DON ABBONDIO II.

IV.

Wat Eva besluit.


Hij den plotselingen aftocht van haar vader stond de arme Eva zoo verrast en zoo verlegen als een veldheer, die zich heeft voorbereid om slag te leveren, en die den vijand onder zijne oogen ziet aftrekken, zonder een kogel gewisseld te hebben. Zij had wel niets verloren, maar zij had ook niets gewonnen, en dat was in dit geval zoo erg als een verlies. Zij wist, dat er van nu aan geene gelegenheid meer zijn zou om op dit punt terug te komen; haar vader was een Proteus, die zich in allerlei bochten zou wringen, onder allerlei vormen zou vermommen, om niet dat te hooren, of niet dat te spreken, wat hij voorgenomen had niet te weten of niet te zeggen, — en zoo stond zij eene wijle mijmerend geleund tegen den hooggerugden chaise-Voltaire dien hij verlaten had, en berekende hare kansen, Nu kan Frits komen of wegblijven, het is al een, — sprak zij droevig, — voor zich zelven spreken of voor mij, het zal niets baten…; niets: want er zal geluisterd worden en geantwoord, zooals, dat boek luistert en antwoordt, — en in een soort van smartelijken onwil stiet zij een kwartijn ter zijde, die haar het naast onder de hand lag; die aanraking had eene uitwerking, die zij niet had bedoeld: het boek kantelde en viel half geopend op den grond, in een toestand, waarin het voor boeken en bladen niet heiltaam is zich lang te bevinden. Ook nam Eva het schielijk op, maar daarbij viel haar oog op een der uitslaande platen, die mede wat uit de plooien was geraakt.

— Menschelijke physionomiën, nommers… he! bestudeert papa Lavater? Zou een man als hij daarop afgaan! en wat afgeleid of nieuwsgierig, begon zij het te doorbladeren. Op eens vindt zij iets dat haar een uitroep ontlokt: een vrouwenportret in potlood. Slechts omtrekken, het is waar, maar toch van juiste gelijkenis, want Eva zegt zonder aarzeling: het portret van mevrouw Frevel! Wat kan toch mijn vader met mevrouw Frevel hebben uit te staan? ’t zal toch wel niet zijn om vrouwelijk schoon te bewonderen! Dat zijn wel die grove scherpe trekken, die grijnzende glimlach, die mij zoo terugstuiten, als zij mij met die zekere beschermende beleefdheid dwingt met haar in het rijtuig te gaan, als wij uit de kerk komen en het regent. Maar het verdriet maakt mij onrechtvaardig: kan zij het helpen, dat zij leelijk is? Alleen, wat kan iemand als vader… helaas! ik heb wel genoeg aan mijne eigen zaken, om mij nu ook nog te gaan ontrusten over de zijne. Misschien is dit wel iets tusschen hem en oom Aelbrecht… Oom Aelbrecht… dit brengt mij op eene gedachte, — de eenige, die zich nooit laat afschrikken, die altijd doorzet wat hij heeft besloten; ’t is wel waar, hij is niet zeer voorkomend, het is wel mogelijk, dat hij mij met een kort, stug woord heenzendt, maar als hij ook mijne partij neemt, dát, dát ben ik gered, — en met den glimlach van herleven-
den moed op het lieve gezichtje verliet zij haastig het veroverde grondgebied, dat de vader haar had prijs gegeven, en op hare kamer terug gekomen, kleedde zij zich haastig, wel niet zonder de hulp van Jeannette, maar toch met eenigszins mindere zorg dan gewoonlijk, sloeg toen schielijk een mantel om à l’écossaise, zette een blauw fluweelen hoedje op, dat, onder ons gezegd. allerliefst stond op de zacht bruine lokken, schoof de zwarte glacé-handschoenen bedachtzaam over de fijne vingers, nam een stalen tasje, om hare kamenier te bewijzen dat zij commissies ging doen, »en wat vroeg”, om niet op een ongepast uur in de Kalverstraat te zijn, als deze er bij dacht, — en ging toen uit.

