DON ABBONDIO II.

III.

Wie er medewerkt aan het dagblad de Salamander.


Wij zijn te Haarlem in den ochtend van een winterdag, 184*. Het doffe geschuifel, het gesuis, het gefluit, het gejoel, dat een aankomenden spoortrein voorafgaat, verzelt en volgt, had nauwelijks opgehouden, of uit een der char-à-bancs steeg een jonkman van een zeer gunstig voorkomen in eene eenvoudige reispaletot, en wiens verdere kleeding hem kenschetste als een fatsoenlijk man, die geen fat is; maar zijne glinsterend zwarte oogen, zijn blinkend zwart haar, hoe eenvoudig ook ter zijde geschoven onder een fijnen kastoorhoed, zijne levendige en sprekende trekken, gaven hem bij den eersten blik iets onderscheidends, zonder die hulpmiddelen, die voor iederen parvenu en voor iederen onbeduidenden pronker evenzeer verkrijgbaar zijn. Onze jonge man had het voorrecht zonder koffers te reizen, want als iemand, die zich om niets heeft te bekommeren, drong hij zich door de joelende menigte heen, liet het goederenbureau links liggen, of liever rechts, want hij ging het stationsgebouw voorbij, en liep het plein over, zijn weg nemende naar de restauratie, die er tegenover ligt. In het benedenvertrek wisselde hij eenige woorden met de bedienden, en ging daarop door naar boven, waar hij in de ruime zaal werd opgewacht door een groepje jongelieden, die hem met luidruchtige en hartelijke begroetingen welkom heetten.

— De trein is laat, Frits! zeide een van hen, toen deze nog bezig was her en der zijne hand te reiken, — we zijn al vast maar begonnen met ontbijten, maar ik zal versche côteletten
laten aanrukken, en hij schelde.

— Wat zal ik u zeggen? daar was veeloponthoud, een onafzienbare trein; ik geloof dat de halve bevolking van de hofplaats emigreert naar de hoofdstad.

— Och arme! dat ’s een kwaad teeken, zulke plichtplegingen maakt eene residentie niet aan eene koopstad, of het is eene buiging voor de portefeuilles en de brandwaarborgkasten van hare financiers… riep een jong man, die »de Amsterdammer” genoemd werd.

— En daarenboven voerden wij eene lange reeks goederenwaggons mede en zóó veel karren met slachtvee en alle mogelijke proviand, dat het schijn had of die lieden zelve hunne provisie kwamen inbrengen uit vreeze van hongersnood!

— En dat daar ze naar Amsterdam gingen! riep de vorige spreker met eene zekere ergernis, vergetende, dat hij juist in den strik viel, dien de plaagzieke hem spande. Amsterdam, dat voormaals heel Holland den kost gaf! Maar het zal zijn, dat die lieden, verwend door de piquante sausen en ragouts van hunne Fransche of would-be Fransche koks, den echten oud-Hollandschen pot niet meer eten willen.

— Eilieve, wie eet dan nog een echten oud-Hollandschen pot te Amsterdam? hernam een ander en schoof Frits een potje met foi.e gras toe, waarvan deze zich bediende met een schalken blik op den Amsterdammer, die nog de truffes er van op zijn bord had liggen. Allen begrepen de zwijgende toespeling en allen barstten uit in een luid gelach.

— Neen vrienden, dat krijgen wij er niet uit, zoolang er nog zulke voorbeelden gegeven worden, hernam Frits, en ik zie ook niet, waarom het noodig zou zijn, en ik zie nog minder, waarom we noodig zouden hebben, altijd met dat echt oud-Hollandsche,te schermen. Laten wij het liever bewaren tot de oogenblikken, waarin het noodig zal zijn, het met ernst en met waardigheid uit te spreken in eene waardige zaak.

— Zoodat, sprak de linkerbuurman van Frits, die den draad van diens tocht weder opvatte, omdat hem eene aardigheid in de keel was blijven steken, zoodat… dit aanhangsel van vee heeft de krachten van den locomotief verlamd en uwe aankomst voor ’t minst dertig seconden vertraagd, waaruit men leert, dat zelfs in onze dagen van vooruitgang de bêtes ons nog achteruit trekken zooveel zij kunnen.

— Wat ik u bidden mag, Adolf, niet al te veel bêtises, zei Frits, en mijne heeren! ik doe het voorstelom Hollandsch te spreken…!

