HET HUIS HONSELAARSDIJK IN 1638

I.

Toen er te Honselaarsdijk nog een lusthuis was…


Toen er te Honselaarsdijk nog een vorstelijk lusthuis was;… ik meen een lusthuis gemeubeld en bewoond in vollen vorslelijken luister. — Toen er de slotgrachten nog frisch en helder waren, en krioelden van springende, dartele visschen, toen de lanen en dreven daar rondom onderhouden waren met die zorge en keurigheid, die van ’s meesters oog getuigt; toen dat alles was wat het niet meer worden zal; — toen men nog 1638 schreef om het al te zeggen, wandelde een man van een deftig en ernstig uitzicht door eene der lanen van het bosch Hondshol, dat ten laatste zich aansluit aan de meer kunstmatig daargestelde dreven van het kasteel; van tijd tot tijd bleef die man stilstaan en rondzien, als om zijn dubbel deel te nemen van het natuurgenot, als om met langzame teugen de frischheid van de lucht in te drinken, en de geuren in te ademen, die ’t welig kruid en het dik gebladerte hem toewuifden; somwijlen zette hij zich neer op eene der natuurlijke banken, door mos en zoden rondom de boomen gevormd, en bleef dan eene poos zitten, met zijn dikken wandelstok tusschen de beide handen geklemd, met eene uitdrukking van kalmte en kracht in houding en gelaat, die pleizier deed om aan te zien.

Toch werd hij gestoord. Een oogenblik, nadat hij zich weêr zulke rust had gegund, werd hij ingehaald door iemand, die hem op zijde trad, een jonkman in de eerste vaag der jeugd, uiterst prachtig gekleed, en die met eene zekere gemeenzaamheid tot hem zeide:

— Ik bidde u, vriend! sta mij even te woord!

— Tot uw dienst, edele jonker! waartoe kan ik u nut zijn?

— Enkel om mij in den weg te recht te helpen, doch noem mij niet edele jonker, ik ben een burger, een Amsteldamsch koopmanszoon, die op adeldom noch titels recht heeft.

En de jonge man zeide dat op een toon, die bewees, dat de vergissing in zijn rang hem zeer bijzonder onaangenaam moest zijn, hetzij uit republikeinschen afkeer van zulke onderscheidingen, hetzij uit eenige kleingeestige gewaarwording van benijding.

— Wel doch, mijn jonge meester! gij zult u daarbij niet kwalijker vinden en ik denkelijk ook niet; hoofsche jonkers vallen bij wijlen wel eens wat snibbig in ’t antwoorden, en in u hope ik nog een jolijselijk gezel te vinden op mijne wandeling, hernam de oudere vreemde met eene fijne berisping van des anderen korzelig antwoord, berisping die zeker begrepen werd, want de jonge man sprak:

— Ik acht niet dat ik u een goed gezel zijn kan, want naar ik merk zijt gij gestemd tot jok, en mij staat het hoofd niet naar vroolijkmoedigen kout.

— Op uw leeftijd en in uw staat kan men doch altijd stoffe vinden tot blijgeestigheid, als men er maar recht naar zoekt, mijn jonge vriend! en ergert het u nu dat gij geen edelman geboren zijt, als we tien jaar verder zijn, zit ge wellicht op ’t kussen in den raad uwer stad of in de Staten, en wordt als Edelmogende aangesproken! een Amsteldamsche koopmanszoon kan tot alles komen; dus burger te zijn, zegt meer dan een Heer te heeten, ’t is de meester wezen van prinsen als men bij u in stad zegt!

— Lacy! op mijn leeftijd vraagt men er wat naar, met hoedanigen titel men over tien jaar zal genaamd worden. Tegens de kwale die mij nu prikkelt, baat geen medicijn, die eerst over tien jaar kan worden ingenomen, gesteld nog ze lag dan onder mijn bereik. En uwe vergissing…

— Beken dat de schuld daarvan aan uwe zijde ligt. Bylo, uwe dracht is zoo weidsch, ik zie zoo singulier een juweel blinken in de roze van uw kastoorhoed, uw mantel is van zulk kostbaar gebloemd fluweel, de slippen van uw zijden wambuis zijn dus sierlijk geboord met goud passementwerk, uwe mouwen en hoozen getooid met zooveel strikken en linten, dat ik u aanzag voor eenig hovelink of eerejonker van eene der prinsessen.

