LORD EDWARD GLENHOUSE.

IV. (V)

De Marcesa Horatia.


De schitterende vrouw! daar hadden Schilfern en de Lord en de jonge Napolitanen, van wie hij sprak, wel recht toe, om de Marchesa Horatia di Zoni zoo te noemen. Inderdaad, men moest haar zien in het midden van die cirkels, waarvan zij de ziel en de zon was, met die oogen van vlammen en tranen, vol vuur en gevoel; met die spranken van vernuft en uitbundige vroolijkheid en onafgebroken scherts, welke zij om zich heen wierp, kwistig en lichtzinnig, als kostte haar eene geestigheid niets meer, dan de moeite, om haar weg te werpen, als had zij daar binnen in zich eene onuitputtelijke bron van altijd frisch vernuft; men moest haar zien dansen, zien rondtuimelen in den arm van haren danser, met een weggeven, met een vergeten van zich zelve, dat elk aanschouwend oog in een benijdend verkeerde, en toch weder met eene bevallige kieschheid, die zoozeer het midden hield tusschen preutsche terughouding en losbandigheid, dat men niet wist, wat het meest te bewonderen viel, haar juist kennen van die grenzen, of haren tact in het niet overschrijden; maar boven alles, men moest baar zien paardrijden.

Het is niet alle vrouwen geraden paard te rijden. Daar zijn er maar weinigen, wier gestalte slank genoeg is, en tevens rijk en welig genoeg van vormen, om zich gelukkig voor te doen op een paard. Slechts weinigen weten aan hare houding die juiste uitdrukking te geven, welke evenzeer verwijderd is van het onpassend mannelijke, als van te flauwe verwijfdheid; slechts weinigen hebben die behendige kracht, bij die vlugheid van beweging, dien rijzigen en toch zoo gevulden hals, welke zich met zooveel edele fierheid naar den begeleidenden cavalier heenbuigt; weinigen zelfs hebben die koele beradenheid en fiksche vastheid van geest, welke alle moeten samenloopen, om eener vrouw te doen vergeven, dat zij zich aan eene mannelijke oefening waagt: met één woord, als eene vrouw niet paardrijden kan, zooals de Marchesa Horatia het deed, als zij op haren getijgerden Engelschman aan de zijde van haren Napolitaanschen bewonderaar voortreed, dan is het haar beter geene amazone aan te trekken, en geen springend genet te bestijgen. Aan het hoofd van een en stoet jongelieden, nu eens in stuivenden galop, dan weder in statige wandeltred, kwam zij van een tochtje naar Rivoli terug, toen de aandacht van Lord Glenhouse Villiers op haar viel. Wij zeggen dit, omdat het wel eens de laatste maal konde zijn, dat zij zich zó vertoond had in al den glans van bewondering, aanbidding en benijd geluk. — Aanbidding, want wat anders kon het zijn, dat de vlammende blikken van den jeugdigen graaf de Mancini uitdrukten, die met onverzadigd en gloed onafgebroken op de prachtige rijderes bleven rusten, en die zich slechts dán met sprekende ijverzucht op een ander voorwerp wendden, als ook andere blikken de hare zochten; en wee dien andere, en wee die vrouw, zoo hij kon gissen, dat zij elkander verstonden! Benijd geluk! Benijd geluk! in het midden der misdaad en verloren vrouweneer! Ja! zie het op de trekken van al die vrouwen; zie het aan die glimlachjes, waarmede zij Mancini’s aandacht afbedelen; zie het aan haar bewolkt voorhoofd, als deze met kiesche bezorgdheid, of met angstige nauwlettendheid, elke harer wendingen gadeslaat. En laat ons die schoone, die bewonderde, die benijde, die gelukkige vrouw eens met onbescheidenen blik bespieden in de eenzaamheid van haar prachtig boudoir, in het négligé van lichaam en ziel, zooals Glenhouse zeggen zoude; misschien valt er iets weg van het blanketsel der vroolijkheid; misschien kunnen wij er een paar woorden lezen, welke tot de oplossing medehelpen van het groote raadsel: de vrouwelijke ziel.

