DON ABBONDIO II.

XVII.

Besluit.


Drie of vier dagen daarna bevonden zich de redactie en de voornaamste belanghebbenden van het dagblad den Salamander samen te Amsterdam op de ***sociëteit, door Luciaan opgeroepen tot die bijeenkomst. Wij onderstellen dat Don Abbondio ditmaal de courant had gelezen, of voor ’t minst de circulaire van den secretaris zijner club had ingezien; althans hij was niet tegenwoordig, meer een bewijs van zijne voorzichtigheid dan van zijne belangstelling. Maar onder de voorname aandeelhouders waren er twee, die nu pas hunne namen als zoodanig hadden gegeven: mijnheer Brandsen en Aelbrecht, die beiden, als men denken kan, een paar duchtige steunpilaren zouden zijn voor het dagblad, in materiëelen zoowel als in moreelen zin.

Zooals altijd plaats heeft bij officiële samenkomsten, kwam de hoofdpersoon het laatst, was het niet om zijne entrée te meer luisterrijk te maken, dan toch om niet gedwongen te zijn de mededeelingen, die hij had te doen, te herhalen voor de laterkomenden. Maar hetgeen Luciaan had mede te deelen was van zulk en aard, dat hij gelijk had er een weinig pretentieus meê te zijn; het gold niets minder dan de officiële toestemming van het gouvernement in de aanvrage, die zij hadden gedaan in ’t belang van hun dagblad, toestemming, waarvan wij vroeger het hooge gewicht hoorden ontwikkelen, en waarvoor zooveel gekampt, en zelfs een weinig geïntrigueerd was.

Luide vivats en uitroepen van vreugde, sommigen geestig — sommige anderen enkel luidruchtig, beantwoordden die mededeeling — maar Luciaan herinnerde aan de orde, en zeide dat hij nog meer goed nieuws te vertellen had — dat zij met vreugde zouden hooren, al gold het slechts het persoonlijk belang van een hunner; men had hem het genoegen gegund Frits Darfillijn aan te kondigen dat hem eene belangrijke betrekking werd aangeboden. De reden dezer onderscheiding werd niet duidelijk aangegeven, maar voor wie bekend was met de lotgevallen van Darfillijn de oude, kon er in zien eene soort van rehabilitatie van een naam, die, zoo al niet ten onrechte verdacht, toch onrechtvaardig behandeld was door de verzwaarde verdenking die er op viel uit een onregelmatigen rechtshandel; en zoo Frits dit al niet noodig had voor zich zelven, en voor wie hem kenden, voor zijns vaders nagedachtenis en voor vreemden was het hem zeker iets onmisbaars; dat had Don Abbondio goed gezien; de blijdschap van den jonkman evenaarde het geluk dat hem ten deel viel, hoewel het niet meer eene verrassing was.

— Ik neem die betrekking niet aan, vrienden! — sprak hij opgeruimd, — ten deele omdat ik dan uwe zaak zou moeten opgeven, ten deele om redenen, die ik voor mij houde — maar toch is de benoeming zelve voor mij een groot geluk, want daarvan had mijn oom zijne toestemming afhankelijk gemaakt tot mijn huwelijk met zijne dochter.

Nieuwe vreugdeblijken en gelukwenschen, die van de meeste oprechtheid getuigden.

— Maar eilieve, aan wie of aan wat danken wij die goede gezindheid van de regeering voor ons en de onzen? — vroegen de jongelieden.

— Zooals ik het u vroeger had voorspeld, aan de tusschenkomst van mijnheer ***, dien gij zoo malicieus Don Abbondio II hebt genoemd. Hij heeft mij een enkelen brief voor mijnheer Z. medegegeven — ik heb dien in persoon gebracht — ik heb er een paar woordjes tot opheldering bijgevoegd, en ziehier met welke uitkomst. Alles wat wij wenschten, hebben wij verkregen. Ziet gij wel, dat ik gelijk had met op dien man te rekenen? — voegde Luciaan er bij, met wat malice op Aelbrecht ziende.

— Wij zijn hem vergoeding schuldig voor vroegere kleinachting wij moeten hem openlijken dank betuigen, — riepen sommigen. — Ja, doet dat! — sprak mijnheer Brandsen opstaande, want eene pendule tegenover zijne plaats herinnerde hem aan eene andere belangrijke bijeenkomst — doet dat! hij is een vriend van mij, en ik gun hem de eer van harte; en zoo er een tientje of wat bij noodig is om de zaak wat luister bij te zetten, weet gij dat ik mijne portie sta.

Hij verwijderde zich. Aelbrecht volgde hem.

— Ja, ja — riepen de anderen vrij eenstemmig. — Wij zullen hem eene hulde brengen.