De jonkman zuchtte diep en scheen uit de volheid van zijn hart te willen antwoorden, maar plotseling bezon hij zich en zeide alleen morrend:

— Zoo gij onze vaders de meesters van prinsen noemt, moge het ons doch veroorloofd zijn geen slechter gewaad te dragen dan de dienaren der vorstinnen.

— Ei, wie zal uwe vrijheid perke stellen? Ik meene doch nietwes anders dan ’t gebruik, en zoo bij wijlen een sermoen van den een of anderen predikant, die tegen de uiterlijke weelde ijvert; maar wie ’t verbiede, ik allerminst, die ’t wel gaarne zien mag dat de effenheid van het zwart gebroken wordt door rood karmozijn en goud, en door zoo fijne Vlaamsche kant als waar uw omgeslagen hemdsboord meê prijkt. Linten, rozetten, gesteenten en ander sierlijk tuig, dat wat fladdert en flikkert, breekt de strakke stijfheid der gestaltenis, en hoogt de frischheid op van een jeugdig aanzicht en helderblauwe oogen als de uwe. — Met uw oorlof, Mijnheer! wie zijt gij? aan uw simpelen bruinen mantel hield ik u voor een stemmig burger, doch deze tale die gij voert, is meer die van…

— Een konstenaar! meent ge, zoo zijt gij niet ver van de waarheid. Voor ’t minst ik jage de konst na, soms met wat goede fortuin, doch niet altijd, sinds die luimige godinne bij wijlen wegvliedt, juist als men haar meent te grijpen.

— Een konstenaar, riep de jonge man zichtbaar verheugd, overzeker een schilder, o! zeg mij doch, zeg mij doch haastig met wien mijne goede fortuin mij dus laat samentreffen ?

— Gemak, mijn jonge vriend! blijf doch gedekt, de zon steekt fel, ’t is geen prinse der konst die voor u staat. Ge ziet wel dat ik nog den ouderdom van Bloemaert of Miereveld niet heb bereikt, en Voor den Heer Rubens zult gij mij toch niet houden, ik ben Gerard Honthorst — ziedaar alles!

— Gerard Honthorst! Honthorst! wien prinsen en heeren om zijne tafereelen en conterfeitsels bidden als eene hooge gonst, die Rome heeft gezien, en in die groote vaderstad der fraaie konsten zulke glorierijke triomfen heeft behaald, die de vlagman is van alle Nederlandsche conterfeiters…

— Ei zwijg doch, jonkman! meent gij dat ik met hoofsche redenen, complimenten en dergelijke viezevazerijen meer, niet al genoeg gediend word en te over!

— De roem is toch een begeerlijk goed, meester Honthorst!

— De roem! overzeker, maar zich altijd te hooren roemen .…

— Moet doch veel zoets in hebben.

— Ja, zoo overveel zoets, dat men er af walgt, overigens zal mij van die gesuikerde spijs voor heden wel mijn deel zijn weggelegd, als ik mij weêr daar ginds bevinde op ’t lusthuis!

— Daar ginds! een lusthuis, toch wel niet dat van Honselaarsdijk? riep de jonge man, sterk kleurende:

— Juist dat! het huis van Zijne Hoogheid Prins Fredrik Hendrik, dit voetpad leidt met een kleinen omweg derwaarts; maal uit de versteldheid van uw wezen zou ik meenen dat uw tocht een ander doel heeft, en dat gij u op een doolweg acht.

— Ik meende u juist den weg te vragen naar dat huis, hernam de jonkman, het hoofd afwendende om den scherp onderzoekenden blik van den schilder te ontgaan.

— Zoo wandelen wij samen, ik heb er voor eenige dagen mijn logies.

— Gelukkige!

— Dat is zoo’n overgroot geluk niet, en licht gewordt u die fortuin zelf, als gij er eens geweest zijt, men is er met uitnoodigingen huide ten dage gul genoeg.

— Maar ik zal er niet binnengaan! ellendige die ik ben! de hoogste begeerte, die ik voeden mag strekt alleen om te dolen zoo dicht in de nabijheid van het huis als ’t zijn kan, en naar de vensters op te zien zoolang… wachters of heidukken het gehengen.

— Maar zijt gij dol, jonge man! waartoe zoudt ge dus den dolenden ridder spelen, als daar ietwat u naar binnen trekt? het kan voor uws vaders zoon en voor een jonkman van uw uiterlijk geene moeite zijn toegang te verkrijgen, en zoo gij mij uw naam zegt, wil ik zelf voor uwe inleiding zorg dragen.