Wij zullen haar sierlijk pruilkabinet niet beschrijven. Dat alles, wat wij daar vinden zullen, is reeds zoo dikwijls opgeteld; daar zijn reeds zoovele beschrijvingen gegeven, welke de armoede van opmerkingen moesten vergoeden, dat ik waarlijk met den verouderden kunstgreep niet meer voor den dag durf komen. Het verstaat zich, dat er aan de toiletbehoeften der Marchesa niets ontbrak. Daar was een schat van versierselen en kanten en gazen en lint, en kistjes en kostbare nietigheden, die de begeerlijkheid van menige vrouw konden aantrekken. De Marchesa zat voor hare psyché weggezonken in de weeke kussens van hare causeuse; maar zij zat er in eene houding, die zooveel lusteloosheid teekende, zoo weinig opgewektheid tot de groote bezigheid van het toilet, zooveel onverschilligheid voor haar uiterlijk, dat de minst scherpzichtige het haar had kunnen aanzien, hoe zij de cameriste verdrietig had weggezonden, en hoe zij in zonderlinge verslagenheid het uur vergat, waarop men op de Corso met pijnlijk verlangen naar haar uitzag. En toch was dat late voormiddaguur reeds bijna daar!

En was dat die blinkende, lichtende, schitterende figuur, die de cirkels verrukte en de mannenwereld in oproer bracht? Die fletse, achtelooze, ineengezonkene gestalte, die daar als in tweeën gebogen zat op een rustbed? Het was de tooneelspeelster achter de coulissen, ontdaan van het rood, afgemat door het spel, moede getobt door de zelfvermomming, zonder veerkracht na de lange inspanning van alle krachten!

De Napolitane was anders rijzig, bijna groot, en de rijke vormen, welig, zonder forsch te zijn, anders altijd zoo voordeelig afgeschetst in het satijn of zilvergaas, waren nu gehuld in de dikke wollige stof eener donkere peignoir. Geen fijn middel, geen volle boezem, geen ronde schouder, geen gevulde hals was zichtbaar onder het hoog toegehaakte morgenkleed. Haar voorhaar, anders zoo glanzig als Chineesch lak, op het voorhoofd in tweeën gescheiden, hing ordeloos en sluik langs hare wangen neder, en het rijke lange achterhaar was weggeschoven onder den ruimen pas van eene ochtendmuts, à la papilIon, welker breede strooken diep over het gelaat nedervielen. Hare oogen stonden dof en zwaarmoedig; hare. wangen waren zonder blos, en hare lippen zelfs schenen minder rood. Zij draaide iets tusschen hare vingers rond. Het was een toegevouwen brief. Nog andere brieven lagen op haren schoot. Op één derzelve scheen hare aandacht gevestigd.

»Dat ik altijd lezen moet, en weder lezen! en nogmaals lezen!” sprak zij als mijmerende met eene zachte, doffe stem. »Dat ik geen moed heb te vernietigen! Verfoeielijke bladen! Verfoeielijk mensch! duivel!” en voor een oogenblik schitterden hare oogen, en zij stampte met den kleinen voet heftig op den grond. »En dat geene verstrooiing die gedachte van mij weren kan, en dat zij zich altijd weder aan mij opdringt;… op dezen dag:” voegde zij er met weemoed bij, »het kon nu… Sancta madre! daar hoor ik Oloferno.” Schielijk sprong zij op, greep met koortsachtige haast eene zilveren schel, schelde met eene drift, alsof het boudoir in laaie vlam stond, en trachtte met de linkschheid der verwarring nog ijlings eenige verandering te maken in haar voorkomen; te laat echter, om voor den jongen man, die binnentrad zonder te luisteren naar eene stem, welke hem in het voorvertrek scheen terug te willen houden, de wanorde van haar uiterlijk te verbergen.

De jonge man, die binnentrad, was inderdaad de Graaf Oloferno Mancini. Eene fiere gestalte, meer mager, dan gezet, met een arendsneus en een arendsoog, en ook den blik van den arend. Die blik vloog schichtig de kamer rond, met eene uitdrukking van wildheid, en vestigde zich daarna op Horatia, die zich bukte, om iets op te rapen.