— Eene ovatie!

— Eene serenade!

— Nog dezen avond!

— Ik bid u, mijne heeren! — riep Frits verschrikt. Gij kent mijn oom: zulk eene demonstratie kan niet anders dan hem onaangenaam zijn, en ik… die mij nu de verloofde mag noemen van zijne dochter…

— Welnu — dan geldt die tegelijk mejuffrouw uwe verloofde! — spraken zij opgewonden.

— Om ’s Hemels wil, Luciaan! weer dat af, — sprak Frits, die niet meer wist hoe hij dit zijn aanstaanden schoonvader zou sparen, — gij weet beter dan iemand, hoezeer mijn oom alle publiciteit haat.

— Integendeel, Frits, ik ben meer dan ooit van gevoelen, dat mijnheer uw oom, zooals hij gezegd heeft, zich zeer oprecht heeft gesteld aan het hoofd van den vooruitgang!

En lachende nam hij Frits onder den arm, groette de overigen, en hoewel tegenstrevend moest deze volgen.

— En was die stugge groote heer werkeIijk zoo schielijk gereed om te voldoen aan het verlangen van mijn oom? — vroeg Frits aan Luciaan.

— Aan den inhoud van den brief, ja — verbeterde Luciaan, — want of die bepaald de wenschen van onzen Don Abbondio inhield, zou ik niet durven verzekeren; laat het u genoeg zijn, dat de Rodrigo terstond toegaf.

— Ik zou toch wel eens willen weten, door welk middel mijnheer Aelbrecht dien onoverwinnelijken man tot zulke concessies heeft gebracht.

— Mijn beste Frits, neem een raad van mij — vraag daar nooit naar, en doe geene poging om daar iets van te weten, antwoordde deze; — wees tevreden — dat gij de uitkomst geniet.

Frits ging naar het huis van zijn oom, om zijne aanspraak op Eva’s hand nu te laten gelden. Zij werd hem niet meer betwist, en zelfs toen hij Don Abbondio verwittigd had van de luidruchtige hulde die hem wachtte, waarschijnlijk nog dien eigen avond — vroeg deze van zijn aanstaanden schoonzoon reeds terstond den dienst, om hem te vertegenwoordigen.

— Gij begrijpt, mijn jongen — ik zou toch altijd een beetje een gek figuur maken; het gouvernement doet zulke consessies toch nooit van goeder harte, en… en… ik ben niet voor zulke demonstraties.

— Maar, lieve vader! — zei Eva, — dan moet gij ook niet thuis zijn als zij komen.

— Gij ziet dat goed, mijn kind. Maar waar zal ik eene visite maken, om half tien ’s avonds… zonder de reden van dat bezoek te zeggen, en gij begrijpt wel… dat gaat niet…

— Ik weet iets, — zeide Eva schalk — bij mevrouw Frevel!

— Ondeugende! — sprak Don Abbondio glimlachende, en, toch verheugd dat zij dien naam nu het eerst had uitgesproken, en met zoo weing tegenzin.

— Maar — hoezeer ik plan heb op dat bezoek — zoo laat en zoo ongewacht gaat dat niet…

— Nu, dan weet ik nog beter, ga bij oom Aelbrecht; hernam zij, want zij wilde nu eene verzoening van allen met allen.

Don Abbondio sidderde op het denkbeeld, en toch eindigde hij met den raad te volgen — hoewel hij bleef aarzelen tot de flambouwen en de muzikanten, die de demonstratie vergezelden, zich reeds op de gracht vertoonden; toen ontsnapte hij stil en snel door zijne tuindeur, en na eenige minuten bevond hij zich bij zijn broeder, de eenige die met een half woord begrijpen kon, waarom hij op dit uur zijn huis ontvluchtte.

Het was zeker een pijnlijke stap voor hem, een huis binnen te gaan, dat hij zoolang had gemijd; maar hij kende zijn broeder te edelmoedig, om in zulk een oogenblik misbruik te maker van zijne positie; en daarbij, hij had alles afgestaan, alles toegegeven wat deze van hem verlangde; hij behoefde niet te vreezen voor nieuwe eischen.

Toch wachtte hem daar eene verrassing — hij vond er Luciaan en mevrouw Prevel. De eerste had er de laatste gebracht, die Katharina Darfillijn wilde wederzien; en Aelbrecht had haar weten over te halen om met hem te soupeeren. De beide dames zaten vertrouwelijk te praten, terwijl Luciaan met Aelbrecht voor den schoorsteen staande, zich met politieke vraagstukken bezig hielden, als lieden die voor hunne eigene toekomst geene vragen meer hadden te doen.

