LORD EDWARD GLENHOUSE.

VII. (VI)

Des anderen daags.


»Kunt gij u een denkbeeld maken van zulk eene kunst van veinzen, van zooveel onbeschaamdheid?” sprak Glenhouse des anderen ochtends tot zijnen arts, die bij hem was.

»gij hadt mij beloofd, dat gij haar vergeten zoudt, Mylord! Het tooneel van gisteren heeft u wel wat veel geschokt.”

»Haar vergeten? Bij den Hemel! is dát een wezen om te vergeten? Ware zij niets geweest dan de vrouw, zooals ik haar meende te kennen, dá zeker was mij dit mogelijk. Ik had mij voorbereid niets voor haar te gevoelen. Ik was besloten mij door geene uitvluchten te laten afschrikken, mij over niets te verwonderen; maar voor eene zoo verregaande vermetelheid, voor een zoo hardnekkig en koelzinnig verloochenen van elk gevoel, had ik haar zelfs niet in staat geacht. Éénmaal toch zijn er oogenblikken geweest, waarin zij mij heeft liefgehad. Ik stond dáár nu toch vóór haar als haar noodlot, als een zwaar beleedigde, die recht op haar had, en die dat recht kon gebruiken, door zich op haar te wreken. Ik stond vóór haar, plotseling, onverwacht, in het midden van haar feest, als eene dreigende spookgestalte, als de geest van Banquo, en… heeft zij ook slechts éénmaal verbleekt, ook slechts éénmaal gesidderd? Heeft zij niet den moed gehad te spotten? En het was toch de toekomst van haar kind, waarmede zij schertste! Of, zoo dat kind niet leeft, en zoo zij zoo weinig moederlijk instinct gehad heeft, om het vermoord te hebben na de geboorte, dan moest toch de stem van den vader haar met huivering hebben doen terugdenken aan de misdaad.

En toch geen traan, geen trek van het gelaat, die zich vertrok. Zij heeft haar oog niet neêrgeslagen. Zij is erger dan Messalina. Zóó moet Messalina voor Claudius gestaan hebben! Maar, bij; God! ik ben Claudius niet. Gij glimlacht?

»Omdat gij ongevergd zooveel spreekt.”

»Dit alles windt mij op. Ik gevoel behoefte, mij te uiten. Gij hebt wel gezegd, die gewaarwordingen grijpen mij aan; maar ik voel mij leven. En, bij mijn Pairschap! ik wil niet sterven, voordat die vrouw gestraft is.”

»Welke partij hebt gij genomen?”

»En toch bij dit alles, wat was zij schoon!” vervolgde Glenhouse, de vraag niet beantwoordende. »Er is geene soort van vrouwen-schoonheid, die mij ooit zóó heeft getroffen als de hare. Zij heeft iets, waarvan men nooit verzadigd is, dat altijd weêr opnieuw verrast en aantrekt. Ik geloof, Schilfern! op mijn woord als edelman, ik geloof het, dat zij mij weêr aan hare voeten had gezien, zoo zij mij door één traan vergiffenis had gevraagd. Waarom huist in dit wezen niet de deugd van Espaleto’s vrouw!”

»Zij moet eene kracht van wil hebben, eene sterkte van geest, en eene heerschappij over zich zelve, die zelfs geen man kan bereiken.”

»Niet waar? want ik kon mij niet meester blijven.”

»Maar zoo nu eens deze onnavolgbare zelfoverwinning deugd ware?”

»Deugd! hoe moet ik dat begrijpen?”

»Ik meen daarmede liefde voor u: liefde voor een echtgenoot is toch wel de deugd eener vrouw!”

De Engelschman borst in eenen luiden lach uit.

»Dokter! gij hebt invallen, die onuitsprekelijk aardig zijn. Zij liefde! liefde voor mij! nóg!”

»Ik heb niet gezegd: is, maar alléén: indien het ware…

»Ja, indien dat zijn kon, Schilfern! dan was er immers geen offer te zwaar, om deze liefde te verdienen!” hernam Glenhouse, met eene warmte, die hem wangen en oogen deed gloeien.

»Maar ziet gij, dat is eene hersenschim, de dolste misschien, die er ooit in het hoofd van een dweper is opgekomen.”

»Het is eene hersenschim,” herhaalde Schilfern, met eenen flauw merkbaren glimlach, terwijl hij zijnen hoed nam; »maar daar men zich het leven zoet maakt met zulke hersenschimmen, raad ik u, daarop voort te denken: het is mijn recept voor heden! En nu ga ik zien, hoe de Markiezin geslapen heeft na haar bal. Hebt gij iets aan haar?”

»Zeg haar, dat zij mij een onderhoud onder vier oogen schen ken moet, dat ik haar geheim weten wil, al zou ik het door de macht des rechters aan de stugge keel ontwringen; al zou ik ook der wereld eene Lady Glenhouse moeten toonen, die de minnares was van eenen Mancini!”

De Engelschman had dien laatsten volzin nog niet geheel uitgesproken, toen reeds de man, wiens naam hij met zoo veel minachting had genoemd, ademloos de kamer binnenstormde en zich voor hem plaatste, met bleeke lippen, met blikken, die van gudsenden toorn getuigden, en met gebaren, die bijna dreigend waren.

»Zoo gij evenveel moed hebt tegen een man, als tegen zwakke vrouwen, Mylord! heb dan de goedheid, een paar woorden met mij te spreken.”

»Heb vooraf de goedheid, te gaan zitten,” antwoordde Glenhouse, die terstond weder zijn gewonen koel spottenden toon aannam, toen hij niet meer alleen was met zijn vertrouweling; »gij zij t mij welkom, ofschoon uwe intrede eenigszins vreemd en onstuimig is voor een eerst bezoek.”