Het voorwerp, dat zij opraapte, was een der brieven, welke bij het opstaan van haren schoot was gevallen; de andere had zij snel achter de ottomane geworpen.

Als een havik schoot hij op haar toe.

»Mag men weten, Signora! welk versiersel gij met zooveel zorgvuldigheid verbergt?”

»Verbergen, Signore? ” vroeg zij. »Sedert wanneer is mijn balboekje een voorwerp, dat uwe nieuwsgierigheid opwekt?”

»Uw balboekje! Horatia?”

»Ja zeker! wilt gij niet ook zien?” hernam zij met eene koene tegenwoordigheid van geest, die bewees, hoezeer zij eene groote tooneelspeelster was.

Hare geheele houding deelde in hare vermomming. Zij wist weder eenigen gloed te geven aan haren blik; een donkere blos volgde op de doodelijke bleekheid van zooeven; zij had weder den glimlach op de lippen.

Toen Oloferno, als overtuigd van dwazen argwaan, verlegen voor haar stond, zag zij hem aan met een trotsch glimlachje.

»Men moet erkennen, dat de Graaf Oloferno eene zonderlinge wijze heeft van zich aan te melden.”

»Signora mia! ik moet erkennen, dat ik de zotste, belachelijkste dwaas ben, die ooit eene schoone vrouw met zwartgalligheid kwelde; maar ik bid u, hoor mij; dit komt van uwe Rosa. Zij had de onbeschaamdheid mij te zeggen, dat ik met konde binnengaan!”

»Rosa is een kind; zij meende…”

»Dat mijne eigene Horatia niet altijd voor mij zichtbaar was!” riep de Graaf, en kuste haar met hartstocht de hand.

»En daarenboven, ik had haar gescheld, om mij te helpen, Zij wist, in welke wanorde…”

De Graaf vestigde nu eerst zijne aandacht op haren persoon, Licht fronste zich zijn voorhoofd.

»Inderdaad, Mevrouw! gij zijt heden wel laat.”

»Ik heb slecht geslapen, Oloferno!”

»Men kan het u aanzien, Signora! maar ik bid u, wees schoon! wees spoedig schoon! — Mag ik Rosa roepen?” En zonder het antwoord af te wachten, greep hij de schel.

Toen Rosa was binnengekomen, begon de gewichtige bezigheid van het toilet.

En inderdaad, als men die drie personen gadesloeg, dan was het wel te zien, dat het eene gewichtige bezigheid moest zijn.

