DON ABBONDIO II.

X.

De kracht der flauwheid.


Luciaan bevond zich in de zijkamer van Don Abbondio’s huis en wachtte of hij zou ontvangen worden.

Het bondgenootschap van Eva waarborgde hem de zekerheid zijn patiënt thuis te vinden, want eene vrouw of eene dochter heeft het altijd in hare macht, een echtgenoot of een vader ten minste drie kwartier langer in huis te houden, dan het zijn voornemen is, als zij er op gezet heeft, — al zou hij zijne handschoenen niet vinden, al zou zijn hoed verborgen zijn, al zou zijn das niet goed geknoopt wezen, of wel plotseling een knoop ontbreken aan zijn overjas. Maar dat hij thuis zijnde verschijnen zou, op het verzoek van een onbekende, of dezen op zijne kamer toelaten, daarvoor kon Eva niet instaan; maar gelukkig was Luciaan een homme à expédients, en hij had twee woorden op zijn kaartje geschreven, waarvan hij hoopte dat zij den vijand in het open veld zouden lokken.

En zijne hoop bleek niet ijdel. In volstrekten zin kwam Don Abbondio uit zijne verschansing te voorschijn, want in plaats dat een bediende Luciaan verzocht bij hem te gaan, opende hij de deur voor zijn meester; de heer des huizes kwam zelf beneden tot Luciaan. Hij was nog in zijn chambercloak van zwart cachemier, enkel met donkerblauwe ranken afgewisseld, maar het was nog zóó vroeg in den voormiddag, dat zelfs hij hierover geene excuses noodig rekende. Daarbij het stond hem zeer goed, en Luciaan, die hem nooit had gezien, was werkelijk getroffen door zijn statig voorkomen en door de merkwaardige uitdrukking van zijn gelaat. Het denkbeeld griefde hem, dat hij tegen zulk een man zulke wapens moest richten, als hij met zich voerde, en een oogenblik stelde hij zich voor, of men zich ook in dit karakter kon hebben vergist, en het kostte hem eene zekere overwinning op zich zelf om zich terstond in zijne rol te zetten.

De jonge advocaat begon met een paar woorden van verontschuldiging over het vroege uur van zijn bezoek, terwijl zij wederzijdsch plaats namen, waarop Don Abbondio hoffelijk maar kort antwoordde, dat hij zijn tijd tot den dienst stelde van zijn bezoeker.

— ’t Is allergoedwilligst, mijnheer, voor een vreemde… want ik geloof, dat ik het voor u ben.

Eigenlijk niet. Don Abbondio kende Luciaan bij geruchte als een der voornaamste medewerkers van het dagblad, als een der gevaarlijke jongelieden dus, waarvan hij Eva gesproken had. maar gij begrijpt, dit was iets dat hij »buiten pijn en banden” niet licht zou erkennen; ook was zijn schrik bij ’t lezen van den naam niet gering geweest, maar werd terstond getemperd door eene combinatie, die hij maakte uit de nevensgevoegde woorden: »Vanwege mevrouw van Eijm.”

— Gij hadt goede aanbeveling; zoo zijt gij dan bekend in de familie van mijnheer Brandsen?

— Die eere heb ik… in den vorigen zomer op een toertje door Zwitserland ontmoette ik mevrouw van Eijm, die hare dochter na de vacantie naar een pensionaat bij Genève terugbracht. Op reis maakt men spoedig kennis, daarbij de familie. onder wier geleide de dames reisden, was een weinig de mijne; ik had dus het voordeel mij te kunnen aansluiten. Wij hebben nog allerliefste uitstapjes met elkander gemaakt, eer de poort van de prachtige kostschool zich achter mejuffrouw Albertine sloot.

De advocaat sprak dit laatste met eene opzettelijke schuchterheid, waarvan voor Don Abbondio de verklaring licht viel, en die hem tegelijk op het spoor hielp van de raadselachtige voorliefde der beide dames voor een dagblad; dit vermeerderde zijne hoop, het gaf hem zelfs eene zekere opgeruimdheid.

— Maar, als gij weet, heeft die fatale poort der gekerkerde sinds eenigen tijd vrijheid gegeven, — glimlachte hij.

Luciaan boog zich en beantwoordde den glimlach:

— Ik heb zelfs het geluk gehad, toevallig een van de eersten te zijn, die mejuffrouw Albertine in ’t vaderland heeft mogen verwelkomen. Het toeval was mij zoo gunstig, dat ik haar terstond trof bij dezelfde familie, waar zij eenige dagen uitrustte van de vermoeienissen harer reis, eer zij doorging naar Amsterdam.

— Ah ja! daar zijn allergelukkigste toevallen voor sommige jongelieden, — hernam Don Abbondio, die groote achting kreeg voor de behendigheid van den aanstaanden neef van mijnheer Brandsen.

