DON ABBONDIO II.

XIV.

Verslagenheid der bondgenooten.


Op het uur der afgesproken samenkomst aan het huis van oom Aelbrecht, was Frits van allen het eerst daar, en vertelde aan den heer des huizes zijn onheil, wel wat beschaamd dat hij niets beters te bekennen had, maar toch getroost en bemoedigd door de wijze zelf waarop hij werd aangehoord, en vooral door de hoop die Aelbrecht in hem wist op te wekken. Deze had zelf geen groot vertrouwen gehad op hetgeen Frits zou kunnen verkrijgen, maar hij prees het in hem dat hij met geene andere wapenen had willen strijden, en te meer vertrouwen had hij op Luciaan, die niets behoefde te ontzien en die werkelijk eene goede kans zou gehad hebben, zoo de omstandigheden, als Don Abbondio ze noemde, niet tegen hem hadden samengezworen. Dit ver trouwen werd echter spoedig teleurgesteld. Luciaan trad binnen, en hoewel hij zich zelf meer meester was dan vroeger Frits, was het toch kennelijk uit den bitteren, snijdenden toon waarmede hij aanving, dat ook hij niet van eene overwinning te roemen had. — Welnu! heb ik u te veel gezegd van de kracht der flauwheid, — vroeg Aelbrecht met een zwaarmoedigen glimlach.

— Niets te veel, inderdaad! Met tien zulke flauwerts stem ik een leger van helden tot de nederlaag — met twee zulke flauwerts demoraliseer ik het cordaatste kabinet van Europa.

— ’t Is onbegrijpelijk! — riep Frits, hij heeft dus alles beloofd, aIles toegestaan…

— Integendeel, hij heeft alles geweigerd…

— Maar dan hadt gij toch het wapen uwer bedreigingen, sprak Aelbrecht.

— Dat hielp niets, ze maakten hem zoo bang, dat hij, als een tweede Vertumnus, iedere gedaanteverwisseling beproefde en er zelfs moed uit vatte tot weigeren — wederstaan, dreigen! — En wat zeide hij op de ongezochte publiciteit van zijn naam.

— Eerst renieerde hij alle deelneming daaraan, zooals natuur lijk was — en zooals ik wachtte en voor ’t oog had, want die moest mijne dreiging kracht geven, maar later veranderde hij van tactiek en accepteerde haar .

— Hoe, de gansche verantwoording van dit alles…

— Volkomen.…

— Zooals op de **sociëeit, uit wanhoop?

— Neen! uit volle vrije keuze.

— En gij?

— Ik deed hem voelen wat hij daarmede deed en hoe hij zich aan ’t hoofd van den vooruitgang plaatste…

— Ik heb die stelling immers reeds ingenomen — antwoordde hij met zekere ironie.

— Maar dat is toch ondenkelijk stout en dwaas; hij weet toch dat hij het niet heeft geschreven en dat een ander auteur ieder oogenblik van den dag zich kan noemen.

— En toch, zoolang hij het volhoudt, wie zal hem tegenspre ken… Eva althans niet… gij ook kunt u zonder haar wil niet als den auteur bekennen.

— Dat is waar .

— Maar ik wist nog een middel, doch ik moest wat zekerheid hebben, of mijnheer Aelbrecht dat niet liever zelf wilde aanwenden.

— Wat bedoelt gij.

— Zoo gij zelf u aan hem voorstelt als den schrijver…

— Ik had u vrijheid gelaten mij te noemen, mij voorbehoudende zelf toch de waarheid te geven.

— Ik voelde mij zoo slecht en veine dat ik niets meer wagen durfde.

— Welnu dan, zoo zal ik die comedie spelen — sprak Aelbrecht — indien mijne kleine nicht die daar binnenkomt, mij een weinig mijne rol souffleeren wil, en hij ging Eva tegemoet. — Helaas! oom — sprak deze beschroomd en blozend — dat kan reeds niet meer baten, mijn vader weet de waarheid…

— Hij weet! dat gij de novelle hebt geschreven — riepen allen tegelijk — en hoe weet hij…

— Door mij… vergeef mij, ik… ik kon niet anders en Eva vermocht niet langer hare tranen te wederhouden.

