DON ABBONDIO II.

XIV.

De twee broeders.


Twee volle dagen verliepen zonderdat de bondgenooten iets van elkander hoorden of Don Abbondio ontrust werd door hen; op den ochtend van den derden dag zat onze schuchtere held rustig te ontbijten, Eva zat tegenover hem en schonk de thee. Er werd gescheld.

— Dat zal de krant wezen — sprak Eva, haar vader sterk aanziende, in de hoop een antwoord uit te lokken, dat aanleiding gaf tot een gesprek over een der punten die sinds de laatste dagen geheel hare gedachten vervuld hadden, zonderdat zij de gelegenheid had gehad er zich over te uiten.

Maar volgens gewoonte sneed Don Abbondio terstond den draad af, waaraan zij zooveel had willen vasthechten, door tot Willem te zeggen:

— Als het de krant is, Willem, breng hem dan hier.

Dit bevel was zijn ongeluk, want het maakte dat Willem naar de huisdeur ging om te openen en… het was de krant niet, maar het was een man, dien men niet gewoon was in dit huis te zien verschijnen, tegen wien de andere bedienden een doorgaand »niet thuis” als consigne hadden, dat aan Willem, den nieuweling, nog niet gegeven was, zeker omdat in de laatste maanden het geval zich niet had voorgedaan, en dien Willem dus terstond met veel beleefdheid binnenliet, zich alleen de vrijheid gevende hem even voor te gaan, de deur der kamer te openen en tot Don Abbondio te zeggen:

— Mijnheer! een heer, die zegt dat hij uwe’s broer is!

— Ik… ik ben niet… ik… ik, ik… kan niet ontvangen… stamelde Don Abbondio, doodelijk ontsteld.

— Mijnheer is daar al! — sprak Willem, die niets van die ontsteltenis begreep, en werkelijk, Aelbrecht trad binnen, gekleed als gewoonlijk, donkere jas, zwarte das, witte halsboord, casimieren pantalon; ware zijne kleeding excentriek geweest, wellicht had de knecht geaarzeld, maar nu, een deftig, fatsoenlijk heer, die eenvoudig vroeg: »is mijn broer te spreken?” hoe kon een bediende hier aarzelen?

Het was dus te laat. Don Abbondio besefte het met eene soort van ontzetting. Wat Aelbrecht hem ook kon te zeggen hebben, hij kende voor zich geene pijnlijker marteling dan een uur door te brengen in het gezelschap van zijn broeder, dien hij vreesde, vreesde tot innerlijken haat toe, vreeze en haat die hij ondanks al zijne behendigheid moeite had niet door uiterlijke teekenen van antipathie te toonen; maar op dit oogenblik voelde hij toch dat het dringend noodig was, ze te verbergen onder zekere beleefdheidsvormen; de angst zelve gaf er hem kracht toe.

Aelbrecht, die van den wanhopigen noodkreet tegen zijn binnentreden iets had gehoord, of althans reden had dien te onderstellen, geliet zich echter of hij niets begreep van den schrik en de ontstemming, die zijne verschijning moest te weeg brengen; ernstig doch zonder onwil beantwoordde hij den gehuichelden welkomstgroet van zijn broeder, kuste Eva, die naar hem toeging, even op het voorhoofd en hield eene wijle hare hand in de zijne gevat, wellicht om op die wijze te vermijden de hand aan te nemen, die Don Abbondio hem aarzelend toereikte en schielijk terugtrok, toen hij zag dat men dit gedeelte van ’t ceremonieel overtollig achtte.

— Eva! schuif die chauffeuse bij het vuur voor uwen oom sprak Abbondio, ons huis heeft niet al de comforts van het zijne, maar wij zullen doen wat wij kunnen om het hem toch zoo goed te maken als mogelijk is.

Eva gehoorzaamde haastig. Aelbrecht deed of hij de betuiging van goeden wil niet hoorde; alleen hij plaatste zich niet in, maar naast den zetel, met den rug naar den schoorsteen gekeerd, de rechterhand liet hij rusten op de borst tusschen de opening van zijn gewaad, met de linker leunde hij tegen den stoel, zeker om zooveel mogelijk door de kalmte van houding en het vermijden van gebaren te doen begrijpen, dat hij het onderhoud zacht wilde aanvangen en niet met vijandelijke oogmerken tegen de rust van zijn broeder gekomen was. Tot Eva sprak hij, zacht maar gebiedend.

— Lief kind, laat mij samen met uw vader.

Eva begreep al het gewicht van het oogenblik, en hoewel haar het hart klopte, zij bereidde zich te gaan.

— Mij dacht, Eva kon blijven… — waagde Don Abbondio te zeggen.

— Hetgeen ik te spreken heb dient buiten haar om te gaan hernam oom Aelbrecht vast, terwijl zijne nicht zich zwijgend verwijderde.

— ’t Is mogelijk, broeder — hernam Don Abbondio koel ik voor mij heb u niets bijzonders te zeggen.

— Ik integendeel heb over vele en ernstige zaken te spreken, anders begrijpt gij, dat ik niet tot u zou gekomen zijn, op gevaar af van aan de deur te worden afgewezen door uwe bedienden.

— Dat is maar tweemaal gebeurd, zoover ik weet…

— Hadt gij gewild, dat ik mij meer dan tweemaal daaraan zou gewaagd hebben? — vroeg Aelbrecht met zekere ironie.

— Ik zeg alleen dit: de eerste maal was ik werkelijk… niet thuis, de andere maal was het eene… vergissing…

— Altijd is het vreemd, dat gij mij zulke teleurstelling nooit zijt komen vergoeden door een tegenbezoek — hernam Aelbrecht; die deze grieve toch scheen te willen lucht geven, of wel met oogmerk om zijn broeder door al de zwaarte van die onhoffelijkheid eene wijle neer te drukken.

— Wat zal ik u zeggen, Aelbrecht… men zegt, gij leeft eenigszins op de wijze der Oosterlingen, en ik, eenvoudig Westerling… ik ben wat schuchter…

— Voor een zacht tapijt toch niet of om op een mollige sofa neer te vallen… — hernam Aelbrecht met een minachtend lachje.

— Integendeel, maar die keerkringshitte door het geheele huis… ik heb het nooit in oranjeriën kunnen uithouden.

— ’t Is in mijne vertrekken minder stikkend heet dan hier; alleen, daarbuiten heerscht dezelfde temperatuur als daarbinnen, dat ik voor mijne gezondheid noodzakelijk acht.

— En men zegt, gij leeft met wilde dieren… schoon ik dat niet geloof! — hervatte Abbondio als wilde hij schertsen.

— Ik heb een tijger, maar ik ben niet gewoon de lieden, die bij mij komen, aan hem ten prooi te geven, zooals de meeste menschen gewoon zijn hunne gasten te doen aan hunne verwende huisdieren — sprak Aelbrecht, en met eenig recht zeker, niet enkel in ’t algemeen, maar zelfs in ’t bijzonder, want Eva’s poes was op de chauffeuse gesprongen en trachtte door een vinnigen aanval harer scherpe fluweelen pootjes Aelbrecht’s hand van de leuning te weren.

Don Abbondio wilde het dier verjagen.

— Laat dat blijven, het beest zal zich wel met mij bevredigen, als het ziet dat ik niet wijk; maar wil ik u zeggen, wat u meer dan iets anders terughoudt bij mij te komen…… Gij zijt een van die menschen, voor wie het ongewone en het ongerijmde synoniemen zijn, en men zal u gezegd hebben, dat ik een sérail houde, omdat ik mij bedienen laat door eene Cyprische slavin, die ik uit een Egyptischen harem heb verlost.

— Waarlijk! — hervatte Don Abbondio levendig en alsof hij door sterke belangstelling werd aangegrepen — maar dat is zeker eene edelmoedige daad geweest van u, dat is vast een avontuur! Gij maakt mij heel nieuwsgierig.