Die jonge kamervrouw, die zich met al de vermogens van haren geest en met al de behendigheid van hare handen beijverde, om het schoone hoofd, dat aan haar was toevertrouwd, op het voordeeligst te doen uitkomen; die bevallige edelman, zoo ernstig en zoo fier tevens, die, geleund tegen den rug van eenen armstoel, het bovenlijf voorover gebogen en de oogen strak gevestigd op iedere beweging der kamenier, alleen ééne gedachte in de ziel scheen te hebben, de schoonheid van die vrouw, en geenen anderen wensch in het hart dan dezen haar bewonderd te zien. Want het was een diep en droevig geheim, dat ik mijnen lezers niet onthouden mag, omdat zij recht hebben al het geluk der benijde te kennen; ondanks al de brandende jaloezie, welke hem verteerde, en waarmede hij haar martelde, was de Graaf nog meer ijdel op de bewonderde Marchesa, dan gelukkig in de liefde van de schoone vrouw. Horatia was zijne trofée, zijn zegeteeken, het ridderlint zijner ijdelheid, waarmede hij zich de borst versierde, dat de aandacht der menigte tot zich moest trekken, opdat zij zeggen zoude: »o! zie den rijken bezitter van zulk een juweel!” Daarom ontrustte hem ieder plooitje van haar voorhoofd, ieder vlekje gaf hem te sidderen, iedere bleek. heid deed hem verbleeken. Zijne zelfzucht maakte hem tot den dwingeland van de vrouw, die hij aanbad. Hij zoude er hare gezondheid aan gewaagd hebben, om haar te doen schitteren; en toch zoyde hij haar leven gekocht hebben met het zijne. En zijn angst voor het behoud van dat sieraad, waarop hij in haar zoo trotsch was, had eenigen grond. De Marchesa Horatia was niet meer jong. Niemand kende haren rechten ouderdom, of wist dien met zekerheid te bepalen; maar het was eene waarheid, dat zij op den hoogsten bloei harer schoonheid had gestaan, en dat iedere schrede verder een teruggang, een afnemen moest zijn: vandaar zijne kommerlijke zorg, om door kunst te verschuiven, wat zijn verstand hem zeide, dat komen moest. Daarenboven, Mancini was nog zeer jong. Hij trad voor het eerst de wereld in, toen de Marchesa te Napels in vollen bloei was; hij had de gunst afgebedeld om door haar te worden ingeleid. Zij nam den leerling aan. De leerling werd een minnaar. En toen zij zich later gedwongen zag hem tot haar geleide naar Turin te nemen, werd de minnaar een meester, en een lastige meester; want hij zag in, dat de slavin zoude moeten aftreden van het tooneel, waarop zij hem gevoerd had, zoo zij er niet meer bevelen konde, en hij aanbad haar nog te veel, om haar te kunnen verlaten en met haar aftreden… op zijn twintigste jaar? Hij wist, dat zijn moed te zwak zoude zijn voor het offer, en hij trachtte de catastrophe, waartegen hij huiverde, te verwijderen, met al de inspanning zijner ziel en met al de macht van zijnen wil. Vandaar, dat hij al zijne scherpzinnigheid en al zijn bordeel toewijdde aan de beuzelachtige détails van eene vrouwen-kaptafel, welke voor hem het tooneel was, waarop zijn to be, or not to be werd voorbereid.

En moet ik nu nog zeggen wat die kaptafel voor Horatia was? — Beurtelings martelrad en altaar, waarop zij zich zelve geheel ten offer bracht aan de ijdelheid van een ander. Zij wist dat alles, wat ik gezegd heb; haar fijn gevoel, dat vrouwelijk instinct, prikkelbaar en lichtgeraakt als de voelhoorns der huisslakken, had het haar te weten gegeven. Niet nabij, maar toch op eenen afstand, die iederen dag verminderde, zag zij het lijdstip, waarop die man haar verlaten moest, tegelijk met de aanbidding der wereld, waaraan zij gewoon geworden was. Wij hebben nog geene blikken genoeg geworpen in het hart der Marchesa, om te weten, of zij dezen man beminde met al den ernst eener waarachtige liefde; maar het is zeker, dat hij haar éénige steun was voor het tegenwoordige en hare éénige hoop voor de toekomst, en dat zij zich aan hem had vastgeklampt met de wanhopige kracht van den gemsenjager, die van de Alpenrots stort, en die, met den afgrond in het oog, nog een uitstekend steenklompje grijpen kan, maar dan ook wee! zoo het afbrokkelt. Zóó was de toestand der benijde Horatia. Inderdaad, zij had veel te verbergen onder hare glimlachjes.

»Ik kan mij niet begrijpen, Horatia! dat gij altijd voortgaat met uw haar glad over de wangen te dragen.”

»Mijn Vriend! dat staat goed onder de barret, bij de amazone.”

»Ja, maar het maakt de omtrekken van uw gelaat meer scherp, minder rond; alleen een zeer jong meisje…”

»Ik dacht toch… gij zeidet gisteren…”

»Dat was gisteren, Signora!” hernam hij gemelijk; »doch heden… Het is mogelijk, dat ik mij vergis; maar heden hebben uwe trekken iets lijdends, iets hoekigs, iets vervallens: gij zult waarlijk wel doen met lange lokken te nemen à l’Anglaise en een weinig rood op te leggen.”

»Blanketsel, Oloferno!” sprak zij met een traan in het oog; »ik houd zoo weinig van kunst. Ik bid u, is dat noodig?”