— Niet waar, mijnheer? Maar vergun mij u nog meer te zeggen van mijne fortuin… hetzelfde gelukkige toeval wil, dat ik mij naar Amsterdam moest begeven, om met mijnheer Brandsen eene financiële onderhandeling aan te knoopen…

— Werkelijk? Maar men is niet gelukkiger dan gij… en gij zijt dus reeds met hem samen geweest? — vroeg Don Abbondio toch wat pijnlijk, want hij berekende snel wat er dan reeds sinds den vorig en avond kon besproken zijn.

— Vergeef mij, mijnheer, ’t was mij wel wat vroeg, en ik wenschte mijnheer Brandsen niet te spreken op zijn kantoor, en het is juist dáárom dat ik mij in naam van mevrouw van Eijm tot u wendde…; van den vriend van haar broeder verlangde zij, zoo gij die goedheid wildet hebben, mij zelf in dat huis te presenteeren.

Don Abbondio zag wel, dat dit eerlijk spel was; mevrouw van Eijm, zelfs al had zij haar broeder reeds geheel voor haar gunsteling gewonnen, kon moeielijk zelve een geheimen aanbidder harer dochter in zijn huis roepen, en het kon dus een vriendendienst zijn, de eerste wellicht dien deze familie van hem vroeg, maar ’t kon toch ook anders wezen; de zaak kon nog een anderen keer nemen dan ten genoegen van alle partijen; ’t was toch iets op zijne verantwoording nemen, ’t was zich eenigszins waarborg stellen voor dit jonge mensch, een vreemde — op zijn best, ’t was in ’t eind iets actiefs, iets doen, wat Don Abbondio nooit deed. Hij zeide dus:

— Maar mij dunkt een biljet van introductie van die familie uit Utrecht, waarmede gij reeds zooveel geluk hebt gehad…

— Het is ook zoo! — hernam Luciaan, die ook met dit doel niet gekomen was en die nu den maatstaf had van zijn goeden wil, van zijn moed — gij hebt volkomen gelijk, mijnheer, dat is zelfs nog beter.

Don Abbondio ontstelde eenigszins, dat hij een verlangen als dit zoo haastig opgaf; hij onderstelde dit jonge mensch in ’t bezit van zeldzame hulpmiddelen, en het speet hem bijna, hem zijdelings te hebben afgeslagen.

— Ik bedoelde geenszins eene weigering, hervatte hij aarzelend.

— Ik begrijp dat… alleen ik zal nog zooveel andere aanspraak te maken hebben op uw goedheid, dat ik door dezen kleinen dienst die rekening niet openen wil, daarbij — en hij zag Don Abbondio aan met een blik van verstandhouding — men mocht er cameraderie in vinden… zoo gij mij die beweest.

Don Abbondio had ongelukkig verbeeldingskracht genoeg om geheel de portée van dit woord te vatten, maar natuurlijk hernam hij:

— Inderdaad… ik begrijp niet, hoe,…

— Denk slechts, de financiële operatie, waarvan ik sprak, is in ’t belang van het dagblad.

Don Abbondio was buiten staat om te vragen welk; al wat hij doen kon was de schouders ophalen, ten bewijze van volslagen onkunde.

— Of liever, ik had wel mogen zeggen: ons dagblad, sinds gij er bijna evenzeer voor geïnteresseerd zijt als ik en de anderen…

— Ik geïnteresseerd bij een dagblad? Ik kan u niet zeggen, mijnheer, hoe het mij bevreemdt…

— En ik u niet, mijnheer, hoe het mij bevreemdt, dat gij ook slechts voor een oogenblik uit het geheugen kunt verliezen… als uwe goedheden voor de Salamander, uwe relatiën met ons dagblad… want in ’t eind, men mag dat toch relatiën noemen, — ging hij voort, zich opwindende als tot een pleidooi, zonder zich een oogenblik te bekommeren om de groote, verschrikte oogen van Don Abbondio, noch aan zijne wanhopige pogingen om hem in de rede te vallen; — men mag dat relatiën noemen, zoovele weken aaneen een dagblad van feuilleton te voorzien, te eindigen met zijn naam te geven, want in ’t eind gij zult toch niet loochenen, dat gij uw naam gegeven hebt aan ons dagblad…

— Hm… hm, ik ben zeer op het punt om dat te ontkennen.

— Maar in waarheid, mijnheer, waar de antecedenten gesproken hebben, zou u dat toch wel volstrekt onmogelijk zijn. En waarom ook zoudt gij dat? Uwe politieke opiniën zijn van nu aan voor niemand een geheim meer; gij hebt u vertoond bij eene vereeniging, wier aard en strekking niet dubbelzinnig is en waarvan ieder de beteekenis kent, u daar op den voorgrond laten stellen, en zijt alleen teruggegaan voor de belangen van een neef, bewijs, hoezeer uw fijne blik de behoeften van onzen tijd begrijpt, de kansen van onze zaak berekent. Ook is er maar één roep over uwedelmoedigen zin, over uwe vrijzinnige en onbaatzuchtige opvatting van de groote denkbeelden der eeuw, en wij bekennen het allen, waar gij ons bijblijft, voorgaat en leidt, zullen wij snel, maar veilig, den goeden weg van den beraden vooruitgang kunnen houden,

Don Abbondio begreep dat dit persifflage was, maar tegelijk dat die persifflage een doel had, dat hij vreezen moest; maar men was onder vier oogen, hij begreep ook dat hij zich nu niet Pieds et poings liés behoefde over te geven, en dat hij een woord zou kunnen spreken, dat hij later kon terugnemen, zoo hij ’t voegzaam vond.