De kalme bedaardheid van Glenhouse werkte eenigermate terug op den Italiaan, die, een weinig beschaamd over zijne hevigheid, met meer matiging hervatte, terwijl hij zich nedervallen liet op den stoel, dien Schilfern hem aanbood.

»Het is zoo, ik ben met overijling binnengekomen, zonder mij te doen aanmelden, en met woorden, die vreemd konden schijnen, als gij niets wist; maar na hetgeen er gebeurd is, moest gij zóó iets verwachten… Zeg mij, waar. is Horatia?”

»Als ik er belang in stelde, dat te weten, zoude ik die vraag aan u gericht hebben.”

»Ontken niet, dat gij weet, waarheen zij vertrokken is. Gij zult mij voldoening geven!”

»Vertrokken!” herhaalde de Engelschman, met vroolijken blos op het ziekelijk, bleek gelaat, en verzonk in een gepeins, waarbij een zachte glimlach om zijnen mond speelde.

»Het is onmogelijk, dat gij er buiten zijt. Begrijp, Dokter! Mylord heeft gisteren lang met haar gesproken! zij heeft mij zelve gezegd, dat hij aanspraak heeft willen maken op hare bekendschap; men heeft hem terstond daarop in eene zekere gemoedsbeweging zien vertrekken, nadat hij mij zeer zonderlinge woorden had toegeworpen, en in dezen eigen nacht is Horatia ontvlucht; terwijl zij mij een biljet achterlaat, dat spreekt van plichten, waaraan zij toevallig is herinnerd geworden; van banden, die zij te lichtzinnig heeft verbroken, en van een voornemen, om zich onverdeeld toe te wijden aan betrekkingen, die haar dierbaar waren. En dat zijn duidelijk voorwendsels: van betrekkingen weet ik niets, ik, die toch hare gansche geschiedenis ken; en banden heeft zij geene andere, dan die haar hadden moeten binden aan mij, in liefde en, ik durf bijna zeggen, in dankbaarheid. Het is blijkbaar, dat scherpe woorden van u haar hebben gewond,” ging hij voort tot Edward, »en tot dien stap overgehaald. Het verwondert mij alleen, dat gij haar nog niet gevolgd zijt. Gij ziet, dat wij duëleeren moeten.”

»Nog niet duidelijk,” antwoordde de jonge Lord, wiens oogen schitterden, en die toegeluisterd had met eenen glimp van genoegen, welken hij tevergeefs poogde te verbergen.

»Tegen een duël verzet ik mij als geneesheer,” sprak Schilfern. »Mijnheer de Graaf Oloferno Mancini is te veel een man van eer, om zich met een zieke te meten.”

»O, wat dat betreft!” hernam Glenhouse lachend, »ik heb genoeg behendigheid, om een weinigje kracht te vergoeden; maar toch heb ik zeer weinig lust, Lady Glenhouse Villiers tot het onderwerp van een duël te maken,”

»Uw naam?’, riep Oloferno, opspringende. »Mijn God! zijt gij met haar getrouwd?”

»Ja Monsignore, lang voordat gij haar hebt gekend. Gij ziet, dat ik de uitdager had kunnen zijn. Ik ben het niet geweest. Ik houd niet van scènes. En Lady Horatia heeft, zonder dat, wel genoeg opspraak gemaakt in de wereld. Zij heeft zwaar tegen mij gezondigd,” vervolgde Lord Edward, uit den lossen modetoon éénsklaps overgaande tot dien van eenen diepen ernst, welke iedere gedachte aan scherts weerde. »Zwaar genoeg, om nooit recht te hebben op vergiffenis; maar in den stap, dien zij nu gedaan heeft, en die niet werd afgesmeekt, nog geëischt, ligt toch een zweem van berouwen inkeer, die haar weer aanspraak geeft op mijne bescherming, nu zij vrijwillig heeft afstand gedaan van de uwe. Ik heb dus voorgenomen, haren naam te sparen als den mijnen. Gij ziet dus, Graaf! dat wij niet duelleeren moeten.”

»Ik zie, dat zij voor mij verloren is,” antwoordde Mancini, die zich in moedelooze verslagenheid naast Glenhouse op de sofa wierp. »Ik erken, dat gij de beleedigde zijt; maar nu moet gij ook toestemmen, dat gij er niet onkundig van kunt wezen, waar zij zich bevindt.”

»Op mijne eer! ik weet er niets van. Als het waarschijnlijkste denk ik mij, dat zij zich bij haar kind heeft gevoegd; want ik hoop nu met grond, dat dit kind nog leeft.”

»Zij was dus moeder en zij heeft het mij nooit gezegd? dit alles heeft zij voor mij verborgen gehouden; nu echter heldert zich veel op, dat mij altijd onverklaarbaar was. Nog te Napels heb ik haar een huwelijk voorgeslagen, maar zij wees het lachende af, onder voorwendsel van vrij te willen zijn.”

»Kom, Graaf! laat ons elkander een wederkeerig vertrouwen schenken,” sprak nu de jonge Lord, »dan zal het ons misschien mogelijk wezen, deze vrouw te ontraadselen.”

»Het zij zoo, Mylord! hoewel het. voor mij tot geene betere ontknooping kan leiden, dan tot Burger’s:

»Lasz fahren: hin ist hin I”

»Ik zal onderwijl mijne patiënten gaan zien,” zeide Schilfern, »mijn zieke, hier, kan ik voor dit uur gerust overlaten aan de behandeling van Monsignor Mancini.”


Ingezonden op: 19 July 2001