DON ABBONDIO II.

I.

Hoe een dagblad ontvangen wordt.


Een enkele krachtige ruk aan de schel van een huis op eene der hoofdgrachten van Amsterdam schrikte er de keukenbewoners op uit dat dolce far niente, dat de bedienden zoo goed kennen als hunne meesters, en dikwijls beter genieten, omdat bij hen in zulke oogenblikken veelal ziel en lichaam beide rusten, terwijl bij genen de rust van het laatste wel eens in omgekeerde verhouding staat tot die van de andere. Een huisknecht, die ge ene livrei droeg, sprong op en liep den marmeren gang door; eene kamenier, die haar kornetje met weidsche breede kant zoo coquet achter op de gescheiden haren droeg, dat zij zich zeker Cateau of Jeannette liet noemen, al was zij te Amsterdam of in Overijsel vroeger als Ka of Jans hekend, wipte hem na, terwijl zij riep:

— ’t Is de post, Willem, ’t is de post: ik zal wel opendoen.

Maar zij kwam te laat met haar ijver; hetzij galanterie of nieuwsgierigheid, Willem gaf zijn recht van den gauwste en den sterkste niet op, en zij was nog niet halverwege de gang, of reeds kwam hij haar tegemoet.

— De krant en een brief voor de juffrouw, sprak hij, en den laatste haar gevende, scheen hij willens met de andere een trap ter linkerzijde op te gaan.

— Wat wil je daarmee? vroeg zij, hem bij den arm vattende.

— De krant aan mijnheer brengen.

— Eene krant aan mijnheer! en Jeannette lachte luid op: ik kan wel zien, dat je van gisteren in je dienst bent. Mijnheer leest nooit geen kranten! .:

— Hé dat ’s vreemd, en dat zoo’n geleerde!

— Wel, suffert, juist omdat hij een geleerde is; meen je, dat zoo iemand lezen zal wat alle menschen kunnen lezen en begrijpen? ”

— O zoo, is het dat; hernam de andere overtuigd, en reikte haar het nieuwspapier als zegeteeken harer overredende welsprekendheid; maar of die zege haar expansief maakte, dan wel of ze behoefte had aan een vertrouweling of aan eene opheldering, zij hernam met eene fluisterende stem: En nu krijgt de juffrouw sinds een paar maanden er alle dagen zoo een over de post, en zie je, al heeft zij ’t mij niet zoo ronduit gezegd, ik begrijp toch, dat mijnheer het niet weten mag. Wat zou dat kunnen zijn?

— Wel, de juffrouw zal nieuwsgierig zijn, als meer lieden, naar de zaak van de geldsnoeiers, of naar den Poolschen opstand…, of…

— Ja, dat zijn ook al dingen, waar een mooi jong meisje zich mee bemoeien zal!

— Of ze wil weten, wat er in de komedie gespeeld wordt.

— En ze gaat er nooit heen, dat arme schaap, hernam Jeannette, half medelijdend, half onwillig, en morrend in zich zelve: daar hebben we ook een snuggere! ging zij haars weegs, ook wel de trap op, maar zeker om zich te wenden naar eene andere zijde dan Willem voornemens was geweest. De laatste wreef zich de handen met eenige verlegenheid: Van die kranten, dat zou mijnheer niet mogen weten, dan kon ’t wel zijn dat ik het al verbruid had!

Jeannette dan was binnengetreden in de kamer van hare jeugdige meesteres, die, nog in haar eenvoudig ochtendkleedje gehuld, voor haar toilet stond en de lange zijden vlechten ineenschakelde; maar niet zoo uitsluitend eischte die bezigheid hare aandacht, of zij zag wel in den spiegel het witte nieuwspapier in de hand van hare kamenier, en snel kleurde zich haar lief levendig gelaat met een blosje, nog hooger dan het hooge rose van Jeannette’s kleedje. Met eene vlugge beweging schikte zij nu den sierlijken, lichtbruinen strengel zich als een kroontje op het achterhoofd, bevestigde dat kapsel door eene fijne schildpadden kam en greep toen haastig — wij moeten de waarheid zeggen — het eerst naar het dagblad; maar wij kunnen u geruststellen: zij zag niet naar de politieke beschouwingen, niet naar een verslag van de kamers, ook niet naar die reeks van gruwelen en ongelukken, waarmede dagblad-redactie’s het noodig vinden de verbeelding harer lezers te prikkelen of te doen walgen, — niet eens naar de aankondigingen der openbare vermakelijkheden; dit alles zelfs werd met een zeker on,geduld overzien, terwijl het donker-blauwe oog de scheiding zocht tusschen dit en het feuilleton — weest nogmaals gerustgesteld, het was noch een afdruk van den Juif errant, noch van Monte Christo; de lieve had eene andere verschooning voor hare belangstelling.

