De Graaf van Devonshire.

XVII.

Een monnik.


In de gewone gelagkamer van de vermaarde herberg De Gekroonde Handschoen, te Woodstock, welker uithangbord met het beroep van de meeste inwoners overeenstemde en den kastelein niet weinig klanten lokte, zat eenige maanden later , op een zondagmiddag van het jaar 1554, behalve de gewone drinkebroers, die er in de ale of cider hun huiselijk verdriet gingen vergeten, maar de ellende van hun huisgezin vermeerderden of de betere burgers die er na eene week van drukken arbeid eene geoorloofde uitspanning namen, een monnik aan een afzonderlijk tafeltje, met de hand onder het hoofdDe hoogwijze staatkunde der burgers op luiden beslissenden toon uitgebracht, en het twistend geschreeuw der anderen schenen hem te vervelen en te ergeren, en men las het op zijn verdrietig gelaat, dat hij naar het oogenblik haakte, waarop hij de krassende geluiden en de onreine dampen, die hem omgaven, in de vrije lucht zoude kunnen vergeten. Vermoeidheid en de regen alleen schenen hem te doen vertoeven. Een houten, met ijzer beslagen kistje, dat hij voor zich nedergezet had, trok de opmerkzaamheid van twee mannen, die evenmin gewone bezoekers der herberg konden zijn. Zij hadden een ruw en woest uitzicht, en hunne verhavende krijgsmanskleeding wees aan, dat zij behoorden tot de slecht bezoldigde krijgslieden, die alleen in tijden van nood rondom een standaard vereenigd werden, en verder een losbandig en zwervend leven leidden en den armen boeren vaak tot last waren. Zij sloegen begeerige blikken op het kistje; de monnik was een Franciskaner, en het bevatte waarschijnlijk opgebedelde gelden voor zijn klooster; doch toen hij hen scherp aanzag, keerden zij het hoofd af, gelijk eene kat zich van de begeerde prooi afwendt.

»Hier is gezelschap, Sir! en vuur, Sir! Een warme haard is altijd wenschelijk, Sir! al is men slechts nat van een zomerregen!” Met deze woorden leidde de herbergier een vreemdeling binnen, die bij zijne hoogst eenvoudige kleeding iets zoo gebiedends in zijne houding had, dat de meester des huizes hem gerust dien titel durfde geven, ook al was hij zonder bediende aangekomen.

De vreemde nam zwijgend plaats ter zijde van den schoorsteen tegenover den monnik.

»Geef mij een beker sack, master,” zeide hij, ziende dat de andere op eene bestelling wachten bleef.

Toen hem het gevraagde gebracht was, en hij den kastelein daarvoor een goudstuk had toegereikt, meende deze den titel te moeten verbeteren, en noemde hem Mylord.

De vreemde glimlachte en zag zwijgend voor zich.

Niet alzoo deden de overige gasten, wier luide gesprekken slechts eenige oogenblikken gestoord waren geworden.

»Ja, waarachtig!” riep een hunner, met verheffing van stemt, »ik ben in die dagen te Londen geweest. Ik zeg u dat de intocht van de Koningin met haar gemaal zoo prachtig was als dat behoorde. De Koning is niet leelijk voor een Spanjaard, maar steil als een lansstok en wat stroef van uitzicht.”

»Nu, Goddam! zooveel te beter past hij bij de Koningin!”

»Juist, die anderen zouden een beter paartje gegeven hebben, hé!”

»Wie van u heeft den Koning te Hamptoncourt zien eten?” Allen zwegen.

»Ik!” zeide toen met veel gewicht een eerzaam burger, die tot hiertoe niet veel gesproken had. »Het was wel aardig te zien, hoe die Spaansche en Vlaamsche heeren moesten achterstaan en de Engelschen alleen hem bedienden.”

»God zegene Oud-Engeland!” riepen sommigen. »Philips moest de Spanjaarden maar met de schepen teruggezonden hebben.”

»Ik heb gehoord dat ze hem niet kronen zullen; zou dat waar zijn, master Crowbie?” vroeg een handwerksgezel.

»Waar, ja!” antwoordde de eerzame burger; »maar rechtvaardig, neen! De Koning heeft niets gedaan om zulk een hoon te verdienen. Hebben niet eenige honderde burgers, die in het Wyatt-proces betrokken waren, door hem vergiffenis gekregen?”

»Het waren ook maar geene harde voorwaarden! Als misdadigers, met stroppen om den hals, en blootsvoets genade te komen smeeken! Wie doet dat, als hij nog een greintje eer in het lijf heeft?” sprak een opgeschikt jongeling, die zeker bij het boogschieten eens den prijs behaald had, en voortaan enkel van eer droomde.