— Gun mij eene vraag voor gij verder gaat, mijnbeer! Is dit alles eene mystificaties van mijn n,eef?

— Het was dus niet vrijwillig, maar door eenige verlokking van mijnheer Darfillijn, dat gij gisteren tot die vereeniging zijt gekomen? — vroeg Luciaan heel onnoozel — hij heeft ons het tegendeel verklaard, maar tegelijk, dat gij het gedaan hadt, om over zijne belangen het oog te houden, dus verklaarde hij ook uw vertrek na zijne komst.

Don Abbondio kleurde.

— Zooveel ik doorzien kan, heb ik mij niet te beklagen over mijn neef.

— Nu dan, mijnheer, laat hij zich dan ook niet te beklagen hebben over u, of liever, geef ons, die met hem samenwerken en één belang hebben, één belang ook met het beste deel van de natie, die voldoening, dat een man als gij zijt zich krachtig en openlijk voor onze zaak uitspreekt.

— Maar, mijnheer!… — riep Abbondio.

— Gij hebt gelijk — viel Luciaan in — dat hebt gij reeds gedaan, maar wij wenschten dat gij het nog verder toon en wildet, door in ons belang den invloed aan te wenden, dien men zegt dat gij bezit bij ’t gouvernement.

In dit oogenblik vlamde er werkelijk toorn in de oogen van den vreesachtige, bij wien de angst alleen vonken scheen te kunnen wekken. Vooreerst wilde hij niet weten, dat hij invloed had, ten tweede zou hij dien niet durven gebruiken, en dan nog in zulke zaak!

— Mijnheer, — viel hij in met wat drift — ik weet niet wat u lust geeft mij met valsche onderstellingen te kwellen.

— Ontken het niet, mijnheer! gij bezit invloed; ik weet het, ik weet het zeer goed, en ik weet zelfs waarom, — sprak Luciaan met zóóveel ernst en met zulken nadruk, dat zijne tegenpartij plotseling van kleur en van trekken veranderde en als reeds vooruit verslagen het hoofd boog, en, zoo niet den wil, althans geen andere kracht meer had dan om te luisteren, terwijl de andere voortging hem rustig en met duidelijkheid te ontwikkelen, welken dienst men van hem wenschte bij de regeering, en hoe voordeelig die werken zou op hun journaal, en dus op de gezamenlijke belangen van de partij, die het vertegenwoordigde.

Don Abbondio luisterde toe als iemand, die in roovershanden gevallen, aan handen en voeten gebonden, met den bal in den mond, toeluistert naar de wreede besluiten, die de geweldenaren aan hem willen ten uitvoer brengen.

Luciaan intusschen deed of hij een toehoorder had, die in volkomen instemming en bedaardheid naar hem luisterde, en toen hij geëindigd had, zeide hij alleen:

— Ziet gij, mijnheer, dit was het wat wij van u vragen, en mocht gij daarna redenen hebben om met ons te breken, die ééne bewezen dienst zal ons niet uit het geheugen gaan, en wij zullen dien erkennen, door in ieder opzicht uw wensch te eerbiedigen en uw naam en persoon te veiligen tegen alle soort van aanvallen…

Het aanbod was in waarheid zoo gering niet. In ruiling van één dienst vergetelheid van alles, waardoor hij zich belachelijk had gemaakt of zich geschaad mocht hebben, en daarna geene verdere betrekking met de onvoorzichtigen, dan hij zelf wilde. Het was werkelijk verlokkend, maar Don Abbondio liet zich nooit verlokken tot eene keuze of tot eene beslissing, en dus antwoordde hij:

— Luister, mijnheer, datgene wat gij van mij vergt, zou ik met den besten wil van de wereld niet kunnen doen, omdat…

— Vergun mij, niet naar die redenen te vragen; vergun mij alleen, u te doen opmerken, dat gij niet meer terug kunt; uw naam is van nu aan te veel gemengd in dit alles, dan dat gij u op eenige eervolle wijze zoudt kunnen terugtrekken of u ontslaan van eene verplichting, die ieder van ons met vreugd en gewilligheid zou op zich nemen, zoo het in zijne macht stond die te vervullen.

— Mijn naam dus gecompromitteerd! neen, mijnheer! In ’t eind wil ik niet langer den last van een anders schuld of zwakheid dragen: dat veel besproken feuilleton — is niet van mij. — Niet van u! Maar heb dan toch de goedheid te zeggen, van wien het dan is…

— Dat weet ik niet, mijnheer, want ik heb velerlei vermoedens, en ik weet niet op wien ik mij voor goed vestigen zal.