— Bedwing die nieuwsgierigheid, als ik u verzoeken mag, het is niet om van zulke onbeduidendheden te spreken dat ik hier ben, als gij denken kunt, evenmin om u eene handelwijze te verwijten, waarin ik sedert lang heb berust, ik weet zelf niet, waarom ik de zwakheid had die ter sprake te brengen, alleen…

— Indien het u eenigszins griefde, vergeef mij, ik wil…

— Genoeg, broeder, laat dat blijven! ik verlang wat anders van u!

— Indien het in mijne macht is te doen wat gij verlangt… wees zeker…

— Hoor eerst wat het is! Ik moet beginnen u te bekennen, dat ik mij schuldig acht aan een groot onrecht, dat ik wensch te herstellen, daarbij moet gij mij helpen.

Don Abbondio, die uit een en ander dat voorafgegaan was, meende dat hier de vrage zou zijn van de herstelling der harmonie tusschen hen beiden, had reeds een »volgaarne” op de lippen, toen Aelbrecht vervolgde:

— Want het is uw onrecht zoo goed als het mijne, en méér nog, hoewel ik niet wegen wil in dezen… ten minste niet als gij oprecht en eerlijk het gebeurde wilt helpen vergeten…

— Spreek uw verlangen uit, mijn broeder, ik wil doen wat mij mogelijk is! — hervatte Abbondio, die onrustig werd, want hij doorzag niet meer wat volgen zou, hij wilde Aelbrecht zien komen..

— Ik zal ’t u zeggen. Ik kom uwe dochter ten huwelijk vragen! — Voor u zelven! — riep Don Abbondio in de uiterste verwondering.

— Dit denkbeeld! Neen! Voor Frits Darfillijn.

Daar was zeker geen naam met de vier en twintig letters van ’t alphabeth samen te stellen, die dezen man meer onaangenaam in de ooren kon klinken dan de familienaam van zijn neef, en om duchtige redenen; het was dus wel met eene zekere mate van oprechtheid, dat hij uitriep:

— Voor Frits Darfillijn! gij stelt dus belang in den zoon van dien man; ik voor mij meende, dat die naam u even hatelijk en hinderlijk was geworden als mij…

— Een tijd lang, ik beken het, zijn mij dat beide geweest; thans zie ik in Frits den zoon mijner Margaritha en in den naam slechts een toon, die mij van onrecht beschuldigt.

— Gij hebt zoo uwe eigene wijze van de zaken te zien en zoo gij, beleedigd en gegriefd zijnde, u zelven wilt geven als den beleediger en als de oorzaak van leed, staat u dat zeker, volkomen vrij, alleen ge kunt niet vergen dat anderen, die de zaken meer uit het gewone oogpunt beschouwen, aan de vergoedingen, die gij meent schuldig te zijn, het liefste en beste wat zij bezitten, ten offer brengen.

— Op dit alles zal ik alleen antwoorden door de herinnering van hetgeen gij zoo goed weet als ik en langer dan ik geweten hebt: Uwe Eva bemint Frits, zij wordt dus— niet opgeofferd, en ik, zoo ik van ons onrecht gesproken heb, was dat uit edelmoedigheid om u te sparen, want gij weet het, de mate onzer schuld in dezen staat niet eens gelijk.

Don Abbondio haalde de schouders op.

— Zooals ik zeide, ik ken mij zelven niet de bevoegdheid toe, de mate uwer schuld te wegen, alleen laat mij hetzelfde voorrecht, bid ik u, en geloof mij, zoo ik u zeg, dat ik mij niets te verwijten heb tegenover mijn neef, dat ik integendeel, zoo men rekenen kon onder verwanten, nogal eenige aanspraak zou hebben op zijne dankbaarheid.

Aelbrecht zweeg eene wijle, zag hem scherp en vast aan en sprak eindelijk als tot zich zelven:

— Er zijn dan werkelijk menschen, die zoo min een geweten hebben als een hart.

Don Abbondio vond het onnoodig, die aanmerking te verstaan of op te vatten, hij kreeg een aanval van hoest en hij bukte om zijn foulard op te zoeken.

— Gij hebt alzoo besloten Eva’s hand niet aan Frits te geven, en waarom niet? — hervatte Aelbrecht koel na een moeielijk oogenblik van zelfstrijd, om niets anders te zeggen.

Don Abbondio kon of wilde aan Aelbrecht dezelfde reden niet geven, waarmede hij Frits verslagen had, het terrein, waarop hij dan komen zou, was te glibberig, toch was het de ware, hij was dus niet zoo terstond gereed met eene andere, die niet de ware was.

Hij liet tweemaal een hm, hm, hooren, zweeg nog een paar seconden, en scheen maar niet tot een antwoord te kunnen besluiten: eindelijk sprak hij na eene nieuwe aarzeling, en alsof het hem moeite kostte die reden uit te spreken:

— Omdat zij niet gelukkig zouden zijn! Aelbrecht werd gloeiend rood, een scherp ironieke glimlach plooide zich om zijn mond, zijne oogen vlamden, hij scheen op het punt om een hard en heftig antwoord te geven, dan hij weêrhield zich, schoon het aan de zenuwtrekkingen van zijn gelaat te zien was, met hoeveel moeite, en zeide alleen:

— Ah! is het dit!…

Daarop zweeg hij weêr en hervatte, nog meer kalm, hoewel met iets in de stem, dat van eene gemoedsstemming getuigde, die niet lang meer zulke kalmte zoude machtig zijn.

— Ik heb u eene vraag te doen; of gij besluiten kunt, Katharina Darfillijn recht te doen en haar voor uwe nicht te erkennen, als men u verzekert, als ik u mijn woord geef, dat daaruit voor u noch voor de uwen moeielijkheid of schade zal ontstaan…

— Is dat ook al een droom van Frits, dat zijne zuster nog leeft…

— Ik ben hier niet om u mede te deelen wat anderen droomen, ik wil van u weten, wat gij zult doen, en ik begeer een antwoord, broeder.

En de toon waarop dit gezegd werd, scheen zulken indruk te maken op Don Abbondio, dat hij haastig antwoordde: Volgaarne en zonder eenige aarzeling — alleen toen hij zag dat zich Aelbrecht’s trekken verhelderden, voegde hij er op zijn zachtsten en vleiendsten toon bij:

— Alleen, mijn,goede Aelbrecht, er moet daarvoor werkelijk eene Katharina Darfillijn bestaan, eene dochter van uwe Margaritha.

— Meent gij, dat ik u de vraag zoude doen, zoo ik niet daarvan de volkomene zekerheid had?

— Ja, ik weet, er is eene Katharina ontdekt of eigenlijk… uitgevonden, maar gij die zoo juist ziet, gij die zoo dijn voelt, zult u toch door deze mascarade niet laten bedriegen.

— Ik zal u daarop alleen antwoorden, dat zij er is en dat ik haar in mijn huis wacht.

Gij hebt haar dan nog niet gezien?

— Neen!

