DON ABBONDIO II.

XVI.

Katharina Darfillijn.


Aelbrecht liep voort met zoo groote versnelde schreden, dat Luciaan, die wel jonger was maar in sterkte voor hem moest zwichten, hem nauwelijks kon volgen — maar ook, hij wist wat hem wachtte in zijn huiso

Na een o laatst bezoek bij mevrouw Frevel, waarbij hij haar inlichtingen had gegeven die — zonder Don Abbondio’s karakter al te zeer te bevlekken — Katharina’s goeden naam voorloopig herstelden, was de jonge advocaat naar Haarlem teruggekeerd, door een vermoeden geleid dat hij bevestigd vond, en dat alles ophelderde wat er onverstaanbaars scheen in Katharina’s gedragingen. Overtuigd dat zij te Amsterdam — vreemde als zij er was — niet dan teleurstelling, verwarring en schrik zoude ontmoeten, was zij naar Haarlem gegaan — en had zich aangemeld aan het adres van haar advocaat; dat was de reden dat zij hem niet had geschreven en geene volmacht had achtergelaten. Hare papieren waren van zulk belang, dat zij, door veel leed en lijden tot wantrouwen gestemd, die niemand anders ter bezorging toevertrouwde, vooral niet uit het huis van mevrouw Prevel, waar zij vrees had voor omkooping van Don Abbondio. Luciaan niet vindende, had zij zich naar het logement begeven, waar zij door zijne tusschenkomst reeds vroeger haar intrek had genomen; en niets was dus gemakkelijker voor hem, dan de jonge schoone daar op te zoeken — en deze verklaring met haar te hebben; — toen had zij hem de bewuste papieren gegeven, — die hij terstond naar Aelbrecht zond, met bericht, dat hij zoo spoedig zijne zaken het toelieten, met mevrouw Darfillijn naar Amsterdam zou komen; dat was nu geschied — Katharina Darfillijn was in het huis van den man, die meer dan eenig mensch ter wereld met teeder verlangen naar haar had uitgezien, en zij wachtte hem — men begrijpt hoe — als de verdoolde in eene woestijn haar gids, als eene zwakke die zich rondom van vijanden omringd weet, den sterken en machtigen vriend, die ze allen zal verslaan.

Spoediger dan bij den afstand mogelijk scheen, trad dan Aelbrecht zijn huis en zijne woonkamer binnen, — hij vond er Frits, die reeds in de beste verstandhouding was met zijne zuster, die hem van zijne moeder sprak, en die hem hare eigene lotgevallen vertelde, zooveel zij konde en durfde. Zij was in een der gemakkelijke sofa’s neêrgezonken; Frits zat vertrouwelijk naast haar, en hield hare hand in de zijne, terwijl hij met rustige teederheid op haar zag. Aelbrecht en Luciaan waren binnengekomen, zonderdat zij het bemerkten — het mollig tapijt verdoofde het geluid hunner voetstappen; Aelbrecht wilde op Katharina toegaan, eenigszins met de deftige kalmte van een vaderlijk vriend, van een man die hare moeder had liefgehad; hij wilde haar toespreken op denzelfden toon — maar nauwelijks stond hij voor haar, of de stem stokte hem in de keel en hij bleef staan, bleek, roerloos en als verstijfd. Zij, daarentegen vloog op met een luiden gil en wierp zich aan zijne voeten, het hoofd diep neêrgebogen op den grond, met den uitroep: — Signor! signor! Alberti! mijn vriend! mijn redder!

— Carlotta! — riep hij diep bewogen en toch met meer strengheid in den toon dan men zou verwacht hebben, — ik kan vergeven, maar zeg mij — zeg mij welke list hebt gij gebruikt om tot mij te komen? Carlotta zelve zou mij welkom zijn, waarom geeft gij u hier voor Katharina Darfillijn?

— Katharina en Carlotta zijn dezelfde — slechts was Carlotta eene schuldige zonder berouw — en Katharina eene boetende zonder hoop.

— Berouw! boete! Katharina! — Carlotta! — hoe gij u ook noemt — die twee woorden verzoenen alles — niet aan mijne voeten, aan mijn hart is uwe plaats — de dochter van Margaritha werd er gewacht en Carlotta weet welke rechten zij waarop zoude hebben, zoo zij die niet zelve had verworpen.