Nu zij toch uit is, moeten wij eerst wat over haar praten, voor wij haar volgen. Men zal hebben opgemerkt, dat Eva genoeg schranderheid had, om eenige blikken te slaan in het karakter haars vaders, en met die kennis zou het zelfs eener vrouw, — liever: vooral eener vrouw, — en vooral eener dochter, niet moeielijk zijn gevallen hem te beheerschen. Maar hare zachtheid en eene aangeboren schroomvalligheid, licht een weerschijn van zijne zwakheid, weerhielden haar doorgaand van hare krachten en van hare kennis gebruik te maken, om dat overwicht op hem te verkrijgen, dat daar eigenlijk voor haar maar voor het grijpen lag; toc,h zouden wij haar onrecht doen, zoo wij die aangeboren hoedanigheden als de eenige oorzaken noemden, die haar beletten dat te doen, wat eene vreemde zou beproefd hebben, doch wat haar als dochter niet zoude hebben vrijgestaan, Haar fijn gevoel, hare gemoedelijkheid, spraken het haar in, dat ook dààr nog het kind heeft te eerbiedigen, waar de glimlach zich reeds geplooid heeft om den mond; dat het ontzag kan verloren gaan
uit het oog, maar dat de liefde nooit kan worden uitgebluscht in het hart, en dat het die liefde is, die den vader beveiligt tegen de dochter, waar de man zich zelven als ten prooi bood aan de heerschzucht der vrouw.

Maar juist omdat zij niet gewoon was gebruik te maken van de voordeelen harer stelling, scheen het haar zoo heel moeielijk, toen zij het voor de eerste maal dacht te doen, en toen die ééne gelegenheid haar ontsnapte, was zij zóó overtuigd dat die zich niet weder zou aan bieden, dat zij niet weer een zulken moed zou machtig zijn, — om niet te zeggen hoezeer zij ook den wederstand kende van haar vader op zekere punten, — dat zij in volslagen verlegenheid geen raad wist dan den raad van anderen in te roepen. Maar behalve dien strijd tegen de verzoekingen van én onnatuurlijk meesterschap, had de jeugdige en levendige Eva er nog een anderen te strijden, die in onzen tijd een minder exceptioneele is dan men meent. Al zeer vroeg beroofd van de leiding eener moeder; in eene zulke sociale positie geplaatst, die haar vergunde zich van alle huiselijke zorgen te ontslaan, die haar niet bijzonder aantrokken, had zij terstond na de doorgeleefde schooljaren eene leegte rondom zich gevoeld, die zij door kunst of kennis had willen aanvullen. Maar Don Abbondio kon geene muziek uitstaan, en de beeldende kunsten met haar aanhang van meesters en modellen en kunstbeschouwingen en wat daar meer zij, waren hem om vele redenen tegen. Zoo bleef der arme niets over dan wat lectuur, maar dat was iets meer dan wat geworden. Don Abbondio zelf was in waarheid een man van fijne beschaving, van veelzijdige kennis en van scherp oordeel, en die de gaaf had om hetgeen het zijne was mede te deelen met eene helderheid en eene juistheid, die allergunstigste uitkomsten moest hebben voor de verstandsontwikkeling van hen, met wier vorming hij zich wilde bezighouden. Het spreekt vanzelf, dat zijne eenige dochter aanspraak maakte op dit voorrecht, dat hij het haar schonk; maar uit vreeze, dat hij er eenmaal berouw van mocht hebben, en dat zij van dat meerdere dat zij werd eenig gebruik mocht maken, strijdig met zijne inzichten, scherpte hij haar in om dat te verbergen als hij-zelf het deed, schrikte hare schuchterheid af van iedere poging zich te toonen, door het spook der belachelijkheid, en toen hij ondanks deze voorzorg in haar welhaast de merkteekenen onderkende van een vrijen en onafhankelijken geest, die zich te eeniger tijd over den schrik voor spoken zou kunnen heenzetten, bracht hij der voorzichtigheid een offer, dat den vader en den man van letteren zwaar moet zijn gevallen; hij verduisterde zijn licht voor zijn kind, en wat nog niet in haar was ontbolsterd, onthield hij zijne fijne schaaf.

Niets is zoo gevaarlijk als eene halve beschaving, als eene aangevangen kennis die in de beginselen smoort; niets zoo onoogelijk als eene smeulende lamp, die verbeeldt licht te geven en die slechts walmt; het prikkelt tot overdrijving, tot ongerijmde opwinding, of het rukt neer tot werkelooze onvoldaanheid, of heft op tot een onrechtmatig zelfgevoel, dat bespotting wekt; het brengt tot aanmatiging of het gaat onder in flauwheid.