»Dan moet gij ook slapen, en niet zoo bleek zien; Mevrouw!”

»Rosa! à l’ Anglaise!” zeide de Marchesa tot hare kamervrouw.

Nadat deze het aangegeven kapsel voltooid had, zag de Napelsche haren minnaar vragend aan.

»Lieve Hemel!” riep hij bijna met ontzetting, »dat staat u onverdragelijk wild, dat veroudert u wel tien jaar!”

»Ik wist het wel, Mancini! men moet blond zijn, om zóó iets te kunnen dragen; maar ik weet iets: ik zal breede, fijne vlechten nemen, dat is eenvoudig, en dat vult evenzeer.”

De Graaf antwoordde niets. Misschien dacht hij zich in zijne kwade luim de onmogelijkheid, dat haar heden iets goed konde staan. Hij wendde den rug naar de psyché en trommelde op de vensterruiten.

Middelerwijl had Rosa de verandering volbracht.

»Wat dunkt u nu, mijn Vriend?” vroeg Horatia met de zachte stem der onzekerheid. Hij zag haar aan. Een blos kleurde zijne wang.

»Men moet mijne Horatia zijn, om alles te weten, volmaakt!” En hij kuste haar het voorhoofd.

Was het dankbaarheid voor hare vinding? was het werkelijk het vermogen harer schoonheid? Wij wagen het niet te beslissen; maar het is zeker, dat de Graaf verder zweeg en haar met zichtbaar welgevallen aanzag, totdat de laatste strik was geknoopt en het laatste versiersel aangelegd. Toen eerst sprak hij: »Wat neemt gij dezen avond, Lieve! Denk er aan, dat gij ontvangen moet.”

»Om iets vreemds te hebben, neem ik het Napelsch kostuum, met de zwarte kanten en het mat-zilveren garnituur. Vindt gij het niet goed?” vervolgde zij, toen hij het voorhoofd fronste.

»Het is eene dwaasheid, Mevrouw! de lieden aan Napels te herinneren; en daarenboven, dat was goed in dien tijd, toen… toen… gij nog geen opschik behoefdet; maar nu…”

»Dat is grievend, Mijnheer! Drie dagen geleden zeide de Principe de Monzo nog, dat ik de éénige vrouw was, die wit konde dragen, en gij! …” Mancini werd geelbleek. Zijn oog schoot gloeiende blikken. Hij glimlachte met bleeke lippen.

»En gij weet zonderling goed te onthouden wat de Monzo zegt. Waarom noemt gij juist dezen?”

De Marchesa, voor wie iedere bliksemslag der jaloezie welkomer was, dan de koude dolksteken der ijdelheid, zegepraalde altijd bij zulk eenen uitval.

»Het was de eerste, die mij te binnen schoot, Caro mio!”

»Als de Monzo u dezen avond nadert, draait gij hem den rug toe!” riep hij bevelend.

»Als gij mij plaagt, dans ik met hem.”

»Dan daag ik hem uit!”

»Kom, laat ons vrede maken,” hernam zij, hem de hand toereikende. »Gij weet wel, dat die man mij niets zegt, dat niemand dan gij iets voor mij is; maar ik bid u, laat mij van avond mijn zin doen.”

»Juist dezen avond wenschte ik u zeer schitterend te zien. Lichtblauw satijn, met bouquetten van fluweel en zilver zouden u zoo goed staan! gij zijt zoo blank! Ik heb het voor u besteld; het verwondert mij, dat de modiste nog niet hier is. Zij was pas uit Lyon gekomen. Ik zag, dat de Principessa de Sola onderhandelde, om dit kostuum te hebben; ik bood het dubbele van den prijs; zij krijgt geen dergelijk, en gij verschijnt dezen avond met het uwe.”

»Men moet mijn Oloferno zijn voor zulk eene oplettendheid,” antwoordde zij met een blos van genoegen. »Zeg nu ook, waarom gij mij heden avond zoo prachtig hebben wilt.”