Met eene onbeschrijfelijke mengeling van hartstocht en vertrouwen wierp zich toen Katharina. Carlotta aan de borst van Aelbrecht — die haar daarop lang en uitvorschend in de oogen zag, en toen met weemoedige teederheid haar het voorhoofd kuste. Hij zuchtte diep, terwijl hij op smartelijken toon herhaalde: — Carlotta! Carlotta! — gij, de dochter mijner Margaritha — hoe dubbele aanspraak hebt gij op mijne zorge — op mijn steun — en hoe gelukkig had ik nu kunnen zijn, indien… Frits en Luciaan gevoelden dat er tusschen die twee menschen na hunne wederzijdsche herkenning een geheim was waarin geen derde behoefde gemoeid te worden, en dat zij te veel waren bij dit tooneel — zij wilden gaan; maar Aelbrecht zeide hun: — Blijft hier. Hetgeen ik met Carlotta te spreken hebkan alleen worden gezegd op de plaats waar ik ook om harent wil veel heb geleden; — en hare hand nemende, verliet hij het vertrek, en leidde haai de trap af naar zijn onderaardsch verblijf — voerde haar dat door, voorbij de standbeelden waarvan wij vroeger hebben gesproken, trok toen haastig den sluier weg, die de marmergroep bedekte, waarvan het gezicht Eva zoo vreeselijk had getroffen, en sprak toen:

— Zie, Carlotta! dus heb ik recht geoefend over dien man! Zij liet een doffen kreet hooren, en zonk neder aan de voeten van de groep — in dezelfde houding van de geknielde non en ware de mantille van doffe zwarte zijde, die haar omhulde, en de zwarte kanten sluier dien zij droeg, in wit veranderd, men had haar kunnen verwarren met dat beeld — de gelijkenis was volmaakt — nu zelfs in de houding en niet meer onbewegelijk was het beeld dan Carlotta zelve onder de eerste verplettering van den schrik. Eene wijle daarop hoorde men van hare lippen een zacht gemurmel als van een gebed — het was een gebed, als de Roomsche Kerk dat aangeeft voor de rust der zielen van afgestorvenen. — En daarna opstaande, zeide zij nog diep geroerd maar toch met zekere vastheid:

— Ik heb vergeven! — Zoo waarlijk moge ik zelve vergiffenis vinden bij God… en menschen — voegde zij er aarzelend bij, den blik schuchter naar Aelbrecht opheffende.

— Gij hebt immers de mijne, — hernam hij; — van wie anders acht gij die nog noodig?… uwe moeder…

— Zij stierf in vrede, verzoend met mij. Om harentwille had ik mijn naam veranderd, mijne afkomst verborgen, toen gij mij aantroft. Ik ben weder tot haar gekomen, zij had nog vergiffenis, zij had nog trouwe moederlijke liefde voor mij; en toch, tegen haar had ik de grootste schuld.

— Tegen haar? — riep Aelbrecht met eene uitbarsting van verwijt; — tegen haar! acht gij uwe schuld tegen mij dan zoo licht?

— Zijne moeder heb ik de grootste grieve aangedaan door hare Kerk te verlaten, aangetrokken door de vreemdste verlokking, ook zelfs haar huis… het heeft haar, die reeds zooveel leed, een jaar lang het leven verbitterd, en ware zij gestorven zonder mij hare vergiffenis te schenken — had ik niet maanden lang aan haar kwijnend leven mijne teederste zorgen mogen besteden, ik zou bezweken zijn onder de smart der wroegingen; maar wat u betreft… ik heb u altijd zoo liefgehad — ik heb u zoo weinig vergeten — zelfs toen ik u verloren had; ik heb zoo voortdurend met de herinneringen aan u geleefd — en Carlotta trachtte hem aan te zien met eene teederheid, die zeker onweêrstaanbaar zou geweest zijn, zoo niet de vreeselijkste argwaan in zijne ziel had geheerscht, en hij den blik had afgewend.

— Carlotta! eer gij verder gaat met die betuigingen, zeg mij eerst, hoelang hebt gij geleefd op het kasteel van den prins Pandolfo?

— Drie maanden, signor! — hernam zij zacht maar kalm… juist zooveel tijd als ik noodig had mij met mijne moeder te verzoenen.

— En de prins? was hij daartoe het middel? — vroeg hij op een toon van snijdende ironie.

— De prins! — hernam zij met de uiterste verwondering, heer Aelbrecht, gij… gij kunt zoo spotten? — Spotten met een slachtoffer, riep zij verschrikt, — want was — het eene daad — van gerechtigheid — eene wreedheid blijft het toch!! — Neen, Carlotta, ik begrijp u niet, wat toch bedoelt gij: Ik heb mij niet aan den prins vergrepen, al brandde de jaloezie in mijne ziel.

— Maar! de prins en de monnik — zijn een! — riep Carlotta, en wees op het beeld van den onthoofde; — weet gij dat dan niet?

Aelbrecht antwoordde niet, maar drukte haar de hand met een blik van blijdschap, alsof hij zich plotseling van eene onuitstaanbare kwelling verlost zag.

— Zijne moeder en zijn oom, de kardinaal — die mij vergoeding schuldig meenden te zijn voor alles wat ik door hem geleden had, namen mij liefderijk op, — vervolgde Carlotta rustig; — de kardinaal onthief mij van den dwang eener gelofte, die ik niet had mogen doen zonder den wil mijner moeder, en bewerkte mijne verzoening… met deze.