Een zulke toestand, al zijn er ook de vaders geene oorzaak van, is wel eens meer die, waarmede onze jonkvrouwen in den maatschappelijken kring te worstelen hebben, waaronder ze lijden, waarom ze veroordeeld worden, en dien zij toch niet kunnen verhelpen.

Don Abbondio had intusschen zijn doel in zekeren zin bereikt. Bij de overtuiging, dat zij ten halve wist en slechts ten deele zag, bij de zekerheid, dat ze nooit zou komen op de hoogte, waar zij een oogenblik had gemeend heen te streven, werd ze schroomvallig om uit te spreken ook dat wat zij wist; en uit vreeze, dat men met gespitste ooren zou luisteren, zweeg zij liever en hoorde zelve toe met gebogen hoofd. Dat was eene ongewone uitwerking van dat onedelmoedige stelsel der halve verlichting, op vrouwen of standen of staten toegepast. Maar Eva’s blik had in diepte toegenomen, naarmate men dien in ruimte had beperkt, en al zeer spoedig had zij opgemerkt, dat haars vaders spook der belachelijkheid geen spook was, maar eene werkelijk levende, eene tastbare gestalte, die aangrijpt, terugdringt of met den vinger aanwijst de onvoorzichtige en stoute, die zich even waagt buiten de enge perken, die haar in het maatschappelijk leven zijn aangewezen. Zij hoorde de harde namen, waarmede dit spook haar zou beschimpen; zij zag den glimlach, waarmede hare zusters fluisterend savante, bas-bleu, en wat er van dergelijke titels al meer mogen zijn uitgevonden, onder elkander uitspraken. Zij zag meer, zij zag niet enkel hare zedigheid verdacht, zij zag ook haar hart miskend: de coquette heeft niets in het hart dan haar spiegel, »de geleerde vrouw” heeft niet eens een hart, zij heeft niets dan — haar hoofd! hoorde zij oordeelen: was het wonder, dat de zachte, beschroomde terugtrad en zich terugtrok? En had zij wel zoo heel onjuist gezien, het arme kind? Het is zoo, aan algemeen erkende superioriteiten, ook onder de vrouwen, heeft men nu wel het recht toegestaan zich te plaatsen waar zij zich zelve wagen durven, maar tot welken prijs en onder welke voorwaarde? Is ook niet van die zijde de lauwerkrans dikwijls zoo snerpend, als ware zij er eene van doornen? Van buiten alles groen en loveren, van binnen schrijnt zij en perst zij, en waar zij verwondt tot bloedens toe, wie is het die het ziet, wie is het die er medelijden heeft? Is niet veelal de erkenning der kunstenares als het sein tot de miskenning der vrouw? Is niet… maar wij beginnen te spreken van werkelijk erkende meerderheid, en Eva wist wel, dat zij geen recht had tot eene zulke verwachting voor zich zelve: licht had ze dan nog den moed gehad den kamp te wagen, om der wille van eene overwinning, die zij niet kende en daarom te hooger schatte. En zoo trok zij zich terug, als we gezegd hebben en niet enkel in overdrachtelijken zin, maar in den werkelijken; zij verengde al meer en meer den kring harer kennissen, en zij bevolkte al meer en meer hare eenzaamheid met de beelden harer phantasie. Met die droombeelden was zij gelukkig, met die droombeelden voelde zij geene leegheid meer in hareziel; die droombeelden bewaarden de frischheid van haar gevoel en de levendigheid van haar geest, zelfs in het neerdrukkende samenzijn met een Don Abbondio; maar het waren ook zulke zwevende, onbestemde, ephemerische wezens, dat ze licht noch buitenlucht konden verdragen, of ze verdwenen in damp en nevel, en iedere poging om ze aanschouwelijk te maken mislukte der arme Eva; dan stierven zij den marteldood onder hare hand, of zij werden misvormd tot iets plomps en onnatuurlijks, dat haar-zelve het eerst tegenstond. Ook had zij die wanhopige worsteling van de overmacht der verbeelding met de onmacht voor den vorm reeds opgegeven, toen haar neef Frits… maar zij heeft hel doel van hare ochtendwandeling bereikt, en wij gaan met haar het huis binnen op de ……gracht, waar ze heeft aangescheld.


Ingezonden op: 19 July 2001