— Welnu, ik wel! En ik zal u iets zeggen, broeder, als gij haar zult gezien hebben, zult gij getroffen wezen als ik zelf door zekere gelijkenis en bovenal door bekoorlijkheden die het zeer natuurlijk zullen maken dat gij u tot haar beschermer stelt en haar al die weldaden verleent, waartoe eene vrouw zooals deze, ondanks onszelven, ons beweegt. Ik ook heb haar die geboden, en zou die werkelijk hebben verleend en nog willens blijven die te verleenen, zoo het hier niets gold dan een offer van geld, om eene weeze door het leven te helpen, of zelfs indien zij volstrekt een naam noodig had, juist dien van de Darfillijn’s, haar niet belemmeren in het dragen en ’t gebruiken daarvan, zoo Frits kon toestemmen; maar ziet gij, broeder, er is meer, er is, en dit weet gij niet, of zoo gij het weet, is het u niet zoo voorgesteld, er is een jong advocaat, die behoefte heeft aan zijn eerste proces, een proces dat wat éclat maakt, waarbij eene of meer familiën gecompromitteerd worden, waardoor de nieuwsgierigheid van het publiek wordt geprikkeld en dat zijn naam, hetzij hij wint of verliest, en relief brengt op eene wijze, dat hij, een weinig talent en behendigheid helpende, niet weer vergeten wordt, dat proces nu, lag om het zoo eens uit te drukken. gereed in de verwikkelingen van zekere familie: de familie Darfillijn, in de verwarring van zaken en omstandigheden, waarin het hoofd van die familie gestorven was, en die men uit voorzichtigheid bij een bekend en vertrouwd notaris had neergelegd, met zulke aanbevelingen, dat ze daar veilig waren; ongelukkig is er, hetzij door eene onbescheidenheid of door welk toeval dan ook, van het bestaan dier papieren iets uitgelekt, ter oore van den jongen advocaat gekomen, en als Archimedes heeft hij zijn vraagstuk opgelost gevonden. Alleen er is ééne zwarigheid. Een advocaat, hoe behendig en gewillig hij ook zij. kan moeielijk uit zich zelf een proces beginnen, zonderdat er een individu bestaat in wiens naam hij ageert, wiens belangen het voorwendsel kunnen zijn om zijne welsprekendheid en fijne rechtskennis in ’t licht te stellen. Iemand moest er zijn die hem opdroeg het proces te entameeren, en dat was het wat de zaak Darfillijn tegen zich had, die iemand bestond er niet, Alle leden der familie, die het hadden kunnen ondernemen (indien zij zoo vermetel durfden zijn) waren overleden, die eenige die leefde en kónde optreden, was een zoon, was Frits, die verstand genoeg had en kieschheid genoeg om eene zaak te laten rusten, die niets dan nieuwe beschaming kon brengen over zijn hoofd en nieuwe schande over de nagedachtenis van zijn vader. Hij was zelfs zóó overtuigd van de noodzakelijkheid dezer berusting, dat hij zich bij plechtige belofte daartoe verbonden heeft, belofte die hij houden zal ondanks alle verlokking en drang tot het tegendeel, en dus bleef daar onzen jongen held van de balie geene mogelijkheid meer om de kostelijke vondst te exploiteeren. Maar er zijn geesten, rijk in huipmiddelen, die uit niets iets en veel zelfs weten te scheppen. De dood van de eenige dochter was voorafgegaan van hare onverklaarbare verdwijning uit het moederlijk huis; die dood was niet zoo volstrekt onbetwistbaar geconstateerd. dat men aan de snerpende rouw der moeder, aan de berichten die de familie ontvangen had, behoefde te gelooven, daarbij het gebeurde had plaats gevonden in het verre vreemde, waarbij vele onregelmatigheden der politie licht eenige rechtsverdraaiing konden plaats hebben; men had dus ruime kans eene Katharina Darfillijn te onderstellen, men moest meer doen, men moest haar toonen. Eene toevallige gelijkenis vond zich, gelijkheid van leeftijd, een zekere trap van beschaving bij eene jeugdige vreemdelinge, weeze of wel een van die weduwen, die nooit een gemaal gekend hebben, of in welke andere interessante positie ook; dat voorwerp, zij het toevallig aangetroffen of opzettelijk en met moeite opgespoord, is nu althans gevonden, het beantwoordt volkomen aan de meest gespannen verwachting van den jongen Mr., het kan voldoen aan alle voorname eischen van de situatie, en zij het niet in staat alle proeven door te staan van een streng en rechtmatig rechtsonderzoek, zij is het toch genoeg om vooreerst de aandacht te trekken, de familie te ontrusten en, indien hij het geposeerd kan krijgen op convenable wijze, heeft hij zijn proces. Zonder eenige aarzeling dus introduceert hij haar in een der notabelste huizen van deze stad, zoo goed als in ’t midden der familie, en hij kon zich vleien met een eersten triomf, zoo zich niet gelukkig omstandigheden hadden gevonden, die de belangwekkende schoone uit deze sterkte verdreven, en waardoor het proces voor goed zou gerenvoyeerd zijn, indien ten minste niet weêr anderen zich door de mystificatie laten aantrekken, en de eer der familie op het spel zetten in ’t belang van een advocaat en van eene opvatting. Broeder, ik heb u veel gezegd, duidelijk rekenschap gedaan van den stand der zaken, hebt gij mij begrepen?

— Volkomen, en ’t is zeker op deze wijze geweest dat gij tot mevrouw Frevel gesproken hebt om haar te bevredigen met Katharina’s verdwijning, waarover haar goed hart zich beangstigde, en die haar geweten in onrust bracht.

— Ah! gij weet, dat ik van het huis van mevrouw Frevel sprak? goed! Zoo begrijpt gij, dat ik van mijne zijde niets heb ontzien, niets, zelfs niet eens een geheimen wensch van mijn hart, voor de eer der familie.

— Ah! voor de eer der familie — herhaalde Aelbrecht en op denzelfden toon als hij vroeger het: »omdat ze niet gelukkig zouden zijn” had uitgesproken, toen stond hij op, want te midden van de lange toespraak van Don Abbondio was hij in den armstoel neêrgevallen met iets als de uitputting van de heftigste overspanning, en gedurende dat spreken had hij geen oog en blik rustig gezeten, zijn lichaam alle bewegingen gunnende om zich afleiding te geven en zich het zwijgen mogelijk te maken. Maar indien Don Abbondio bij al zijn moed om te spreken en de meest trouwelooze dubbelheid te oefenen, die welke zich uitspreekt als volkomen openheid, ook nog den moed had gehad den man aan te zien, op wiens overreden hij het toelegde, dan zeker ware hem de stem in de keel gestokt, want er spraken vreeselijke dingen uit de sterk teekenende trekken van zijn toehoorder alvorens deze ze tot bewegingloosheid scheen te veroordeelen. Toen Don Abbondio geëindigd had, stond Aelbrecht op; als wij zeiden, en met de woorden die wij herhaalden, nam hij zijn hoed en scheen besloten heen te gaan.

Onze held schrikte meer van dit plotseling, dit zwijgend besluit dan van de heftigste uitbarsting van toorn of drift, die had hij verwacht, ware ’t ook met de onaangename gewaarwordingen, waarin zenuwachtige of vreesachtige lieden een pistoolschot afwachten bij de eene of andere tooneel-representatie; maar die gedwongen kalmte, dat heengaan zonder iets verkregen of zelfs iets beantwoord te hebben, scheen hem zoo onnatuurlijk, zoo ontzettend, dat hij, hoewel bleek van schrik en onder eene rilling, hem de hand toestak én bijna smeekend vroeg:

— Ga niet heen, broeder! ik bid u, ga niet heen, niet zóó.

— Laat mij, het is beter dat ik ga — en Aelbrecht nam de hand niet, die hem toegestoken werd.

— Neen, dat is niet beter, gij hebt mij iets te antwoorden, het is onmogelijk dat gij mij niets te antwoorden hebt.

— Ik zal antwoorden door daden! Gij zijt wel onvoorzichtig, gij kent mij, en gij houdt mij nu terug!

— Ja, ik ken u als heftig opbruischend van natuur, maar dit, dit ken ik in u niet.

— Gij placht vree ze te hebben voor mijne heftigheid…

— Deze onnatuurlijke kalmte jaagt mij grootere vreeze aan!

Aelbrecht antwoordde niets en deed eenige schreden, maar die stappen waren onvast als van een bedwelmde; Don Abbondio zag hem na met eene verlegenheid die onbeschrijfelijk is; op eens zag hij Aelbrecht met de beide handen om zich grijpen als zocht hij een steunpunt, zonder de uitstekende sieraden van het marmeren blad eener console ware hij neergevallen, nu stond hij zoo eene wijle meer opgericht door den wil zijner ziel dan door de werkende lichaamskracht. Don Abbondio schoof haastig een stoel aan. Aelbrecht had geene keuze meer. hij moest gaan zitten, hij had er op zijn best bewustzijn van dat hij het deed. Een koud zweet stond hem op het voorhoofd en viel in droppelen neer op zijne handen, die koud en slap waren als van een verlamde, Don Abbondio wilde schellen, maar Aelbrecht die niet kon spreken schudde het hoofd met zulk een blik, dat hij de schelkoord ongebruikt liet vallen; hij zelf begreep, dat geen bedienden getuigen moesten zijn van dit tooneel.