»Wat! is het dan meer vereerend als de strop toegehaald wordt?”

»Hoort, vrienden! de Spaansche Vorst is geen Koning voor ons. Ik ben nog kortelings te Londen geweest, om leer op te doen,” hervatte de meest geachte handschoenmaker van het stadje. »Hij sluit zich in Whitehall op als in eene gevangenis. Wie heeft er ooit van gehoord, dat de Engelschen hun Koning niet vrij naderen mochten!”

»Ha, ha, ha!” schaterde het uit een anderen hoek der gelagkamer, waar het veel wilder toeging, »Nu verdoemd, dat was verraders loon!”

»Wat spelen ze daar?” vroeg master Crowbie deftig.

»Als gij ons voor eene kruik alle vrij houden wilt, zal ik het u vertellen, rijke master Crowbie! Maar eerst het bier; want het liedje is lang en maakt dorstig.”

De eerzame burger, door het bijvoegelijk naamwoord meer nog overgehaald dan door zijne nieuwsgierigheid, nam de voorwaarde aan.

Een jong gezel klom op eene bank aan het achtereinde van het vertrek, en begon:

»Vrienden! zoudt ge het van Dick Develt den vreedzamen messenmakersgezel in den winkel van master Hunsdon, wel willen gelooven, dat hij nog kort geleden een voorvechter was onder de winkeljongens van de city? En waar is het toch! Ik was in de laatste dagen drukker op straat dan bij de uitstalling; er was ook te veel te zien om te staan suffen; mijn meester en ik kregen woorden, het liep hooger dan mijn geduld toeliet, en ik begreep dat er elders ook brood te verdienen was, als men goede handen had, en zoo kwam ik te Woodstock. Ik zeg dit maar, om te bewijzen dat ik wel te Londen geweest ben ten tijde van het voorval dat ik nu verhalen zal. Het is een van de levendigste straatfeesten, die wij in de goede city zoo dikwijls hebben, dat wij er aan gewoon zijn, maar die voor u landbewoners…”

»Ter zake, ter zake, Dick!” riepen allen.

»Nu dan: heeft iemand uwer ooit van den Graaf van Devonshire gehoord?”

»Bah! houdt gij ons voor domkoppen en Hooglanders! Zouden wij niets van den grooten Graaf weten!”

De heer bij het vuur hield de hand voor de oogen en scheen te slapen.

De monnik las in zijn getijboek.

»Goed dan, maar gij weet niet dat hij een page heeft gehad, een neef, een bastaard van zijn vader, of zoo iets; met een gezicht als een meisje en listig als Kitty, mijn meesters dochter; met handen die hij nooit door werken bedorven heeft, en die een boosaardige verrader was, een Judas die den goeden Graaf die hem liefhad als eene adellijke dame haar schoothondje, en die hem gekleed heeft in zijde en fluweel, als de zoon van een Hertog — maanden lang bespied heeft om achter zijne geheimen te komen, en dat het hem haast gelukt zoude zijn den Graaf op het schavot te brengen in de bange dagen van het Wyatt-proces, zoo niet de oproerling zelf diens onschuld aan: den dag gebracht had, waarvoor God hem loone!”

»Neen, dat wisten wij niet! Die booswicht! Die schelm!”…

»St… st… Het rechtsgeding van den edelen Courtenay, waarin die verwenschte satan zijne rol speelde, was wel in stilte afgeloopen, maar de verrader, die Darley, werd toch bekend, en ieder aan de city-zijde van Templebar wist welk een lievertje hij was, al zag hij er nog zoo fraai uit, als hij in het gevolg der Koningin door het park reed!”

De monnik nam zijn kistje en wilde gaan.

»Pater, gij moest nog wat wachten!” zeide de vreemde heer, »zoo aanstonds vertrek ik ook; wij konden dan samen gaan; mijn goed zwaard kon u van dienst zijn; hier wierp hij een sprekenden blik op de glurende soldaten.

»Ik dank uheer! De hemel beschermt de zijnen, en mijn weg is niet ver meer. Ik ga slechts tot het kasteel; antwoordde de monnik en hij stapte driftig weg.

De andere haalde de schouders op, en zette zich weder in zijne vorige houding.