— Het is toch onwaarschijnlijk, dat gij iemand zult toestaan uw naam te gebruiken, zonderdat gij deel hebt aan zijn werk — riep Luciaan, de handen ineenslaande met eene verwondering, die treffend gespeeld was, — en indien niet, hoe is het dan mogelijk, dat gij er de verantwoordelijkheid van op u genomen hebt, dat gij u de hoffelijkheden hebt laten welgevallen, die men er u over heeft gezegd, dat…

— Alles het gevolg van den drang der omstandigheden, ik moest mij redden!

— Maar begrijpt gij dan niet, dat die stemgerechtigden van de *** sociëteit woedend zullen zijn en deze mystificatie op uwe rekening zullen stellen, dat zij die op u zullen verhalen?

— Mij dunkt van neen, zoo zij vernemen dat ik zelf het slachtoffer ben van een bedrog, en zij zullen het weten!— vervolgde hij, zich opwindende tot toorn — ik heb in ’t eind zoo goed recht als een ander om geduld en lankmoedigheid af te leggen, en ik zal het doen; ik wil zien, of het mij niet mogelijk is, te bewijzen… ik wil ten minste weten, wie… zich aanmatigde… ware het desnoods door den weg van rechten.

— Een proces! maar, mijnheer, dat zou ik u nooit raden, dat zou eene allerongelukkigste combinatie geven; men heeft dan in uwe familie wel groote voorliefde voor processen!

— In mijne familie! ik begrijp niet… wat gij meent… — Gij weet dan nog niet, dat de familie Darfillijn, zeker alleen uit zucht om te procedeeren, het land eene actie wil aandoen om herstelling van eer… voor haar overleden vader.

Don Abbondio werd zoo bleek als een doode; hij opende den mond als om te spreken, maar hetzij zijne tong geen geluid kon voortbrengen, hetzij zwijgen hem voorzichtigst dacht, hij zei de niets. Luciaan vervolgde:

— Gij begrijpt, de samenvoeging van die beide zaken zou den lieden nog al wat stof tot conjecturen geven, want, ik kan het u in vertrouwen zeggen, mijnheer, omdat ik nog altijd op uwe goede diensten hoop, het is tegen Darfillijn den jonge, uw neef, dat gij uwe vervolging richten zoudt. Hij is ’t hoofd van onze redactie, zeer zeker zal hij den pleger kennen van de malice, die uw naam zoo en relief bracht, maar edelmoedig en vast van karakter als hij is, zal hij dien niet noemen, daar ben ik zeker van; eer zal hij de beschuldiging voor zich zelven nemen, hij zal niet dulden dat iemand anders dan hij zelf over dit punt verontrust wordt.

— O! maar als het mijn neef geldt, dan ben ik zeker dat alles zich licht en gemakkelijk schikken zal; mijn neef is in, mijn huis opgevoed… heeft eenige verplichting aan mij. Zijne uitzichten hangen af van mij, en ik ben zeker dat hij mij de voldoening zal geven, die… ik noodig heb.

— Integendeel, mijnheer; Frits is als man van eer zedelijk verplicht de belangen van ons dagblad voor te staan, en deze eischen, dat uw naam eenmaal, op welke wijze dan ook, aan ons dagblad verknocht, daarvan niet meer op eene geruchtmakende wijze gescheiden zal worden…

— Dat is ook waarlijk het laatste wat ik zou wenschen — viel Abbondio haastig in — ik begeer zelfs niet eenmaal ophelderingen voor mij zelven, ik wil alleen dat men het gebeurde als niet gebeurd zal aannemen; zooals op dat andere punt met mijn neef reeds overeengekomen was, en… zich wachten voor de recidive… mij dunkt, dat is van mijne zijde meer goedwillige schikkelijkheid dan men recht had te wachten na den trek dien men mij gespeeld heeft, met welk oogmerk dan ook.

— Te veel zelfs, mijnheer, indien werkelijk, als gij zegt, opzet heeft plaats gehad, te weinig indien waarheid is wat ik vermoed, maar altijd is het voor ons de vraag van u den dienst te ontvangen, dien ik u voorsloeg, en Frits mag daarvan geen afstand doen; hij moet alle middelen die in zijne macht zijn aanwenden om dien van u te krijgen, en hij heeft werkelijk beloofd dat hij het doen zou…

— Sinds wanneer… die… belofte?

Luciaan bedacht zich even.

— Nog geen uur geleden heb ik hem gesproken en heeft hij die belofte hernieuwd.

Don Abbondio kreeg eene rilling van schrik, nu begreep hij alles! Frits zou zich willen wreken over zijne behendige weigering van Eva’s hand.

— Of liever — hernam Luciaan — hij heeft mij volmacht gegeven, die zaak in zijn naam met u te behandelen, en zoo daar niet die schikking plaats vond, die wij wenschen, het uiterste te ondernemen, daar de menagementen, die hij eerst voorgenomen had te oefenen tegenover uw persoon, nu toch dooreen samenloop van omstandigheden niet meer mogelijk waren in het oog te houden. Wat hem overkomen was, weet ik niet, alleen hij scheen te worstelen met toorn en moedeloosheid, en verklaarde alle hoop op eigen geluk te hebben opgegeven, en dus voor de algemeene belangen zooveel te meer te kunnen en te willen opofferen.