De schalke Luciaan had moeite een glimlach te bedwingen, toen hij Don Abbondio zag binnenkomen. Aelbrecht ontving hem welwillend maar ernstig — Katharina wilde zich haastig verwijderen, maar Aelbrecht nam haar bij de hand, en stelde haar aan Don Abbondio voor, terwijl hij zeide:

— Ik heb slechts ééne zwarigheid tegen uw oponthoud in mijn huis; gij ziet hier eene jonkvrouw, die mijne bruid is en over welke wij het niet eens zijn. Ik hou de haar voor de dochter van uw zwager Darfillijn!

— Om volkomen oprecht te wezen, moet ik bekennen, dat ik haar nooit voor iets anders heb gehouden, — antwoordde Don Abbondio, zich hoffelijk buigende voor Katharina.

— Ik dank u voor dat woord, broeder! zeide Aelbrecht zeer ernstig; — ik had het noodig voor mijne echtgenoot tegenover deze beide getuigen — hij wees op Luciaan en mevrouw Frevel. Don Abbondio haastte zich de laatste te begroeten; zij verweet hem vrij scherp zijne vroegere onoprechtheid.

— Hadt gij dan liever gezien dat ik een man ware, die zich door den eersten blik van een paar duivenoogen liet wegsleepen? — fluisterde hij haar in.

Zij glimlachte bevredigend; hij ging voort haar te bevredigen en eer men soupeeren ging, was hij daarin zoo goed geslaagd, dat Luciaan zacht tegen Aelbrecht zeide: — ons drama heeft waarlijk den loop van een blijspel genomen, — ziehier eene ontknooping met niet minder dan drie huwelijken!

— Met vier! onder Uw welnemen, hernam Aelbrecht lachende,— want zoo straks heeft mijnheer Brandsen mij gezegd, dat het uwe met zijne nicht zoude doorgaan, als gij uw eerste proces hadt gewonnen.

— Zoo is het, hernam Luciaan met een zucht — alleen, ik heb er nog geen gehad, en……

— Integendeel, ik heb hem beduid, dat gij het proces-Darfillijn hebt gewonnen zonder er eene openlijke rechtszaak van te maken.

— En was hem dat genoeg?

— Ga hem morgen ochtend zien, en gij zult weten wat er voor u gedaan is. Mijne Katharina heeft u zooveel te danken! hernam Aelbrecht, terwijl hij hem hartelijk de hand drukte.


De demonstratie was in volmaakte orde afgetrokken en zeer voldaan met hare ontvangst door Frits en Eva. Don Abbondio bleef voortaan aan het hoofd van den vooruitgang op dezelfde conditiën als voorheen. Slechts toen zijn Rodrigo, de gewelddadige en listige man, dien wij meermalen noemden, door eene rechtvaardigheid van het lot gevallen was, trok hij zich terug op eene wijze die hem deed aanzien voor een martelaar zijner vrijzinnige gevoelens, hetgeen maakte dat hij eer won dan verloor in de publieke opinie. Onze vertelling eindigt vóór 1848; maar wij weten dat hij bij de rechtstreeksche verkiezingen, die dat jaar werden ingevoerd, eene groote menigte stemmen op zich heeft vereenigd gezien, en wij hebben het recht niet u gerust te stellen dat hij niet in de Staten-Generaal is ingeslopen. Hij is getrouwd met mevrouw Prevel, die als chef commandeert — zijn geluk is dat zij te veel bon sens heeft om jaloersch te zijn, nu zij hem eens tot gemaal heeft; maar zij is zeer kerksch en daar men hem dus meer dan ooit op zijne gedistingueerde plaats in de kerk ziet verschijnen, is het zeer waarschijnlijk, dat hij te eeniger tijd zal worden gekozen als ouderling voor de synode.

Een ieder, die hem ontmoet, zij tegen hem gewaarschuwd, en sterke zich tegen hem, wáár men hem dan ook ontmoete. Het is tot dit doel, dat wij zijn signalement hebben gegeven en zijne geschiedenis.

Eva en Frits waren zoo gelukkig als zulke jongelieden het zijn kunnen, vooral nadat hunne gehechtheid eene wijle door tegenwerkmg is beproefd.

Zij wonen niet te Amsterdam, en op die wijze alleen kan hunne verhouding met hun vader eene goede blijven.

Aelbrecht is, na zijn huwelijk, met zijne jonge vrouw buitenslands gaan reizen; hij heeft niet goed gevonden te zeggen waarheen, en wij hebben er ook geen belang bij het te weten, nu hij Don Abbondio II voor ons heeft ontmaskerd en overwonnen. Wij weten nu ten minste dat deze niet onverwinnelijk is.

1849.


Ingezonden op: 19 July 2001