Aan mijn Vriend

Ds. J. P. HASEBROEK

Zeer waarde Vriend!

Wij hebben veel brieven met elkaêr gewisseld gedurende het tijdperk dat achter ons ligt, maar nog nooit hebben wij het Publiek tot getuige genomen van onze correspondentie. Vergun mij ditmaal hierop een uitzondering te maken, en U een brief toe te zenden door middel van de pers, een openlijken brief, zooals de geijkte term is. De aanleiding is de vernieuwde uitgave van mijn eersten roman: de Graaf van Devonshire.

Toen de Uitgever mij mededeelde dat er behoefte bestond aan een tweeden druk van dien roman in zijne Guldens-editie, beloofde ik hem die nog eens door te lezen — hier en daar een kleine verbetering te maken en — een woordje van geleide mede te geven, daar de vroegere voorrede moest vervallen. Terwijl ik er over nadacht hoe dat in te kleeden — kwam mij de geheele geschiedenis van dien eersteling voor den geest: die uitgave met hindernissen, die kritiek in den Gids, die streng, maar niet ontmoedigd was — de kritiek van POTGIETER, mijn oudsten Vriend op dat gebied — die mij opwekkend en waarschuwend tevens te gemoet trad; van hem, die van levenskracht als van levenslust de verpersoonlijking scheen en dien ik — zwakke — toch overleef en met weemoed gedenke — dat voor mij zoo merkwaardige Gids-nummer werd mij voorgelegd ten Uwen huize… Met mijn Devonshire in de hand werd ik als teruggevoerd in mijn jeugd, in dat tijdperk mijner eerste schreden op de baan der letteren en doorleefde op nieuw wat ik toen gevoelde en genoot en… ik moest er van spreken, tot wien anders dan tot U?

Nog zie ik U komen in mijn ouderlijk huis, mij noodigend tot een bezoek aan Uwe zuster. Reeds kende, reeds vereerde ik U als dichter, als prediker; reeds had ik hart voor de Schrijfster van Te Laat — en er was geen aandrang noodig om mij tot haar te lokken.

Hoe ik mij haastte, al liep het tegen den winter, om den weg te nemen naar de Heilosche pastorie! — die zich gastvrij voor mij opende, waar ik met blijdschap verwelkomd werd door Uwe Betsy, wier vriendelijk gelaat, wier liefelijke, levendige oogen, wier opgewekte toon terstond dien indruk op mij maakten, die onuitwischbaar zou zijn; als heeft de grijsheid hare blonde lokken verzilverd, nòg blijft zij vòor mij staan in die volle frischheid der jeugd, in die aanminnigheid door leeftijd noch krankte te verwoesten. De schoonheid der ziel, de onverwelkelijke, straalde mij toe uit hare trekken, uit haar blik. Wij wisselden een handdruk, een kus — Gij ook kwaamt mij de hand reiken ter verwelkoming; ik bleef dien dag op de pastorie, omdat ik niet mocht, niet wilde heengaan, en wij sloten onderweg een drievoudig vriendschapsverbond, van vrij beter en hechter gehalte dan de Triple Alliantie, een vriendschapsverbond dat… — ik mag het na meer dan veertigjarigen duur gerust verzekeren, dat alleen met den dood verbroken kàn worden, ja zelfs niet door dezen, want wat zegt het verbreken des lichaams, de scheiding voor dit leven, bij de innige onveranderlijke eenheid naar den geest, bij die hooger en heiliger liefde, die zich zoekt en weêrvindt in God — in dat toekomst leven waarop wij onze hoop hebben gesteld.

»Waar liefde woont, gebiedt de Heer zijn zegen.”

En nu — onze vriendschap IS gezegend, zij heeft ons rijk gemaakt naar het harte met onverliesbare schatten, met onuitwischbare indrukken. — Wij hebben leed en smart gevoeld als alle andere menschekinderen — teleurstellingen zijn ons niet gespaard gebleven; wij hebbben te strijden gehad tegen ons zelfven en — anderen, lotswisseling, de eischen van plicht en beroep hebben onze wegen gescheiden, uiterlijke verwijdering teweeggebracht voor een tijd, wij zijn door hoogten en diepten heengegaan als iedereen, maat die ééne kunnen wij zeggen zooals niet velen het zeggen kunnen — wij hebben geleefd in vollen zin wat men leven noemt in datgene wat het leven tot leven maakt!