»Omdat… in waarheid, ik vergeet alles, wat niet rechtstreeks betrekking heeft op u, omdat ik heden een nieuwen gast bij u inleiden zal. Een vreemdeling, een edele Engelschman, een vreeselijk geblaseerde rijke! En ik wil hem toonen, dat wij hier nog vrouwen hebben, par sanct Jacomo! vrouwen zooals gij!”

»Mancini! ik zal den Engelschman niet ontvangen. ”

»Wat beteekent dat, Mevrouw! en waarom niet?”

»Ik ben niet te Turin gekomen, om Engelschen te zien.”

»Het zoude toch dwaas wezen, er gekomen te zijn, om ze niet te zien; hier, waar allen aanlanden, die de spleen uit hun nevelland verjaagt.”

»Om de spleen in onze Salons te brengen,”

»Om zich dood te ergeren, dat zij missen, wat wij bezitten: de vroolijkste, schoonste, onweerstaanbaarste vrouwen en het heerlijkste klimaat. Kom, Horatia! overwin uw grilligen tegenzin, Lord Glenhouse Villiers heeft aanbevelingsbrieven aan de eerste huizen uit eene edele hand, die van onzen Gezant te Parijs; hij zelf heeft mij gevraagd, hem daar rond te leiden; een man als hem kan men niet weigeren.”

»Laat Lord Glenhouse Villiers komen,” antwoordde toen de Marchesa met minder heftigheid; »gij ziet, Oloferno! ik geef u alles toe. ”

»Gij zijt een engel!”

De kamenier, die zich verwijderd had, toen hare meesteres geholpen was, kwam nu weder binnen, en sprak met eenige bedeesdheid: »Signora! daar is iemand, die u een bezoek wil brengen.”

»En wie dan, Rosa?”

»Een cavaliero, die zich Siliferno noemt,” antwoordde het Toskaansche kind.

»Siliferno! Kan dat ook Schilfern zijn?” vroeg de Graaf.

»Ja, Senor! zóó is het.”

»O! Dokter Schilfern! laat dien binnenkomen; hebt gij hem laten roepen, lieve Horatia! voelt gij u werkelijk zoo ongesteld?”

»Hij komt uit zich zelven. Ik begrijp niet, wat dit wezen kan.”

Het was ook Schilfern, die binnentrad met zijne losse, vrije houding en open gelaat.

»Ha! welkom, Signor Doctore!” riep Mancini; »gij riekt de zieken op zeven mijlen afstands; de Marchesa heeft u juist noodig.”

»Ik gevoel mij volkomen wel,” antwoordde Horatia ontwijkend.

»Het kon waar zijn, dat de Marchesa mij noodig had,” hernam de dokter, haar ernstig aanziende.

»Wij zijn het dus eens over een consult,” sprak de Graaf; »maar gij moogt haar niet verbieden te dansen.”

»Integendeel, ik noodig de Signora zeer, om haar gezelschap heden niet te leur te stellen.”

»Gij zijt de Medico naar mijn hart; maar ik bid u, zeg ons spoedig de reden van uw bezoek: den besten tijd van den Corso hebben wij bijna reeds verpraat.”

»Mijne waarde Graaf! gij zult zoo goed zijn alleen te gaan… Ik heb iets aan de Marchesa te zeggen dat haar persoonlijk betreft; later staat het aan de Signora u deelgenoot te maken van mijn klein geheim,” hervatte Schilfern lachende.

»Per dio! Signore! dat noem ik despotisch, de schoonste vrouw van hare morgenwandeling terug te houden, om… om…”

»Om hare gezondheid,” fluisterde hem Schilfern ter zijde in. »De scherpe wind van heden is hoogst nadeelig voor het zachte kuchje, dat ik bij haar opmerk. Het haar te zeggen, zoude ontrusten en is immers niet noodig.”

»Het is iets lastigs, die weekheid der vrouwen,” antwoordde Mancini verdrietig; »met haar kan men op niets rekenen. Prent het haar goed in, Dokter! dat zij zich versterkt.”

»Horatia! ik ga mijne chocolade nemen bij Perolla, en ik zal nog eens rond zien naar grootere paarlen, dan de uwe.”

