Levensbeschrijving

Toen Oltmans, naar het wezen der zaak, uitgeschreven raakte (met zijn Schaapherder in 1838) debuteerde de Alkmaarse apothekersdochter Anna Louisa Geertruida Toussaint. De vader van Truitje Toussaint, zoals zij in de wandeling heette, was een belezen man; ook in onze klassieken kon de jongedame zich, dank zij haar vader, thuis voelen. Haar boeiden Van Lennep, de schrijver van de Nederlandsche Legenden, en Scott, de schrijver van de historische romans. Byron’s Corsaire, Schiller’s Räuber, Victor Hugo, Alexandre Dumas en andere romantici heeft zij klaarblijkelijk reeds bestudeerd, als zij — na de nodige vertalingen — in 1837 haar eerste oorspronkelijke werk in het licht geeft, de novelle „Almagro”. Een jaar later wordt deze eersteling gevolgd door de roman „De Graaf van Devonshire” (1838); wederom een jaar later verschijnt „De Engelschen te Rome” (d.w.z. het Rome van Sixtus V), en in 1840 „Lord Edward Glenhouse”. Dit laatste werk heeft op de tijdgenoten een diepe indruk gemaakt; het behoort dan ook overwegend in de sfeer van de romantiek zoals die in deze jaren werd opgevat, de romantiek van Van der Hoop Jr., Meyer en Hofdijk: buitengewone, avontuurlijke gebeurtenissen, heftige, schokkende aandoeningen, fantastische decors, verrassende ontwikkelingen en wonderbare verschijningen, — al deze attributen, die de verbeelding en het gemoed der lezers in die dagen verhitten, zijn present. Maar in dit werk zijn óók reeds volop aanwezig de persoonlijke eigenschappen van de schrijfster, zoals wij die in haar later werk in volle ontwikkeling zullen aantreffen. Volop aanwezig is ook het religieuze motief, dat van de nu volgende roman de grondgedachte gaat vormen. De keus van de stof voor deze volgende roman is gestimuleerd door factoren van buitenaf; Potgieter, die in De Gids haar Graaf van Devonshire geprezen had, spoorde de schrijfster aan haar „buitengewone verbeeldingskracht” dienstbaar te maken aan het schrijven van een „waarlijk Nederlandschen roman”, waaronder hij dan verstond een roman die een stof behandelde uit de vaderlandse geschiedenis, liefst uit het tijdperk na het begin van de opstand tegen Spanje.

Wij wezen er reeds op, hoe met Bakhuizen van den Brink en Potgieter de Romantiek een proces van verenging onderging, en de wijdere Europese romantiek verengd werd tot Hollands-nationale. Typisch zien wij deze verenging optreden, waar deze auteurs de historische roman beoordelen.

„Wij kunnen ons niet ontveinzen, schreef Bakhuizen van den Brink in de eerste jaargang van De Gids, 1837, dat wij het tot een voorschrift voor een historischen Roman zouden wenschen te maken, dat hij nationaal zij… Het is niet genoeg, dat namen en plaatsen van den grond en uit de geschiedenis onzes Vaderlands gekozen zijn, er moet een nauwer verband tusschen het behandeld historisch feit en den duurzamen en tegenwoordigen toestand wezen”.

Daartoe moest de schrijver zijn stof kiezen uit Hollandse stof sinds ongeveer 1550, teneinde op die manier „tot de Vaderlandsliefde van den Lezer” te spreken. Hiermede wordt het idealistisch-didactische element dat Loosjes had gekenmerkt, opnieuw en principieel naar voren geschoven en de opvoedkundige stof beperkt tot het Hollands, nationale. De wijdere Europese vorm van Romantiek dus die Drost kende, verengd tot de didactisch Hollandse. Drost had zijn tijdschrift Europa willen noemen; onder invloed zijner vrienden noemde hij het, neutraler, De Muzen. De Hollandse Muze werd geïntroduceerd, waar Drost haar stellig niet op deze wijze had gedacht te zien verschijnen.