Aelbrecht wenkte hem, dat hij water begeerde, Don Abbonclio die, als wij aanduidden, zeer licht bewogen was door ’t physieke lijden van anderen, schonk met eene bevende hand een glas vol uit eene caraffe, die op de ontbijttafel stond. Aelbrecht ledigde het schielijk en zonder tusschenpoos, terwijl Don Abbondio met deelneming zeide:

— Lijdt gij meer aan zulke toevallen, broeder?

— ’t Is niets dan physieke afmatting! — hernam deze.

— Afmatting, gij! hernam Abbondio ongeloovig.

— Niets dan dat, ik heb met wilde dieren gevochten en ik heb ze ontwricht, ik heb geleefd en gestreden met menschen, die met hunne vijanden leefden als wilde dieren met hunne prooi, en nooit, nooit deed uitputting mij neêrzinken; maar niets vermoeit zóó het lichaam, omdat niets zóó de ziel pijnigt, dan het zien van… — hij hield in, maar dat zwijgen was zoo ijzingwekkend, dat Don Abbondio uitriep:

— Om Gods wil broeder, spreek het uit, spreek het uit, dat zal u verlichten.

—Moet ik het uitspreken, moet ik het u in ’t aangezicht zeggen, dat ik u veracht?

— Ja zeg het, zeg het! — hernam onze held — zoo u dat lucht geeft — want hij bezweek zelf van angst onder de verschooning, die zijn broeder voor hem scheen te hebben.

— Nu dan, dat vermoeit mij méér dan een jaar levens, het beschouwen en peilen van zulk een diep en koud zedelijk bederf, als waartoe ik u gezonken zie; dit, dit is meer dan ik had kunnen wachten, op dit was ik niet voorbereid, niet in zulke mate — en toen hij dit gezegd had, bedwong die zonderlinge man een stroom van tranen niet langer, die sinds lang zijne oogen deed zwellen.

Don Abbondio voelde zich zeker diep beleedigd, maar hij zweeg op zijne beurt, een antwoord om zich te rechtvaardigen kon hij niet vinden, een zulk dat den andere verbitterde durfde hij niet te spreken op dit oogenblik.

— En wilt gij niets, niets beproeven om u daaruit op te richten — hervatte Aelbrecht met eene onuitsprekelijke uitdrukking van smart en teederheid.

— Ik weet niet… wat gij bedoelt, maar altijd immers kunnen wij… spreken… beraadslagen, misschien worden wij het eens! spreek slechts en weerhoud u niet! dan weet ik ten minste wat er tusschen ons ligt.

— Nu het zij! ik zal spreken — hernam Aelbrecht, opstaande en nu weêr volkomen zich zelf — ik zal spreken, ik wil dan ook dit nog beproeven, — toen vestigde hij zijn wonderlijk helder lichtblauw oog met eene zekere uitdrukking van zacht en ernst op Don Abbondio, uitdrukking die intusschen al strenger en strenger werd, gelijk het scheen of dat oog zelf al donkerder en dieper werd van tint onder het spreken en de gewaarwordingen, die het in zijne eigene ziel voortbracht, totdat het op het laatst vonkelde en vlamde… maar wij moeten hem nog hooren.

— Nu dan, hoor mij en stoor mij evenmin als ik u heb gestoord, wees u zelf meester op uwe beurt, gelijk ik het geweest ben.

Gij hebt bij den aanvang van ons gesprek op mijn aanzoek om Eva’s hand voor Frits Darfillijn geantwoord, dat gij in dit huwelijk niet kondt toestemmen uit zorg voor het geluk van uw kind, hoewel gij weet dat Eva haar neef hartelijk liefheeft, hoewel gij niet met eenig recht in den persoon van Frits de oorzaak kunt opgeven voor zulke vreeze; ik dring bij u aan op erkenning en de handhaving der rechten uwer eenige nicht, die zonder deze erkenning als eene listige avonturierster zich overal verstooten en verdreven zal zien en ten prooi moet raken aan allerlei soort van ellende, — gij antwoordt mij, dat gij het doet uit zorg voor de eer der familie. Voorwaar, mijn broeder, ziedaar al eene zonderlinge wijze om het geluk en de eer der zijnen voor te staan.

— Laat ik u zeggen, broeder, dat ik niet geloof en niet gelooven zal, dat het meisje werkelijk is wie men haar voorgeeft te zijn.

— Gij gelooft het niet, omdat gij niet gelooven wilt, of liever, gij zult nooit toestemmen, dat gij het gelooft; maar ik weet het tegendeel, alles wat gij gedaan en gezegd hebt is er mij bewijs voor, gij hebt de innerlijke stem van uw hart, van uw geweten laten overschreeuwen en tot zwijgen gebracht, en omdat gij ze het spreken verbiedt, verbeeldt gij u, dat ze niets hebben gezegd; maar ik vrage u, zoudt gij zóó veel moeite hebben gedaan, zoudt gij zulke listen bedacht, en zulk eene houding hebben aangenomen, als ge het deedt ten huize van mevrouw Frevel; zoudt gij gesproken hebben zooals ge het zooeven tot mij hebt gedaan, om ook mij door uwe redenen te bewegen, zoo hier sprake was van een bedrog, dat reeds uit zich zelf in duigen zou vallen bij het eerste onderzoek?

— Maar het is juist dat onderzoek zelf dat ik weren wilde in ’t belang van wie den naam Darfillijn voeren of hebben gedragen, en van wie met hen verbonden zijn, ’t is die rampspoedige naam dien ik in vergetelheid wenschte, en althans niet door eenige publieke daad in ’t geheugen der menschen wilde herroepen… en op de spraak gebracht zien.

— Maar wat zoudt gij van dien naam zeggen, zoo hij gezuiverd kon worden door eene publieke daad in de oogen der menschen?

Don Abbondio werd vaalbleek, maar hij zweeg.

— Ik weet, het is het proces zelf, waar gij tegen hebt, en waarom? niet om de familie-eer, ook dit zal uw geweten getuigen zoo gij het onderzoekt, ook niet omdat erger schande op een afgestorvene zou neêrkomen en zijn eenigen zoon nog opnieuw bevlekken. Gij weet het tegendeel, gij weet, dat uw zwager Darfillijn op zeker punt kan gerechtvaardigd worden, meer nog, gij zijt de eenige die voor zijne onschuld kan getuigen, gij wilt het niet, gij deedt het niet. Veel liever liet gij uw broeder in een kerker sterven zooals… hij gestorven is, dan dat gij den moed naamt tegen zijne vervolgers op te treden, en waar u opnieuw de gelegenheid gegeven wordt aan de zijnen goed te maken wat gij tegen hem misdreeft, daar stoot gij ze onbarmhartig van u af en ontkent tot het bestaan van uwe schuld tegen hen!