— Arm kind, zei Aelbrecht meęwarig — hij heeft ook u in den strik zijner behendigheid gevangen…

— Neen, mijn vader heeft geen schuld, mijn vader is… onschuldig… ik alleen was… zwak of… schuldig als gij ’t noemen zult, ik zag hem lijdend, ongeduldig… en bovenal bedreigd… bedreigd door mijnheer Luciaan, door u, door Frits, door allen, ik kon hem niet lijdelijk zien… overgegeven in uwe handen, gij die zoo sterk zijt en hij zoo zwak… ik heb alles verraden.

— Hoe alles! riepen de mannen, en zagen allen op haar, de een met een schouder-ophalen, en de ander hoofdschuddend, de laatste, dat was Frits met een blik, die bewees dat hij deze zwakheid begreep en er haar te liever om had.

— Alles wat mij zelve aanging — hernam Eva kalmer.

— Onderneem dan ook samenzweringen met vrouwen! Ze zijn er te goed voor, zoo ze er niet te onvoorzichtig voor zijn riep Luciaan.

— Maar hoe nam uw vader het op? vroeg Aelbrecht.

— Dat is het verwonderlijkst van alles, hervatte Eva meer op geruimd, — hij vond alles goed…

— Uwe liefde tot uw neef.

— Noemde hij een ongeluk, en beklaagde mij, maar veroor deelde die niet…

— Uwe stoutheid om als feuilletonniste op te treden.

— Moedigde hij eerder aan dan die te misprijzen.

— Het gebruiken van den familienaam…

— Scheen hem eene vergefelijke malice.

Meer ophelderingen begeerde hij niet, wilde ze zelfs niet aanhooren.

— Hij is nu meester van het terrein — sprak Luciaan. En ’t is nog ten laatste eene edelmoedigheid zoo hij de verantwoording op zich neemt van ’t geen eene minderjarige heeft gewaagd.

— Zoodat! — hervatte Aelbrecht, die Luciaan wenkte Eva te sparen, ik dus nog de eenige blijf om mijne kracht te be proeven, ik wil zien — wat er met goedheid te werken is.

— O! zoo gij dat wildet, — zoo mijnheer Luciaan daartoe neigde, zoo Frits edelmoedig blijft, — ondanks iedere teleur stelling! wat mij dat verblijden zou — sprak Eva — de handen gevouwen opheffende en ieder van hen aanziende met eene bede in het oog.

— Welnu ja! lieve, dat willen wij allen, en ik zal er meę beginnen, — sprak Aelbrecht, de anderen wenkende dat men de raadpleging liever afbreken mocht om haar gevoel te sparen en haar tegelijk buiten ontwerpen te houden, die zij niet kon goedkeuren, en licht opnieuw in verwarring zou brengen. De anderen begrepen dien wenk en volgden dien, men bracht het gesprek op onverschillige onderwerpen, totdat Eva vertrokken zou zijn, die haar woord had gegeven om den avond door te brengen bij een der weinige kennissen — die zij nog aangehouden had.

Zoo haast zij zich verwijderd had, hernamen de bondgenooten hunne beraadslaging, en vertelde Luciaan met hoeveel vermetelheid Don Abbondio de mogelijkheid had bestreden van een hernieuwd proces en van zijn meer dan hardnekkig ongeloof aan het bestaan van Katharina Darfillijn.

— Zoo zal ik tot hem komen met mijne nicht aan de hand, en in mijn bijzijn zal hij Margaritha’s dochter niet ver loochenen.