Hoezeer Potgieter en Bakhuizen geneigd waren het religieuze aspect zoals dat door Drost werd voorgestaan, strijdig te achten met hun nationale desiderata zoals die in Bakhuizens „voorschrift” waren vastgelegd, bewijst niet alleen de reeds behandelde omwerking en averechtse voltooiing van De Pestzegen, maar ook de omstandigheid, dat het volgend werk, waarin dit aspect tot uiting kwam — Bosboom Toussaint’s Het Huis Lauernesse in De Gids niet werd besproken. Dit kan niet berusten op geringschatting der litteraire qualiteiten; het moet voortvloeien zoal niet uit „verzet, bij de Gids-leiders, tegen zijn geest”, dan toch uit gebrek aan waardering voor deze geest. Ongetwijfeld behandelt Het Huis Lauernesse, het werk van Toussaint’s blijvende roem, een nationale stof, en nog wel van na het optreden der Hervorming. Maar het behandelt juist als zodanig en in een bepaalde geest het indringen van de Hervorming in de Nederlanden; het bestudeert een religieus aspect en de invloed daarvan op het huiselijk en maatschappelijk leven. De lezer ziet dit alles in het brede tafereel, waarin de jonkvrouw van het Utrechtse kasteel Lauernesse, onder invloed van de jonge geloofsprediker Paul van Mansfeld, de Moederkerk vaarwel zegt, en daardoor in allerhevigst conflict raakt met haar verloofde, de keizerlijke hopman Aernoud Reinierz. Bakelsze, overtuigd Katholiek en heftig bestrijder van de Hervorming. Dit sluit echter volstrekt niet in, dat de schrijfster nu duidelijk voor, stander is van één bepaalde kerkleer met verwerping van het Katholicisme en alle andere religievormen. Naar de geest immers behoort deze roman tot het Réveil, onder welks voorgangers zij haar grootste vrienden en door haar bewonderde vereerders vond: Da Costa en Groen van Prinsterer. Zij had zelfs een zeker wantrouwen in lieden die steeds met het Here, Here in de mond liepen, zij geloofde in een godsdienst des harten die te teer en te innig is om er altijd mee voor den dag te komen. Juist in de zich noemende christelijk-orthodoxe kringen viel haar op de sterke neiging elkaar de vrijheid niet te gunnen anders te denken, te voelen en te handelen dan naar geijkte formules. Gezuiverde Christenen, die het Evangelisch christendom belijden, geloven in het geopenbaarde Woord en handelen daarnaar, boven en buiten de sfeer van secten en partijen:

„Het was het Christendom uit het Evangelie, het Christendom zonder stelsel, het Christendom, dat slechts één Heer kent en verder alleen broeders: het Christendom, dat leert God lief te hebben in eenvoud des harten, met alle overtuiging des verstands en met alle krachten des geloofs, dat denzelf den liefdeplicht gebiedt aan den naaste, dien wij in waarachtige oprechtheid zouden vorderen voor ons, en dat geen anderen vijand leert haten dan de zonde — dat Christendom, dat voor alle standen is en voor iederen tijd. Dat Christendom dan, waaruit ieders bevatting putten kan, het Christendom van geloof, hoop en liefde.”

Deze op Melanchton geïnspireerde idealen, die zozeer harmoniëen met de opvattingen van het Réveil — dat bij behoud van de leer vooral de nadruk legde op het beleven van de christelijke liefde tot de evenmens —, deze liefelijke en liefderijke geest die in de Hervormingstijd naar haar inzicht beleefd werd, houdt Toussaint haar lezers voor als de ideale, de navolgenswaardige. Een geest, geregeld overigens door een verantwoord rationalisme, dat kennis, harmonie, verdraagzaamheid en practische mensenliefde eiste. Kortom: een humanistisch Christendom.

Paul van Mansfeld is een tegenhanger van Hermingard: als zij, is ook hij drager van de nieuwe Evangelische, niet primair kerkelijk- „verengde” boodschap. Als deze boodschap dan met alle geweld een orgaan moet hebben, dan zij het de Nederlands Hervormde Kerk, maar ook onder de Katholieken uit de hervormingstijd vindt Toussaint de ideale priesterlijk-waardige en menselijk zuivere figuren die de hemelse boodschap wezenlijk begrepen hebben en er naar leven, en die anderzijds domheid, bijgeloof, dweepzucht ver van zich verwijderd houden. Zo de vicaris van het bisdom Utrecht, de Erasmiaans-humanistische figuur, die binnen de Kerk blijft, al heeft hij begrip voor Paul, die hij naar Lauernesse brengt, naar Ottelijne, die onder Pauls invloed uit de Kerk treedt.