— Met zoo weinig mogelijk Gallicismen, voegde een sterk blond jonkman er bij, die Luciaan genoemd werd.

— Noch Germanismen, riepen eenigen.

— Noch Anglicismen, noch wat Latinismen, noch wat ismen er verder zijn mogen, voegden sommigen er bij.

— Aangenomen bij acclamatie, riep Frits onbedacht.

— En de bastaardwoorden? vroeg Adolf, verheugd hem zijne bêtises te kunnen betalen.

— Uitgesloten, als al het overige, hernam Frits opgeruimd; geen sluikwaar, onder welken naam ook.

— Dus ook geene aanhalingen uit klassieken of romantieken, noch Aristoteles, noch Victor Hugo.

— Toch een enkele regel van een onzer vrienden van het jonge Nederland!

— Volstrekt niet! geene poëterijen in ’t geheel; wij zijn hier bijeen om ernstige vragen der werkelijkheid af te doen, en wij moeten alleen zien op orde, helderheid, waarheid en gezond verstand…

— Dat ’s jammer, dus mag ik geene uitzondering vragen voor het treurspel van H…, viel Luciaan in.

— Volstrekt niet, minst van alles voegt ons berijmd proza.

— Waarom sleept gij er H… bij? fluisterde Adolf Luciaan in; de man zou denken, dat hij van uwe vrienden was en u bij den naam noemen eer gij het weren kondet…

— Ach, laat hem die vreugd; ik heb nog nooit iemand gelukkiger gezien voor zich zelven met minder schade voor anderen, hernam deze op denzelfden toon; zijne manie op dit punt is zóó bekend, dat hij er geen mensch mee compromiteert.

Gelukkig was dit »ter zijde” geheimzinniger gesproken, dan het op de meeste tooneelen geschiedt, want anders ware Luciaan het poenitet niet ontgaan.

Frits was intusschen aangevallen door den Amsterdammer: Gij hebt daar beloften gedaan, in onzen naam, die wij niet houden kunnen. Het gaat der taal een weinig als het rijm, zij is slavin, en ieder behandelt haar zooals hem het best voegt; wij hebben nu eenmaal de gewoonte genomen de onze te voeden met vreemde gerechten, en ik vrees dat zij uithongeren zal, als wij haar op zich zelve laten teren.

— Kom, kom; wees niet bang: zij heeft nog genoeg ongebruikten voorraad in hare tasch… en de arme slavin, als gij haar noemt, is rijk genoeg om hare kostbare vrijheid met eigen munt te betalen; maar zonder beeldspraak, het weinigje, dat wij elkaar te zeggen hebben, kunnen wij elkaar wel meedeelen in verstaanbaar Hollandsch, en zonder de woorden van anderen in den mond te nemen. Wij hebben zelve gedacht, ik zie niet waarom wij door anderen zouden moeten spreken.

— Ik ben maar bang, dat wij niet heel aardig zullen wezen, sprak de jonge mensch, wiens lange blonde haren, hangende tot over een los wit halsboord, eenige jacht op zonderlingheid aanduiden; — hoe kan men geestig zijn in zulk nuchter Hollandsch, als wij nu zijn overeengekomen te gebruiken:

— Maar als wij onze geestigheden uit den vreemde nemen, zullen wij aardig zijn zooals eene vrouw goed gekleed zou wezen, die bij haar eenvoudig huisgewaad zich opschikte met geleende bloemen en parels.

— Nu dan, om er een eind aan te maken, ik geeftoe, sprak de jonge man, het zij dan vastgesteld, alles wat wij te zeggen hebben, zij Hollandsch en zij het onze…

— Maar nu, wat hebben wij te zeggen: viel Adolf in, die zeker een aanloopje zocht voor zijne eerste Hollandsche aardigheid.

— Wel, mij dunkt zoo wat van alles.

— Als we van alles zullen spreken, komen wij zeker tot niets.

— En als wij ons te veel bepalen bij één onderwerp, zien wij licht de punten voorbij, die later blijken zullen het meest onze aandacht gevorderd te hebben, en we zijn niet alle dagen samen.