— Maar, broeder… inderdaad, gij zegt mi.i daar dingen die… zoo ze waar bleken… als gruwelen zouden luiden: gij schildert mij in waarheid af als een boos, als een wreedaardig mensch, en ieder die mij kent, die met mij leeft, zal getuigen…

— Ik schilder u af zooals gij zijt. Gij hebt het gewild, ik zal u dien spiegel voorhouden, waarin gij uw beeld in zoo monsterachtige proportien ziet teruggegeven, dat het schrik wekt, en toch zijn die proportien waarheid, toch is die gestalte de uwe, gij zijt de man die gij u zelf daar afteekent, en gij zijt het geworden, niet uit boosheid, maar uit zwakheid, uit lafhartige menschenvrees, uit bekrompen zelfzucht. Uw gansche wezen is samengesteld uit ééne groote zwakheid: menschenvrees, uw tiran, uw satan, uwe boezemzonde, die u tot alle andere zonden heenvoert, zonderdat gij het zelf wilt of mogelijk acht, zij leidt u werwaarts zij wil, zij brengt u waar gij niet wilt zijn, zij dwingt u te doen wat gij in uw harte had gezworen te laten, zij is uwe vervolgster, uwe verleidster, gij zijt doorgaand hare weerlooze prooi, gij siddert en kermt onder hare lood en hand, en toch, toch koestert gij haar als uw troetelkind, als uw hoogste en beste goed, toch beschermt gij haar met alle krachten opdat niets haar van u were, toch hebt gij haar lief in ’t eind als u zelven. En met die zwakheid zijt gij zóó sterk geworden, zoo sterk in iedere list, in iedere logen, in iedere ondeugd, dat ik, die hier voor u sta en voor een zelfstandig man pleeg door te gaan, huiver van uwe kracht en niet meer wete hoe u te bestrijden.

Don Abbondio had wel op vele hardbeden gerekend, maar deze troffen zoo juist, deze wisten zoo juist in te dringen in de geledingen van zijn harnas, dat ze hem pijn deden, gevoelige pijn, omdat iedere waarheid wondde als eene scherpe pijl. De smart prikkelde hem tot toorn, waar de vrees hem terughield die te laten blijken; maar waar hij zijn broeder weêr meende te zien in hetgeen hij zijn natuurlijken toestand noemde, kreeg hij meer moed tegen hem; hij wist nu met welk wapen men hem bestreed, en hij kon dus de aanmerking niet weêrhouden, ware het ook slechts geweest om afleiding te geven van het eigenlijk gevreesde doel.

— Maar, broeder, gij berispt mij zoo hard en zoo streng om eene enkele zwakheid; mijn hemel, ieder heeft toch in ’t eind de zijne, ben ik dan veroordeeld beter te zijn dan een ander, die weêr op andere wijze zijne gebreken heeft en draagt. Gij zelf… zijt gij u dan geenerlei zwakheid bewust…

— Op die vraag, broeder, kan ik maar alleen met eene wedervraag antwoorden. Herinnert gij u nog, indien hetgeen eens anders was ooit zoo diep tot uwe ziel doordrong dat het tot uw geheugen doorging, herinnert gij u ook, waarom ik op mijn twintigste jaar, in het vuur van ’t leven, uit het midden van studiën die mijn lust en trots waren, bij een gloeienden zin voor kennis, met een hart warm aan ’t vaderland en ’t huis gehecht, dat alles, alles, alles verliet, om — of hoort gij u dat liefst niet herinneren omdat het wat laag klinkt in eene aristocratische familie als de onze? — om als gewoon matroos op een koopvaarder naar Indië te trekken…

— Volmaakt goed, mijn broeder, slechts dacht ik eigenlijk, dat gij dit liefst zoudt vergeten, het was omdat gij eenige dwaasheden hadt gedroomd en eenige dwaasheden hadt bedreven. Gij waart te dier tijde ietwat opgewonden, gij waart een weinig verwilderd en verbijsterd, in één woord… ik zeg het niet om u te betichten, maar ziet gij, dit alles bewijst, dat gij toch ook een weinigje uwe zwakheden hebt gehad, en ziedaar waar ik op komen wilde.

— Zwakheden! dwaasheden! noemt niet mijne misdaden, mijne doodzonden met zulk een woord. Om mijnentwille althans behoeft gij met geene woorden te spelen, om de zwakheid mijner schuld voor mijn oog en het uwe te bedekken en weg te goochelen; ik weet wie ik toen was, ik weet wat ik deed en ik zal het u zeggen: ik benijdde Darfillijn zijne beeldschoone jonge vrouw, die ik reeds als knaap op mijne knieën had aangebeden en die mij altijd verstooten had, altijd onder voorwendsel dat ik een kind was, schoon zij zelve pas mijn leeftijd had bereikt, die Darfillijn, zooveel haar oudere, dat hij haar vader had kunnen zijn, haar harte gaf, waarvan hij den prijs niet kende, die elken dienst dien ik haar bewees, bevend van blijdschap omdat ik haar dienen mocht, met een half spottend half meedoogend glimlachje aannam, en die zelve, want zij ook kende de liefde, zich gelukkig achtte en gezegend prees, als haar bitse en zwartgallige echtgenoot zich met eene onverschillige houding door haar dienen liet; ziet gij, dat tergde mij tot razernij toe, en toch, dat zag ik iederen dag, dat moest ik zien, omdat uwe wijsheid, de wijsheid van den oudere, van een helderziend man, voor mij, den minderjarige, juist de woning van mijn medeminnaar gekozen had tot verblijf, omdat gij hem, juist hém tot mijn leermeester hadt gekozen.

— Gij herinnert u van hoe uitnemende bekwaamheden hij was, hoe zijn geest… zijne kennis…

— Hoe hij een der grootste mannen van zijn tijd had kunnen worden, zoo hij zich niet door hersenschimmen had laten afleiden en zich niet altijd met luchtkasteelen had beziggehouden, naar wier verwezenlijking hij immer streefde; en waarvoor hij de noodigste werkelijkheid vergat; maar gij begrijpt ook, dat dit bij mij, die zag hoe hij toen reeds aanving de toekomst van zijne vrouw, van zijn zoon te verwoesten, nieuwer en sterker tegenzin verwekte; gij herinnert u hoe kwalijk ik dien verborg, hoe Margaritha’s bijzijn bijna onmisbaar werd om mij eenige matiging te doen bewaren, en hoe eindelijk op een dag dat zij niet tegenwoordig was, een dag waarop Darfillijn mij de verstrooiingen, waarin ik mij trachtte te bedwelmen, de vermaken waarmede ik mij trachtte te verdooven, verweet alsof het lage misdaden waren geweest, hoe ik hem toen mijn hartstocht bekende, toen Margaritha’s lot en lijden verweet, hoe de man en de jongeling, de echtgenoot en de minnaar elkander kwetsten en tergden met de tong totdat scherper wapenen werden gegrepen…

— Ja… gij hadt schermen geleerd en hij had een rang bij de schutterij, gij hadt beiden een degen onder Uw bereik, gij greept dien en… ik geloof, dat hij u eene kleine wond toebracht.

— Hij spaarde mij, ik hem niet, ik wilde meer dan zijn bloed zien, ik wilde zijn leven, daar raakte mijn doodend staal zijn harte zoo nabij, en ik ging toestooten, maar daar kwam mij Margaritha’s smarte, Margaritha’s rouw, Margaritha’s vloek over den dood van haar geliefde voor de verbeelding, en ik wierp den degen weg en ik vluchtte.

— En toen hebben Darfillijn en ik samen over uwe uitzinnige drift het hoofd geschud met een glimlach…

— Dat is mogelijk, maar ik voelde mij met het Kaïns-merk ingebrand in de ziel voor altoos, en dit, nevens de wond en den vlijm van een hopeloozen, van een verboden hartstocht, met de bewustheid van eer, fortuin, tijd verkwist te hebben in ijdele poging om afleiding te zoeken, die toch nooit werkelijk verlichting bracht: mij dunkt, dat was genoeg om het geweten van een twintigjarige te belasten en te doen kloppen tot barstens toe, maar toch, dat was alleen mijne redding, ik wist ten minste, dat ik een schuldige, een zondaar was, ik verbloemde het mij-zelven niet en ik had een afschuw van mij-zelven, die…

— Ziet gij wel, dat gij altijd overdreven zijt geweest. Menigte van jongelieden hebben diergelijke avonturen in hunne jeugd en beginnen hunne lente wat wild en wat onbesuisd, schudden, om het zoo eens uit te drukken, wat bloesem af van overvloedige levenskracht, zonder zich dat verlies en die tuimeling dus sterk aan te trekken… en met zulke namen te noemen.