— Daarop heb ik hoop, zeide Luciaan, maar zie hoe wij toch ongelukkig zijn— door het veranderde uur van mijn bezoek bij onzen vijand, heb ik ook het uur, waarop ik mejuffrouw Darfillijn afspraak gegeven heb, moeten veranderen, dezen middag kome ik en vind haar niet t’huis, zij had mij eene volmacht beloofd die al genoeg schrik zou kunnen aanjagen in haarafzijn. Ik vroeg of zij niet een brief voor mij had achtergelaten; de bediende antwoordde ontkennend, en zag mij daarbij verwonderd aan… — een afzijn dat zeker toevallig was — is te meer jammer daar wij van nu aan zonder haar niet kunnen voortgaan.

— Hoe wenschte ik mijne zuster te zien, — zuchtte Frits zoudt gij niet oordeelen dat ik…

— Gescheiden in zoo teęre jeugd, zou zij u niet herkennen, en dat kon een kwaden indruk geven; ’t is beter dat gij elkander niet het eerst onvoorbereid ziet — onder vreemden.

— Mijn ongeduld ook laat zich nauwelijks bedwingen — zei Aelbrecht …

— Tot morgen toch, wel hoop ik… morgen; na mijn onderhoud met haar geleide ik haar tot u …


En toch des anderen daags kwam Luciaan alleen. Xativa wees hem zonder aarzelen den weg, naar het onderaardsche kabinet van haar meester, met al het Hollandsch dat zij in hare macht had, verzekerend dat hij daar werd verwacht. Ware hij niet alleen geweest, nieuwsgierigheid en belangstelling zouden hem zeker met vroolijke drift de vreemdsoortige trap hebben af gevoerd, maar nu — in gedachten verdiept over eene pijnlijke teleurstelling die hij zelf had ondergaan en die hij ook nu een ander moest aandoen — liep hij dien langzaam af en wekte dus te meer het ongeduld van Aelbrecht op, die hem met zeker brandend verlangen had verbeid en die hem reeds aan den voet van de trap stond op te wachten.

— Alleen! — riep hij hem toe met eene stem die alle kalmte miste.

— Ik kom u de bewijzen toonen van Darfillijn’s onschuld! sprak Luciaan ontwijkend, terwijl hij hem volgde in ’t kabinet.

— Waarom is Katharina niet met u! — vroeg Aelbrecht, die van zijn denkbeeld niet af te brengen was.

— Zij! … zij kon niet met mij mede komen…

— O! mijn God, ik had zoo iets verwacht — ziek — dood, wat is er — geen woord meer dat eene uitvlucht zij, mijnheer, zeg mij alles op eens. Vernietig mijne hoop met een dolksteek, maar, laat mij zoo niet langzaam doodbloeden…

— Ik heb niet noodig, eenige hoop te vernietigen, mijnheer, aan Katharina is .zoover ik weet niets kwaads overkomen, alleen… ik kon haar niet tot u brengen, want ze is niet meer te Amsterdam.

— Waarom niet, waar is zij dan?

— Gisteren reeds was zij vertrokken — niets heldert mij op waarom — noch waarheen — onbegrijpelijk is het mij dat zij er mij met geen enkelen regel kennis van gaf, mij, dien zij haren eenigen beschermer had genoemd!

— Daar schuilt zeker boosheid onder of bedrog, — riep Aelbrecht.

— Dat kon zijn! … maar van welke zijde! Mevrouw Frevel die het jonge meisje met hartelijke liefde heeft ontvangen, en haar terstond hare woning aanbood voor zoolang zij die noodig kon hebben, zal wel niet uit zich zelve eene verlatene weeze die schuilplaats hebben opgezegd zonder haar gelegenheid te geven, zich onder andere bescherming te stellen — en Katharina zelve heeft zeker die vreemde keuze gedaan, want de kamenier — (de vrouw des huizes was voor mij nog niet zichtbaar) verzekerde mij dat hare mevrouw zich over die dame woorden had laten ontvallen, die allervreemdst klonken; zij schijnt aller zonderlingste manieren en gedragingen te hebben Zij heeft alle hulp en geleide afgeslagen, en is alleen vertrokken, gansch alleen, en te voet, en dat in eene vreemde stad, waar zij niemand kent. Later is een man die slecht Hollandsch sprak, haar koffer komen afhalen nevens eene cassette, het eenige wat zij bij zich had. Ziet gij, mijnheer — beschuldigen wil ik uwe nicht niet, maar die handelwijze is toch altijd… eenigszins onvoorzichtig en… zonderling…

— O! maar hier in Holland waar men altijd reeds vooruit veroordeelt wat slechts eenigszins ongewoon schijnt! — riep Aelbrecht met zekere bitterheid.