— Waarom heeft ieder uwer zich dan niet vooraf beraden op hetgeen hij noodigst vond te behandelen?

la, waarom? Gij ziet het, mijne lezers, onze jongelieden vingen hunne raadplegingen aan zooals de meeste raadplegingen worden aangevangen: met overwegingen over den vorm, waarbij aanvankelijk de hoofdzaak wordt vergeten, met overleggingen, hoe zij spreken zouden, terwijl het hun daarbij minder helder werd, wat ze te spreken hadden. En toch, hoe zouden ze gelachen hebben, als ze anderen dus hadden zien doen, hetgeen bewijst iets, dat al eeuwenlang bewezen is, dat het berispen van anderen volstrekt geen schild is, waarop wij eigen onfeilbaarheid omhoog kunnen heffen. Toch waren deze jongelieden niet toevallig bijeen en met tegenovergesteld doel en belangen, integendeel, zij waren het vrij wel eens over hetgeen zij wilden, slechts, waren zij niet eens in de wijze, boe er toe te komen, en juist de overtuiging van dat verschil van inzicht deed ieder van hen aarzelen, om met zijne opinie vooruit te komen.

Ze waren redacteuren en medearbeiders van het dagblad, waarvan reeds zooveel is gesproken; nu het een jaar had doorgeleefd, en de belangstelling van een groot deel des publieks er voor was gewonnen, durfden ze het als gevestigd beschouwen en wilden er eene belangrijke uitbreiding aan geven. Om daarover te raadplegen, waren ze samengekomen, en van de twee of drie plaatsen, waar ze zich ophielden, was Haarlem, als het middelpunt en het meest bereikbare oord voor elk van hen, tot de vereeniging uitgekozen, en tevens als die wijkplaats, waar zulk eene samenkomst het best de opmerkzaamheid der nieuwsgierigen kon ontgaan.

Men had Frits intusschen den tijd gelaten om ook zijn deel te nemen aan het ontbijt, dat genoeg degelijk was, om de lichte ontnuchtering, die doorgaans een vertrek in den vroegen ochtend voorafgaat, tegemoet te komen. Toch vroeg hem nu Adolf:

— Eer we verder gaan, zeg mij, Frits, geeft het feuilleton vandaag het eind van uwe novelle?

Feuilleton! uwe novelle! betrapt, betrapt! riepen eenigen.

— Ik dacht wel, dat Adolf het eerst zondigen zou, glimlachte Luciaan.

— Nu ja, dat verwijt hoor ik liever, dan te zeggen… nu, wat wilt gij dat ik zeggen zal, wijze heeren?

De meesten zwegen.

Tabletten, riep er een.

— Dat accepteer ik niet als Hollandsch, hernam de onverbeterlijke.

— Bijblad, los-blad, vliegend blad, stelde de Amsterdammer voor.

— We zouden tot onder-blad kunnen vervallen, spotte Frits, maar om Adolf te voldoen, laten wij feuilleton gebruiken als een eigennaam; maar zeg mij, Adolf, hebt gij het ingezien, dat van heden?

— Ik ben te vroeg van Amsterdam gegaan, de post was nog niet aan, antwoordde deze.

— En wij, arme kleinstadbewoners, lezen altijd eerst ’s avonds wat gij ’s morgens reeds uit hebt.

— Ik las het, zeide Luciaan, bravo Frits, bravo!

— Zeg brava! zeide deze zacht.

— Luciaan schudde ongeloovig het hoofd, en Frits hernam luid: daar is ’t feuilleton, heeren! en gij zult zien, dat de vertelling niet van mij is.

— Niet van u? en wij hebben u trek voor trek herkend!

— ’t Is uw stijl, of ik heb nooit een regel geschreven, die de mijne was.

— Ziehier dan wat bewijst, dat gij niet rein zijt van dieverij! en Frits wierp hem het dagblad toe.

— ’t Is niet moeielijk er een paar naamcijfers onder te zetten, die niet de uwe zijn; maar dat is een bewijs, zoo onfeilbaar als de Godsoordeelen in den riddertijd!

— Maar zie dan toch! ge ene letters, een familienaam.

Adolf, die het blad in handen hield, barstte nu op eens los in een luid gelach.

— O! dat is eene dolligheid, die alleen in u vallen kon! Zijn ooms naam tot een pseudoniem te nemen!

— ’t Is geen pseudoniem, ’t is de naam van den auteur!

— Wiens naam? Welke oom? riepen anderen en rukten Adolf het blad uit de handen. Een algemeen gelach, een kreet van moedwillige toejuiching ging er toen op; want hij, die het nieuwspapier had gegrepen, las overluid den naam.

En allen herhaalden: Don Abbondio! dat is onbetaalbaar! Don Abbondio!