— Ja, dat is juist het laatste, het gevaarlijkste dat men dan tegen zich zelven plegen kan, de monsterachtige zielskwaal die men voelt te verbloemen onder eenigen verzachtenden naamt die haar nog een schoon en schijn geeft voor anderen. Ik had ten minste die eerlijkheid mijne schuld te erkennen en er van te gruwen, en dat, dat wenschte ik ook van u. Gij vraagt mij, of ik geene zwakheden heb gehad, ik antwoord met de bekentenis van zonde, van misdrijf; van u wilde ik het, dat gij die zwakheid, die zwakheid, die de uwe is, als misdrijf, als zonde wildet inzien.

— Mijn goede Aelbrecht; als gij uw geval liever zóó wilt zien, begrijpt gij, dat ik niet trachten zal u eene sombere phantasie te ontnemen, vermits zij u schijnt te behagen, alleen gun mij dan ook dezelfde vrijheid mijn gemoedstoestand zóó te beschouwen, als mij dat het meest dient, — en dan moet ik u zeggen, dat ik nogal tevreden ben slechts van zwakheid aangeklaagd te worden door een rechter zoo streng als gij! en in waarheid, niets beschuldigt mij van meer dan dat. Ik begrijp, dat er excentrieke karakters zijn, die zich tot alles kunnen laten vervoeren door hunne hartstochten; ik voor mij heb het geluk gehad van de laatsten vrij te blijven, hetzij dan door toeval, omstandigheden, of temperament, maar ik sleet mijn leven doorgaand in kalmen, rustigen toestand, en geloof daartoe iets aan mij zelven verschuldigd te zijn, omdat ik mij altijd ontzien heb het zonderlinge, het vreemde, het phantastische na te jagen, en liefst op den gewonen, effenen, gebaanden weg stillekens ben voortgegaan, die wel niet aantrekt door de prikkeling van verbeelding, door de streeling van verfijnde zinnen, die zelfs — ik beken het ietwat eentonig is, maar waarop men veilig is tegen grooten val, tegen berispelijke daden, als tegen de dweepzieke hersenschimmen, waar zij ten laatste heenvoeren. Ziedaar mijne wijze van zien en van handelen die ik sinds veertig jaren volge, waarbij ik mij wel bevinde, en waarbij gij mij vergunnen zult te volharden.

— En ik zeg u, zoo gij blijft volharden bij die onberispelijkheid, bovenal bij het geloof er aan, dat gij dan langs dien gebaanden weg, die zoo effen is en zoo veilig, snel en zeker als langs een hellend vlak heênvaart naar de plaatse der uiterste duisternis, naar ’t gebied van satan en zijne engelen…

— Dat is nu toch voorwaar geene zachte, geene liefderijke profetie aan een broeder — sprak Abbondio glimlachend om den toorn te verbergen, die sinds lang in hem brandde, en dien hij toch geen lucht durfde geven dan in den vorm van lichtzinnige persifflage, waarmede hij hernam: — Alleen bid ik u, zeg mij aan welke hel gij eigenlijk gelooft, opdat ik mij eenigszins in de localiteit, die gij mij toedenkt, orienteeren kan, men fluistert wel eens over uwe toeneiging tot den koran: is ’t de diepte waar Mahomed zijne tegenstrevers in neêrwerpt? Het vagevuur waar de mis uit verlost? Of de hel met poorten, waar de Dordsche synode meê dreigt, waarvan de echt-orthodoxe dominés tot heden toe nog de traditie hebben vastgehouden — en zelfs de sleutelen naar men zegt?

Aelbrecht antwoordde niet terstond, hij was doodsbleek geworden, zijne trekken werden hoe langer hoe strakker, zijne lippen, die wit waren, trilden onder de smartelijkste ontroering, de diepe rimpels van zijn voorhoofd groefden zich dieper dan ooit, hij bukte het hoofd en aarzelde, als bedacht hij zich hoe hij spreken zoude, eindelijk zag hij op Don Abbondio, ernstig en droevig, en niets dat naar bitterheid zweemde, maar wel diepe weemoed, die toch zekere vastheid niet uitsloot, was er in den toon, waarmede hij sprak:

— Alles wat gij wilt, mijn ongelukkige broeder, mits gij u denkt buiten gemeenschap van Christus en Zijne gezaligden en in de omgeving van wat hemel en aarde gruwelijkst en afgrijselijkst hebben voortgebracht, ellendigen, die over elkanders ellende glimlachen, terwijl zij over hunne eigene tandknarsen.

Don Abbondio werd rood van ergernis, hij hoestte tweemaal eer hij zich in staat voelde om op den vroeger aangegeven toon te zeggen:

— Het tafereel is niet vroolijk, maar… in dien tijd toen gij van schilderen hieldt, hebt gij altijd gedweept met de duisternissen van Rembrandt, gelukkig, dat ik niet bijgeloovig ben en in dergelijke geantiqueerde nachtspoken op zijn best nog hulpmiddelen zie om de lage passien der massa’s in ons land een weinig in den band te houden; ik erken, dat er eene menschensoort is, die men zonder de vree ze voor hel en rasphuis moeielijk regeeren kan; — maar ziet gij, voor ons, in een tijd, waarin de chemie en de natuurkunde zulke vorderingen hebben gemaakt, waarin men weet dat de diamant niets is dan vaste koolstof, de kleuren enkel het gevolg van ’t lichtspel; waarin het dierlijk magnetisme en het galvanisme alle gedane of te doene wonderen verklaren, in den tijd in ’t einde van Berzelius, Liebig en von Humboldt, gelooft een fatsoenlijk man evenmin aan de vier elementen, aan den salamander die in ’t vuur leeft als aan ’t helsche vuur en den aankleve van dien.

Aelbrecht wierp weder een diep smartelijken blik op hemt maar nog altijd bleef hij zich zóó meester, dat hij hernam op den toon van een gewoon gesprek:

— Ik geloof, dat gij weet, hoe ik zelf geen vreemde ben in de wetenschap, ik durf zeggen, dat ik niet ophoude mij zelf van alle hare vorderingen te vergewissen, op hare ontwikkeling en ontdekkingen het oog te houden, er mij rekenschap van te geven en mij van de gewisheid harer uitkomsten te verzekeren, en toch kan ik in volkomen oprechtheid zeggen, dat niets van die kennis mij schokt in ’t geloof aan eeuwigheid en vergelding, twee denkbeelden, die de ziel heênvoeren zouden tot de radeloosheid der wanhoop, zoo men daar niet terstond tegenover mocht plaatsen Christus en Dien gekruist — eindigde hij vast, en zijn blik schitterde van helderheid en van innig en levendig geloof.

.Don Abbondio haalde even de schouders op:

— Ik zal uwe ervaring niet tegenspreken zoo min als uwe denkwijze veroordeelen, ik behoor niet tot die soort van wouldbe-liberalen, die anderen geene vrijheid laten dan… te denken zooals zij zel ve; maar gij vergist u, zoo gij mij voor een Voltairiaan houdt, die leeft zonder eenig geloof aan ’t Opperwezen en wat daarmede in verband staat, alleen ik acht schadelijk en ik kan niet zonder tegenzin hooren, dat men zich weêr opnieuw gaat vasthechten aan die bepaalde plaatsen van torture, die de Voorzienigheid zou uitgedacht hebben voor hare weêrspannige schepselen, en waarmede sommigen hunner zich zelven en elk. ander zoo van tijd tot tijd eens eene rilling over ’t lijf jagen.

— Maar hoe verklaart gij dan voor u zelven de denkbeelden Eeuwigheid en Vergelding?

— Dat zijn duistere en zware woorden, broeder, waarover de predikanten op hunne kansels zeer lang, zeer vernuftig, somwijlen zeer treffend redeneeren kunnen, waarvan zij uit bon sens in den loop hunner gesprekken, als zij tot den rang van gewone stervelingen zijn neêrgedaald, voorzichtig zwijgen (j’excepte les exceptions, maar de meesten hebben tegenwoordig nogal tact om geen aanstoot te geven), en waarover gewone menschen, die niet hunne studie maken van theologie, hoe langer hoe minder licht krijgen bij ’t nadenken, hetgeen maakt dat het beter is zich er niet in te verdiepen, wil men niet tot ongerijmdheden vervallen, en daar dit onderwerp toch zeker niet tot het doel uwer komst behoort, zoude ik u verzoeken het daar te laten, overtuigd dat dit althans ons niet nader tot elkander brengt.