Een feuilleton onder aan het dagblad? en mijne lezeressen gaan narekenen, welk journaal, daarna welke novelle het kan geweest zijn, die de jonge dame dus interesseerde; en toch, de poging is ijdel; al gaat gij ze allen na, van het Journal de la Haye af tot op de Utrechtsche Avondpost toe, — dan zijt gij er nog niet, want wij schrijven eene romantische novelle, iets dat niet gebeurd is, hoewel het had kunnen gebeuren, en wij hebben dos het recht nog een dagblad te onderstellen, dat niet bestaat, schoon wij hopen, dat vele der bestaanden er voor zouden kunnen gehouden worden wat den toon en de richting aangaat, want het gaf met moed en met warmte, maar ook met kalmte en met waardigheid, de waarheid over alles en voor allen, het dreef geene oppositie quand même, enkel uit lust tot tegenstribbelen, het was niet zoo bekrompen om de zaken te vergeten om de minne of den haat van personen, maar het stelde zich schrap tegen de machtigen en de meerderen, waar zij de macht en de meerderheid gebruikten om de rechten der burgers te verkorten voor de belangen der landsdienaren, hetzij ze gesteld waren op de hoogste gestoelten, of het naast bij die gestoelten omringden. En het sprak die waarheden en die eischen uit, niet onder verbloemde spreuken, niet met een schuinschen omzwaai; — maar recht uit, met ongemaskerd gelaat en met vaste hand ging het toe op het doel, op den strijd, hetzij die een beginsel gold, of eene partij of een enkelen naam. Zoo ik de geschiedenis schreef van dat dagblad, zou ik trachten uit te vinden, aan welke hoeken van het vaderland men wel gaarne auto-da-fés zou hebben aangericht om het te verbranden; maar daar ik dit niet doe, merk ik dit slechts aan, om een sleutel te geven voor den naams-oorsprong. De leden der redactie hadden het den Salamander genoemd, wellicht in hope van het de eigenschap der onbrandbaarheid mede te deelen, die de fabel aan dit dier toekent, als levende in ’t vuur en door het vuur, — wellicht alleen, om door eenigen vlammenden, phantastischen naam op de verbeelding van de lezers te speculeeren. Hoe het zij, aan vuur ontbrak het dit journaal niet, men neme het als twistvuur of als gloed.

Maar over dat alles heeft de jonge dame intusschen niet nagedacht; zij heeft haar feuilleton gelezen, zij heeft geglimlacht, gebloosd, wel eens zachtkens gezucht, wel eens de schilderachtig fijne wenkbrauwen saamgetrokken, hetzij van gespannen belangstelling, hetzij van eenige pijnlijke gewaarwording, maar nu eindelijk, bij het omwenden van het blad, laat zij het verschrikt uit de hand vallen, is zeer bleek geworden, en roept met eene zachte, ontroerde stem: den naam! den naam, dat is vreeselijk, dat is verschrikkelijk! hoe is dát toch in hem opgekomen, om den naam te geven! En nu, nu staat dat daar, en dat is gedrukt, en dat gaat het gansche land door, en nu is het niet meer te verbergen. En de verlegenheid kleurde haar het voorhoofd, en de fijne lippen klemden zich opeen onder zichtbare onrust.

Was het om afleiding te zoeken of om geruststelling, zij opende den brief, maar toen ze dien ook vluchtig had doorgelezen, sprak er wel eene mengeling van verwondering en blijdschap uit hare trekken, maar hare onrust was eerder gestegen dan gestild.

Ik moet het vader zeggen, ik moet het! was eindelijk de slotsom harer overleggingen, en snel liep zij heen, haar vertrek uit, eene kleine bovengang door, klopte zacht en haastig aan eene deur, draaide den gelakten knop om, trad een studeervertrek binnen, en stond toen vlak voor.


Ingezonden op: 19 July 2001