeg in den morgen ontwaakte, had Rudolf von Zwenken zich al uit de voeten gemaakt, op dezelfde wijze als hij gekomen was; de blinden waren blijkbaar opengemaakt en niet meer gesloten; maar hij had het zoo stilletjes bered als men dat wachten kon van iemand die meer dan eens had weten te ontsnappen. Alleen, hij had vergeten zijne portefeuille mede te nemen! De onverbeterlijke loshoofd! Nu, ik zou hem wel uitvinden om hem die te doen toekomen. Het was goed, die niet aan Francis op te dringen. Hare kieschheid, hare fijnvoelendheid op dit punt was mij lief. Na zooveel opgeofferd te hebben, soms verlegen te zijn om eene kleinigheid, en toch honderden te versmaden als teruggave, omdat zij de herkomst van het geld verdacht, of wel om den gever niet te berooven, dat was eene groot moedigheid van karakter waarvoor ik respect had.

Wat den generaal betrof, zijne schuld stond bij mij vast na ’t geen ik zelf van hem waargenomen had; en meer dan ooit moest ik de voorzienige wijsheid van tante Sophie loven, die hare maatregelen had genomen om Francis te begunstigen zonder hare fortuin in dien afgrond te werpen. Maar de ontdekking die ik gedaan had, was voor mij eene waarschuwing, die tot omzichtigheid vermaande. De grijsaard, hoe machteloos hij ook scheen, was un homme à expédients; indien hij te vroeg wist wie de erfgenaam van tante Sophie was, en zijne verhouding tot Francis, was hij in staat om op haar toekomstig vermogen te speculeeren.

Ik zag hem als een bezwaarpunt, als een donkere stip aan den horizont van mijn geluk, die voortdurend mijne opmerkzaamheid zou vorderen, en ik voelde de drukkende waarheid van de uitspraak: »die het goed vermeerdert, vermeerdert de kwellingen!”

»Gij begrijpt, Willem! dat ik onder zulke bijgedachten, die zich mijns ondanks telkens aan mij opdrongen, zeer slecht gestemd was om mijn oud-oom met een opgeruimd gelaat geluk te wenschen met zijn feestdag.

Zes en zeventig jaar! al het uiterlijke van ’t geen men een respectabel man noemt, en toch zoo diep gevallen; doch waartoe u deelgenoot te maken van al het strijdige en pijnlijke dat er toen in mij omging! ik moest er mij tegen verzetten en een visage de circonstance vertoonen, dat spreekt vanzelf.

Gij zult voor het oogenblik ook wel genoeg hebben van die sombere legende van de Werve, en ik ga eens naar Francis om zien, die vooreerst nog niet weten moet dat ik een vriend heb die haar karakter leert kennen, trek voor trek, zooals het zich aan mijn blik voordoet. En nu, laat mij eens spoedig van u hooren; mij dunkt gij hebt nu al genoeg gehoord en gezien van het Indische leven, om er uw gevoelen over te kunnen zeggen, al weet ik dat gij de zaken liefst van alle kanten beziet eer gij er u over uitlaat.

Salut et Amitié

L. v. Z.


Ingezonden op: 19 July 2001