— Het kan niet wezen! dat kan niet onbekend blijven, ’t zou ruchtbaar worden, tot den Haag klinken, tot Amsteldam wellicht, en mijne zaken staan zonderdat wel slim genoeg. Ik bidde u, meester Honthorst! zoo ge wat goedheid voor mij hebben wilt, spreken wij van u en van uwe konst, en help mij eene wijle mij onttrekken aan het peinzen op kwellinge? die niet te verhelpen zijn.

— Ik wil ’t beproeven, ik ben ook zelf nog niet oud genoeg om vergeten te zijn wat ons tusschen de twintig en dertig de droefkreukels in ’t voorhoofd zet. Om dan naar uw wensch van mij te spreken, moet ik aanvangen met hooge personaadjen, hun komt de voortrede toe, als de hofwet luidt; daar gij van Amsteldam zijt, zult ge weten wie er te dezer dagen hier in Holland reist… sinds de statelijke wijze daarmeê men haar in uwe stad heeft ontvangen en getracteerd…

— Voorwaar! de reize van de Koningin Maria de Medicis en haar verblijf tot Amsteldam geheugt mij en zal mij bijblijven tot mijn jongsten snik! antwoordde de jonge man, met zoo zichtbare hartstochtelijkheid, dat de goede Honthorst glimlachend de oogen toekneep, alsof hij zeggen wilde, ik begin te raden. Dat die Vorstin heden ten dage zich onthoudt op Honselaarsdijk, mag u ook wel bekend zijn.

— En dat zij er wacht op gunstigen wind om naar Engeland over te steken… zeker, dat wete ik! en des jonkmans oogen werden vochtig. Honthorst hield zich of hij dat niet opmerkte. — Ja! op gunstigen wind of op wat anders! Nu moet gij weten dat de Koningin hoogst voldaan over de gracelijke ontvangst van de Amsteldamsche magistraat — zich heeft voorgenomen dezen heeren haar portret te schenken ter gedachtenis en ten bewijze van haar dank voor dit goed onthaal. De dagen hier op het land zijn voor Hare Majesteit dagen van rust — of om juister te spreken, van verpoozing na het drukke feestgewoel, en de vermoeienissen der intochten en festijnen — en dat respijt wil zij waarnemen om zich te laten conterfeiten… daartoe werd ik ontboden.

— Gij, gij! overgelukkige, dat ik in uwe plaats ware, ik zou mij de benijdbaarste creatuur achten onder de zon!

— Dat is voorwaar zoo’n benijdbare taak niet, mijn jonge vriend! Ik heb grooter geneuchten gesmaakt bij ’t oefenen mijner konst, dan die mij wachten bij ’t nabootsen der trekken dezer onvergelijke Koningin der Leliën, als de dichters haar noemen, vernuftige, maar gevaarlijke logenaars die ze zijn, want, onder ons gezegd, die tronie dus hoog geroemd, en vergeleken bij al wat daar van blinkend wit gevonden wordt, van de paarlschulp af tot op de zuiverlijke sneeuw toe, moet vrij wat in blankheid wijken voor de reine bloemekens van haar wapen. Toch, en oordeel nu zelf van ’t konstgenot dat mij wacht, zal ik zoo wit eene verwe niet op mijn penseel konnen nemen, of men zal klagen dat ik de hare onrecht heb gedaan!

— Het blijft voor u toch altijd eene groote eere, meester Honthorst! sprak de jonge man ietwat scherp.

— Eere! ja zekerlijk, die is het mij, maar deze toch weder zoo periculeus als hoog, en die altijd minder vleit waar zij ons gewordt, dan krenking zou gebracht hebben waar zij ons was ontgaan; — en daar hij zag dat de jonge man groote verwonderde oogen naar hem opsloeg, vervolgde hij:

— Ja, mijn jonge meester! menschen in ’t gemeen, en konstenaars in ’t particulier zijn nu eenmaal zoo. Ambitie laat ons nooit toe het vredig genot der ruste te smaken; ’t zij bij honger, ’t zij bij oververzadiging, immer blijft hare gierigheid ons kwellen en meerder vragen.

— Och! dat ik konstenaar ware, riep de jonkman met schitterende oogen en het voorhoofd hoog gekleurd.

— Wie geboren is om het te zijn, mag er den Heer voor danken, wie het niet is, zal wel doen er niet naar te staan, de mensch maakt zich nooit wat de Schepper hem niet heeft gemaakt. En waarom zoudt gij wenschen oefenaar der konst te zijn, sinds niets u verhindert beminnaar, beschermer der konste te wezen, en haar te genieten op zulke wijze… als… niet voor ons is weggelegd.