— Maar ongelukkige, hoe zal ik u dan duidelijk maken, dat het oordeel des Heeren u zekerlijk wacht… — riep Aelbrecht, zich vergetende en in pijnlijke verslagenheid de handen samenwringende.

— Mij dan meer en strenger dan u! — riep Abbondio, zijn onwil en ongeduld niet meer meester, en die ten koste van alles van dit gesprek wilde ontslagen zijn. — Vergeef mij, broeder, ik zou altijd de laatste zijn om u een verwijt te doen. veel min herinneringen uit uw leven op te wekken, die u pijnlijk of beschamend kunnen zijn; maar in waarheid, gij drijft mij tot het uiterste. Gij komt toespraken tot mij richten als een heilige, die zich de moeite geeft uit zijne hoogte af te dalen om de wonderdadige bekeering daar te stellen van een groot zondaar — en waar is dan toch eigenlijk uw recht om zulk eene houding aan te nemen tegenover mij, tenzij gij het grondt op mijne aangeboren zucht tot ruste, die toen wij nog samen jong waren altijd maakte dat ik, schoon de oudere, voor u boog, voor u ter zijde ging, voor u deed al wat gij van mij eischtet, zelfs waar ik diensten had mogen vragen… van u…

— Zoolang onze ouders leefden, het is waar, was onze verhouding eene zoodanige, en zij was onnatuurlijk, ik erken het, maar ligt daarvan al de schuld bij mij, en kunt gij den man in ernst wijten wat de knaap misdeed in het overmoedig gevoel zijner sterkte? Dan mag ik u zeggen, zoo ras gij mij wees zaagt, hebt gij u ontslagen van den last mijner tegenwoordigheid; gij, reeds man, vreesdet den jongeling!

— Zijne onstuimige drift, zijne heftigheid waren mij tegen, ik beken het, en ik oordeelde dat uwe opvoeding op dien leeftijd niet kon voltooid worden door mijne hand!

— Beter dan door die van Darfillijn, die mij in ’t vuur der verzoeking leidde, die mij door terging overprikkelde.

— Ik verklaar u plechtig, dat ik een beter vertrouwen had op zijn oordeel, en stem mij toe, dat de keuze voor u hare gevallige zijde had! Van uw hartstocht wist ik niets, maar gij waart het troetelkind mijner vrouw, toen nog zelve kinderloos, Margaritha Darfillijn was hare zuster, eene zachte jonge vrouw, die het in ’t eind niet helpen kon, dat gij ongelukkig waart in haar huis.

— Neen, daar hebt gij gelijk in, mijn radelooze hartstocht bedierf alles; Darfillijn kon niet naijverig zijn op een knaap, maar zijn trots was gekrenkt dat ik durfde aanbidden waar hij… door koelheid martelde. Hij toonde het mij door mij te krenken en te vernederen tegenover haar. O! God alleenweet wat ik geleden heb in die dagen, de eerste lentedagen der jeugd! Was het vreemd, dat een leven wild en stormachtig was dat zoo aanving!

— Ik sprak niet van onze jeugd om u leed te doen, ik wilde u alleen herinneren, dat gelijk gij mij toen beheerschtet door physieke kracht, gij het nu schijnt te willen door eene andere meerderheid, en door deze opnieuw met dwang van mij te verkrijgen wat gij weet dat mij tegen is te geven, en waar ik weiger, neemt gij voorstellingen te baat, die, hoe weinig ik er aan hecht, toch als dreigingen klinken, — en ziet gij, dit van u, die in goeden ernst in moraliteit niets op mij voorhebt, dan… ondervinding en avonturen van zulken aard… dat, vergeef mij, ik neem slechts eene uitdrukking over die gij zelf hebt gebruikt, dat gij u zelf van boozen hartstocht aanklaagt, en u vergelijkt bij Kaïn, — niets minder dan dat!

— Er is zelfs méér dan dat. Gij kent nog niet de helft van mijn levensloop.

— Bij geruchte weet ik er zoo een en ander van, en indien men alles wilde gelooven wat er verteld wordt!…

— Zeg mij, wat wordt er verteld?

— Liever niet. Ik meen alleen, indien men wilde gelooven, zou… o dit uw recht om tot mij te spreken als gij deedt niet versterken.

— Te eerder kunt gij het zeggen.

— Mij dunkt niet. Als het u al te hard of al te onwaar klonk, mocht gij het kwaad gerucht op den overbrenger wreken, en ik zou wenschen dat wij vrienden scheiden…

— Mij dunkt, naar ’t geen gij mij reeds hebt gezegd en naar de wijze waarop ik het heb aangehoord, kondt gij gerustheid hebben, dat ik… in geduld heb gewonnen…

— Dat is waar! ik vind u oneindig kalmer en zachter dan ik mij u had kunnen denken; hoewel ik er op had gerekend dat gij… een twintigtal jaren ouder waart geworden sinds wij te zamen omgingen…

— De jaren zouden het mij nog niet gedaan hebben, broeder, het bloed bruischt mij nog driftig door de aderen; maar ik heb mijne hartstochten leeren overwinnen, en ziet gij, zelfs maar eene enkele zulke overwinning geeft groote, groote kracht. — In ’t eind, het voorwerp dood zijnde…

— Meent gij dan dat een hartstocht, zooals de mijne was niet langer duurt dan een menschenleven!

— Zooals ik u zeide, ik heb van die excentrieke toestanden geen denkbeeld, alleen ik geloof, dat er karakters zijn, waarbij alles waarschijnlijk wordt.

— Spreek mij van de onwaarschijnlijkheden, die men mij toedicht. Ik wil het.

Don Abbondio, nu vrij wel gewaarborgd tegen heftige aanvallen, hernam dan ook met zekeren schertsenden glimlach, alsof hij zelf niets hechtte aan hetgeen hij zeide:

— Als gij het dan wilt, hier gaan geruchten van allerzonderlingste excursies in een Italiaansch klooster, die geëndigd zijn met de ontvoering een er schoone non en met den dood van den een of anderen pater… maar gij begrijpt, dat de lieden die ’t vertellen, zelve niet aan zulke praatjes gelooven.

Aelbrecht luisterde kalm, maar ernstig en oplettend.

— Ik had niet gedacht, dat ze nog zóóveel wisten, hoe onjuist en verward ook deze voorstelling zij van het gebeurde, hernam hij.

— Ah, is er dan toch zoo iets of wat gebeurd? — vroeg Don Abbondio met zekere ironie.

— Alleen met dit onderscheid, dat het een monnik was, die ontvoerd werd uit een mannenklooster, en dat eene jonge non, of eigenlijk eene nieuwelinge, in het hare werd teruggebracht.

— En de… monnik stierf wellicht een overhaasten dood in eene rencontre met u, waarbij gij u eenigszins door drift verrassen liet…

— Neen, broeder, zoo was het niet. Ik heb den monnik gedood, dat is waar, maar op dat oogenblik had ik alle mijne zelfbeheersching, alle mijne beradenheid, en ik verzeker u, dat het mij zelfs zeer veel kostte te doen wat ik moest doen. De monnik is na een vonnis van zijne geestelijke overheid, dat volkomen billijk was, door mijne hand onthoofd, ten aanzien van de lieden die zijne misdaad kenden en die recht hadden, tegenwoordig te zijn.

Don Abbondio was ontzet van de akelige koelheid, waarmede Aelbrecht dit zeide; maar hij wilde zijne vrees en zijn afschuw niet laten blijken, en hij hernam:

— Maar gij hebt dan in Italië als exécuteur des hautes oeuvres gefungeerd…? Snel en geheim recht geoefend op de manier van een veemgericht?