— Dat zal het zijn! de wanhoop aan zijn huwelijk doet hem alles anders zien, geeft hem moed alles tegen mij te ondernemen — dacht Don Abbondio met ontzetting.

— Indien dus Frits nieuwe hoop kreeg op de vervulling zijner wenschen? — vroeg hij aarzelend.

Zekerheid alleen kan hem hier hulp geven, en die zou hem ongetwijfeld, wat hem persoonlijk betrof, tot iedere concessie bewegen, doch daarmede zijn wij nog niet geholpen, en Frits mag zijne eigen belangen en wenschen niet vóór de onze laten gaan, veel min die gansch daaraan onderschikken; En waar Frits dus zou kunnen toegeven, daar moeten wij streng vasthouden aan onzen eisch. Denkt gij ons te ondersteunen of niet, mijnheer?

— Hoe gaarne ik het wilde, om aan deze zaak een eind te maken, dat kan niet, waarlijk, dat kan niet — zuchtte Don Abbondio op de wijze van iemand, die ziet dat hij zal moeten toegeven.

— Zoo wilt gij oorlog tusschen ons, en uw neef eene actie aandoen? — vroeg Luciaan, die meende dat hij nu met een trotschen aanval de overwinning beslissen zou.

— Neen, zeker neen! dat wil ik niet,

— Maar in ’t eind, mijnheer, wat wilt gij dan?

— Niets, ik wil niets…

— Gij moet toch een besluit nemen.

— Neen, mijnheer… neen, ik neem nooit een besluit— riep Don Abbondio in vuur.

Luciaan glimlachte onwillekeurig, en dit ziende, om zijne houding te redden. voegde Abbondio er meer bedachtzaam bij:

— Ik heb het altijd tot beginsel, de omstandigheden af te wachten en die voor mij te laten kiezen.

— Maar mij dunkt, indien ooit, ze dringen en dreigen u op dit oogenblik.

— Dat zie ik nog niet in…

— Ik verklaar u, mijnheer, ik ga niet van hier, dan met eene uitdaging of… vredesvoorwaarden, — sprak Luciaan, die hem {)verbluffen wilde — en…

Maar hij moest zwijgen; een bediende trad binnen en bracht zijn meester een brief. Don Abbondio verzocht verlof dien te mogen inzien. Luciaan boog zich toestemmend.

Het formaat was niet dat van een gewonen vriendenbrief, ook het cachet had iets officiëels… Toch was hij in geenerlei betrekking, die zulke correspondentie natuurlijk maakte. Don Abbondio doorliep haastig de beide pagina’s, brief en onderteekening waren van dezelfde hand, het moest eene confidentiëele mededeeling zijn. Bij het lezen verhelderde zich het gelaat van, den lezer aanmerkelijk, even zelfs plooide zich een fijne malicieuse glimlach om zijn mond, maar terstond hernamen weer zijne trekken de droge, onbeduidende uitdrukking, terwijl hij den brief toevouwde en tot Luciaan zeide:

— Vergeef mij, mijnheer, ik heb aan uwe laatste phrase niet al de aandacht gegeven, die zij zeker verdiende; wat was het ook weer dat gij van mij wenschtet…

— Uwe beslissing, mijnheer, — hernam Luciaan, die nu al den schrik meende te kennen, dien zijne partij had voor dat woord, en die hem daarmede tot het uiterste meende te brengen.

— Waarin eigenlijk? — vroeg Abbondio met vastheid.

— Omtrent eene intercessie voor den Salamander bij het ministerie van…

— Daarvoor is het vooreerst nog niet de tijd.

— Vooreerst nog niet… Gij oordeelt dus, dat het de tijd daartoe kan worden? — vroeg Luciaan in de hoogste verwondering.

— Montagne a dit: qui sait… et Rabelais: peut-être.

— Gij verstomt mij, mijnheer, en terwijl gij vermoedt, dat die tijd komen kan, wilt gij intusschen eene procedure aanvangen tegen ons dagblad over ’t misbruik van uw naam.

— Integendeel, mijnheer, daarvan is gansch geen sprake: ik zal u liever gulweg bekennen, dat geen misbruik heeft plaats gehad en dat men het recht heeft gehad, mijn naam te plaatsen.

Op zijne beurt was Luciaan verslagen.

— Maar hoe! gij avoueert dan daarmede die stukken als de uwe!

— Ja, mijnheer, zoo doe ik.

— Waarlijk, mijnheer, ik bewonder u.

— Dat is, geloof ik, niet het eerst dat men die goedheid heeft in uwe côterie…

— En gij weet, dat gij daarmede de verantwoording op u neemt van alles wat daarin geschreven is en bedoeld?

— Dat is vrij natuurlijk, als men zijn naam geeft.