— Waartoe mij dat dienen zou! nu dienen zou! riep de jonge man met vuur. — Licht hield ik dan uwe plaatse, en… en… maar daar valt mij iets in. Gij kunt voor mij doen, wat ik voor mij zelven zou willen, meester Honthorst! mijn nobele, mijn treffelijke vriend, gij kunt mij een grooten dienst bewijzen, mij den eenigen balsem schenken, die wat soelaes kan brengen aan mijn bitter harteleed.

— Zeg mij welken, jonge man! als het doenlijk is is hij u beloofd.

— De uitvoerlijkheid er af staat aan uw oordeel: Ik vrage u alleen maar een conterfeitsel; zoudt gij er twee konnen maken tegelijkertijd?

— Of ik dat kan! kopieën! noodziende wel een half dozijn. Of ik dat mag! dat is eene andere zake, bij eer en trouwe dat mag niet! dat is u tegelijk gezegd, dat ik het niet wil.

— Zoo ontvaart mij de laatste hope!

— Ei wat! de laatste hope; waarom zoude een jonkman van uw uitzicht zoo fluks met de hope hebben afgedaan, daarvan de gekromde grijsheid zelve zich niet scheiden wil?

— Wat baat het toch zich te steunen op dat zwakke anker eener bedriegelijke hope, dat niet meer kan dan ons medesleepen tot de grondelooze diepte van wanhoopskolke, daarin ik toch niet zou schromen verloren te gaan, ware ’t niet om den wille mijner ouderen, die eenmaal noodig konden hebben de zwakheid huns ouderdoms te steunen op de krachten mijner jeugd!

— Dat is een goed beginsel, jonkman! houd dat vast, het zal u tot kompas strekken om u over menige klip der jonkheid veilig heen te voeren. Doch zeg mij, wie zijn uwe ouderen, ik weet nog niet eenmaal uw naam.

— Och! wat zal u mijn onberoemde naam, die naast den uwen geen glans heeft dan dien van ’t vaderlijk goud.

— Dat u de Nikker hale, jongen! met uwe kleinachting voor eerlijk gewonnen schatten, viel de schilder uit. — Wat zegt ons arm penseel tegen de vruchtbare vlijt onzer handelaren en zeeluiden, die tochten ondernemen en konsten helpen uitvinden, daar al de wereld nut van heeft, en de nazaten nog de groote winsten van deelen zullen! God beware mij, dat ik de gave mijner konste eene geringe zoude achten, of ooit om Indische schatten mijn penseel, nu ik het eens met eere houde, zou willen ruilen voor den handelsstaf van Mercurius; maar gij, bedenk dit, eer ge den laatsten veracht, dat zoo wij recht hebben de schoone Hollandsche maagd uit te beelden met een hoorn van overvloed aan hare voeten, de nijverheid van handel en zeevaart eerst dien hoorn met hare gouden vruchten hebben gevuld. En nu zonder dralen uw naam!

— Geurt Adriaansz Wijnsse is mijn vader, en ik heet Diedrik, antwoordde de jonge man zacht en weifelend.

— Wat! riep Honthorst, gij zijt de zoon van Geurt Adriaansz, een van de vroomste en uitnemendste handelaren van Amsteldam! Vroedschap van die stad, bewindsman van de Oost-Indische compagnie, onkreukbaar patriot, in handel en wandel oprecht Christen! en een welverstandig liefhebber en vorderaar der konsten! Gij zoudt diens mans zoon zijn, jonge heer! en niet fier wezen op uwe herkomst en uw naam niet met vromen trots uitroepen voor al de wereld! Fij! van u; zoo ik niet achtte, dat daar ietwat anders in ’t spel was dan ijdeltuitige begeerte naar hoogheid of beruchtheid, ik wilde niet mijn weg gaan met zoo pover een geest, of zoo flauwhertig een hart.

— Gij oordeelt te straf bij onwetendheid mijner intentiën. Ik achte mijns vaders naam en staat al zoo goed als die eens anderen, ware ’t een prinse van koninklijk bloed, of een prinse der konste — alleen zoo in ’s jonkheids gloed het harte trekt naar een onbereikbaar voorwerp, en zich te laag ziet gesteld zelfs voor ’t aanschouwen, en dan de ladders meent te zien, die hem toch nader hadden konnen brengen, acht gij het dan zoo groot onverstand of ijdelheid, dat men spijt heeft die niet te kunnen opstijgen.