Wij waren in die eenvoudige, maar zoo prettig ingerichte huiskamer van de pastorie niet altijd met ons drieën. Er had zich een kring gevormd van wie kunst en letteren lief hadden en beoefenden — nog alleen niet op de plaats die zijn eenmaal zouden innemen — maar op den weg die te veroveren, en reeds in hoop triomfeerend — zich zelven bewust. Hildebrand kwam er zijn Jonathan vinden — BEIJEN verliet wel gaarne het vorstelijke ’s Gravenhage, om in de Heilosche pastorie te vertoeven,— Dr. BRILL werd er heen getrokken niet enkel door den band der verwantschap, — POTGIETER had er zijne verschijning gemaakt, maar Amsterdammer naar ’t harte en destijds nog niet aan zijn lateren reislust toegevend, trok hij het liefst zijne vrienden tot zich in zijn eigen huis — maar zijne brieven kwamen er zooveel te meer en gaven niet zelden stof tot een belangrijk onderhoud. De Meistreel van Kennemerland ook vond zijne plaats in de pastorie en niet zelden in het kerkje, en tokkelde de snaren in gedenke van beiden— De auteur van: de Lotgevallen van Joachim van Polsbroekerwoud kwam bij wijle den ernst van de gesprekken afwisselen door zijn jolige luim. BEETS temperde het vuur van onze geestdrift door zijn fijnen glimlach — en dien schalken blik, die ontnuchterend werkte… wij bleven voor overdrijving bewaard als voor eentoonigheid — en voorts… ik kan ze allen niet optellen, die daar neêrzaten en — verder gingen. Toch moet ik nog spreken van een enkelen bezoeker, die hier niet gemist kan worden.— Op zekeren dag, eene verrassing voor U als voor mij, trad WILLEM DE CLERQ, daartoe door mij uitgelokt, Uwe keer, Uwe pastorie binnen. Gij hebt den indruk beschreven, die zijne persoonlijkheid op U maakte — gij hebt dien dag in herinnering gebracht, onvergetelijk gemaakt voor U zelven en ons allen; ik zal niet in herhaling vallen — ik kan alleen instemmen met hetgeen gij gaaft. En niet ver van de Pastorie lag Nijenburg — »het Hooge Huis” zou SCHIMMEL zeggen — dat zich ook gastvrij voor mij ontsloot en waar Gij mij binnenleiddet.

Daar werd ik met innemende vriendelijkheid — en tevens met zekere stille waardigheid ontvangen door de vrouw die een dubbelen adeldom vertegenwoordigde, den adel der geboorte als de weduwe van een FOREEST,& den adel van den geest als de dochter van VAN DER PALM — wiens liefelijk gemoed, wiens fijnen blik — wiens helder verstand en scherp oordeel in haar werden wedergevonden, zooals zij zijne trekken had geërfd. Als men VAN DER PALM gezien en gehoord had (en dit voorrecht wat mij te beurt gevallen) moest men dezen gedenken als men haar zag en hoorde. Daar zat zij te midden van een tal bloeiende zonen en dochters — de aanstaande schoonmoeder van BEETS… Dat alles is nu voorbij… de visioenen worden te pijnlijk — ik zou het woord van GUIZOT kunnen overnemen: »Je suis las de voir mourir” — en liever dan op graven te staren, breek ik den loop mijner herinneringen af — genoeg reeds voor U om U duidelijk te maken, waarom ik uw naam wenschte te verbinden aan deze Nieuwe Uitgave van mijn Devonshire. — Mocht het iemand bevreemden, dat ik U en mijzelve terugvoer naar dien lang verloopen tijd — ten overstaan van het publiek…? ik heb mijn antwoord greeed: Mijn echtgenoot gaf op de jongste expositie der Haagsche Teeken-Maatschappij eene aquarelle te zien, die een hoekje van zijn Atelier voorstelde, dat velen aantrok. — Op mijne beurt geef ik een Kijkje in mijne jeugd — eene schets van de eerste en liefelijkste tooneelen uit mijn leven als schrijfster.

Mocht mijn verjongde eersteling, — dùs voorgesteld, verwelkomd worden door mijne landgenooten met iets van belangstelling — en àl de verschooning voor zijne zwakheden en gebreken, die hij eenmaal vond in de Heilosche pastorie.

Dien wensch deelt Gij met mij, ik ben er zeker van, als van onze onverflauwde vriendschap.

A. L. G. B.-T.

DEN HAAG,

October 1880

Ingezonden op: 19 July 2001