— En dat gij u daarmede aan het hoofd van den vooruitgang plaatst?

— Dat is immers van mij geene daad van dit oogenblik!

— Ik moet mij buigen voor uwe behendigheid! Dus zijt gij van nu aan vrijwillig en in goeden ernst verhecht aan die partij?

— Ik meende, dat gij zelf mij dit reeds in den loop van dit gesprek bewezen hadt.

— Ik beken het, mijnheer, de uitkomst van dit gesprek bewijst tegen niemand zoozeer als tegen mij zelf! hernam Luciaan, verslagen en woedend, dat hij, na zoo overmoedig op Frits te hebben neergezien, nog zulk eene nederlaag leed; in zijn toorn en verbittering waagde hij nog de wanhopige poging, een mijn plotseling te laten springen, die hij zoo voorzichtig had aangelegd, om alleen op het juiste moment uit te barsten en de overwinning te verzekeren. — Maar hetzij! — vervolgde hij — gij ook zult mij nader leeren kennen… wij hebben nog niet afgedaan. Ik sprak zooeven van ’t proces Darfillijn, gij gaaft aan mijn woord toen weinig opmerking, en toch, ik verzeker u, het zal in goeden ernst worden opgevat.

— Ik zou niet weten in wiens belang! Frits heeft er uit voorzichtigheid van afgezien, en hij heeft al te veel eerbied voor de nagedachtenis zijner moeder, om de dwalingen, ik zal liefst geen ander woord gebruiken, van zijn vader opnieuw voor de wereld te ververschen door eene opzettelijke ruchtbaarheid.

— Maar indien hij nu eene ontdekking had gedaan, dat juist die eer van zijn vader kon gered worden, alleen door een vernieuwd, een streng, een openlijk onderzoek dezer zaak in alle hare détails, — en Luciaan drukte sterk op de laatste woorden — zou die verschrikkelijke ruchtbaarheid dan niet anderen treffen, zou het dan niet de plicht worden van den zoon om, zijn vader nog in ’t graf de ontroofde eere te hergeven.

Don Abbondio was groen, geel en paars geworden, zoo wisselden zich zijne aandoeningen bij dit spreken, maar hij trachtte moed te toon en en zeide:

— Dat zal mijn neef niet doen; hij weet hoezeer ik alle opzien haat, en hij zou daardoor de laatste hoop verliezen voor ’t geluk zijns levens.

— Neen, want juist dáardoor immers zou hij de zwarigheden oplossen, die voor altijd zijn huwelijk in den weg zullen staan.

— Het huwelijk, dat is mogelijk, maar de vrouw, die hij liefheeft, kon dan niet meer de zijne worden. Hij weet dit, en zoo hij ’t vergeten mocht zijn, gij die zijn vriend zijt, neem de moeite het hem te herinneren.

— En toch, mijnheer, indien zijne zwakheid of zijne edelmoedigheid hem door die herinnering deed afzien van zijn plicht, is daar een ander, die er zich mee zal belasten…

— Gij wellicht! maar met welk recht… mijnheer?

— Zoo ik het doe, zal het zijn in den naam van eene, die er het grootste recht der wereld op heeft, en die niet van dit recht heeft afgezien, noch zal afzien, dan op voorwaarden die zij in mijne hand heeft gegeven te stellen…

— Ik kan niet begrijpen van wie gij spreekt, er leeft niemand meer van die familie.

— Behalve eene dochter, Katharina Darfillijn, zuster van Frits. — Die is in Italië overleden.

— Die opgave is valsch, zij leeft, zij is in Holland.

— Dat kan ik niet gelooven, dat zal niemand gelooven, en gij zult de grootste moeite der wereld hebben, hare identiteit te bewijzen.

— Volstrekt niet. Zij is te Amsterdam, en morgen reeds denk ik haar geleider te zijn bij de eerste stappen, die zij noodig heeft te doen om tot haar doel te komen.

— Maar zult gij iemand vinden, die haar erkent als de persoon waarvoor zij zich uitgeeft? Ik zal dat nooit doen, ik zal nooit eene vreemde, die men met eenig misdadig oogmerk tot die rol heeft bewogen, erkennen voor mijne nicht, van wier dood ik zekerheid heb.

— Die zekerheid kunt gij niet hebben, of althans zij zal wijken voor het aanschouwen… en als man van eer rust de zedelijke verplichting op u om te zien, te onderzoeken… en u voor de waarheid te buigen. Meer nog! Gij zult Katharina moeten ondersteunen bij hare pogingen, of ge zoudt u openlijk slecht bloedverwant toonen.

— Met de zonderlinge spelingen der gelijkenis wordt dikwijls veel bedrog gepleegd, en juist in ’t belang der moraliteit zal ik dit bedrog hier niet stijven… en u, mijnheer, u zal het nogal moeielijk zijn, een proces aan te vangen in den naam eener persone, die geen enkel bewijs voor hare persoonlijkheid kan aanvoeren, en die, hier voor dood bekend zijnde, nooit eenig bewijs van leven heeft gegeven, noch kunnen geven, — zóó moeielijk zelfs, dat ik als een vriend van mijnheer Brandsen, wiens vriendschap gij ambtitionneert, u zou durven raden; van dit periculeus werk, of liever van die don-Quichottische ridderdaad af te zien… om dolende schoonen in aanzienlijke familiën in te schuiven.