— Een ander en wijzer dan ik, zou u veellicht zeggen, zie niet op naar het onbereikbare en gij zult vergeten het te begeeren, staar niet in de zon, ge mocht stekeblind worden; maar eene zulke raadgeving zou nu toch te laat zijn.

— Ja, veel te laat!

— Dus vrage ik u alleen, hebt gij zekerheid dat de staat van edelman of die van konstenaar u tot de vervulling uwer wenschen zou brengen?

— In ’t allerminste niet, alleen ik zou dan binnengaan en gemeenzaam verkeeren, met oorlof der mijnen, waar ik nu op verren afstand moet blijven, ten ware dat ik mij openlijk tegen mijns vaders wil en beginselen verzette!

— Uw vader wil alzoo niet, dat gij daar binnen zult gaan? vroeg Honthorst, op het lustpaleis wijzende, dat nu reeds dicht voor hen lag.

— Zoo mijn vader wist dat ik hier was, stellig ontzeide hij ’t mij, doch hij weet het niet, hij kent nog mijne kwale niet; hij weet niet wat mij met een baloorig gemoed tegen zijn dank het huis heeft uitgedreven, niet waarom ik Amsteldam heb verlaten en den hofstoet ben nagereisd tot ’s Hage, tot hier, altijd aangetrokken door die ongelijkbare verschijning, die juist nu voor mij verborgen blijft, nu ik haar meer nabij ben dan ooit.

— Ik wist wel dat er liefde in ’t spel was, sprak de schilder , zonder zich sterk bewogen te toonen door den pathetischen toon van Diedrik.

— Liefde zegt ge, man! liefde! ’t is razernij.

— Nu ja, razernij, mij ook goed, alle liefde heeft er ietwat van eer ze haar keerpunt heeft bereikt.

— En gij! gij! bevoorrechte, zult daar binnengaan om der wille van uwe konst, riep Diedrik.

— Ja, maar vooreerst nog niet, ik word niet gewacht vóór twaalven en voor mij zelven heb ik nog geen haast, daarop zweeg hij en trok zich de zwarte mutstatsen heen en weder, als zouden die hem een hulpmiddel aanwijzen. — Gij hebt gelijk, als gij mijn confrater waart zou ik u kunnen inleiden, zonderdat het opzien wekte, en, ziet gij, ik ben van opinie, dat hetgeen gij uwe kwale noemt, genezing zal vinden door ’t aanschouwen van nabij, mits daar iemand nevens u ware die u den rechten bril wist op te zetten! bij St. Velten! wij leven in de eeuw der uitvinding van lans, en wij zouden een jonkman als deze dus kortzichtig laten zonder zijn blik op te klaren! dat gaat nimmermeer! Luister, heer Diedrik! ik zal u gindsche poort inbrengen, zonderdat iemand naar uw naam of herkomst vraagt.

— Zoudt gij dat voor mij willen doen, meester Honthorst!… maar… mijn vader?

— Ik ben hem grooten dank schuldig, eens heeft hij mij heuschelijk verplicht, ik zal ’t hem loonen in zijn zoon!

— Als hij u dien dienst dankelijk afneemt… zou ’t mij toch wonder doen.

— Hij zal tevreden zijn, en gij zult wel grooter mirakelen beleven, eer deze dag ten einde is. Maar vermits de naam van Geurt Adriaansz in de hofzalen van ’t stadhouderlijk lusthuis niet weêrklinken mag, moet de jonge meester Diedrik een zediger kleedij aannemen, wil hij die onder mijne hoede binnengaan…

— Dan zal ik naar den Haag terug moeten om mij die aan te schaffen.

— Dat is onnoodig, wij wandelen samen even op tot Naaldwijk, ’t is een kwartier gaans. Ik heb daar mijne herberg, waar ik de luiden bespreek, die ik niet wel op ’t slot ontvangen kan. Ik heb er een deel mijner goederen en kostumen van allerlei aard. Gij moet u de dracht van een simpelen leerling getroosten, en verders eene zwijgende rol spelen. Voor al het andere laat gij mij zorgen.

— Hoe gij mij gelukkig maakt! overwaar mijn goede genius bracht mij tot u.

— Ik geloof dat ook! antwoordde Honthorst; toch had zijn blik iets dubbelzinnigs en zijn glimlach iets schalks, dat Diedrik ontging, maar dat eenigszins onzen argwaan wekt.

Zij sloegen den weg naar Naaldwijk in.


Ingezonden op: 19 July 2001