— Het was dus over zijn eigen neef, dat de kardinaal dat vreeselijke vonnis heeft… gesproken — dat — ik… uitvoerde? — Ja — die grijsaard was onverbiddelijk, toen hij de eer der familie en die der Kerk beide geschonden wist. Ik, uit het klooster bevrijd, dat toch mijne roeping niet was, en nog niet verzoend met mijne moeder, schreef aan — u; ik kreeg geen antwoord. Ik kreeg zekerheid dat gij waart weggereisd… toen moest ik wel mijne toevlucht nemen tot de gastvrijheid der oude prinses, die als eene moeder voor mij was, die mij zelve naar mijne moeder heeft teruggebracht — en die niet opgehouden heeft ons beiden blijken te geven van de zorgzaamste vriendschap.

Dat ik ondanks dat alles niet gelukkig was, nooit meer gelukkig kon worden zonder u — hebt gij kunnen weten… maar ik nam dit lijden als eene rechtvaardige boete voor al mijne dwalingen, voor die verbijstering, waardoor ik mij van mijne moeder liet wegvoeren naar een klooster, aangetrokken door hetgeen ik voor heiligen ijver hield, en dat slechts een gevolg was van opgewonden verbeelding. De ontnuchtering volgde, en ik leed zooals geene andere kon lijden, op eene plaats waar niets mij bevredigde — want ik had mij die zelve gekozen! Toen voerde mijn goede engel u tot mij… gij begreept mijn lijden — en gij, die als geneesheer werd geroepen voor mijn lichaam, gij wildet ook mijn krank gemoed genezen door den zachten balsem der teederheid.

— Gij weet — hetgeen mij aantrok in u — was eene sprekende gelijkenis…

— Met eene die gij niet noemdet, die ik niet noemen durfde mijne moeder. Ik weet, niet om mij zelve, maar om dat beeld hadt gij mij lief — ik, integendeel, stelde mijne hoop en mijn hart dus vast op u — dat…

Gij gehoor gaaft aan de influisteringen der afschuwelijkste list — der afschuwelijkste zelfzucht.

— Gij weet niet welke angsten de vreeselijke monnik der arme nieuwelinge wist in de ziel te drukken — de toorn van den hemelschen Bruidegom — de angst voor mijne zaligheid, voor de uwe; en de abdis, die zich uit zwakheid aan uwe zijde had gesteld, die zelve verklaarde geene bruid des hemels te willen, die wereldzin bleef voeden in ’t harte — de strijd de vertwijfeling, die mij aangreep, en de monnik, die sprak als een heilige. — O! eene andere, eene betere dan ik had wellicht begrepen — ik begreep niet, en ik volgde; — maar toen hij zich ontmaskerde, toen hij de monnikspij afwierp en mij den gehaten Pandolfo toonde — toen sidderde ik, en — was er dan geen heilige om dit voor mij te getuigen bij u — toen wilde ik tot u wederkeeren; — gij — gij vergistet u in mijne smart — gij begreept mijn zwijgen niet — gij liet mij terugvoeren naar het klooster, dat nooit voor mij weêr een verblijf van rus te kon worden; en gij zijt heengereisd verre van mij, juist toen ik uwe liefde, uwe bescherming zoo noodig had en geene toevlucht had dan in de trouw van een verloofde.

— Carlotta, gij hebt gelijk; ik schijn dit verwijt te verdienen. Maar nooit ware ik heengegaan, zoo ik niet in den monnik den gelastigde van Pandolfo had gezien — zoo de ongelukkige zich had willen noemen, zoo de kardinaal zelf — zeker om de eer van den naam te redden, terwijl hij den persoon strafte mij ontdekt had dat het zijn neef was — die aan zijne voeten zwijgend zijn vonnis wachtte. Een kistje met vrouwelijke sieraden, dat bij hem gevonden werd, en dat Pandolfo’s wapen voerde — dacht mij een zeker bewijs dat hij u heenvoerde naar den prins. De abdis zelve versterkte mij in dat geloof — vergeef mij zoo ik aan bewijzen geloof sloeg die tegen u spraken…

— Nu gij weet dat de prins en de monnik dezelfde waren, begrijpt gij toch…

— Dat alles eene nieuwe list was van den ongelukkige. En nu, Carlotta, ik heb uwe moeder liefgehad, en gij… zijt mijne verloofde. Beslis zelve — of gij nog mijne echtgenoote wilt zijn…?

Katharina-Carlotta antwoordde niets — maar zij reikte hem de hand — en hij begreep haar zwijgen.

— Voor mij nóg geluk! — riep hij in verrukking, terwijl hij zich aan hare voeten wierp.


Ingezonden op: 19 July 2001