Don Abbondio was de bijnaam, die men in dezen kring gegeven had aan den man, dien wij u reeds even hebben voorgesteld, en dien wij hopen u nog beter te doen zien. maar als men dien naam noemt, dan hebt gij allen reeds eene andere figuur voor u, want wie kent hem niet, dien sukkel van een pastoor, zooals hij daar voor ons staat in Manzoni’s Verloofden, — wie herinnert zich niet zijner, zoo haast hij genoemd wordt, — wie ziet hem niet voor zich staan zooals de meesterhand hem daar heeft geteekend, met den wijsvinger en het midden der linkerhand aan zijn bef, als om zich den hals te beschutten, met zijn schuinschen achteromblik en zijn scheeven mond en zijn benauwden glimlach; het brevier geopend in de rechterhand, om zich eene houding te geven; met zijn eenvoudigen priesterrok, die hem nog veel te weidsch is omdat die opmerking trekt; met zijn zwart calotje op de kriin die vergrijsd is onder vreeze en bevinge… wie heeft hem niet zoo gezien, en wien heeft hij niet veelmalen een glimlach afgedwongen, maar ook, wie heeft hem kunnen zien zonder eene mengeling van minachting en van toorn? Of wekt zij geene minachting en geen toorn, die zwakheid die het onrecht helpt medeplegen uit zelfzuchtige vreeze? Is zij alleen belachelijk, die wreedheid, die de verdrukkers steunt tegen de verdrukten, omdat dezen toch wel de overwinnaars zullen zijn, al is zij de vrucht van die kruipende plant der bangheid, die zich niet vertoont zonder den spotlust op te wekken? Verdient zij niets zwaarders die lafheid, die eerst ter rechter— en linker-zijde ziet, of daar geen zijpaadje is om weg te sluipen, en die dan zich der boosheid in handen stelt. met den angst in het oog en den glimlach der vleierij op de lippen, om zich door haar al het kwaad te laten voorschrijven, dat haar geweld van hare zwakheid durft vergen?

Maar wie Don Abbondio zoo ziet, weet ook, dat zijn geslacht met met hem is uitgestorven in de zeventiende eeuw; en al was hij pastoor, dat het ook niet juist de priesters zijn van dien tijd of van eenigen volgenden, die het hebben vertegenwoordigd (Integendeel, wij hebben reden te gelooven, dat hij eene uitzondering is geweest in zijn stand), en zeker is het, dat de type zich vertoont tot in onze dagen, vooral in onze dagen. Ik bedoel juist niet, dat er nu zooveel bangen zijn, die uit vreeze voor bravi, voor het geweld van den degen of het stilet hunner machtige vijanden, het hoofd buigen onder hun juk en den arm opheffen in hunne zaak; tegen roovers en moordenaars weten ook de allerbangsten zich vrijwel beschermd door eene verbeterde politie. Doch wij denken in hem aan die zwakheid, die het kwade niet wil, maar die het goede niet durft, en die daardoor meer kwaad werkt, toelaat of verergert dan vele boozen, die er voor uitkomen, dat zij het kwade willen omdat het hun nuttig is — en dezulken, zeg ik, hebben wij er nog velen in onzen tijd, in ons land; wij hebben ze in allerlei schakeeringen, onder allerlei gedaanten, in allerlei graden. Ik weet wel, dat onze Abbondio’s zich niet meer ter zijde houden op den allerlaagsten rang in den stand dien ze gekozen hebben; dat ze niet meer dien kiezen, waarin zij het meest vergeten blijven, maar, behalve dat de vergelijking niet eene volstrekte terugkaatsing behoeft te zijn, zoo heeft zich ook dit geslacht gewijzigd naar den tijd, en verre van terug te blijven, sluipen de onzen gaarne in de hoogte en hebben volstrekt geen schroom om er te komen, slechts zijn ze wat heel omzichtig in de middelen waardoor; het liefst kruipen zij er heen of laten zich derwaarts dragen, of weten zich zóó klein te maken, dat de een of andere adelaar hen, zonder het zelf te merken, op de vleugelen neemt en met hen neerstrijkt op de rots, waar ze wezen willen, zoodat men verwonderd is hen te zien waar ze staan. Maar als ze er zijn, als ze er zijn! dát eerst bevangt hen de bangheid, en de vreeze en bevinge op hun gelaat onder den vroolijken glimlach door, waarmee ze hun pleeggewaad dragen, is alleen maar de afdruk van de aarzeling en de weifeling hunner handelingen, en van dat krommen en plooien en terugtrekken en hard wezen in de benauwdheid hunner ziel, dat het Abbondio’s-geslacht onderscheidt. Och, hadden zij ten minste ook de bescheidenheid van den pastoor, om zich niet te laten plaatsen waar ze niet behooren; want dus vertiendubbelen zij het kwaad, daar de kwaal, die hen besmet, eene zóóaanstekende is, dat zij die met hun bijzijn overbrengen op geheele corporatiën, op geheele provinciën, over geheele landen.