Men ziet het, dat was niet enkel verdedigend, dat was zelfs een aanvallend, een dreigend woord, en dat van Don Abbondio! de type der flauwheid, die zelfs geene onbeduidende vraag durfde doen aan een meisje, uit vrees van een gevaarlijk antwoord uit te lokken. Dat is meer dan onwaarschijnlijk, dat kán niet waar zijn. En toch is het waar, voorzeker, zoo eenige, de Don Abbondio’s-natuur is niet uit één stuk, uit een zelfde element samengesteld, integendeel, het is eene cameleons-natuur, die alle kleuren aanneemt en alle gestalten, zelfs die der sterkte, mits zij er een schild in ziet om hare weekheid achter te schutten. En wij weten het, onze Don Abbondio had doorzicht en geestkracht beide, en waar de vrees of de zelfzucht hem prikkelde, die te gebruiken, schroomde hij niet die te toonen, ten minste niet in een gesprek onder vier oogen. Dat was het terrein, waar hij het sterkste was, want dan was er de kans van te loochenen hetgeen hij gezegd had, of den andere van verkeerde opvatting en uitlegging zijner woorden te beschuldigen — die kans had hij altijd voor zich, en wat geeft de bangheid en het egoïsme om waarheid? Wat zegt hun die frissche, edele uitdrukking der ziel; die goddelijke vonk, die zij het allereerst smoren in de ziel, omdat zij soms zoo luide en zoo moedig spreken kan, en die alleen wordt opgewekt in gereinigde naturen, tot zij als heilige, louterende vlam alles verteert en verbrandt wat haar tegenstaat, tot ze levensbeginsel wordt van het gemoed, waar zij heerscht. Waarheid is moed, waarheid is liefde, waarheid is kennis. Was het vreemd, dat Don Abbondio sinds lang met haar gebroken had, dat hij eener andere heerscheres in zijn hart een zetel had gegeven, die er alle andere ondeugden in heerschen deed en ten troon hief, — de logen, de verfoeielijke logen, de vondst der duivelen, die alle andere duivelen loslaat in de ziel. O! het is zoet, voor de waarheid te getuigen en de waarheid te roemen zijn wij niet altijd machtig haar waardiglijk uit te spreken, zoet vooral in dezen tijd, waarin men zelfs aan den voet der geopende graven niet voor haar durft getuigen, zelfs dát niet als de realiteit van den dood en de ijdelheid van het leven zich in volle verschrikkelijkheid toont, zelfs dán nog roemt men de dooden, die de vleitaal niet eens meer hooren kunnen, in plaats van de levenden te waarschuwen, die zulk een heilig recht hadden of de waarheid!

Wij hebben slechts ééne hope, dat het den levenden gegeven worde, het gif der onwaarheid te onderkennen, dat hun daar toegediend wordt onder schijn van eerbiedenis, met hun rouw onder schijn van hulde voor hunne dooden, maar… toch, met al hare roemwaardige deugden heeft de waarheid één gebrek, zij smaakt niet ieder even zoet, zij smaakt den meesten zelfs bitter en verwekt bitterheid. Dit wist onze held, en daarom gebruikte hij haar nooit dan waar zij volstrekt onschadelijk was, of waar zij een schaduwbeeld kon wezen, dat men met één ademtocht kon wegblazen.

Maar Luciaan was intusschen in eene zulke vervoering geraakt van toorn en minachting, dat hij zelf niet meer wist wat hij moest aanvangen, veel min wat hij moest spreken. Eene zulke kracht had hij der flauwheid niet toegekend. Hij had nog slechts één wapen over, en het was een geweldig, maar het was ook zijn laatste, en niet enkel het zijne, maar het laatste van de gezamenlijke bondgenooten! Aelbrecht! Aelbrecht te noemen, maar hij durfde het niet gebruiken, hij durfde dezen niet vooraf aankondigen, omdat het den indruk van zijne verschijning zou verzwakken, omdat het al te gewaagd was, den laatsten inzet te geven bij zijn onzeker spel, omdat hij de kracht van dien aanval niet vooruit wilde breken; en liever verzekerde hij zich een eervollen aftocht dan zijne frissche hulptroepen tevergeefs bloot te stellen na een verloren slag.