Toussaint is er stellig in geslaagd, deze denkbeelden en gevoelens gestalte te verlenen in een door de verbeelding levend gemaakte, bewogen historie en in de door haar geschapen figuren. Niet alleen de figuren van haar voorkeur, — de Evangelische, zachtmoedige —, ook de heftige, starre, hartstochtelijk-bewogen karakters heeft zij voortreffelijk uitgebeeld. Zij bleek in staat diep in het leven ingrijpende psychische processen volkomen aanvaardbaar voor te stellen. Zij weet ook vaak uitstekende dialogen te schrijven. Daar staat tegenover, dat haar verhaal — en niet alleen dit — lijdt aan een overdaad van beschouwingen en uiteenzettingen, veelal van historische aard, die de gang van het verhaal remmen, terwijl de taalvorm in engere zin vaak te wensen overlaat . Wel onder invloed van de mannen van De Gids meende zij „over de gesprekken eene tint van oudheid te moeten werpen” door haar personages de taal der zestiende eeuw te laten spreken. De invloed van één dezer mannen ging ook in persoonlijke aangelegenheden verder, en een verloving met Bakhuizen van den Brink volgde. Bron, overigens, van veel ellende: beiden waren stellig niet voor elkaar bestemd. Na enige jaren werd deze verloving verbroken. Het geval heeft haar scheppingskracht zeker niet verzwakt. Onder invloed van Bakhuizen schreef zij Eene Kroon voor Karel den Stoute (1841), waarna in de veertiger jaren een groot aantal kleinere en omvangrijker verhalen het licht zag. Tegen het einde van deze periode uit haar leven verschenen de Leycester-romans: Leycester in Nederland (1846), De Vrouwen uit het Leycestersche tijdperk (1850) en Gideon Florensz (1855). De wezenlijke hoofdpersoon is de verbeeldingsfiguur van de predikant Gideon Florenz, die opnieuw Toussaints Evangelische idealen uitspreekt en beleeft, zoals zij overigens niet nagelaten had te doen in de kleinere, tussenliggende verhalen. Niet om deze figuur echter oogstte het werk grote instemming onder de historici van zijn tijd. Die prezen het om het grondig onderzoek naar de aard van het behandelde tijdvak, waarvan het vele overtuigende blijken gaf. Naar litteraire opvatting zijn deze blijken té talrijk: de schrijfster ligt bedolven onder haar historische stof, zózeer, dat het werk meer een bewerking van een historisch tijdvak genoemd moet worden dan een roman.

Beter geslaagd is haar „Mejonkvrouw de Mauléon” (1847), een uitstekend behandelde liefesgeschiedenis, waarachter men wel vele persoonlijke belevenissen mag zien, ook voor wat betreft het religieuze leven. In dit laatste opzicht nam zij een steeds geprononceerder houding in, die haar deed afwijken van Potgieters opvattingen. Zij verwierp de prijzers van het verleden die in eigen tijd en volk weinig goeds meer zagen; zij meende dat de Christen een andere houding had aan te nemen. Dit bracht haar steeds nader tot de volgelingen van Bilderdijk en Da Costa.

„Wat is „De Gids” raar geworden. ’t Is het laatste jaar dat ik mee doe”, schreef zij in Januari 1848 aan Van Lennep; zij was zowaar doende mede te werken aan de oprichting van een nieuw tijdschrift. Het nieuwe tijdschrift is niet verschenen, maar: „wat wordt de Gids vervelend” Zelf trachtte zij niet vervelend te zijn, noch in haar huwelijk met de schilder Jan Bosboom (1851), noch in de geschriften die zij na dit huwelijk vervaardigde en die in de volgende periode behandeld worden.

Met enige goede wil kan men Klaasje Zevenster nog wel een historische roman noemen, inzover de aanvang der gebeurtenissen in de twintiger jaren van de negentiende eeuw ligt en het verdere verloop zich in de daarop aansluitende jaren ontwikkelt. Met meer recht echter dient dan genoemd het werk van Hofdijk, voorzover hij het in deze periode schreef, en dat van Mevrouw Bosboom Toussaint, wier werk uit de jaren vóór 1850 hiervóór behandeld werd. In de jaren na 1850 varieert zij haar geschriften sterk voor wat de stofkeuze betreft; zowel zestiende als zeventiende eeuw boeien haar, terwijl zij — teken van de nieuwe phase — de eigen tijd geenszins vergeet; het eigen land en het vreemde weet haar weelderig gestoffeerde verbeelding te bevolken met belangwekkende figuren. Het maatschappelijke en geestelijke leven, daarin begrepen het staatkundige, boeien haar en zij verwerkt de materie met kennis van zaken, al overwoekert de stof vaak de idee.