Ik meen, dat de auteur van »Jan en Jansje” hunne ziekte reeds een naam heeft gegeven: de Jansaliegeest,. maar het salieachtige is niet het éénige, dat er in onze Abbondio’s te bespieden valt. Integendeel, er zijn active, echt active koppen onder, en handen, wel krachtig en wel snel tot toetasten, en voeten, wel rap genoeg om voort te gaan; maar… maar… als Don Rodrigo beveelt, of als ze zich laten bedwelmen en wegsleepen door eenige hoop, door een beeld, door een naam, of als hunne eigen zwakheid de rol der bravi speelt en hen dreigt, dan spitsen zich die hoofden, dan strekken zich die armen, dan richten zich die voeten juist naar die zijde, die ze besloten waren niet te kiezen, en dan; zeggen zij tot de verlatenen: »waarom zijt gij de zwakste? kan ik het helpen, dat gij de sterkste niet zijt?”

Tot die soort behoorde de man, dien onze jongelieden Don Abbondio hebben genoemd, en die van dezen en van diens nazaten, overledenen en levenden, zoovele familietrekken heeft, dat wij hem gerust aan u durven voorstellen als Don Abbondio II, en dat te eerder, omdat hij in ’t eind onze tijdgenoot is; en omdat wij zoo min iemands naam als iemands persoon belasten willen met al de gebreken en dwaasheden, die wij vereenigd zullen vinden in deze roman-figuur, hoewel er noodwendig hier en daar wel eens een greep moet gedaan worden uit het leven, zal niet het leven der waarheid ontbreken aan de vertelling (*).

Onze jongelieden hebben intusschen niet gezwegen, terwijl wij hen onder beschouwingen hebben vergeten; ze hebben nog willen schertsen over de medewerking van een Abbondio aan een dagblad als het hunne, maar Frits heeft hun eene inlichting gegeven, die hun de scherts op de lippen terughoudt; ze hebben daarna hunne beraadslaging aangevangen, waarvan de laatste de leider is en als het hoofd, terwijl zij stilzwijgend dit voorzitterschap hebben toegestemd, wellicht omdat ze eenigermate zijn zedelijk overwicht gevoelen en erkennen, wellicht omdat. hij het éénige lid is der hoofdredactie, dat zich onder hen bevmdt en deze vertegenwoordigt. Zij zijn het nu eens geworden over de maatregelen, die zij moeten nemen in het belang van hun dagblad, maar hoe zij tot die eenheid gekomen zijn, en wat zij meenen te doen, hebben wij besloten niet te zeggen: wij zouden dat niet kunnen doen, zonder u achter hunne coulissen te brengen, en het is reeds genoeg, dat wij even het gordijn hebben opgehaald, — gij zoudt toch niets zien, dat uw genot bij het lezen van feuilletons zou verhoogen, en gij mocht eens van het denkbeeldige dagblad besluiten tot de werkelijk bestaande, en ook daar zie ik voor niemand vreugd of voordeel in. Maar terwijl ze nu toch en scene zijn, moeten wij ze nog even hooren; het is Luciaan, die spreekt.

— Er valt niet aan te twijfelen, op die wijze verdubbelen wij den moreelen invloed van ons dagblad, terwijl wij daarvan de stoffelijke belangen verbeteren; door dit middel zouden wij dát groote deel van onze bevolking, dat belang heeft bij den handel, aanmerkelijke diensten doen, en geheel voor ons hebben gewonnen, maar ze zijn niet aan te wenden zonder de goedkeuring en de medewerking van ’t gouvernement, en ik zie niet, hoe wij die zullen verkrijgen op onze namen of op dien van onzen Salamander, die wel hier en daar in een zwart blaadje zal staan opgeteekend.