— Ik voor mij tracht naar meer onbekrompenheid van oor deel — zeide Luciaan, — alleen al ware Katharina Darfillijn het volstrekte tegenbeeld van hetgeen ik mij heb voorgesteld… al kon zij… schuldig zijn, toch moeten wij haar zoeken, toch is haar te hervinden voor ons allen van het hoogste belang.

— Dat is zoo waar, dat ik zelf! …

— Vergeef mij, mijnheer — ik, die haar ten minste van aanzien ken, mag, geloof ik, betere hoop voeden. Te slagen… Zij ook kent mij, en zij kan geene reden hebben mij te ontwijken.

— Gij hebt gelijk, de dochter van Margaritha, is voor mij eene vreemde! — sprak Aelbrecht, of ik… ben het voor haar ik die voor dat bloed het mijne zou geven.

Luciaan die zelfs onder het spreken met Aelbrecht niet had kunnen nalaten van tijd tot tijd de blikken te laten gaan door het kabinet dat zooveel prachtigs, zooveel zeldzaams bevatte, en dat voor zijn kunstgevoel en zijne verbeelding zooveel aan trekkelijks had — liet, terwijl Aelbrecht die woorden als tot zich zelf zeide, het oog vallen op de voorwerpen nevens hem uitgespreid als op eene toonbank… hij zag het portret, dat ook Eva’s opmerking getrokken had — en waarin deze hare rnoeder had willen herkennen.

Luciaan riep nu op eens — maar mijnheer eene vreemde kan zij voor u niet zijn! Daar ligt haar portret! …

— Het hare, neen dat is onmogelijk, maar toch het kon zeer gelijkend zijn. als zij maar iets van hare moeder heeft, want…

— Is dit het portret van hare moeder?

— Van eene vreemde die zooveel op deze geleek, dat men, ondanks verschil van leeftijd, hare beeltenis voor die van Margaritha nemen kon.

Eene vreemde die door deze gelijkenis mijne belangstelling had gewonnen in die mate, dat mijn hart… maar gelukkig, tijdig nog kreeg ik vermoeden dat mijne verbeelding mijn hart had verleid en dat ik eene dwaasheid ging doen en dat…

— Toch verzeker ik u, dat Dooit een portret van Katharina Darfillijn zelve meer gelijkend kan wezen dan dit hier…

— Het vermeerdert zoo mogelijk mijne belangstelling in dat meisje… en toch het geeft mij angstige vreeze, dat…

— Ook deze eene … vrouw is als de andere meent gij? Ik ga al het mogelijke doen om haar te hervinden.

— Maar daar valt mij iets in. Eva zeide dat mijn broeder mevrouw Frevel kende… konden wij inlichting vragen door hem! Wat dunkt u?

— U zal hij dit wellicht niet weigeren, maar — vergeef mij ik twijfel nu aan alles…

— Zoo hij verneemt dat de vermiste jonkvrouw Katharina Darfillijn is, zal hij ons op haar spoor helpen?

— Gij hebt gelijk, ’t is beter dat wij zelf zoeken of liever dat gij zoekt, — en dat ik hier blijf om te zien wat ik doen kan, want ik begin te vermoeden dat uw broeder ook hierin het zijne kan hebben gedaan.

In hoever die gissing juist is — zullen we zien als wij eenige schreden teruggaan in den loop van ons verhaal — en Don Abbondio vergezellen bij een bezoek waarvan wij vroeger gesproken hebben.


Ingezonden op: 19 July 2001