En na haar de hand gekust te hebben, verwijderde hij zich.

»Wat kan het zijn, dat Dokter Schilfern mij zoo geheimzinnig te zeggen heeft?” vroeg Horatia, hem eenen stoel wijzende, met een glimlach.

»Mijne boodschap luidt aan Lady Jefferies,” hernam Schilfern, met strengen nadruk,

»Signore! Signore!” riep de Marchesa, met sidderende lippen en hield zich vast aan den leuningstoeI, waarbij zij stond. »Signore! dat is een boosaardig opzet!”

»Indien ik had kunnen weten, dat die naam nog de kracht had, uwe wangen zóó te verbleeken, Signora! dan had iemand, die er meer recht op heeft, u bij dezen naam te noemen, zelf de kleurwisseling van een kwaad geweten kunnen gadeslaan,” vervolgde Schilfern onbarmhartig.

»Is die man nabij, in dit land, te Turin?” vroeg de Napelsche, met eene heesche stem.

»Niets dan zijn wil scheidt hem van u!”

»O, gij genadige Heiligen! gij hebt mij verlaten!” gilde de Marchesa, hare handen wringende, en in radeloozen angst het vertrek rondijlende; »ik ben in de macht van den Satan; want hij is Satan,” voegde zij er bij op eenen akelig kalmen toon, terwijl zij met wild starende oogen langzaam op hare ottomane nederzonk.

»Gij hadt een kind, Mylady! Waar is uw kind?” vroeg weder Schilfern, altijd zonder medelijden.

Toen hief zij het hoofd vast en ernstig omhoog.

»Wie is er, die eene moeder rekenschap vraagt van haar kind?”

»Ik. In den naam van den vader: waar is uw kind?” herhaalde de Duitscher.

»Dat is een geheim tusschen mij en mijn geweten!” hernam de Marchesa; en iets zonderlings, iets als eene vlam van wraak flikkerde in haar oog.

»Is uw kind dood?’, vroeg de Dokter.

»Dood,” herhaalde zij.

»Gruwzame zondares! gij hebt elke wet overtreden. Een dubbel huwelijk! Kindermoord!”

Zij wilde iets antwoorden, maar eene hevige stuiptrekking verlamde haar de spraak.


Wij zijn niet goed ingewijd in hetgeen er verder voorviel; maar er moet nog een gewichtig en schokkend onderhoud hebben plaats gehad, nadat de Marchesa weder tot zich zelve was gekomen; want toen de kleine Rosa, die zich de lange afzondering met den vreemdeling niet recht verklaren kon, een en nieuwsgierigen blik waagde door het sleutelgat van het boudoir, zag zij iets, dat haar ten hoogste ontstelde en verwonderde: hare trotsche Mevrouw lag weenend geknield aan de, voeten van den onbekende, en drukte sterk zijne handen, waarmede hij haar trachtte op te richten. En zij hoorde’ haar deze woorden zeggen:

»O, Signore! zoo dát konde, zoo dát nog mogelijk was, gij zoudt mijn redder zijn. Mijn eeuwige dank…”

»Maar belooft gij dan ook?” zeide de andere, in wiens oogen tranen blonken, dat zeker tranen van medegevoel waren.

»Stipte opvolging! gehoorzaamheid!”

»Reken dan op mij,” had de man gezegd, en toen had hij haar opgericht.

De ontstelde kamenier had niet langer durven kijken; want zij begreep, dat dit een afscheid konde wezen, en dat men de deur ging openen. Ook was zeer spoedig daarop de man heengegaan, en had tot haar gezegd: »Uwe meesteres is ongesteld, zij heeft eenige uren rust noodig; zorg, dat niemand haar store!”

»En Mijnheer de Graaf?”

»Ook die niet; zeg hem alleen, dat Dokter Schilfern het voorschrijft, opdat de Marchesa dezen avond wèl zal zijn.”

En Rosa, die inzag, dat dit consult inderdaad belangrijk moest geweest zijn, beloofde te gehoorzamen.


Ingezonden op: 19 July 2001