— Daar diende iemand gevonden te worden, om dit te bemiddelen die wat invloed had, maar bovenal dien men daar ginder vertrouwt, hernam Frits nadenkend; het eerlijkste wat wij voorstellen, wordt met wantrouwen aangehoord, met koelheid opgenomen, met onverschilligheid ter zijde gesteld of met argwanende voorzichtigheid tegengewerkt. Wie kan die man zijn die ons hier helpen moet.

— Een zulken man hebben wij niet, riep Adolf met zijne gewone voorbarigheid.

— Als wij den schatrijken D… voor ons lieten tusschenbeide komen, sprak de jonge Amsterdammer, met geld dwingt men alles.

— Die man kan de beurs dwingen, dat is mogelijk, maar er valt hier te strijden met een stelsel van wantrouwen, en het is hier niet de vraag van dwingen, maar van geruststellen.

— O! waar men goud ziet is men altijd gerustgesteld.

— Neen, neen, dat ’s dwaasheid; het stelsel, dat wij bedoelen, wordt gehandhaafd door lieden die onomkoopbaar zijn, want… ze verdedigen zich zelve en hunne eigene goede plaatsen, en zij willen verzekering, dat er geen stap of geen begin van een stap zal gedaan worden, om hen daaruit te verdrijven, en ziet gij, wie zal hun die uit onzen naam zóó kunnen geven, dat zij gelooven?

— Wie? wel, hoe zoeken wij dus jammerlijk! hebben wij niet onzen Don Abbondio, den man van invloed, zoo men zegt, van geld, dat weten wij allen, van schranderheid, daaraan twijfelt niemand, een diplomaat! die een Talleyrand zou zijn, zoo hij zich niet aan de rust van ’t studeervertrek had gewijd, een man, in wien men gelooft en die zeker zeer zeldzame en zeer zonderlinge bewijzen voor zijne trouw moet hebben bij te brengen; althans men weet, dat hij vertrouwd wordt; in hem hebben wij alles, wat wij zoeken; met hem hebben wij bijna zekerheid.

— Alleen gij vergeet, zeide Adolf, dat wij hem Don Abbondio hebben genoemd, en met dien naam is alles uit.

— Integendeel, juist dáárom is er alles te hopen, hernam Luciaan levendig en als viel hem iets in.

— Wel zeker! hij is nu eenmaal genoeg verbonden aan den Salamander, om ons bij te staan, riep de Amsterdammer.

— Ach, ik bid u, vrienden, sprak Frits, ik heb u gezegd wat er mij voornamelijk toe gebracht heeft om dien naam te geven; ik blijf gelooven, dat ik mocht en moest, maar gij ziet mij nog peinzende op een middel, om er hem mee te verzoenen, en welke uitkomst het ook moge hebben, het zal nooit die zijn, dat hij een dagblad als het onze beschermt. Gij kunt mij wel in eene dubbele moeielijkheid wikkelen, door van mij te eischen dat ik hem het voorstel doe, maar de poging zal vruchteloos zijn: ik ken mijn oom!

— Neen, zij zou niet vruchteloos zijn, sprak Luciaan met eene zekere vastheid, en opstaande nam hij Frits ter zijde, voerde hem aan een venster voor het balkon aan het andere eind der zaal, en hervatte toen: juist omdat gij uw oom kent, moest gij hoop hebben; herinner u, hoe groote redenen hij heeft om u te ontzien, herinner het hem voor eene wijle — en wij zijn geholpen.

Eene sombere wolk trok den jongen man over het voorhoofd.

— Neen, Luciaan, dat nooit! ik wil niet terugkomen op hetgeen men eens eene edelmoedigheid heeft genoemd; waar ik eens rechten heb opgegeven uit aanzien van den broeder mijner moeder, gebruik ik die niet als een wapen tegen hem in den naam van een belang, geheel vreemd aan dat alles.

Met zijn schel, blauwoog zag Luciaan hem scherp in ’t gezicht en sprak toen:

— En achter welk schild denkt gij u dan bij hem te dekken ter verantwoording van eene daad, die hem zeer zeker nog meer tegen is, dan de dienst dien wij van hem vragen?

— Nu ja, zeide Frits met eenige verlegenheid, ik beken het: ik bad hoop, dat hij zelf zich zou herinneren en mijne stoutheid vergeven; ik hoopte dan tegelijk nog iets meer, — doch gij weet het, en dat kan ik den anderen niet zeggen. Maar dat is geheel iets anders dan wat gij vergt; daarbij, ik ben er zeker van, zou het tot dreigingen moeten komen, en… ziet gij… al was het onder vier oogen, hij heeft mijn woord…

— Uw woord, maar niet dat van de andere belanghebbenden.