Dick vervolgde:

»Op zekeren avond in de schemering zag ik Darley alleen door Bondstreet slenteren, dwars oversteken, en eene zijstraat inslaan; die gaat op avontuur, dacht ik, en volgde hem. Ik was niet de eenigste die hem herkend had. In die smalle, kronkelende, morsige dwarsstraten wonen velen, wier handen harder zijn dan hunne harten, en bij wie het aandenken aan Courtenay even levendig was, als hun afkeer jegens zijn verrader. Ook duurde het niet lang, of luide stemmen lieten zich hooren, die hem geen vriendelijke namen toevoegden, vooral toen hij een wijf, dat hem eens duchtig in het gezicht keek, om te zien, zooals zij zeide, of hij nog zijne oogen zoo zacht kon nederslaan, met een ruwen stoot van zich afduwde. Toen namen de mannen, juist knechten van het vleeschhouwersgild, die hunne bijlen op zijde hadden, partij voor die vrouw. Van alle kanten, uit alle kronkelsteegjes schoten mannen, vrouwen en kinderen toe, die zich met een luid gejouw om hem heen drongen, want het waren zijne vrienden niet die aankwamen, daar een half woord van de anderen hun den algemeenen vijand aanwees. Hij hield zich moedig, dat moet ik zeggen. Ik zag wel dat hij angstig was, want de oogen puilden hem half uit het hoofd, en het zweet gudste neêr van zijn voorhoofd; maar hij trok toch zijn degen, zwaaide dien om zich heen, en wilde zich een weg banen, eerst had hij hard geloopen, maar dat werd hem nu belet. Hij wilde iets zeggen, dan het geschreeuw der vrouwen en de vuisten der mannen sloten hem den mond. Eindelijk riep een der vleeschhouwersgezellen: Het volk heeft Courtenay niet kunnen bevrijden; laat het volk nu Courtenay wreken! Wij zullen de straf uitvoeren. — Dat was het doodvonnis van den page. Naar den Theems met hem, naar de rivier met den Judas! klonk het als uit één mond, en nooit waren zooveel wilde hoofden het zóó eens geweest. — Laat ons hem doen, wat hij zijnen heer had toegedacht! gilden de vrouwen, die altijd verder gaan dan de mannen, en krachtige armen begonnen nu hem aan te grijpen, en ik zag hoe hij van angst ineenkromp. Toch scheen er een oogenblik nog redding voor hem te zijn. Hij had zich weten los te wringen door de handen der aanvallers te verwonden, was eenige schreden vooruit geraakt en klopte aan een hui, dat er nog al niet slecht uitzag: het huis waarheen hij zijne avondwandeling gericht had. Hij klopte zoo driftig, alsof het de poort van het paradijs was. Het was ook om zijn leven dat hij klopte! Een alleraardigst jong meisje deed open. Ik hoor nog de akelige stem, waarmede hij riep: — Eva! laat mij binnen! — dan te laat! Zijne vervolgers waren tusschen hem en de deur doorgedrongen, en grepen hem met kracht bij de keel, juist toen hij wilde binnensluipen. — Heks! wildet gij den verrader van Courtenay helpen! schreeuwden ze het meisje toe. — Verrader!… Courtenay! … gilde de arme deern, en viel met opgeheven armen op den stoep neder. De slachtersknechts sleepten Darley voort. Ik had geen lust verder te volgen; ik had meer zulke bokspartijtjes gezien; ik wist hoe het afloopen zoude, en het meisje, dat in zwijm lag, wekte meer mijne nieuwsgierigheid! Ik bracht haar zoowat tot zich zelve, en zag dat zij met eene zuster woonde, die jonger en veel mooier was. Ik stelde haar, zoo goed ik kon, gerust omtrent Darley, dien ik wel zag, dat de oudste liefhad; maar zij wilden beiden verder niets van mij weten: het waren verwenschte nuffen!”

»En Darley?” vroeg de vreemde heer met drift.

»Darley, Sir! wel dat spreekt vanzelfdes anderen daags zag men de stukken van zijn lijk op den Theems drijven.”

»Afgrijselijk!” klonk de diep gesmoorde stem van den vreemde, terwijl hij haastig vertrok, »het volk is als de wilde dieren!”

»Wat zeide hij daar?” riepen de overigen, die gedurende het verhaal met open mond geluisterd hadden, en nu zich op eens lieten afleiden.

»Dieren!” zeide Dick, terwijl hij zijne ale dronk, »als de Vorsten niet rechtvaardig zijn, moet het volk het wél wezen; maar zoo gaat het! Die gentlemen trekken altijd partij voor de zijden wambuizen!”

De soldaten hadden het einde van Dick’s verhaal niet afgewacht.


»Genade! Barmhartigheid, laat mij! dat is geen goud. Ik ben een arme dienaar der Kerk, die eene stervende gaat vertroosten.”