Haar belangrijkste werk in dit genre uit deze periode van haar leven schrijft zij waar zij het minst gebonden is aan de historie en de verbeelding vrij spel heeft. Krachtens deze vrijheid van beweging in het rijk der verbeelding hoort „Frits Millioen en zijne vrienden” (1869), dat in de eigen tijd speelt, tot haar meest geslaagde geschriften. Veel waardering vindt ook de „Graaf Pepoli” (1860), dat door sommigen voor haar meesterwerk gehouden wordt, al is het tweede gedeelte vrijwel overbodig. En nogmaals hetzelfde kan gezegd worden van „De Delftsche Wonderdokter” (1870) met de nobele figuur van Graswinckel, in wie zij opnieuw haar ideaal van menselijke volkomenheid tot uitdrukking bracht. Bij het schrijven van dit werk stond haar voor de geest de persoon van Groen van Prinsterer, met wie zij haar held vereenzelvigde. Deze beide laatste werken staan minstens op dezelfde hoogte als Lauernesse en Mejonkvrouwe de Mauléon.

Aparte vermelding verdient „De verrassing van Hoey in 1595”, dat in 1865 toch maar weer in die „vervelende” Gids verscheen. Als het werk hier aan de orde komt, is dat niet zozeer om de uitzonderlijke kwaliteit ervan, maar om nog eens de aandacht te vestigen op de rol van „De Gids” in onze letterkunde. Het is namelijk het resultaat van de schrijverstalenten van Toussaint plus de critische opmerkingen van Potgieter en Huet. Welke nu de waarde zij van deze critische opmerkingen kan buiten beschouwing blijven, het resultaatvan de bemoeizucht van beide heren is, dat Toussaint er „diep melancholiek” onder werd en Potgieter vriendelijk maar dringend vroeg haar in het vervolg maar „buiten U om (te laten) tobben totdat ik er door ben”.

Niet alleen, dat bepaalde leiders uit de Gids-mentaliteit de ontwikkeling onzer letterkunde in een bepaalde richting gestuwd hebben (dit was hun goed recht, al kan men persoonlijk betreuren dat zij de wijdere Europese Romantiek van Drost vervingen door de engere Hollandse van Potgieter en Bakhuizen), zij hebben ook „ontmoedigend” gewerkt.

Vrijwel tot het einde van haar leven zal Bosboom-Toussaint doorgaan met het schrijven van romans en verhalen. En zoals zij dit al meermalen gedaan had, koos zij ook in de latere jaren als haar dit inviel, haar stof uit het toenmaals moderne leven. Nog was De Delftsche Wonderdokter niet verschenen, of zij was al met een ander dergelijk werk bezig. Het resultaat was de succesrijke roman „Majoor Frans” (1874), waarin zij „de strijd eener vrouw tegen zich zelve en de wereld” beschreef.

De psychologie die Mevrouw Bosboom in dit werk beoogde toe te passen, heeft zij bij monde van een der hoofdpersonen, Leo van Zonshoven, theoretisch als volgt geformuleerd:

„Het is de analyse van eene vrouwengestalte, die niet als een marmer beeld uit én stuk gehouwen is en dat men in ettelijke seconden kan laten photographeeren. Het zijn waarnemingen omtrent een karakter dat uit zeer verschillende, bijna tegen elkaêr inloopende trekken is samengesteld; het zijn ontdekkingstochten in een vrouwenhart, dat diep en bewegelijk is als zekere onpeilbare waterkolken en waarvan men alle verschijnselen met oplettendheid moet gadeslaan; fijne schakeeringen of schijnbaar nietige details mogen niet worden overzien, of wij staan voor onoplosbare raadsels.”

Niet, dus, de beschrijving van een vrijwel statische figuur; veeleer de ontleding van de dynamiek ener gecompliceerde mensennatuur, die moest leiden tot wat een psychologische roman genoemd kan worden.

Het is een talentvol boek over een liefdesprobleem, geplaatst in het wijdere kader van de vrouwenemancipatie, die juist in die dagen begon op te komen. De kerkelijken waren met dit werk niet zo bijzonder ingenomen, daar het religieus en stichtelijk element naar hun smaak te zeer op de achtergrond bleef. Bosboom-Toussaint echter was van mening, dat het niet nodig was altijd „een psalmtoon aan te heffen of voor de ware religie te strijden”.

Wanneer wij het oeuvre van Mevrouw Bosboom overzien, mogen wij constateren, dat een groot, althans een belangrijk deel ervan bestaat uit romans en verhalen, die op hun wijze hebben deelgenomen aan de pogingen van enkele goedwillenden om het religieuze leven in de geest van het Réveil te verdiepen. Als exponent van dat Réveil heeft zij haar lezers een aantal werken geschonken die hebben bevredigd. Daarnaast staan boeken als Mejonkvrouw De Mauléon en Graaf Pepoli die uit andere motieven zijn ontstaan, maar evenzeer tot de hoogtepunten van haar werk gerekend mogen worden.

Bron: Handboek tot de geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde deel 3 (1950) pagina 239 — 244 en 311 — 313.

Ingezonden op: 19 July 2001