— Er was er slechts ééne, hernam Frits met een zucht, en die ééne…

— Kan leven, kan wederkeeren, kan hare rechten doen gelden! — riep Luciaan snel en of ieder woord hem een nieuw denkbeeld ingaf, — en meer hebben wij niet noodig.

Frits verbleekte.

— Ik weet niet wat gij zeggen wilt, Luciaan, maar ik vreeze, dat gij daar een inval krijgt, die… die… waaraan ik mijn oom niet ten prooi mag laten.

— Neen, gij houdt die prooi liefst voor u zelven alleen, egoïst! hernam Luciaan, wel met een glimlach van scherts, maar ook met zulke scherts, die Frits deed antwoorden:

— Neen! want nu gij dit hebt gezegd, heb ik besloten, zelfs die zwakke stem, die er voor mij spreken kon in zijn geweten, met meer te laten gelden; ik vergeef het u, Luciaan, maar gij vernietigt mij een schoon vooruitzicht.

— Ik vernietig niets, Frits, alleen ik houd u bij dit woord; gij gaat dan vooreerst niet naar Amsterdam?

— Niet naar Amsterdam: En Eva? Moet ik aan dat arme kind niet ophelderen.… haar niet geruststellen?…

— Zooveel gij wilt. Alleen beloof mij dit ééne: kom in de eerste vierentwintig uren uw oom niet onder de oogen, zoo gij wilt dat ik u niet van zelfzoekendheid zal verdenken?

— Gij weet het middel, om mij beloften af te persen; al leen wat zult gij doen in dien tusschentijd?

— De rechten handhaven van eene, wier rechten te lang zijn vergeten, en daarbij tegelijk het belang bevorderen van eene goede zaak! hernam Luciaan met een zeker vuur.

Frits zag hem aan, als wankelde hij tusschen geloof en ongeloof.

— En dat alles zonder bedrog: vroeg hij.

— En als ik u nu zeide, dat zij leeft, en dat zij is weêrgekeerd, hernam Luciaan, eenigszins onbedacht. Mijn God, Frits! ontstel u niet zoo! wees een man.

— Gij onderstelt wat geene waarheid is, hernam deze, maar zijne stem beefde van verrassing.

— Ik zeg de waarheid? ik was voornemens geweest die te zeggen met eene andere inleiding, alleen deze aangelegenheid dwingt mij tot wat overijling…; nu, wees bedaard, het is immers
voor u eene vreugde…

— Maar hoe weet gij… hoe hebt gij zekerheid?

— Ik zal u dat alles mededeelen, als wij uiteen zijn gegaan: wij zullen eene wandeling doen, maar op ééne voorwaarde: zeg aan onze vrienden, dat wij het eens zijn geworden, en dat gij
mij met de leiding van deze zaak hebt belast. Ik geef u mijn woord, dat ik een middel weet, om die tot een goed einde te brengen.

Ik kan het niet gelooven, en toch…

— Toch wankelt gij?

— Neen, want ik ben besloten. Hoor, Luciaan, gij zult niet slagen, maar in ’s Hemels naam, beproef. Ik vertrouw van uwe eer, dat gij niet zult verijdelen, wat ik na moeielijken zelfstrijd op mij zelven verkregen heb; dat gij zult sparen wat gij kunt, zelfs al treedt gij op als de verdediger van eene, die niet tot een zulk offer kan besloten zijn.

Luciaan glimlachte.

— Frits, dat alles is te veel, zoo gij mij vertrouwt, en te weinig, zoo gij mij verdenkt. Ik heb u beloofd, de zaak tot een goed einde te brengen, datgene wat gij vreest zou niet goed zijn, en nu, onze vrienden worden ongeduldig; kom, zeg hun iets, dat hun dit wachten vergoedt.

— Het zij dan, ik ga hun mededeelen, dat gij hun een onderwerp zult geven voor eene romantische novelle, hernam Frits met eene pijnlijke poging tot scherts, en wendde zich naar zijne vrienden.

— Eene novelle, waarvan de ontknooping uw lot zal beslissen, sprak Luciaan in zich zelven, terwijl hij hem volgde.


Ingezonden op: 19 July 2001