»Uw goud, monnik! dat kistje! ” krijschten twee kerels, in welke wij de soldaten herkennen. Zij dreigden met hunne hartsvangers den Franciskaner, die zich tegen hen trachtte te verdedigen. Daar stoof in vollen galop een ruiter uit eene zijlaan te voorschijnt sprong van zijn snuivend ros, en bevrijdde met krachtige hand den kermenden geestelijke. Het is waar, de beide schelmen vereenigden zich nu tegen hem, dan, zijn degen was van het beste staal, en zijne geoefendheid overtrof verreweg de hunne. Een der soldaten viel doodelijk getroffen; de tweede, wien het wapen uit de hand geslagen was, vluchtte, en de ruiter wendde zich nu tot den monnik, die dankend aan zijne voeten zonk.

»Sta op, pater! Dit ongeval ware u niet overkomen, zoo gij het geleide aangenomen hadt, dat ik u in de herberg te Woodstock aanbood; maar gij hebt u willen verwijderen; dank het uwen Beschermheilige, dat wij één weg hebben.”

»Ach, edele heer!” antwoordde de monnik en sloeg de oogen naar den grond, »dat komt omdat… er zijn plichten die… Ik heb eene zending… Ik moet voort naar het kasteel van Woodstock,” voegde hij er haastig bij, zich bezinnende.

»Jezus, Maria! ik sterf!” steunde de gevallen soldaat.

»Monnik, hoor mij aan, en geef mij de absolutie!”

De pater naderde hem.

»Eerwaarde vader, dit is mijne eerste misdaad niet! Terwijl ik hier lag, heb ik dien edelman dáár herkend. Zoo waarachtig ik van de verdoemenis wensch vrij te zijn, zoo waarachtig is dat de Graaf van Devonshire!”

»Devonshire!” herhaalde de monnik, en zag naar dezen om. En werkelijk, in de nog altijd bevallige trekken van dat bleeke, belangwekkende gelaat, konde men den edelen Courtenay herkennen; doch de monnik had hem nooit gezien.

»Kom nader Mylord! Ik bid u, kom nader!” zeide de stervende booswicht. »Tegen u heb ik eens zwaar misdaan; ook gij moet mij vergeven, zoo ik gerust van hier zal gaan. Ik heb… maar wat doet niet een arme schelm, die niets te eten heeft — ik heb eens een valschen eed tegen u gedaan, tegen u, en tegen eene groote Lady, de Prinses Elisabeth! Herkent gij niet den man, die eens uwe beurs…”

»Reeds hier vergelding!” riep Courtenay ontroerd, »ongelukkige, ik vergeef het u, en opdat God het u ook vergeve, zal Zijn priester voor u bidden!”

»Elisabeth?” zeide deze. als bij zich zelven, is dat niet de Lady te Woodstock…”

»Ja; maar.... de.... ab.... solutie.... ik st.... erf.”

De geestelijke bewees hem de laatste diensten, zoo goed als het oogenblik het gedoogde, en de Graaf legde hem troostend de hand op het voorhoofd toen hij den geest gaf.

»Hij is minder schuldig dan zij die hem hebben verleid,” zeide Devonshire half luid.

»De Voorzienigheid zelve toont mij een uitweg, ik wil niet handelen tegen hare aanwijzing,” sprak de monnik ernstig. »St. Franciscus vergeve mij, zoo ik mij schuldig m aak tegen mijne overheid — … Graaf van Devonshire,” vervolgde hij, a»ls ik mij niet bedrieg, stelt gij belang in Prinses Elisabeth?”

»Er is voor mij geen hooger belang dan het hare!”

»Leid dan uw paard bij den toom en volg mij; ik heb u veel mede te deelen.

»Bovendien is mijn weg de uwe,” zeide Courtenay, naast hem gaande. »Ik heb, wel is waar, beloofd haar niet weder te bezoeken; maar ik wilde nog eenmaal op de vensters staren, waar achter zich mijn levensgeluk verbergt.”

»Mylord, ik ben een Vlaming. Overtuigd van de verdiensten eener geheele toewijding aan God en de Kerk, koos ik sedert jaren den geestelijken stand. Door den Legaat Polus onderscheiden, ben ik hem naar Engeland gevolgd om in een der herstelde kloosters geplaatst te worden. Onze Prior, die dit ambt aan den Bisschop-Kanselier dankt, zond mij naar diens paleis, met last mij geheel tot zijne beschikking te stellen. Daar werd mij bevel gegeven…; maar beloof mij, op uw woord als edelman, nooit misbruik te zullen maken van mijn vertrouwen ten koste van hen, die ik u noemen moet om iets vreeselijks te voorkomen!”

»Ik beloof het u, en ik heb mijn woord nooit gebroken. Vervolg.”