Hij voelde zelfs, dat het blijven en ’t hernieuwen van de discussie over de grenzen van het welvoegelijke ging en tot niets meer leiden zou; hij zeide dus als tot inleiding een afscheid:

— Ik dank u voor uwe waarschuwing, mijnheer; zij levert mij het laatst en voldingendst bewijs van uwe goede trouwen teederheid van geweten, bewijzen, waarna ik zeker geene verdere poging zal doen om u voor eene zaak te winnen, die gij zegt de uwe te zijn; vergun mij alleen, te zeggen, dat ik, hoewel jong advocaat en gansch niet onverschillig omtrent een goed succes in den aanvang mijner carrière, toch te veel teerheid van geweten heb om mij zonder schroom te belasten met de verdediging van het goed recht eener zwakke en weerlooze, al heeft die niet de meeste kans op een schitterenden triomf… Ik wil gelooven, dat gij invloed kunt oefenen op mijnheer Brandsen zoodra gij wilt, maar ik hoop dat mevrouw Van Eijm en hare dochter eene andere weegschaal zullen houden dan de uwe, om hare achting uit te deelen, — En met dezen weerhaak in de ziel verliet hij Don Abbondio.

Wij ook gaan hem verlaten, maar wij moeten eerst weten, wat hem tot zulke gedaante.verwisseling had opgewekt, en wat zijne flauwheid tot zulken moed had bezield — moed, die het uiterste scheen te willen trotseeren. Een wenk van zijn hooggeplaatsten vriend, wien hij den vorigen dag in der haast zijne vreeselijke ontmoeting op de *** sociëteit had gemeld, dat de regeering het gansch niet ongepast achtte, iemand van zijne kleur en zijne behendigheid en vooral van zijne trouw te zien in de rangen eener partij, die lang reeds haar wantrouwen had gewekt, waar die haar nu zelfs bezorgdheid begon te geven, naarmate zij haar in krachten, in hulpmiddelen en in uitgebreidheid zag toenemen. Met Don Abbondio in haar midden kon men altijd, zooals men wilde, haar leiden zoo ’t doenlijk was, haar fnuiken zoo zich die kans bood, haar hinderen en belemmeren waar zich die niet bood, zich met haar bewegen, zich van haar verzekeren waar zij tot de overwinning kon komen. Nobele rol voorwaar! een Abbondio waardig en die ook maar alleen door een zulke als deze kon worden gespeeld. In schijn bemiddelend element tusschen het nieuwe denkbeeld. dat leven kreeg en veld won, en de bestaande macht, die zich nog vastklemde aan de verouderde begrippen, die al vast afbrokkelden onder hare hand, — maar in wezen een der hechtste ankers, die het oude gebouw voor uiteenvallen veiligden, en toch door zulke positie gewaarborgd om niet met dat oude gebouw neer te storten… Het was zeker het begeerlijkste dat een Abbondio voor zich had kunnen uitdenken… alleen men vreest voor hem, dat de positie niet houdbaar zou zijn, maar vooreerst… voor een Abbondio is alles houdbaar, ten tweede had hij hier zelfs zeer goede kansen. Openlijk was hij reeds in ’t midden van die partij als de hare erkend en aangenomen; wie zou zoovelen plotseling uit de dwaling kunnen helpen, waar hij die dwaling voortaan hielp steunen? Want van nu aan had hij als een vrijbrief om alles te zeggen, te doen, aan te hooren en te billijken wat hij nuttig en noodig dacht, zonderdat hij vrees behoefde te hebben, dat het hem bij zijn Rodrigo anders zou gelden dan voor diensten aan de goede zaak: De novelle in ’t feuilleton was nu eenmaal afgeloopen, en wie haar ook onder de schaduw van zijn naam had in ’t licht gegeven, zou zich vooreerst toch wel onthouden, en vooral dan als hij deed wat hem plotseling inviel, werkelijk iets te geven en met zijn naam, in den geest der partij: dat wil zeggen, het een of ander misbruik aanvallen, dat men toch besloten was af te schaffen, alzoo het gouvernement eene schrede vooruit te zijn en voor hetzelve den overgang lichter te maken, en nog daarenboven te laten voorkomen als eene genadige concessie, die menige vexvatie bedekken zou. Dit gedaan zijnde, was zijne figuur gered, zijne positie gevestigd, en wie hem wantrouwde zou hij naar feiten kunnen verwijzen. Waarlijk, hij had geen ongelijk gehad, toen hij van wachten zijn heil hoopte, toen hij op de omstandigheden rekende!

Van den kant van Brandsen ook was alles zeker; vooreerst voelde hij zich sterk genoeg om den goeden man alles wijs te maken wat hij wilde, ten anderen ook daar had hij zijne opinie gegeven over het dagblad, op eene wijze, die Luciaan zelf moest overtuigen en beschamen. Al die combinatiën gaven zijn activen geest, zoolang onder den nevel van werkelooze rust gedrukt, eene zulke veerkracht, dat hij zich nu naar zijne bibliotheek wilde spoeden, om iets van den vloed zijner denkbeelden en gewaarwordingen op het papier te werpen, maar op eens bedacht hij zich, dat hij eene visite moest maken en dat Eva niet als gewoonlijk de détails voor zijn toilet vooraf met hem besproken had; hij wilde, zich dus naar de woonkamer begeven, waar zij zich op dit uur meestal ophield, maar reeds in de gang snelde zij hem tegemoet.


Ingezonden op: 19 July 2001