— Juist op de manier van een veemgericht — hernam Aelbrecht doodsbleek, altijd met zonderling strakke trekken; en hetgeen u misschien eenigszins verwonderen zal, misschien wel een weinig verschrikken, is dit: dat ik dat gericht ook in Holland denk te oefenen…

— Ik… onderstel… dat gij schertst, broeder, maar anders zou ik u raden, hier te lande van die functiën… af te zien; wij genieten hier nogal den zegen eener goede politie, en ik twijfel of gij eene crimineele rechtbank volkomen bevredigen zoudt met de rechtmatigheid en de noodzakelijkheid uwer tusschenkomst!…

— Juist! Hier in Holland, als men schuldigen straffen of lastigen uit den weg ruimen wil, moet men anders doen, men moet omwegen nemen die ons van alle verantwoordelijkheid ontslaan! Men moet de daad veroorzaken, men moet de middelen aangeven, men moet haar niet zelf doen, maar men moet het onvermijdelijk maken dat zij gedaan wordt, opdat men, als zij gedaan is met een opgeheven hoofd, tegen de menschen kan zeggen: ik ben onschuldig aan dit, en zelfs zijn geweten omkoopen, tot men nog moed en kracht houdt, om met overtuiging tot anderen te zeggen: zie… ik ben onberispelijk. Dit nu is eene kunst, die ik nog niet heb geleerd, en waarin ik onderricht kom vragen bij u.

— Bij mij… bij mij… — herhaalde Abbondio in verwarring — ik weet niet wat gij zegt, ik begrijp niet wat gij wilt, wat gij bedoelt.

— Het bewijs dat gij mij volkomen verstaat is, dat gij sidderend en bedwelmd voor mij staat als een overtuigde misdadiger…

Werkelijk, de man die zoolang koele onverschilligheid had weten te toonen, zoo niet te bewaren, scheen nu verpletterd door die enkele verdenking.

— Broeder, dat wat gij meent, is niet waar… — stamelde hij — ik zweer het u bij…

— Ik verbied u in dit oogenblik een valschen eed — sprak Aelbrecht, gebiedend den arm naar hem uitstrekkend, en werkelijk, Don Abbondio zweeg, ten deele omdat hij het niet waagde voort te gaan, ten deele omdat de angst hem stem en sprake benomen had. Opnieuw tastte zijne sidderende hand naar de schel, want hoewel hij nog niet recht wist wat hij eigenlijk vreezen moest van Aelbrecht, met hem alleen blijven scheen hem het vreeselijkste wat er te denken was.

Maar toch bedacht hij zich: bedienden mochten althans geen getuigen zijn van dit tooneel, Aelbrecht was de man om alles te zeggen in hunne tegenwoordigheid, en in eene radelooze wanhoop liet hij dus weer dit hulpmiddel ongebruikt. Aelbrecht hield gedurende die beweging altijd den vasten en zonderlingen blik onbewegelijk op hem gericht, zonder een woord of gebaar om hem er van te doen afzien, hij scheen overtuigd, dat de ongelukkige niet durfde doen wat hij doen wilde. Op eens viel Don Abbondio iets anders in, hij wilde geen anderen roepen; maar hij kon zelf heengaan. Met zijn zachten, sluipenden gang, alleen overmatig versneld, wilde hij achter Aelbrecht omsluipen, die met den rug naar de deur stond gekeerd; deze zag de beweging, maar liet hem gaan tot vlak bij de denr, toen keerde hij zich om en stond tegenover hem, en zóó dicht bij, dat zij elkander aanzagen, oog in oog, of eigenlijk dit is onjuist, want onze held, als men denken kan, sloeg het zijne neêr, meer nog, hij bukte het hoofd zoo diep. dat hij den blik, dien Aelbrecht op hem wierp niet zag, hoewel wij gelooven dat hij dien toch voelde, zóó veel magnetische kracht lag daarin.

— Blijf! — zeide Aelbrecht.

Don Abbondio bleef werkelijk. Hij scheen niet meer de bezinning te hebben zich tegen dien man te verzetten, hij voelde zich eindelijk onder de macht van dien vasten wil. Eindelijk gebeurde wat hij van ’t eerste oogenblik zijner ontmoeting gevreesd had, en waartegen hij zich verdedigd had met al den moed der wanhoop, hij voelde zich door Aelbrecht overmeesterd, hoewel hij met al de taaiheid van het zwakke rijs zich gebukt had en had laten slingeren naar den wind van des anderen luim; of zich daartegen gesteld juist om dien te doen veranderen met alle kracht zijner behendigheid en de veelheid zijner hulpmiddelen en uitvluchten.

Onbestemd voelde hij de penetratie van zijn broeder die giste hetgeen geene menschelijke stem hem konde hebben ingefluisterd, hetgeen naar zijne berekening geene menschelijke hand op het papier tot iets blijvends kon gemaakt hebben, maar toch was het nog slechts eene gissing, en al raadde hij juist, misschien bleef hem nog kans van ontkennen. Die hoop wellicht gaf hem eenigen moed, toen hij blijven moest. Maar die hoop zelfs moest hij opgeven. Aelbrecht wees hem zwijgend een stoel bij de tafel. Hij zelf ging tegenover hem zitten en haalde een pakketje papieren te voorschijn. Op de enveloppe stond een zonderling op schrift: »Bekentenissen aan Margaritha, na mijn dood te overhandigen door de trouwe hand van Z.”

Aelbrecht hield zijn broeder dat opschrift voor.

— Kent gij de hand? — vroeg hij.

Don Abbondio boog het hoofd toestemmend, hij kon niet weten wat dit pakket inhield, maar hij voelde zich zóó reddeloos verloren, dat hij niet eens meer ontkennen wilde.

— Als gij ziet, schreef Darfillijn aan zijne vrouw uit zijn kerker: het zijn geheimen, waarin hij haar eerst wilde ingewijd hebben na zijn dood. Dit heeft gemaakt, dat zij ze eerst maanden later ontvangen heeft, want »de trouwe Z.” was een tijd lang onzeker over het oord waar zij hare smart en hare schande verborg. Deze bekentenissen behelzen geheimen, door hem alleen aan eene echtgenoot vertrouwd, en die wij dus het recht niet zouden hebben te lezen, zoo deze brief van Margaritha zelve er mij niet toe verplichtte.

Hij gaf aan Don .Abbondio den brief, dien Luciaan hem overhandigd had.

Don Abbondio zag dien even in met een snellen, verwarden blik, en liet dien toen als wezenloos uit de hand vallen.

— En nu, luister, ik zal u die bekentenissen voorlezen.

— Indien het noodig is… dat ik wete, kon ik niet zelf lezen? — stamelde Abbondio smeekend — dit zal u zeker schokken.

Waarheid is, dat de kalmte en de vastheid van Aelbrecht meer getuigde van een ijzeren wil waarmee hij zijn gevoel martelde, dan van gebrek aan medegevoel bij hetgeen hij sprak en opwekte, en wij weten nauwelijks wat het akeligst was om aan te zien zijne ruste of de angst van zijn broeder.

— Neen! gij zult aanhooren. Verbeeld u slechts dat gij reeds op de plaats zijt, waar de eene rampzalige den anderen met zijne ellende en misdrijven pijnigt. Ik zeg niet, dat ik niet lijde, maar… ik ben gewoon aan zelfmarteling, gij, gij hebt altijd rust gehad, misschien leert gij nu begrijpen wat lijden is.

Toen opende Aelbrecht het pakket en begon te lezen, zooals zulk een man lezen moest, als hij besloten heeft, noch zich zelf noch zijn toehoorder te sparen, om hetgeen hij te lezen had in volle vreeselijk waarheid recht te doen.

Wij zullen dit alles niet mede aanhooren, maar wij hebben intusschen ophelderingen noodig over personen en situatien, die niet met een paar woorden kunnen gegeven worden en die wij daarom vinden in het hoofdstuk:


Ingezonden op: 19 July 2001