»Men zond mij naar Woodstock om den Kapelaan te vervangen, en eene vrouw, Lady Elisabeth genaamd, die de Kanselier eene hardnekkige ketterin noemt, voor te bereiden tot sterven. ”

»Tot sterven? om Godswil heeft men haar dan… O! dat ware…”

»Nog niet, Mylord! maar mijne aankomst is haar dood. Er is iemand in het kasteel, die haar vergift zal reiken; die man zal handelen als ik aangekomen ben; men verwacht veel van mijn overleg, want alles moet snel en zoo heimelijk gaan, dat zelfs hare vrouwen niets vermoeden. Toen ik zeide, dat mijne aankomst haar dood was, doelde ik op een langzaam sterven, want eene ziekelijkheid van eenige maanden zal de wereld verblinden, en haar tijd gunnen om te denken op het heil harer ziel! Ja, Graaf! gij huivert niet zonder reden. Het is een afschuwelijk plan; het verwondert mij niet, dat uwe lippen verbleeken van toorn en schrik over dit weefsel van boosheid, dat men mij geheel ontwikkeld heeft, en waarbij men op mijne medehulp rekent. Heilige Franciscus! het is door zulke middelen, dat men den godsdienst denkt op te bouwen? Is het niet juist om het heiligste tot een gruwel te maken voor de menschen? Was het ook met vergift en dolk, dat de Heiland zijne leer predikte? Mijn ijver voor de ware Kerk; mijn afschuw van alle scheurzieken; mijn ernstig bidden voor hare eenheid; mijn stipt nakomen van elk harer voorschriften misleidde hen, en hebben hen bewogen juist mij een last op te dragen, dien men mij als een verdienstelijk werk afschilderde. Heilige Maagd, kan sluipmoord dan verdienste zijn!”

»Zeg mij of gij dat op u genomen hebt, monnik!” viel Courtenay hem heftig in de rede.

»Gij kent den regel onzer orde: blinde gehoorzaamheid. Had ik geweigerd, men zou een ander genomen hebben, en zij was niet minder verloren! Hoe meer echter het oogenblik naderde, hoe angstiger het mij werd. Zóó kan men niet zijn, als men een godgevallig werk volbrengt, dacht ik, en ik peinsde op middelen om het kwaad af te wenden; dan, ik vond ze niet, want, ik beken het, ik heb geen moed tegenover mijn Prior; en zoo het ontwerp door mij mislukt ware, en ik terugkeerde…,” de monnik sidderde; na eenige oogenblikken herstelde hij zich. »Wat er in dit bosch voorviel, is mij een wenk van hooger hand. Niet tevergeefs zonden de Heiligen u op mijn pad; niet tevergeefs moest een stervende booswicht tegen zich zelven getuigen; niet tevergeefs moest hij vallen als een toonbeeld van de vergelding des Hemels! Neen, ik aarzel niet langer. Wilt gij die vrouw redden, Mylord? Hebt gij moed mijne rol te spelen? Kunt gij iets uitvinden om de boosheid te keeren? Neem dan mijne pij, ziedaar mijn lastbrief. Geef mij uw paard, ik vlucht naar een afgelegen hoek der aarde om levenslang boete te doen voor het schenden der trouw aan mijne gelofte. Ik was dit den redder van mijn leven verschuldigd. Ik geloof dat ik handel zooals ik handelen moet.”

De Graaf had reeds mantel en zwaard afgeworpen; hij zonk aan de voeten van den Franciskaner, die hem met eerbied oprichtte.

De verwisseling was spoedig geschied. Wel niet zeer ridderlijk, maar toch niet in ’t oogloopend slecht zat de monnik in Courtenays kleeding te paard.

En de houding van den Graaf, zich bukkende onder de pij, gaf hem, toen de kap over het bleeke gelaat was nedergeslagen en het ongewone schoeisel zijn gang bemoeielijkte, al het uiterlijke van een wereldschuwend kloosterling.

»Neem toch uw zwaard terug, Mylord! ik kan mij daarmede niet verdedigen, en gij kunt het noodig hebben.”

»Laat dat blijven, niets moet mij kunnen verraden. Maar dit kistje…”

»Verschoon mij”, Graaf, dat houdt de gewijde voorwerpen van mijn priesterambt in!”

»Daar is goud voor uwe reis; maar noem mij uw naam, opdat ik dien immer met eerbied gedenke.”

»Mijn kloosternaam is Johannes van het Zwarte Kruis; maar ik ben uwe aandacht niet waardig. God en de Heiligen zegenen u, mijn zoon!” — en de monnik reed weg.


Ingezonden op: 19 July 2001